Inpakken onder schijnwerpers – de prijs van het Surinaamse Leger –format
Bronnen:
Centraal Archievendepot Ministerie van Defensie (CAD-MvD)
Archief Kabinet Vice-Minister-President en Kabinet Surinaamse en Nederlands-Antiliaanse Zaken 1959-1975 (Algemeen Rijksarchief)
ISBN 90 6881 073 1
© 1997 mr. M.A.M. Verstegen / Van Soeren & Co
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyrighthouders.
MATH VERSTEGEN
INPAKKEN
ONDER
SCHIJNWERPERS
DE PRIJS VAN HET SURINAAMSE LEGER
Van Soeren & Co
Amsterdam 1997
Universty
700
Mediaan. V
3-1494
Inhoud
Mem
f
2425
V47
1997
Het nieuwe kabinet
Weg met het statuut?
De Koninkrijkscommissie
Naar Paramaribo
Een paramilitaire oplossing
De defensiecommissie
Een draagtijd van vijftien maanden
De commissie van deskundigen
Het nationaliteitenvraagstuk
Met de Comdes naar Suriname
Met Vredeling op reis
In het Defensie-studiecentrum
Het eindrapport
Impasse in Paramaribo
De bruidsschat van Suriname
De laatste defensiehobbels
Inpakken maar niet wegwezen
Personenregister
5057028
7
9
13
17
21
24
28
333
32
37
43
49
53
60
68
78
89
97
103
5
Het nieuwe kabinet
“Arron zal wel zeggen, voorzitter, dat-ie een echt leger moet hebben als hij na de
onafhankelijkwording voor de defensie van Suriname geen beroep meer op Ne-
derland kan doen. Ik heb van mijn mannetje in de Koninkrijkscommissie gehoord,
dat de Nederlanders in die commissie daar ook van uitgaan.”
Die opmerking kwam van defensieminister Henk Vredeling in de eerste verga-
dering van het kabinet-den Uyl als reactie op de opvatting van de nieuwe rege-
ringsleider, dat in ieder geval de onafhankelijkheid van Suriname zo snel mogelijk
gerealiseerd moest worden. Dat ‘koloniale’ gebiedsdeel was er, zo nam hij aan, poli-
tiek rijper voor dan de Nederlandse Antillen.
De mening van Vredeling, dat de Surinaamse regering de onderhandelingen
over de onafhankelijkheid zou ingaan met de opvatting dat zij een eigen leger moes-
ten hebben, werd bevestigd door de nieuwe man op Binnenlandse Zaken, de Gaay
Fortman. Die had ook de Koninkrijksaangelegenheden in zijn portefeuille gekregen.
Als voorzitter van de Nederlandse sectie van de Koninkrijkscommissie had hij
twee maanden voordat hij in mei 1983 minister werd, het eerste interim-rapport van
die commissie mede ondertekend. Niet helemaal toevallig had hij dat stuk bij zich
en kon er dus uit citeren: “het ligt in de lijn der verwachtingen, dat Suriname na de
verkrijging van de soevereiniteit over een eigen krijgsmacht zal willen beschikken.”
Morpurgo, de Surinaamse collega van de Gaay, had ook zijn handtekening
onder dat rapport gezet. Het was niet helemaal zeker of hij over die passage overleg
had gevoerd met de Surinaamse regering, maar men kon er wel van uitgaan, dat die
er net zo over dacht.
In het rapport werd ook aan de regering van Nederland, Suriname en de
Nederlandse Antillen voorgesteld om twee commissies van deskundigen in te stel-
len. Die moesten de taken en de organisatievorm van voor beide landen op te rich-
ten paramilitaire organisaties bekijken en aangeven wat de financiële consequen-
ties van hun voorstellen zouden zijn.
“Nou, dan moeten die commissies er zo snel mogelijk komen”, vond premier
den Uyl. “Vredeling kan voor dat goede doel wel een paar mensen voor een poosje
missen en de Gaay kan aan Suriname en de Nederlandse Antillen vragen of die ook
wat mensen kunnen leveren. Als de oplossing van het defensievraagstuk mede bepa-
lend is voor het tijdstip waarop met name Suriname onafhankelijk kan worden,
moeten we met die commissies wel opschieten. Het zal ons wel wat geld kosten,
maar dat heb ik er wel voor over.”
