De eerste beklimming van de Pico Ricardo Franco in Noord-Brazilie door Generaal Rondon c.s. in 1928 –format

Kennismaking met de Sipaliwini-savanne _
Plaats en aard
In het zuiden van Suriname rond het midden van de grens tussen dat land en Brazilië bevindt
zich een uitgestrekt boomloos heuvelland, dat aan Surinaamse zijde bekend staat als de grote
Sipaliwini-savanne, genoemd naar de hoofdrivier in dat gebied, waarin de naam Sipari voor
een in de bovenrivieren veel voorkomende stekelrog herkenbaar is. Maar evengoed kunnen de
inheemse begrippen “sipa” (steen) en “wini” (water of rivier) aan dit steenrijke landschap
ontleend zijn. Sinds 1971 is het gebied een natuurreservaat.
De aard van dit landschap wordt in de Encyclopedie van Suriname als volgt verwoord: Het
grootste deel van het reservaat wordt gevormd door de savanne (630 km²), een golvend
heuvelachtig landschap van bijzondere schoonheid, 275-400 m. boven zeeniveau, op de
meeste plaatsen bedekt met stenen en steenblokken. Het landschap wordt beheerst door het
open “boomgaard-savannetype”: een merendeels uit (schijn)grassen bestaande lage
kruidenvegetatie met verspreide bomen. In de kreekdalen staat Maurisiepalm-bos. Te midden
van de savanne, die elke droge tijd verbrandt, liggen geïsoleerde bosresten. De Morro
Grande (596 m.) en de Vier Gebroeders (554 m.) en enkele naamloze toppen in het zuiden
rijzen als “Inselber-ge” boven het landschap uit.

Sipaliwini Savanne met Morro Grande. Foto Bubberman

  • 1 –
    Aan de Braziliaanse kant staat de voortzetting van dit gebied in engere zin bekend als de
    Paru-savanne, naar de aldaar stromende rivier, maar in algemene zin meer als het “Parque
    Nacional de Tumacumaque”, 25000 km² groot, dat op initiatief van de Braziliaanse oudambassadeur en krantenmagnaat Assis Chateaubriand in 1968 officieel werd ingewijd met een
    persoonlijk bezoek namens het World Wildlife Fund van de bekende vliegerpionier Charles
    Lindbergh.

Geschiedenis
Dat dit deel van de wereld in het zuiden van Suriname al vele eeuwen bekend was bij de
inheemse bevolking, de indianen van de “Tropenwoud-culturen”, behoeft geen betoog. Het in
een voorgaande droge klimaatperiode gevormde open terrein met zijn uitgestrekte graslanden,
zijn galerijbos langs de kreekoevers en zijn plaatselijk oprijzende stenige bergen moet
ongetwijfeld de vroegste migranten in deze streek hebben aangetrokken, alleen al vanwege
het vrije zicht en de jacht. Beschrijving van dit tot voor kort moeilijk toegankelijke gebied
kwam dan ook pas tot stand na de ontplooiing van externe belangstelling, met name tentijde
van de Europese expansie en kolonisatie. Daarom is de Sipaliwini-savanne dus pas op hoge
leeftijd aan de buitenwereld gepresenteerd.
1609
De oudste vermelding van dit unieke gebied staat op conto van de Britse ontdekkingsreizigers
Harcourt en Fisher. Op hun reis langs de Zuid-Amerikaanse kust voeren zij in 1609 de Marowijnerivier, de grens tussen het latere Suriname en Frans Guyana, een eindweegs op en
troffen daarbij een talrijke inheemse bevolking aan. Het is treffend dat zij hebben opgetekend
van de inwoners vernomen te hebben dat in het verre zuiden uitgestrekte boomloze open
grasvlakten te vinden waren. Treffend, omdat daaruit blijkt dat er toen nog goed contact moet
hebben bestaan tussen de inheemsen van de kust en die uit het verre zuidelijke grensgebied.
In de latere koloniale periode zou dit directe contact vrijwel verloren gaan.
1725
Volgens in Belèm do Para opgedoken manuscripten doorkruisten in dat jaar enkele Jezuïeten
dit nog onbekende gebied na de Corantijnrivier in Suriname te zijn opgevaren op weg naar de
Braziliaanse Parurivier. Zij moeten dus daar de eerste “buitenstaanders” zijn geweest.
1850
Inmiddels was de kolonie Suriname gesticht en hoorde ook de bekende Duitse militairpionier
A. Kappler over grote savannes in het zuiden van Suriname van de intussen aan de Marowijne
gevestigde “marrons”, afstammelingen van ontvluchte slaven, die toen al geruime tijd als
tussenpersonen handel dreven met de “bovenlandse” indianen.
1907
Behoefte aan efficiënt bestuur in het land maakte het tenslotte noodzakelijk om het onbekende
binnenland structureel op de kaart te zetten, hetgeen geschiedde door uitzending vanaf 1901
van een 7-tal min of meer natuurwetenschappelijke overland-expedities.
Een daarvan, de Tumak Humak-expeditie van 1907 onder leiding van de luitenant ter zee
C. H. de Goeje met als doel het zuidelijke grensgebied te verkennen, kwam niet verder dan de
Sipaliwinirivier. Vanwege de vijandige houding van de inheemsen moest de expeditieleiding
tot terugkeer besluiten, zoals de Goeje in zijn verslag schreef: Wij stonden nu voor een lastige
beslissing, en wel: teruggaan en tevreden wezen met het verkregene; of: blijven om te
trachten nog verder door te dringen, met de kans dat wij met ons personeel er het leven bij
inschoten en de uitkomsten van onzen arbeid verloren zouden gaan.

  • 2 –
    De uitgestrekte savanne kon dus slechts vanaf een heuveltop op grote afstand worden
    waargenomen, maar de Goeje bracht wèl naast geografische data voor het eerst ook uitvoerige
    gegevens mee naar huis omtrent de inheemsen zelf en hun talen. Hij werd later dan ook als
    een der eerste “Amerikanisten” beschouwd.
    1928
    In dat jaar trok een Braziliaanse verkenningsexpeditie onder leiding van generaal C. Rondon,
    leider van de toenmalige Braziliaanse “Beschermingsdienst voor Indianen”, via de Parurivier
    naar de “Campo Geraës” en signaleerde een geïsoleerde berg, die toen de naam Morro Grande
    kreeg en 5 jaar later precies op de waterscheiding tussen Suriname en Brazilië bleek te liggen.
    Een door hem in die buurt geplaatste bruinhardhouten paal is dus als eerste grenspaal tussen
    beide landen te beschouwen.
    1935-1938
    De werkzaamheden van een gezamenlijk Nederlandse-, Braziliaanse-, Franse- en Britse
    grenscommissie dienden in die jaren te voorzien in een definitieve grensafbakening tussen
    Suriname, Brazilië, Frans- en Brits Guyana.
    Het is duidelijk dat toen pas uitvoerige beschrijvingen van dit arcadische savannelandschap
    op de grens tussen Suriname en Brazilië tot de buitenwereld konden doordringen.
    Wellicht illustratief zijn de woorden van het Nederlandse commissielid A. J. H. van Lynden,
    toen hij als eerste op 4 oktober 1935 na een dagenlange vermoeiende tocht door donkere
    bossen dit landschap kon betreden en feitelijk beschrijven: Wij zijn nu uit de op den duur
    beklemmende oerwoudatmosfeer in de open ruimte gekomen, in de eindelooze onafzienbare
    savanne. Het is niet een vlakte, maar een golvend open land met heuvels en dalen, waarin
    oasen van Mauriesie-palmen; hier en daar aan de horizon verre bergen; in het Oosten op
    ongeveer 10 kilometer een grillig miniatuur gebergte met vier begroeide toppen (door mij de
    Vier Gebroeders genoemd); maar in de onmiddellijke omgeving slechts met gras en hier en
    daar een schraal boompje begroeide heuvels; op de hellingen verspreid liggen rotsgroepen en
    losse stenen. Nog nooit zag een Surinamer zoo wijd en ver over boschloos land.
