Van Haperen: huurling of geheim agent?

Getuige Peter van Haperen bracht tijdens een persconferentie de samengestroomde media in opperste verwarring. Hij was naar Suriname gekomen om in het 8 decemberproces mededelingen  te doen over een op handen zijnde contra-coup in 1982 en heeft daarbij bewust de publiciteit gezocht.

Eerder was van Haperen afgeschilderd als een charlatan die onroerend goed beleggers in Benidorm zou hebben opgelicht. Dat moest hij wel even rechtzetten. Hij belde Mimi Snoek, één van zijn klantjes in Spanje. Het gesprek mislukte. De zaal was trouwens niet geïnteresseerd. Ze waren gekomen voor de rol van Van Haperen in de aanloop naar de decembermoorden. Of tenminste voor wat hij daar zelf over beweerde.

Goochelen
Van Haperen is een meester in het goochelen met cijfers en jaartallen. Misschien dat zijn geheugen hem na 26 jaar in de steek heeft gelaten. Feit is wel dat hij op de hoogte is van feiten en gebeurtenissen die veel verder reiken dan de belangstelling van de gemiddelde Nederlander. Om te beginnen is daar zijn opmerking over André Haakmat. Hoewel niemand daarom vroeg, stak hij uitbundig de loftrompet over de voormalige vice-premier, minister van Buitenlandse Zaken en van Justitie in de regering Chin A Sen.

Hij moet Haakmat hebben gesproken tijdens duistere ontmoetingen met ranzige huurlingen uit België en Duitsland. Dat was overigens niet eerder dan 1983, want Haakmat vluchtte in november 1982 uit Suriname, na een aanslag en ernstige bedreigingen. “Ik vind Haakmat één van de meest intelligente Surinamers, ik vind het jammer dat ik indertijd niet met Haakmat kon werken; een capabele man die faciliteiten kon regelen. Alleen jammer dat in zijn groep teveel verdeeldheid was, maar over de persoon Haakmat in deze zul je van mij geen slecht woord horen”, riep hij plotseling.

Parallele organisatie
Tot teleurstelling van Van Haperen waren de verbijsterde journalisten ook al niet geïnteresseerd in Haakmat. Ze waren gekomen voor de gebeurtenissen in de aanloop van 8 december 1982, waarvan Van Haperen beweerde dat er coupplannen werden gesmeed en nog wel onder supervisie van buitenlandse mogendheden. Maar zijn rol daarbij bleef schimmig. Enkele dagen eerder had het Nederlandse Ministerie van Defensie al laten weten nooit van ‘ene Van Haperen’ te hebben gehoord. “Zal wel”, riep de gebelgde getuige. “Ik zat in een parallelle organisatie! De groep waar ik toe behoorde was een inlichtingentak, gelieerd aan O&I, Operaties en Inlichtingen, waarvan de militaire tak later bekend stond als ‘Gladio’. De inlichtingentak heeft zich vrij lang verborgen weten te houden”.

Van Haperen kreeg naar zijn zeggen al in december 1980 de opdracht om te onderzoeken wat de mogelijkheden waren voor een machtsomwenteling in Suriname. Die kwam van de CIA, via een ‘in Nederland en België werkende CIA-agent Carl Anfelt’. Hij zegt dat de druk vanuit Washington groter werd toen de militairen begonnen te flirten met Cuba in 1981. Dat had alles te maken met het anti-communistische beleid van Ronald Reagan, aldus Van Haperen. Pas na de mislukte coup van Surindre Rambocus in maart 1982, sprong het licht definitief op groen. “Maar de mannen die op 8 december zijn vermoord, waren geen coupplegers”, benadrukt Van Haperen. “Zij zouden een interim-regering vormen als de gewapende machtsovername had plaatsgevonden. Ik zie ze dan ook als verzetshelden!”

Tegencoup
Die tegencoup stond gepland op kerstavond, ‘als de meeste mensen thuis zijn’. Het feest ging echter niet door, omdat verondersteld werd dat het militaire bewind door toenemende sociale onrust vanzelf wel eieren voor hun geld zou kiezen. Cyril Daal verklaarde immers dat het volk in staat moet zijn om de militairen naar de kazerne terug te jagen. Het verhaal van de contra-coup, gesteund door buitenlandse mogendheden, is precies het scenario dat door de militairen, Bouterse voorop, steevast naar buiten is gebracht als rechtvaardiging van de arrestaties en de executies in december 1982. De verdediging zal dan ook blij zijn met deze getuige, die beweert dat hij zelf contact heeft gezocht met raadsman Irwin Kanhai.

Klopt het verhaal van Van Haperen, of heeft hij een te grote duim? In de eerste plaats moet sterk worden getwijfeld aan de bewering dat de CIA al in december 1980 geïnteresseerd was in Suriname. Ronald Reagan werd op 20 januari 1981 president van de Verenigde Staten. Dat hij een communistenvreter was, is bekend, maar serieuze plannen om in te grijpen ontstonden pas na december 1982. En uit de dagboeken van diezelfde Reagan is tevoorschijn gekomen dat Den Haag de Amerikanen niet eerder dan 1986 heeft gepolst voor een mogelijk militair ingrijpen in Suriname. Dat had onder andere te maken met de slachting in MoiWana. Nederland was daarmee in feite te laat. In 1986 werd al serieus onderhandeld tussen de militairen en de frontleiders over herstel van de democratie.

Googlen
De duistere periode na december 1982, met huurlingen, bevrijdingsraad, Haakmat en Somohardjo is voor de waarheidsvinding rond de decembermoorden minder interessant. En over de aanloop naar 1982 noemt Van Haperen namen en organisaties die elke scriptieschrijver na enig googlen ook kan vinden. Dat hij daarin zonder blikken of blozen een eigen rol heeft gevlochten, getuigt van veel fantasie en een groot zelfvertrouwen, karakteristieke eigenschappen van huurlingen en spionnen. 

Date:
July 4, 2009
Categories:
Tags:
Boxes:
Years:
Persons:
META DATA
Scroll to Top