Niemand sprak hem tegen. Ook de toch als vrij zuinig bekend staande
Duisenberg van Financiën reageerde niet op die opmerking van den Uyl, dat
Nederland de onafhankelijkheid van die twee Rijksdelen via een greep in de schat-
kist mogelijk diende te maken. Het enige dat hij erover opmerkte was, dat er in de
ministerraad van het Koninkrijk voorlopig niet gepraat moest worden over de finan-
ciële gevolgen van de onafhankelijkheidsplannen. Als een van beide Gevolmach-
tigde Ministers een opmerking daarover zou maken, kon immers simpel verwezen
worden naar de al bijna anderhalf jaar geleden ingestelde Koninkrijkscommissie.
Die diende ook aan de regeringen van Suriname en de Nederlandse Antillen te rap-
porteren en daarop kon in de ministerraad van het Koninkrijk moeilijk vooruitge-
lopen worden.
7
Dat Suriname er veel meer dan de Nederlandse Antillen aan toe was om helemaal
los van Nederland te komen, was voor deze nieuwe regering overigens geen geheim.
Meer wenkbrauwen werden gefronst over het idee dat Nederland ook na de onaf-
hankelijkwording van de Nederlandse Antillen de verdediging van deze zes
Caribische eilanden tegen aanvallen van buitenaf op zich zou moeten nemen. Dat
was weliswaar niet in dat eerste rapport van de Koninkrijkscommissie opgenomen
maar wel in een intern rapport, dat aan de commissie door een van haar subcom-
missies was uitgebracht. Het was niet zo maar een ideetje van wat ambtenaren,
maar het werd gedragen door een aantal zwaargewichten. Niet alleen de voorzitter
van de Antilliaanse sectie, Evertsz, zat in die subcommissie, ook die van het
Nederlandse deel, de Gaay Fortman. Een paar maanden later werd de laatste zelfs
minister van Binnenlandse Zaken. Ook zijn opvolger, collega-hoogleraar van der
Hoeven, zette er zijn handtekening onder. De ambtelijke vertegenwoordigers van
premier Biesheuvel, van minister Boersma (die in het kabinet-Biesheuvel de
Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken had overgenomen van de afgetreden
Lardinois) en van minister van Defensie Vredeling deden dat eveneens.
∞
Weg met het statuut?
Na het onvrijwillige verlies van zijn grootste kolonie in de Oost lag het voor de hand,
dat Nederland de verhoudingen met de gebieden in de West op wat moderner leest
zou gaan schoeien. Toch duurde het nog tot eind 1954 voordat in het Statuut werd
vastgelegd, dat het Koninkrijk der Nederlanden voortaan zou bestaan uit drie gelijk-
waardige landen. Het feit dat die drie landen één staat gingen vormen, hield natuur-
lijk wel in, dat een aantal staatstaken door een gezamenlijk orgaan dienden te wor-
den verricht. Het buitenlands beleid kon alleen maar worden gevoerd door de enige
minister van Buitenlandse Zaken en de defensie was opgedragen aan de krijgsmacht
van het Koninkrijk. Eigenlijk twee puur Nederlandse instituten. De beide landen in
de West konden dus overal eigen ministers voor hebben, behalve voor Buitenlandse
Zaken en Defensie.
Toen op 15 december 1954 het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
door Koningin Juliana werd bevestigd, veranderde er eigenlijk niet zo heel veel voor
Suriname en de Nederlandse Antillen. Het Nederlandse kabinet kreeg in plaats van
twee Nederlandse ministers twee Koninkrijksministers en de twee landen in de
West kregen ieder een minister in de regering van het Koninkrijk, de zogenoemde
Gevolmachtigde Ministers. Zij kregen geen zitting in de gewone ministerraad maar
alleen in de ministerraad van het Koninkrijk. Omdat die alleen bij elkaar kwam als
er Koninkrijksaangelegenheden op de agenda stonden, namen zij maar af en toe
deel aan de vergaderingen in het Catshuis of waar er ook maar vergaderd werd.