    De expeditiearts H. E. Rombouts zorgde voor de eerste imposante landschapsfoto’s van dit
    gebied.
    Nog nooit zag een Surinamer zoo wijd en ver over boschloos land. Foto Norde
    Dat overigens na deze wederzijdse grensafbakening met buurland Guyana tot op heden een
    geografische conflictsituatie is blijven bestaan, vindt niet alleen haar oorzaak in de interventie
    door de Tweede Wereldoorlog die ondertekening van het definitieve grensverdrag door
    Nederland verhinderde, maar ook in de Britse politieke houding voor en na die tijd.
  • 3 –
    1939
    Na zijn beroemde Kerstvlucht over de Atlantische Oceaan van Amsterdam naar Paramaribo in
    1934 is het KLM-vliegtuig de Snip in “De West” gebleven om aldaar een passagiersdienst
    tussen Suriname en Curaçao te onderhouden.
    Vanaf dat jaar werd het vliegtuig incidenteel ook ingezet voor andere doeleinden, zoals
    verkenning van het Surinaamse binnenland vanuit de lucht. Zo kwamen in overleg met de
    onderzoekers D. C. Geyskes en G. Stahel in 1939 de eerste luchtfoto’s van het
    Sipaliwinigebied beschikbaar, waaromtrent ondergetekende van de toenmalige navigator in de
    jaren ‘60 vernam dat de gezagvoerder van de Snip, voorzien van extrabrandstoftanks, speciaal
    uit Nederland order had gekregen om onder geen beding een landing in dat gebied te wagen.
    Hij herinnerde zich nog levendig de her en der omhoog kringelende rook uit het omringende
    bos als duidelijk bewijs van bewoning.
    Ook werd in dat jaar in Nederland, op initiatief van de universiteit van Utrecht, overwogen
    om een natuurwetenschappelijke expeditie uit te zenden speciaal naar dit gebied, waarbij de
    Snip wellicht ook een rol zou kunnen spelen, hetgeen echter vanwege de Wereldoorlog moest
    worden uitgesteld.
    1941-1942
    In die jaren trok de heer Lodewijk Schmidt uit Gansee, oud-medewerker bij de
    grensexpedities, met een vanwege de oorlogstoestand geheime opdracht van het
    gouvernement naar dit grensgebied om na te gaan of geruchten omtrent een mogelijke “Duitse
    invasie” vanuit Brazilië op waarheid berustten. Hij vond niets verdachts, maar verhoogde wel
    de waarde van zijn niet geringe inspanningen met grondig onderzoek omtrent de
    bevolkingsdichtheid en de lokale infrastructuur, dat in later jaren van grote betekenis zou zijn.
    1957-1958
    In die periode werd het zuiden van Suriname door het fotografisch bedrijf KLM-Aerocarto
    systematisch vanuit de lucht gefotografeerd. Sindsdien stond ook de Sipaliwini-savanne dus
    uitvoerig op de foto in de schaal 1 : 40000.
    1961
    In dat jaar werd in het kader van de Operatie Sprinkhaan, de aanleg van een 7-tal airstrips
    in het binnenland, onder leiding van de onderzoeker D. C. Geyskes het vliegveld Sipaliwini
    aangelegd aan de gelijknamige rivier op korte afstand van de savanne zelf.
    1962
    Een bezoek aan de savanne door de onderzoeker H. Dost in dat jaar leidde door de vondst van
    talloze door flintertechniek verkregen stenen werktuigen tot de conclusie dat het gebied zeker
    al duizenden jaren door mensen bewoond moet zijn geweest, dus sporen van de eerste mensen
    in Suriname ! Van hem komt de treffende uitspraak: “De Sipaliwini-savanne ruikt gewoon
    naar prehistorie“.
    1963
    In dat jaar ondernamen de geologen Th. Ornstein en G. J. van Lingen van de Geologisch
    Mijnbouwkundige Dienst (GMD) een verkenningstocht van de Palumeu-airstrip naar de
    Sipaliwini-airstrip en verkregen daarbij een eerste indruk van de geologische situatie in dat
    gebied ten behoeve van de Nationale Geologische Kaart. Zij staken ook de grens over.
    1966
    De bioloog J. van Donselaar en boomkenner J. Tawjoeran van de Dienst s’Lands Bosbeheer
    (LBB) doorkruisten de savanne en bestudeerden als eersten de grote granietplaten met hun
    typische begroeiingsvormen. Op een daarvan deden enkele rijen in één bepaalde richting
    geplaatste losse stenen ook duidelijk denken aan mensenwerk.
  • 4 –
    1967In dat jaar werd een primitieve airstrip aangelegd in de savanne op de grens met Brazilië
    ten behoeve van een particulier veeteeltproject.
    1968-1972
    In deze periode was het “druk” in de Sipaliwini-savanne, te beginnen in 1968 met een bezoek
    van de bodemkundige W. L. Asin.
    En eindelijk was er tijd voor de destijds uitgestelde natuurwetenschappelijke expeditie onder
    auspiciën van de Nederlandse stichting Wetenschappelijk Onderzoek in de Tropen
    (WOTRO), waarbij hoogleraar en “savannekenner” J. Lanjouw te Utrecht een belangrijke rol
    speelde.
    De uitvoering van dit plan kwam tot stand door samenwerking van de Utrechtse universiteit in
    Nederland met de Surinaamse Dienst ’s Lands Bosbeheer. Onder algemene leiding van de
    bioloog J. P. Schulz zwierven kenners op geomorfologisch-, botanisch- en zoölogisch gebied
    vele maanden door het terrein, door de lucht van leeftocht voorzien. Zij deden interessante
    waarnemingen en vondsten, vastgelegd in rapporten en publicaties:
    — De scherpe “brandranden” van de geïsoleerde restbosjes en galerijbossen bleken ondanks de
    herhaalde vegetatiebranden verbazend stabiel te zijn en bestaan dus al geruime tijd.
    — De vele door erosie uitgesleten verticale geulen, “draketanden”, in het graniet van de in de
    savanne liggende rotsblokken, doen vermoeden dat deze al sinds onheuglijke tijden bloot
    moeten hebben gestaan aan de open lucht, waarbij (chemische) erosie haar werk kon doen.
    — De botanici R. Norde en F. H. F. Oldenburger maakten melding van de vondst van een
    zeggesoort, Diplacrum africanum, een soort die in Afrika voor het eerst beschreven was en
    dus de bekende stelling van Wegener, dat de continenten van Zuid-Amerika en Afrika ooit
    één geheel vormden, botanisch helpt bevestigen.
    — De bioloog R. Hoogmoed vond aan de bovenloop van de Viergebroederskreek een
    onbekende kikkersoort, Dendrobatus azureus, die met zijn opvallend hardblauwe kleur
    tussen het groen en bruin van het bos niet bepaald onzichtbaar is. Het is dan ook een
    gifkikker.
    — Enkele “savannehonden” van de soort Cerdocyon thous werden in dit gebied voor het eerst
    Levend gevangen savannehond. Foto Norde
  • 5 – gevangen, gefotografeerd en afgestaan aan een dierentuin. Wellicht is interessant om te
    memoreren dat deze soort al rond 1933 op de plantage Peperpot aan de Surinamerivier was
    gevangen en gefotografeerd.
    — Ook is interessant dat in de bosresten op de savanne een aanzienlijk aantal nog onbekende
    boomsoorten werd aangetroffen.
    — Het onderzoek van de geomorfoloog H. Th. Riezebos zou in later jaren de eerste en tot nu
    toe enige dissertatie over dit gebied opleveren: Geomorphology and Soils of Sipaliwini
    Savanna, Southern Suriname.
    De “strijd” om de Sipaliwini-savanne
    De resultaten van deze expeditie kwamen juist op tijd om de pogingen van de Dienst s’Lands
    Bosbeheer ter veiligstelling van enkele natuurgebieden in Suriname, in het bijzonder dus de
    Sipaliwini-savanne, te ondersteunen.
    Echter, in dezelfde periode had zich een Amerikaan onder de naam Meyers bij de Overheid
    aangediend met plannen voor een veebedrijf, waarvoor hij al in 1967 toestemming had
    gekregen voor de aanleg van een airstrip in de savanne vrijwel op de Surinaams-Braziliaanse
    grens, de invoer van een kudde koeien uit de Rupununi-savanne in Guyana en het aantrekken
    van buitenlandse cowboys.
    Een en ander strookte uiteraard niet bepaald met de mogelijke instelling van een
    natuurreservaat. Van hoog politiek niveau kwam het voorstel om het gebied dan maar in
    tweeën te delen, gezien de aard van het gebied een nogal onnozele oplossing. Die oplossing
    kwam er tenslotte haast vanzelf met de teloorgang van het veebedrijf zelf, ook al omdat de
    eigenaar inmiddels was verongelukt.
    Ook verscheen in die tijd ene heer van Praag, nazaat van de eigenaar van het vroegere
    Handelshuis A. van Praag te Paramaribo, die als “representant” van de Italiaanse
    luchtvaartmaatschappij Alitalia een aanvraag indiende om in de Sipaliwini-savanne een soort
    vakantiehotel op te zetten voor vermoeid Alitalia-personeel. Toen hij begreep dat dit wazige
    plan alleen maar wantrouwen opwekte, kwam er een soort geheime aap uit de mouw. Hij
    vertelde dat hij van de erven van Jimmy Angel, de bekende Amerikaanse bushpilot en
    naamgever van de hoogste waterval ter wereld, de Angel-falls in Venezuela, diamanten had
    gekregen die afkomstig heetten te zijn uit de Sipaliwini-savanne waar Angel ooit een
    noodlanding gemaakt zou hebben en toonde een buisje met glinsterende inhoud.
    Juist ja, de heer van Praag had dus eigenlijk mijnbouwplannen ! Toen mijn goede vriend de
    mijnbouwer Joost Janssen, oud-hoofd van de Geologisch Mijnbouwkundige Dienst, stelde dat
    in het Sipaliwini-gebied diamant niet voorkomt en nadat ondergetekende in 1970 met
    betrokkene nog per Dakota van de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij een oriënterende
    vlucht naar het binnenland had gemaakt, verdween de man in de mist van de geschiedenis.
    Speciale vermelding verdient hierbij wel het feit dat de Dakota, ooit in 1944 gebruikt bij de
    luchtlandingen rond Arnhem gedurende de Tweede Wereldoorlog en daarna overgenomen uit
    buurland Guyana, na deze tocht wegens metaalmoeheid werd afgekeurd. Na deze lange vlucht
    met Boy Wybenga, de beste bushpilot van de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij, over alle
    landsgrenzen van Suriname en, op manshoogte met de snelheid van een autobus, over het
    terrein van de Sipaliwini-savanne, ging dit bereisde vliegtuig dus na bijna 30 jaar dienst met
    pensioen. Terecht had de piloot, net als bij de Snip, een landing in het lange gras niet
    verantwoord geacht.
  • 6 –
    Wetend dat bij zulke initiatieven “dollartekens” bij concessievragers en -verleners veelal de
    doorslag geven, ook al berusten zij op aanwijsbaar irreële gronden, werd dus de strijd om het
    natuurbehoud in de Sipaliwini-savanne onverdroten voortgezet, hetgeen tenslotte uitmondde
    in de officiële instelling van het Natuurreservaat Sipaliwini in 1971.
    Het is dan te hopen dat de ongerepte Natuur in dit gebied zoveel mogelijk geen geschiedenis
    zal worden.
    Herinneringen
    De Sipaliwini-savanne laat op alle bezoekers onuitwisbare indrukken achter en dus ook de
    nodige herinneringen.
    Na een bosbouwkundige opleiding in Nederland kwam ik in 1957 in Suriname in dienst bij de
    Dienst s’Lands Bosbeheer waar ik dankzij mijn medewerkers, onder wie mijn “brada” Eddy
    Molgo, het bos grondig leerde kennen.
    Na in de loop der jaren een scala van werkzaamheden, als (lucht)kaartering, bosexploratie en
    weg- en waterbouw, te hebben doorlopen, viel mij in 1965 de leiding van de dienst ten deel,
    hetgeen mij een wat ruimer arbeidsveld verschafte.
    Ik had in de loop dier jaren “het bos”, vooral als stille bewaarder van het verleden, ook goed
    leren “lezen en waarderen”, zodanig dat archeologie mijn hobby werd. In dit opzicht lag er
    toen nog een groot terrein braak in Suriname.
  • 7 –
    Bubberman als archeoloog. Foto Schulz
    Het voorstel in 1966 van mijn toenmalige collega-diensthoofd van de Geologisch
    Mijnbouwkundige Dienst, Joost Janssen, om verlof te nemen en samen op expeditie te gaan
    naar een nog niet gekarteerd deel van het diepere binnenland viel in enthousiaste aarde.
    Dankzij onze vrouwen en opgespaard verlof leidde dat tot een gedenkwaardige tocht naar het
    Wilhelmina-gebergte, hetgeen de aanzet zou vormen tot vele volgende expedities, “door dik
    en dun”, en een levenslange vriendschap.
    Zo werd in de jaren 1969, 1972, 1976 en 1978 ook de Sipaliwini-savanne het doel van voor
    ons onvergetelijke zwerftochten.
    Wat vooraf ging
    Dat de inheemsen van Suriname al een lange geschiedenis achter de rug hadden was al vroeg
    geen geheim vanwege de aanwezigheid van geheimzinnige “petrogliefen”, bijzondere in steen
    gebeitelde veelal onverklaarbare figuren, op sommige rotsen in het stroomgebied van beide
    grensrivieren, Marowijne en Corantijn. Dit fenomeen ontbreekt in de tussenliggende
    stroomgebieden en maakt dus een opmars vanuit het zuiden zeer waarschijnlijk.
    Een bijzonderheid van Suriname’s geografie is nu, dat bronnen van beide grensrivieren in het
    zuiden ontspringen in en rond de Sipaliwini-savanne op een “dagreisafstand” van elkaar.
    Een logische conclusie, die al in 1920 door de toenmalige bosbouwkundige J. W. Gonggrijp
    werd getrokken, is dus dat bewijzen rond de oorsprong van het “petroglief-verschijnsel” in
    Suriname gezocht zou moeten worden in en rond de Sipaliwini-savanne. Deze ligt immers op
    een waterscheiding die ook de Braziliaanse Parurivier bevloeit welke via de Rio Trombetas en
    de Rio Negro in open verbinding staat met de Amazonerivier, een hoofdader van de inheemse
    “diaspora”.