Tot 1 september 1959 werden de Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse zaken
behandeld op het departement van Zaken Overzee, dat dus pas een kleine vijf jaar
na het Statuut werd opgeheven. Toch kreeg de Nederlandse minister die daarna spe-
ciaal belast werd met Surinaamse en Antilliaanse Zaken, dat niet eens in de naam
van zijn portefeuille vermeld.
Hoe weinig er aan de verhoudingen tussen Nederland en de overzeese
Rijksdelen werd gesleuteld, blijkt wel uit de rondetafelconferentie die tussen de drie
landen werd gehouden in het voorjaar van 1961. Ze leverde niet meer op dan de
afspraak om een tripartite werkgroep te laten bekijken in hoeverre tegemoet geko-
men kon worden aan een tweetal Surinaamse wensen. Dat Rijksdeel wilde zelf zijn
buitenlandse betrekkingen behartigen en een eigen lidmaatschap van de Verenigde
Naties krijgen.
Heel opvallend was een aantal mensen dat later lid van de Koninkrijkscom-
missie zou worden, toen al lid van de Nederlandse sectie van de werkgroep, die
onder voorzitterschap van de liberaal Korthals stond: Riphagen, Duk, Jeukens,
Adam en mijn voorganger op Defensie Lankhuyzen.
Toen er in februari 1964 kamervragen kwamen waarom die werkgroep nog
steeds niet bijeen was geweest, antwoordde de regering dat het initiatief daartoe
van Suriname moest komen. Dat had immers om de rondetafelconferentie verzocht!
Zelfs in 1967 werd de tweede vice-premier Bakker, die Verkeer en Waterstaat
leidde, nog niet als minister voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken
aangeduid, hoewel die ook tot zijn portefeuille behoorden. Dat gebeurde pas in het
kabinet-Biesheuvel, waarin de minister van Binnenlandse Zaken (Geertsema) uit-
drukkelijk ‘tevens minister voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken’
werd genoemd.
9
Toch was het niet Geertsema die de eerste stoot gaf voor een nieuwe politieke
visie op de onderlinge verhoudingen tussen de drie Statuutlanden. Dat had zijn
voorganger als vice-premier, Bakker, gedaan. Die had eigenlijk met die problematiek
niet zo heel veel te maken in zijn vakgebied Verkeer en Waterstaat. net zo min trou-
wens als zijn opvolger, Lardinois op Landbouw en Visserij en ook niet Geertsema, die
in hetzelfde kabinet in die functie de Brabander opvolgde. Het was eigenlijk wel wat
tekenend voor de betekenis die men aan die ministerstaak gaf voordat het kabinet-
Biesheuvel aantrad: ‘de West’ was min of meer een sluitpost, waarbij veel minder op
kennis op dat terrein werd gelet dan later.
Het was de minister van Verkeer en Waterstaat in het kabinet van premier de
Jong, die enige jaren na zijn aantreden het initiatief nam voor een gesprek met de
premiers van de landen in de West. Dat ging natuurlijk niet over verkeers- of water-
staatsproblemen, maar over de staatkundige verhoudingen tussen de drie. Het
gebeurde in Willemstad op 29 en 30 januari 1970. Geen van de drie mannen dacht
er toen aan om zijn land helemaal los van de andere twee te maken, zoals duidelijk
blijkt uit het protocol van Willemstad, waarin de standpunten over het Statuut wer-
den weergegeven. Over onafhankelijkheid werd daarin nog niet gerept.
Sedney, de Surinamer, kon als goed politicus alleen maar spreken over de perio-
de waarin hij dat als minister-president van Suriname kon doen. In zijn regerings-
periode, zo verklaarde hij, zou er niet gestreefd worden naar volledige staatkundige
zelfstandigheid. Zijn Antilliaanse collega Petronia hield zich helemaal op de vlakte:
hij verklaarde nog geen definitief oordeel te hebben over deze Statuut-kwestie.
Daarover zou eerst, zowel op landelijk als op eilandelijk niveau beraad moeten
plaatsvinden. Wat kon Bakker anders doen dan zich namens de Nederlandse rege-
ring bereid verklaren mee te werken aan de verwezenlijking van de in beide andere
landen levende verlangens ten aanzien van de rechtsorde van het Koninkrijk?