    Een vroege migratie vanuit Brazilië is dus niet ondenkbaar en het feit dat op het einde van de
    regentijd met hoog water de laagten in de savanne vaak “blank” stonden en staan, kon die
    vroege migratie zeker over water alleen maar bevorderd hebben.
    Bewijzen van deze theorie zouden dus te vinden moeten zijn in de Sipaliwini-savanne, in de
    veronderstelling van het bestaan van overeenkomstige figuren aan weerszijden van de grens.
    Op zoek naar de missing link
    In 1968 besloot ondergetekende zich op eigen risico aan te sluiten bij de WOTRO-expeditie
    en op zoek te gaan naar mogelijke petrogliefen, maar succes bleef uit. Mijn omzwervingen in
    dit wijde arcadische landschap zal ik echter nimmer vergeten, een “wereld zonder mensen en
    zonder grenzen”.
    Toch bracht een van die zwerftochten me over de Braziliaanse grens in het missiedorp Missao
    Tirió van Trio-indianen aan de Rio Paru de Oeste, waar de Duitse paters Mielert (Angelicus)
    met een grijze monnikenbaard en Haas (Cyrillus) de scepter zwaaiden. Een antropoloog, exPater Frikel uit Belèm, was op dat moment juist op bezoek. We werden gastvrij ontvangen,
    want men had goede herinneringen aan de laatste bezoekers uit Suriname alweer 5 jaar terug.
    Ja, dat waren de geologen Ornstein en van Lingen.
    In mijn dagboek van 18 November 1968 staat: Het is nog donker als we vertrekken. De nacht
    lost zich op in de dag en de donkere silhouetten van de bladeren boven ons hoofd steken
    duidelijk af tegen de lichter wordende lucht. Als we uit de bosrand waarin ons bivak ligt in
    de savanne treden, is het al een stuk lichter. We zijn op weg naar Brazilië, naar de bovenloop
    van de Parurivier, ruim 10 km. over de grens. Bij het zoeken van de beste route in de savanne
    zijn de luchtfoto’s een onmisbaar hulpmiddel. Bijna iedere grote boom en elk rotsblok is op
    deze foto’s terug te vinden. Al spoedig passeren we de Morro Grande rechts van ons. Dan
    komt het plechtige moment van de grensoverschrijding.
  • 8 –
    We hebben er even voor stil gestaan, maar zijn toen bij afwezigheid van slagbomen en
    douaneambtenaren toch maar doorgelopen.
    Geen slagbomen of douaneambtenaren. De auteur aan de grens. Foto Schulz
    De grens loopt over de heuvelruggen, die op de waterscheiding liggen tussen de wateren van
    de Parurivier, dus de Amazone, en de Sipaliwinirivier, dus de Corantijn. Tijdens de
    grensexpeditie in de jaren 1935-1936 werden op deze waterscheiding de schaarse bomen, die
    in de lijn van de grens stonden, op borsthoogte afgekapt en ze staan er nog, zwart geblakerd
    door de vele grasbranden. De savanne is trouwens kort geleden weer afgebrand. Van het
    typische “scheerkwastgras” is de “kwast” verbrand, maar de vele zwartgebrande harde
    stammetjes boven het met as bedekte maaiveld vormen bij het lopen wel evenzovele
    “struikelblokken”.
  • 9 –
    Zo’n zwarte asvlakte heeft nog meer verrassingen, zoals een “luchtaanval” van 2
    Koningsgieren. Ik zie, of liever, hóór ze nog naar beneden komen, woep woep woep…….,
    met uitgestrekte vleugels en klauwen. Zij konden natuurlijk niet weten dat we, hoewel in het
    zweet des aanschijns op een heuveltop aangekomen, toch niét bepaald aan het eind van onze
    krachten waren. Maar het wekt woede op als je voor een hulpeloze prooi wordt aangezien,
    dat wel.
    Ongeveer halverwege passeren we een stuk bos en kappen ons een weg. Juist als er maar
    geen einde aan het bos lijkt te zullen komen, kruisen we een kreek en drinken met speciale
    aandacht ons eerste “Amazonewater”, dat met strooppoeder aangelengd nog lekkerder is.
    Lang leve de Koninklijke Landmacht met haar militaire “Rantsoen-Gevecht”, waarin soep,
    melk, koffie en stroop in poedervorm zijn opgenomen alsmede de “wonderklont”, een stevige
    chocoladereep-met-alles-er-in. Het laatste deel van de tocht zal in elk geval “waterig” zijn,
    want het begint flink te regenen.
    Plotseling staan we in de druipende regen op het dorpsplein van het dorp Missao (Pouso)
    Tirió. Overal uit alle hutten komen zwart en rood geverfde indianen om ons heen dansen en
    handen schudden, de een al mooier met veren getooid dan de ander.
    Direct valt op hoe vriendelijk en toeschietelijk de indianen zijn van dit dorp. Ook blijkt direct
    het grote belang dat zij hechten aan iemands naam, été, été, hoe heet je, hoe heet je, en onze
    namen worden met verbastering en al steeds weer opnieuw herhaald en uit het hoofd geleerd.
    Je naam is je ziel en dus erg belangrijk en dient als (h)erkenning. Zo leeft daar de naam van
    dokter Rombouts van de grensexpeditie uit 1935 nog steeds voort als “Lomboisi”.
    We kregen een ronde hut toegewezen en zouden 5 dagen doorbrengen met de “burgers” van
    Missao Tirió. Tijd genoeg dus om een idee te krijgen van deze samenleving. Mijn dagboek:
    De hutten van het dorp zijn zeer verschillend en bestaan uit gewone open kampjes,
    langwerpige huizen met rechte gesloten palmbladwanden, ronde hutten en zelfs enige
    paalwoningen. De open kampen schijnen de meest oorspronkelijke te zijn. Het huisraad ziet
    er niet veel anders uit dan overal elders, alleen valt op dat er minder bankjes zijn. Men zit op
    de grond of op een stuk boomstam of, vaker, in de hangmat. Verder wordt er veel meer
    gekookt in zelf gebakken aarden potten, hoewel het plastic, zink en email ook hier hun intrede
    hebben gedaan. Er is zowaar een lichtmotor voor elektriciteit, want de centrale ronde kerkhut
    draagt een kruis van neonbuizen en aan een lange paal op het dorpsplein bengelt een
    Philipslamp. (voor foto’s Missao Tirió zie reiscolumn Sipaliwini II onder ’Reisverhalen’)
    Mijn dagboek vertelt ook: Pater Haas leeft in een atap- hut, helemaal en volledig zoals Albert
    Schweitzer moet zijn begonnen. In een kamertje van nauwelijks 2 x 3 meter hingen
    hangmatten, stond een kast met boeken, kaarten, vogelhuiden (rotshaantje), geweren, een
    radiozender, antennedraden, borden, sigaretten, lege borrelfles en Duitse“pockets” en onder
    elke opstelling oude stoffige hutkoffers uit 1930.
    De in een rek staande geweren, waaronder de van rondtrekkende “garimpeiro’s” in beslag
    genomen karabijnen – Pater Haas als politieagent – dienden uiteraard voor de jacht.
    Hij was duidelijk de technicus, vroeger smid geweest en verantwoordelijk voor de dagelijkse
    gang van zaken. Hij had ooit een Unimog-terreinwagen van de Mercedesfabriek weten los te
    peuteren voor de bediening van zijn in de wijde wegenloze savanne liggende “parochie”. Zijn
    kerkelijke waardigheid weerhield hem er niet van om met ons in die Unimog op jacht te gaan,
    dwars door kreken en ongebaand terrein. Zo kwam tegelijk ook een beklimming van de
    afgelegen granietberg, de Pico Ricardo Franco of Kantani, in de Braziliaanse Paru-savanne
    binnen ons bereik. Een avontuurlijke tocht, die op een kale helling van 45° ergens in de lucht
    uiterste grenzen stelde aan het bedwingen van hoogtevrees.