Nee, van een opzij zetten van het Statuut was nog geen sprake. De gedachten
van de drie gesprekspartners gingen veel meer uit naar de sociale en economische
ontwikkeling van Suriname en de Antillen. Wel zouden die landen binnen de moge-
lijkheden van het Statuut meer taken en bevoegdheden moeten krijgen dan ze had-
den. Langs die weg zou een uitbouw naar een mogelijke zelfstandigheid moeten
plaatsvinden. In het protocol werden vier mogelijkheden genoemd om dat te berei-
ken. Helemaal nieuw zou zijn dat beide landen in de West internationale overeen-
komsten zouden kunnen sluiten over onderwerpen die alleen hen aangingen. In dat
geval zou alleen de formele bekrachtiging van zulke Surinaamse en Antilliaanse
tractaten nog door een Rijksorgaan, de Kroon, moeten plaatsvinden.
Een tweede voorwaarde om straks de onafhankelijkheid van beide landen
mogelijk te maken, was de Surinamisering respectievelijk Antillianisering van de
strijdkrachten in die landen. In het Statuut stond al dat in de strijdkrachten voor de
verdediging van Suriname en de Nederlandse Antillen zoveel mogelijk personen die
in die landen woonden, dienden te worden opgenomen. Daarmee was op de
Antillen nog maar een heel voorzichtig begin gemaakt en in Suriname bestond zelfs
nog helemaal geen dienstplicht. Op welke manier en op welke termijn aan de
Statuut-bepaling uitvoering moest worden gegeven, gaven de drie ondertekenaars
van het protocol echter niet aan.
De meest principiële stap naar onafhankelijkheid zou de invoering van een
Surinaams respectievelijk Nederlands-Antilliaans staatsburgerschap zijn. Daarvoor
zou echter eerst iets met het Statuut zelf moeten gebeuren.
Het wat meer inschakelen van door de beide landen in de West voorgedragen
kandidaten voor internationale functies, was de vierde mogelijkheid om langza-
10
merhand Suriname en de Nederlandse Antillen voor te bereiden op een situatie
waarin dat soort dingen niet meer door Nederland voor hen gedaan zou worden.
Maar het bleef een heel voorzichtige aanpak. Van een principieel dekolonisa-
tiebeleid was onder het kabinet-de Jong nog geen sprake. Dit bleek nog eens een half
jaar later, toen dezelfde drie heren in Den Haag nagingen wat er van hun in
Willemstad gemaakte afspraken terecht was gekomen. Over het zelfstandig aangaan
van internationale overeenkomsten waren de ambtenaren nog aan het studeren,
net zoals over de invoering van een Surinaams en Nederlands-Antilliaans staatsbur-
gerschap. Defensie was nog het verst gekomen. Toen hij terugkwam uit Willemstad
hoorde Bakker dat op de Antillen de militaire dienstplicht al een tijdje geleden was
ingevoerd. De krijgsmacht van het Koninkrijk, zoals die volgens het Statuut heet,
had dus al een licht Antilliaans tintje gekregen.
Dat was ook wel al het geval met Suriname, maar de militairen van Surinaamse
landaard die deel uitmaakten van die krijgsmacht, waren allemaal vrijwillig die-
nenden. Op grond van zijn Nederlandse nationaliteit kon immers elke Antilliaan
en Surinamer die daar zin in had, op dezelfde voorwaarden als een Hollandse jon-
gen op vrijwillige basis dienst nemen. Afgezien van een paar Surinaamse officie-
ren, die opvallend genoeg in een Nederlands garnizoen zaten, maakten alleen wat
autochtone onderofficieren en zogenoemde ‘blijvend daar geplaatsten’ deel uit van
de Troepenmacht in Suriname, kortweg de TRIS. Die blijvend geplaatsten hadden
gebruik gemaakt van het hun bij de ministeriële beschikking van 28 juli 1960 ver-
leende recht om de dienst bij de Koninklijke Landmacht te continueren. Dat had-
den niet alleen een aantal Surinaamse landskinderen en Nederlanders die met een
Surinaamse getrouwd waren, gedaan maar ook een aantal ex-KNIL-militairen, alle-
maal beneden de rang van tweede luitenant; zij mochten op kosten van de Staat
hun gezin meenemen naar Suriname. Daar vormden zij een belangrijk element
van de TRIS.