  • 10 –
    Een mens kan tenslotte op zo’n helling maar éénmaal in de diepte verdwijnen.
    Afdaling van de Kantani. Vlnr Roberts, Bubberman, Norde, Tawjoeran, Trio. Foto Schulz
    Evenals ontdekker Rondon in 1928 liet ook Baas Lodewijk Schmidt in 1941 op de top een bericht achter in de vorm van een “steenmannetje” met daarin een glazen buisje met de tekst:
    Ik, Lodewijk Schmidt, burger van Gansee, Boven Suriname, was in September 1941 op de
    Pico Ricardo Franco. Leve onze Koningin Wilhelmina. Leve Suriname. Een welgemeende
    grensoverschrijdende wens, dat wel, maar toch inmiddels door de “omwonenden” verwijderd
    omdat bergtoppen als vanouds gezien worden als heilige verblijfplaatsen van de geesten der
    voorouders.
    Het was interessant om te zien hoe verschillend de missie bij de inheemsen te werk gaat
    vergeleken bij de (Amerikaanse) zending. Mijn dagboek zegt: De zending baseert alles teveel
    op de duivel en je moet zien hoe vrij die paters daar leven. Eenmaal vergat Pater Haas voor
    te gaan in gebed voor het eten. Alles wat hij toen zei was: “Der Herr Gott weisz dasz wir jetzt
    hunger haben”.
    Een van de inwoners van het dorp had maar één been, waarop hij rond hinkte. Zijn been was
    in de loop der jaren recht onder zijn lichaam gaan staan, zoals bij een wijnglas. Als jongen
    door een gifslang in zijn been gebeten, hadden zijn ouders dat been direct geamputeerd,
    derhalve hij ongeschikt werd voor zijn taak als rechtgeaard indiaan. Maar geen nood, hij
    bleek tot dorpsmuzikant op de neusfluit te zijn uitgegroeid, die zijn dorpsgenoten tot een soort
    devotie kon brengen als zij tegen de avond uit hun hutten kwamen en in een kring om hem
    heen gingen zitten om stil te luisteren, ik ook !
    Op voorstel van de paters waren voor de melkproductie echte karbouwen aangevoerd, die in
    de savanne door jonge indiaantjes met een stok werden “geherderd”, net als op Java.
    Bovendien bleken die karbouwen onmisbaar voor het dorpsmilieu, want tegen de avond
    schuifelden zij tussen de hutten door op zoek naar “eetbaar” afval, zoals afgedankte vettiggroezelige hangmatten. Ik zie nóg zo’n beest op zijn dooie gemak bezig om langzaam
    kauwend een gore hangmat, meestal bestaande uit de bladvezel van een Bromelia-soort,
    stukje bij beetje tot zich te nemen. Die hangmatten zijn tenslotte eetbaar, maar wel erg
    “tweedehands”. Overigens wel een ideale vorm van recycling, van oude smerige hangmatten
    tot verse melk !
    De vondst van een enkele stenen bijl in dat dorp beloonde in elk geval mijn nieuwsgierigheid
    naar het plaatselijke verleden.
    Succes
    In 1969 gingen mijn vriend de mijnbouwer Joost Janssen, net zo gegrepen door de suggestie
    van Gonggrijp, en ik samen naar dit “oergebied” om onze archeologische neus te volgen.
    Voortzwoegend in het gras van een laagte, vrijwel op de waterscheiding, zagen we boven op
    de belendende heuveltop een grote rechtop staande steen, als een echte “menhir”. Wie Weet ?
    Foto Jansen
    Wie schetst na de klim onze verrassing en vreugde bij het zien van heuse petrogliefen, voor
    mij een verlaat verjaarscadeau, want het was 13 November 1969, één dag na mijn 41-ste
    verjaardag.
  • 12 –
    Uiteraard schoot mij de mondelinge informatie te binnen uit 1968 van Pater Frikel, verbonden
    aan het Museum Goeldi in Belèm, over petrogliefen in grotten verderop in Brazilië in het
    nabije grensgebergte, die grote gelijkenis vertoonden met hem bekende figuren langs de
    Surinaamse Corantijnrivier. Was dit dus de missing link ?
    Een nader onderzoek rond de “menhir” leverde niets op. De grond er omheen was kaal en
    uitgespoeld. Alleen aan de voet van de heuvel vonden we wat primitieve grove potscherven,
    gemaakt uit met grof zand “vermagerde” klei en zo te zien uit een vroege “pottenbakkerstijd”
    daterend. Redenerend vanuit toen bestaande gegevens, meenden wij een gok te kunnen doen
    naar de ouderdom van deze petrogliefen vanaf ten hoogste 2500 jaar, een respectabele leeftijd
    dat wel, maar uiteraard geheel speculatief.
    Afgezien van de vraag of qua vorm en/of doel op de een of andere manier in de petrogliefen
    van Suriname een soort “familieband” met bepaalde culturen te herkennen is, is het duidelijk
    dat de migratie rond de zuidgrens van Suriname die langs de kust vele eeuwen vooraf ging.
    Een ding is zeker, het maken van petrogliefen in het harde graniet was en is geen kleinigheid.
    Leden van een groep of stam moesten er wel de drang en/of wil èn de tijd voor opbrengen.
    Het lijkt er dus op, dat het juist die, mogelijk ceremoniële, drang moet zijn geweest die in
    Suriname vanuit het zuiden via de stroomgebieden van de grensrivieren tenslotte in het
    noorden in allerlei verschillende uitingen al naar gelang de instelling der makers doordrong,
    tenminste tot zover er noordwaarts geschikte rotsen beschikbaar waren, te weten: Bigiston aan
    de Marowijnerivier in het oosten en Pikin Timehri aan de Corantijnrivier in het westen.
    De vondst in later jaren van een grot vol petrogliefen van o.a het Sipaliwini-type, bekend als
    Wherepai, op enige afstand van het Trio-dorp Kwamalasamutu stroomafwaarts aan de
    Sipaliwinirivier, bracht voor het eerst de mogelijkheid tot datering. Immers, de verkoolde
    resten van de fakkels, destijds door de petrogliefen-makers voor hun werk in het duister van
    de grot gebruikt, boden het gewenste materiaal voor een betrouwbare ouderdomsbepaling. Zo
    werd duidelijk dat de petrogliefen op de wanden van de grot moeten zijn aangebracht vanaf
    5000 tot 2000 jaar geleden.
    Onze “menhir”, waarover het mij verbaast dat hij niet is opgevallen bij de grensopname in
    1935-1936, past dus wonderwel in genoemde periode.
    Gezien het historisch eeuwenlange tijdverschil tussen de menselijke migraties in het verre
    zuiden van Suriname en die in het noordelijk kustgebied, is het zo wellicht te verklaren
    waarom petrogliefen wel in het stroomgebied van de beide grensrivieren zijn aangetroffen en
    nooit in dat van de tussenliggende rivieren.
    Werkplaatsen
    Rondzwervend door de savanne viel op, dat prehistorische gereedschappen als stenen
    vuistbijlen en pijlpunten veelal te vinden waren op de min of meer kale heuveltoppen, hetgeen
    verklaarbaar kan zijn omdat door erosie op die plekken het gewenste materiaal, kwartsieten en
    obsidiaan, aan de dag komt. Men verwerkte het gesteente blijkbaar ter plaatse.