Het dienstplichtige deel van die troepenmacht werd helemaal gevormd door
jongens die in Nederland voor hun nummer waren opgekomen. Het idee om ook
Surinaamse jongelui tot militaire dienst te verplichten was in Suriname noch in
Nederland in een politiek hoofd opgekomen. Dat gebeurde dus pas in Willemstad
en het werd in Den Haag vlug opgepakt. In het evaluatiegesprek daar kon Bakker
meedelen dat de voorbereidingen zo vlot verliepen dat de dienstplicht in Suriname
al op 1 januari 1971 ingevoerd zou kunnen worden.
In Den Haag werd niet alleen nagegaan wat er van de zes maanden eerder
gemaakte afspraken terecht gekomen was. Er werd iets besloten dat veel verder
gaande gevolgen zou hebben dan de vier in Willemstad overeengekomen nieuwig-
heden. Dat besefte toen waarschijnlijk nog geen van de drie heren. Opvallend was
dat die beslissing genomen werd op een voorstel van beide premiers uit de West. Zij
vonden dat er een gezamenlijke commissie moest komen, die de mogelijkheden
diende aan te geven voor het maken van een keuze uit “realiseerbare staatkundige
en volkenrechtelijke alternatieven van de verhoudingen tussen de drie landen”. Het
ei waaruit de Koninkrijkscommissie zou worden geboren, was gelegd. Alleen het
uitbroeden ervan duurde nog twee volle jaren, want erg veel haast maakten de
heren daar niet mee. Zij spraken af dat ze begin 1971 weer bij elkaar zouden komen
om de samenstelling en de werkwijze van de commissie vast te stellen. Waar zij het
wel al meteen over eens werden was, dat de commissie uit een Nederlandse, een
Surinaamse en een Nederlands-Antilliaanse sectie zou dienen te bestaan.
Toch was er kennelijk sinds het gesprek in Willemstad iets gebeurd in de
Surinaamse politiek. Dezelfde Sedney die zich in Willemstad zo op de vlakte had
11
gehouden, wilde nu vastgelegd zien dat in de commissie de nationale zelfstandig-
heid van Suriname centraal zou worden gesteld. Niet alleen in economisch en soci-
aal-cultureel opzicht maar ook staatkundig gezien. Dat was een duidelijk teken.
Suriname was in zijn streven naar onafhankelijkheid veel verder dan de Antillen.
Petronia hield daar dan ook wijselijk zijn mond over.
Het enige dat er op de Antillen in een half jaar was gebeurd, was een besluit
van de Staten om een parlementaire commissie in te stellen, die de staatkundige
positie van de Nederlandse Antillen zou gaan bestuderen. Veel meer dan het wat on-
verplicht studeren op theoretische mogelijkheden wilden de Antillen kennelijk niet.
Sedney wel. Hij kondigde al aan dat er in zijn land een Nationaal Zelfstandig-
heidsplan zou worden opgesteld. Hoe idealistisch de Surinamers toen al naar hun
onafhankelijkheid uitkeken, blijkt wel uit de bijzondere aandacht die in dat plan
zou worden geschonken aan het scheppen van voorwaarden voor een goed functio-
nerend, democratisch staatsbestel, waarin de handhaving van de fundamentele
rechten en vrijheden van de mensen blijvend kon worden gewaarborgd. Dat die ‘blij-
vende waarborg’ binnen zes jaren nadat Suriname de veiligheid van het Statuut ver-
laten had, een theoretische blijkt te zijn geweest, kon Sedney toen moeilijk voor-
zien. Waar wij, Nederlanders – gezien de ervaringen met de snelle dekolonisatie van
veel Afrikaanse landen – wel rekening mee hadden kunnen houden, was de kans dat
een militair apparaat in zo’n jong land meer een gevaar voor die fundamentele
rechten zou blijken te zijn dan een instrument waarmee invallen van nabuurlanden
moeten worden afgeslagen.
De politiek is, wat dat betreft, hardleers. Niet alleen in de wat we tegenwoordig
‘ontwikkelingslanden’ noemen, maar ook in de Westerse wereld. Als het om princi-
piële zaken gaat, zoals het verlenen van staatkundige onafhankelijkheid aan kolo-
niën, werken we er volop aan mee om landen, die we eeuwenlang niet in staat heb-
ben gesteld om een ontwikkeling door te maken waar we zelf honderden jaren over
hebben gedaan, in zo’n situatie te laten verzeilen.
Nederland dus ook. Ons land had geen enkele kritische reactie op de wens van
Suriname om over een eigen krijgsmacht te beschikken. Zelfs niet toen we ons her-
innerden welke afschuwelijke gebeurtenissen er hadden plaatsgevonden in op te
korte termijn gedekoloniseerde landen. Zoals in de voormalige Belgische Congo,
kort nadat daar de militaire paraplu van het koloniale België was verdwenen. Dat is
kennelijk de prijs die elk gedekoloniseerd land in de tweede helft van deze eeuw
heeft moeten betalen. Niet aan zijn oude overheersers maar aan zichzelf!
12
De Koninkrijkscommissie
Anderhalf jaar duurde het voordat alle ambtelijke en politieke voorbereidingen
waren afgerond en een concept-Koninklijk besluit aan de Koningin kon worden
voorgelegd. Maar op 5 januari 1972 was de Koninkrijkscommissie dan toch een feit
door het allereerste KB dat koningin Juliana in dat jaar ondertekende.
De bemanning ervan was een zaak van de drie regeringen. Suriname en de
Nederlandse Antillen wezen de leden van hun secties aan bij Landsbesluit en
Nederland benoemde zijn leden met een nieuw KB, een week later dan dat van de
instelling. De samenstelling van de Nederlandse sectie had wat problemen opgele-
verd; niet alleen diende een aantal staatsrechtsgeleerden van naam gevonden te
worden, ook de politieke partijen wensten een vertegenwoordiger in die belangrijke
commissie.
Vijf professoren werden bereid gevonden zitting te nemen. Drie hoogleraren in
het staatsrecht, prof. mr. W.F. de Gaay Fortman, prof. mr. J. van der Hoeven en prof.
mr. M. Bos. Eén hoogleraar volkenrecht, prof. mr. W. Riphagen, die ik al van Buiten-
landse Zaken kende. De specialist op rechtspositie-terrein, prof. mr. H.J.M. Jeukens,
was de vijfde.
Het parlement was nog beter vertegenwoordigd dan de wetenschap. Alle grote-
re partijen hadden hun mannetje aangewezen: mr. A. Geurtsen van de VVD, mr.
Th.J.A.M. van Lier van de PvdA, dr. Th.E.E. van Schaik van de KVP, P.C. Elfferich van
de ARP, A. de Goede van D66 en verder nog drs. E.F.B. Verwoert (DS’70) en mr. C.A.
Bos (CHU).
Daarnaast hadden ook de premier, de minister belast met Surinaamse en Ne-
derlands-Antilliaanse Zaken, Defensie en Financiën er belang bij een ambtenaar te
laten meepraten in de vergaderingen van deze, voor hen politiek belangrijke com-
missie.
Eerst wilde Defensie-minister de Koster drie mensen aanwijzen: voor de Ko-
ninklijke Marine de kapitein ter zee de Regt, voor de Koninklijke Landmacht ook al
een kolonel, Van Loosbroek, en mij als hoofd van de afdeling wetgeving en publiek-
recht van het centrale defensie-apparaat. Dat werd in juli ’71 aan minister Nelissen,
die toen het kabinet van Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken onder zich
had, geschreven. Twee maanden later kwam diens reactie: om de omvang van de
commissie niet tot een onwerkbare te laten worden, diende elke minister zich tot
één vertegenwoordiger te beperken. Op Defensie, waar de directie Juridische Zaken
onder van Harinxma thoe Slooten een belangrijke positie innam, vroeg men zich
toen af: welk krijgsmachtdeel moet zijn mannetje inleveren of is het staatsrechte-
lijk aspect ook voor Defensie van zo’n overwegend belang dat de burger-jurist
Verstegen de specifiek militaire aspecten maar ‘mee zou moeten nemen’. Als hij
zich door beide kolonels liet adviseren, zou dat een oplossing zijn.