    Hier en daar echter wezen grote hoeveelheden afslagmateriaal met een enkele mislukte en/of
    gave pijlpunt op echte werkplaatsen waar de makers vanaf rond 8000 jaar geleden actief
    waren geweest. Wij vonden zo’n werkplaats met in het midden een blok steen, die
    ongetwijfeld ooit iemand bij het flinterwerk tot zitplaats had gediend. De vondst aan de ene
    kant van die “zitsteen” van de bovenhelft van een stenen pijlpunt en de enigszins mislukte
    onderhelft daarvan aan de andere kant tekent het beeld van de maker die 80 eeuwen geleden
    in een boze bui beide helften van zijn bijna voltooide en per ongeluk gebroken pijlpunt
    geërgerd van zich afwierp. Ik zou het zeker ook gedaan hebben, maar nu bestaat er
    constructielijm en daarmee heb ik die pijlpunt tenslotte toch kunnen “redden” voor het
    nageslacht.
  • 13 –
    Werkplaats met pijlpunt. Foto Bubberman
    Een echte vuistbijl
    Of het in de prehistorie al bestond of niet, de luchtfoto’s tonen duidelijk een noord-zuid
    gericht spoor van een al lang bestaand voetpad dwars door de savanne van het stroomgebied
    van de Parurivier in Brazilië naar het stroomgebied van de Sipaliwinirivier in Suriname.
    In het open veld viel het pad ten opzichte van de omgeving op door het subtiele “blijk van
    geregeld gebruik”, af te leiden uit de platgetreden bodem en aangepaste vegetatie.
    Ongetwijfeld had dit pad al geruime tijd een rol gespeeld in de lokale infrastructuur.
    Het kan natuurlijk best een coïncidentie zijn, maar de vondst van een “ideale” vuistbijl in het
    platgetrapte pad was toch wel treffend. De aan een zijde licht concave platte steen blijkt aan
    de andere zijde door flinteren in vorm gebracht te zijn waarbij de scherpe zijkanten van de bijl
    spits toelopen. De bovenzijde van de bijl is schuin afgeplat, zodat de steen stevig in de
    handpalm past. En aan de licht concave zijde is plaats voor de vingers. Een echte vuistbijl dus
    en geknipt voor het winnen van honing, de enige “zoetstof” voor de mens in die dagen, waarmee oude holle bomen, waarin bijennesten waren ontdekt, “gekraakt” konden worden..
    Het veebedrijf van Meyers
    Dat de activiteiten van Meyers’ veebedrijf in 1968 ten einde liepen was al gebleken uit het
    vertrek van de Guyanese cowboys einde dat jaar. Hun onderkomen met inventaris nabij het
    vliegveldje in de savanne lag er verlaten bij. Het vee en de beide muildieren behoorden sindsdien dus tot de “wilde” fauna van de Sipaliwini-savanne.
    In 1969 maakten Joost en ik dankbaar gebruik van Meyers’ “stationsgebouw” aan de
    Braziliaanse grens, dankbaar omdat we zomaar een dak boven ons hoofd hadden met vrij
    uitzicht op een grandioos landschap.
    We vonden lantaarns, bewerkte paardenzadels en mijnbouwgereedschap ! En in de lantaarns
    zat nog olie. We hadden dus licht, nou, wie doet ons wat ? Dat zouden we spoedig weten.
    Na een vermoeiende dagtocht naar de Paru de Oeste in Brazilië, daarbij bijna dol gepest door
    die vermaledijde steekvliegjes, en de slaap der slapen slapende, maakte Joost mij fluisterend
    wakker. Ons huis had gasten gekregen, een 20-tal koeien, waarvan er tenminste 3 tussen onze
    hangmatten in stonden. Half beseffend wat er aan de hand was, trok ik de klamboe van mijn
    hangmat strak tegen mijn neus voor beter zicht om vervolgens te ontdekken dat een
    levensgrote koe neus-aan-neus met de mijne stond.
  • 14 –
    Heel voorzichtig uitstappen nu, want als het dier schrikt vlieg je met hangmat en al naar de
    horizon.
    Toch slaagden wij er tenslotte in om baas in eigen huis te blijven, maar ons huis was wel wat
    vol. Men maakte weinig aanstalten om te vertrekken, zodat wij gedwongen waren de gasten
    met beleefde gebaren de deur te wijzen. Tenslotte stond de hele kudde na het nodige
    gewriemel achter hun leidster snuivend op de stoep. Hoe breng je nou zo’n menigte aan het
    verstand om op te rotten ? Joost wist de oplossing: één geweerschot in de lucht en zie, met
    een blijk van intense teleurstelling draaide de leidster zich om en verdween de hele kudde
    dreunend naar Brazilië. Welterusten allemaal !
    De reden van dit bezoek was natuurlijk best te begrijpen. De kudde had “het licht gezien” in
    ons huis en gemeend dat haar cowboys terug waren met nieuwe likstenen en dan is een
    geweerschot natuurlijk best teleurstellend.
    Overigens moet het stichten van een veebedrijf in zo’n eenzaam gebied en op zo’n grote
    afstand van de bewoonde wereld een zeldzame bevlieging van optimisme geweest zijn, want
    de aanwezige jaguars vonden hun “tafel gedekt”. Bij latere bezoeken was er geen koe meer te
    zien, behalve de armzalige resten van een verbleekt skelet in die eindeloze gras-zee.
    Een vermoeiende dag
    Het silhouet van de Viergebroeders hóórt bij de Sipaliwini-savanne. Het gebergte is van vele
    kanten zichtbaar en vormt een karakteristiek merkteken in het wijde landschap. Misschien
    ook daarom nodigt het uit tot beklimming, al in de prehistorie. Potscherven en ceremoniële
    voorwerpen tussen de schaarse begroeiing op de vier toppen wijzen daarop.
    Ook Joost en ik namen ons voor om in 1969 alle vier toppen achtereenvolgens te bestijgen.
    Mijn dagboek: Verder hebben we alle 4 toppen beklommen, hele dag over gedaan, moesten
    4 x 300 m. klimmen en dalen langs en tussen immense granietblokken. Prachtig archaïsch
    landschap, helemaal leeg en stil.
    Het was op de laatste top dat ik vanwege het “zweet mijns aanschijns” mijn horloge had
    afgelegd en boven had laten liggen. Voor mij werd het dus een vijfde top, want een horloge is
    in die eenzaamheid net zo onmisbaar als een kompas.
    Op de kale delen van die toppen wemelde het van de potscherven en het is niet voor niets dat
    de eerste Braziliaanse beklimmers die andere berg precies op de grens vanwege de
    vermoedelijke urnresten voluit de “Morro Grande do Cemiterio” (Grote begraafplaats)
    noemden. Dat de berg als Apalagadi al een inheemse naam had zou pas later doordringen.
    Gelukkig is de savanne rijk aan grote en kleine kreken waarin het uiterst aangenaam afkoelen
    is, tenminste als het bloeddorstige insectengilde niet tussen beide komt.
    Wilde Cassave
    Baas Lodewijk Schmidt had het in 1942 al vermeld, de vondst van wilde Cassave. Weinig
    planten zijn mondiaal zo gedomesticeerd als de cassave. Dus ook onze vondst van een “wild”
    exemplaar op een eenzame berghelling aan de grens met Brazilië, waar de plant tenslotte
    vandaan komt, stemde tot enige bezinning omtrent de verhouding tussen Natuur en Mens,
    welke door laatstgenoemde maar al te eenzijdig wordt beleefd.
    Brand
    In elke droge tijd is de savanne brandbaar en als wij niet zelf brand veroorzaakten dan kwam
    dat wel van over de grens, want zoals van Lynden schreef: Eenige dagen na onze entree in de
    savanne ontstond er brand ten gevolge van onvoorzichtigheid van onze arbeiders en nadien
    was het vuur niet meer te stuiten en brandde de savanne twee maanden lang !
  • 15 –
    Deze branden zijn echter zeer oppervlakkig; met grote snelheid rolt de loeiende band van
    vuur met den oostenwind in den rug over de heuvels; springt over natte zwampen en kleine
    beekjes heen; een doode palm wordt een fontein van vuur, maar de levende boomen en palmen worden slechts aan den voet geblakerd en vertoonen dikwijls de sporen van vorige branden. De eerste weken in de savanne gaven de branden groote onrust. In het vallende duister
    was het somtijds als een wondermooie droom, de heuvels omzoomd door franjes van goudrood vuur.
    Zo zagen wij het ook.
    De “grot”
    In 1972 waren Joost en ik weer terug van weg geweest, ditmaal met een kleine korjaal om ons
    bereik wat groter te maken. Na de eerste dagen te hebben samengewerkt met de cineast Peter
    Creutzberg, die als eerste in dit gebied natuurfilms opnam, was nu speciaal het rotsachtige
    zuidwesten van de savanne ons doel, dat sinds de WOTRO-expeditie bekend stond als de
    “Monument-valley”, aantrekkelijk voor sprookjesachtige dwaaltochten tussen de huizenhoge
    grillig-getande rotsblokken.
    De “Grot”. Foto Bubberman
    De regentijd was komende en vooruitlopend daarop parkeerden wij onze boot op een veilige
    hoogte boven de kreek, want na zware regens in de open savanne was een soort “tsunami”
    wel te verwachten.
    Het was tijdens een zoektocht naar een geschikte kampplaats in het stenige landschap dat de
    lucht inktzwart betrok en een wolkbreuk voorspelde. In de driftige aandacht voor een
    mogelijke schuilplaats om droog te blijven, zagen we hoog op een helling een rotspartij
    waaronder-door het daglicht te zien was.
  • 16 –

Mooi, daar konden we misschien kamperen.
Met ons hebben en houden de helling op hijgend, vonden we een concave spelonk die ons
voor de op dat moment losbarstende wolkbreuk afdoende beschermde. We zaten mooi droog
achter een klaterend en spattend watergordijn dat aan de buitenkant van de rots hing. Ook
donder en bliksem deden hun best en ik herinner me nog bij de trillingen van het gesteente de
volle betekenis te beseffen van het beschermende begrip “Moeder Aarde”.
In mijn dagboek schreef ik op 16 Maart 1972: De grot was diep genoeg dat het binnen droog
bleef, het stenen dak was hol zodat het regenwater niet naar binnen droop. De bodem was
zandig, stofdroog en gemengd met stenen, potscherven, botjes en houtskool. De ingang werd
gemarkeerd door twee opstaande stenen, waar het granieten dak op rustte en voor de ingang
was een groot stenen platform, waar je bij wijze van bordes heerlijk buiten kon zitten. De grot
lag zo hoog langs de helling dat je een prachtig vergezicht had naar de horizon.
We hebben 4 dagen op deze plaats gewoond.
In de grot vonden we een gave aardewerken pot met gestreepte versieringen op de rand en
daaraan herkenbaar als werk van de verdwenen stam der Taruma’s. Het is bekend dat deze
mensen op de vlucht voor de langs de Amazonerivier oprukkende Portugezen in het begin van
de 18-de eeuw opdoken in het zuidelijke grensgebied van de Guyana’s. De vermelding van
een dorp van deze “vreemde” stam aan de bovenloop van de Corantijn door een avontuurlijke
goudzoeker uit Paramaribo in 1720 bevestigt dat.
Uitgaande van een bestaande conclusie dat vanwege de taal deze groep niet gelijk gesteld mag
worden aan de “gevreesde” Saluma’s, die met de Trio’s rond 1900 het zuidelijk grensgebied
bewoonden en naar men zegt onveilig maakten, moet dit karakteristieke aardewerk van de
Taruma’s terplaatse dus als “relatief oud” worden beschouwd. Immers, van deze stam, die
nog in 1837 door de Duitse ontdekkingsreiziger Robert Schomburgk in het zuiden van
Guyana was aangetroffen, restten bij het bezoek van zijn latere Britse collega Nicholas Guppy
aan dat gebied in 1952 nog maar 3 individuen. De rond de eeuwwisseling in deze streken
beruchte influenza-epidemie had haar werk gedaan.
We namen de pot mee voor het Surinaams museum, lieten terplaatse een bericht achter en
zagen kans om het tere voorwerp gaaf in Paramaribo te krijgen, waarna het een plaats kreeg in
een speciale vitrine in de “Indiaanse zaal”. Het was een van de weinige onbeschadigde
originele aarden potten uit het archeologische verleden van Suriname.
Het gaat ons daarom zeer aan het hart thans te moeten vaststellen dat dit zeldzame object bij
de afgedwongen verhuizing van het museum in 1982 is gestolen of vernietigd, in elk geval
verloren gegaan, een betreurenswaardige “behandeling” van zeldzaam erfgoed.
Het lokale wild
Naast ontmoetingen met jaguars, herten, zwijnen, savannehonden, schildpadden, slangen en
venijnige insecten hebben sommige ontmoetingen toch een gedenkwaardige indruk
achtergelaten, zoals:
— De Trangabaka’s of Kaburi’s.
Deze speldenknopgrote vliegjes belagen in wolken tegelijk een onschuldig mens, de hele dag
door van zonsopkomst tot zonsondergang, waarna zij hun taak overdragen aan de nachtelijke
muskieten. Ze kunnen gemeen steken zodat het jeuken je vergaat. Ogen, oren, neus en mond
zijn dankbare doelen. Een verdedigingsmiddel is er niet, of het moet zijn dat je met je hoofd
onder de zeepsop tot aan je kin in het water van de kreek gaat zitten. Een “boodschap doen” in
het vrije veld is zeker geen pretje. Alleen als het waait, zoals rond de heuvel- en bergtoppen,
hebben die krengen niks te vertellen. Een mens kan dan extra van het uitzicht genieten.

17 –
— Buffels of Surinaamse Tapirs.
Familie van de olifant zijnde, hebben deze dieren ook nogal zware poten maar een hele korte
slurf. Op een dag lopend langs een kreek zagen we er een, sloom van de hitte, in een bosje
verdwijnen. Joost had een filmapparaat en stelde voor hem op de film te zetten. Ik zou dan
aan een kant het bosje betreden en onze buffel, die zich niet meer had laten zien, opjutten om
hem aan de andere kant het bosje uit te sturen, recht in het vizier van de cineast. Zo gezegd,
zo gedaan. Ik kwam het bosje binnen en daar lag meneer, moe en uitgeteld. Ik zei dat hij
moest optreden voor de film, maar hij keek me aan of ik gek was en gaf geen asem. Ik zag me
gedwongen om hem toen even op de billen te tikken, vort joh, het publiek wacht. Dat hielp,
hij kwam moeizaam “in de benen” en sukkelde het bosje uit en bleek een zeer welwillende
filmacteur op de set te zijn. Ja, want hij zag af van zijn natuurlijke verdediging door zich in
een flits om te draaien en met zijn volle gewicht over je heen te lopen, zoals ik dat later van
Joost te horen kreeg.
— Een miereneter of Tamanua.
Bij een wandeling over de savanne zagen we er een met zijn pluimstaart boven het gras druk
in de weer met zijn aanval op een termietennest. De wind was naar ons toe zodat wij besloten
het dier zo dicht mogelijk te benaderen om hem te zien “tafelen”. Tenslotte stonden we op
3 m. van hem af naar zijn tafelmanieren te kijken en volgden brutaal het verorberen van zijn
maaltijd. Met zijn lange kromme nagels sloopte hij het aarden termietenkasteel waarvan de
opgeschrikte bewoners vervolgens via de roltrap van zijn tong soepel werden opgenomen in
de ruimte van zijn open “klep” als toeristen in de romp van een cruiseschip.
Het dier draaide driftig om het nest heen en zag ons toen staan. Zijn lange haren gingen
onmiddellijk overeind staan hetgeen hem groter maakte en sissend sprong hij op ons af. Dat
wachtten wij uiteraard niet af en herhaalden dat toen hij opnieuw sissend en onbeholpen op
zijn kromme nagels een uitval deed. Dit tafereel herhaalde zich enkele malen totdat de afstand
tussen hem en ons geleidelijk aan groter werd.
Toen die afstand tot enkele 10-tallen meters was aangegroeid, draaide het dier zich resoluut
om en verdween uit het zicht waarbij zijn wuivende pluimstaart boven het gras nog lang te
volgen was. We hadden duidelijk zijn kritische afstand, waarbij elk wild dier moet kiezen
tussen vlucht of aanval, overschreden.
Foto Norde
Ook toen wist Joost mij uit ervaring te vertellen dat een Tamanua in nood zich snel kan oprichten om een mens te verrassen met een “bloederige omhelzing”.
Regentijd
Zoals verwacht deed eind Maart de regentijd zijn intrede en veranderden de kleine stroompjes
in woeste watermassa’s. Vooral de droge smalle vaak metersdiepe erosiegeulen in de heuvelen berghellingen, veranderden in gevaarlijk kolkende kanalen.
Volgens mijn dagboek begon het weekeinde van Zaterdag 25 Maart 1972 aldus: Die avond
regende het weer zwaar met harde onweersbuien en we dachten maar aan het water, want in
een oogwenk staat alles onder en we hadden al een heuveltje uitgezocht waar we eventueel
heen konden vluchten.

18 –
De volgende dag vroeg weggegaan. Het water stond al onder de hangmat en het werd de
hoogste tijd. Het water stond nu dus 2 meter hoger dan toen we kwamen. Weer teruggevracht
in de regen, waarbij de savanne er ineens onherbergzaam en luguber uitzag. Het groen wordt
hard-giftig groen en de stenen worden blauw-paars van kleur. Volgens Joost ziet alles er dan
uit als een mislukte kleurenfoto. Met die grijze luchten en regenvlagen verandert het gebied
in een vijandige omgeving, waarin je maar met moeite vooruit komt.
We vonden de boot nog net boven het hoge water in goede orde terug, sleepten hem het water
in, laadden hem in en dreven op de inmiddels tot een bruisende kolkende stroom
aangezwollen kreek in pijlsnelle vaart de savanne uit op weg naar de bosrand. Brachten de
boot voorzichtig over de grote waterval, na eerst alles eruit te hebben gehaald. Die waterval
was ook aangezwollen tot een woest kolkende watermassa. Beneden de val alles er weer in en
voortgespoed over de gewoon schuin naar beneden hellende rivier. De bomen en struiken
langs de kant schoten voorbij en je moest goed uitkijken om niet achter overhangende takken
de boot uit te worden gewipt. Vooral het passeren van de buitenbochten, waar het water
gewoon schuin tegenaan stond, vergde de nodige stuurmanskunst. Hielden nu en dan wel ons
hart vast voor de stenen.
Een heel speciale ervaring , deze afvaart, want we hadden in één uur dezelfde afstand
afgelegd waar we enkele dagen tevoren een hele dag over hadden gedaan.
In ieder geval had onze dierbare Taruma-pot, goed verpakt in gras en kledingstukken, toen
nog deze aanval op zijn bestaan veilig getrotseerd.
Driemaal is scheepsrecht
In 1976 kwam het moment waarop Joost en ik met instemming van onze eega’s voor de derde
maal “prehistorisch gingen”, thans in gezelschap van onze oudste zonen. Laat mij herhalen
wat wij ooit op verzoek van derden in de krant schreven: Je kunt bijna niet meer los komen
van de archaïsche sfeer en de zuivere eenzaamheid die het kenmerk vormen van dit
fascinerende deel van Suriname. En dat wilden wij graag trachten duidelijk te maken aan
twee jongens, die tenslotte deel uitmaken van een toekomstige generatie, een generatie wier
ogen wijzelf dienen te openen. Centraal staat daarbij het zien van de vele verschillende
aspecten van het binnenland, die tezamen een boeiend geheel vormen: ongerepte schoonheid,
verwachting, vermoeienis, kennis, risico’s, eigen inspanning, vrijheid, saamhorigheid,
verantwoordelijkheid en voldoening bij bereikte resultaten ! Trouwens ook voor ons ouderen
is het goed om je leven en streven teruggebracht te zien tot een simpel fysiek handhaven van
je bestaan in de trant van de vraag “Hoe kom ik morgen op de plaats waar ik wezen wil ?”.
De jongens waren in hun eerste tienerjaren en ik weet nog goed hoe wij onszelf dwongen om
hen op te dragen aanvullende voeding op te halen in het basiskamp, dat ergens op 15 km. afstand in de savanne lag. Met kapmes en kompas moesten ze dat kunnen. En, ze konden het !
Het was ook in dat jaar dat we hen onze woongrot in de “Monument-valley” konden tonen,
ons “buitenhuis”.
Het briefje in een plastic zakje met het bericht over de meename van de Taruma-pot naar
Paramaribo lag er na 4 jaar nog net zo bij als we het hadden achtergelaten op een uitstulping
aan de rotswand met een leeg blik erop. Ja, alles leek onaangeraakt, maar….het plastic zakje
was aan een kant haast onzichtbaar open gesneden en angstaanjagend precies teruggelegd. Het
kan haast niet anders dan dat iemand uit een oude respectvolle wereld zich geplaatst zag voor
de nieuwsgierigheid van vandaag. Een moderne indiaan ?

19 –
Toegift
Mijn laatste herinneringen aan dit bijna paradijselijke gebied gaan terug naar de jaren 1977 en
1978, toen nieuwe uitvoerige opmetingen van Suriname’s zuidgrens aan de orde waren,
waarvoor een helikopter ter beschikking stond.
In 1978 vond een laatste inspectie plaats aan de zuidgrens onder leiding van het hoofd van het
Centraal Bureau Luchtkartering, J. B. Ch. Wekker, waarbij ook onze inbreng gewenst was.
Voor het eerst reisden Joost en ik per vliegtuig en helikopter in één dag heen en weer van
Paramaribo naar de Sipaliwini-savanne.
Naast voldoening om anderen ons legendarische “rotskasteel” te kunnen tonen, weet ik nog
goed dat wij die dag glashelder beseften dat echte voldoening pas waarde heeft wanneer een
mens op zijn tochten “bloed en tranen” heeft gezweet.
Een gerieflijke vliegtocht óver de Natuur háált het gewoon niet bij een avontuurlijke voettocht
dóór de Natuur.
F. C. Bubberman, Maart 2013
Echte voldoening… De auteur op de top van de Kantani Foto Schulz

20 –

Date:
December 10, 1928
Categories:
Tags:
Boxes:
Years:
Persons:
META DATA
Scroll to Top