Vijf dagen na de brief van Nelissen zaten we alle drie bij het Comité Verenigde
Chefs van Staven. Commandeur-vlieger Hans van der Kop, niet onbekend door een
duikeling in zijn marinejeugd van het vliegdek van de Karel Doorman, leidde de
bespreking. Tot mijn verrassing ging niet alleen hij ermee akkoord dat ik voor
Defensie in de Koninkrijkscommissie zou gaan zitten, ook de twee anderen hadden
daar geen bezwaar tegen. “Als je je maar onthoudt van activiteiten die zouden kun-
nen bijdragen tot wijziging van de bestaande situatie.” Die boodschap kreeg ik mee
13
maar gelukkig werd ze nooit op politiek niveau bevestigd, want noch de ministers
de Koster en Vredeling, noch hun staatssecretarissen gaven mij zo’n passieve rol. Het
was ook eigenlijk een opdracht die niet in overeenstemming was met het wezen van
de commissietaak: het voorbereiden van een keuze uit realiseerbare alternatieven
voor de rechtsorde in het Koninkrijk. En alternatieven zijn per definitie anders dan
de bestaande situatie, bedacht ik.
Medio oktober wist Nelissen dat Defensie aan zijn verzoek had voldaan. Toch
duurde het daarna nog drie maanden voordat de zaak helemaal rond was. Op
5 januari 1972 was het dan toch zo ver. De drie secties van de Koninkrijkscommissie
konden beginnen. Van meteen plenair vergaderen was nog geen sprake, omdat elk
van de drie secties eerst wilde bepalen hoe zij zou gaan opereren.
De Gaay Fortman, de voorzitter van de Nederlanders, riep op 10 februari zijn
mensen voor het eerst bijeen. In het gebouw van de Eerste Kamer. Daar vertelde
hij dat de Antilliaanse premier Isa hem een aantal onderwerpen had genoemd die
hij al meteen plenair besproken wilde zien. Een daarvan was de kwestie hoe de
defensie van de Nederlandse Antillen geregeld zou worden. Daarmee bedoelde Isa
niet alleen de militaire verdediging tegen aanvallen van andere staten op zijn
land, maar ook de handhaving van de interne orde en rust op de Nederlandse
Antillen.
Dat die niet buiten de militaire bijstand van de Koninkrijkskrijgsmacht kon-
den, was enige jaren eerder gebleken. In mei 1969 leidde arbeidsonrust in Wil-
lemstad tot een explosie van geweld. Heel wat gebouwen gingen in vlammen op en
wie weet wat er nog meer voor ellende zou zijn gebeurd als de mariniers niet had-
den ingegrepen. Dat kon, omdat de gouverneur om ‘harde bijstand’ kon verzoeken
op grond van een formele regeling. Het betekende dat delen van de ter plaatse aan-
wezige krijgsmacht ter beschikking van de Antilliaanse regering gesteld werden om
de plaatselijke politie bij te staan. In Nederland leidde dat militaire ingrijpen in een
Antilliaanse binnenlandse aangelegenheid tot politieke opschudding. Dat was waar-
schijnlijk de directe aanleiding voor een verandering in het politieke denken over
de Statuut-verhoudingen, die we toen vijftien jaar met elkaar hadden.
In de vergaderingen van de Nederlandse sectie, die zich moest voorbereiden op
de eerste plenaire bijeenkomst van maart 1972, stelde voorzitter de Gaay Fortman
daarom het defensievraagstuk meteen aan de orde. We kwamen al snel tot de con-
clusie dat de inhoud van ons advies op dat punt afhankelijk moest zijn van het ant-
woord op de vraag, in welke nieuwe verhoudingen we met Suriname en de
Nederlandse Antillen zouden komen te verkeren.
De staatsrechtsgeleerde top ging eerst van drie mogelijke verhoudingen uit,
maar de gedachte aan een Gemenebest-constructie naar het model van de Britse
Commonwealth, werd al snel losgelaten. De twee overgebleven mogelijkheden, die
van een al dan niet ingrijpend veranderd Statuut en die van volledige onafhanke-
lijkheid, leidden tot het opstellen van een tweetal werkstukken. In het eerste kwa-
men de als knelpunten aan te merken bepalingen van het geldende Statuut aan de
orde en in het andere werd aangegeven welke verhoudingen Nederland dan nog
met de volledig soevereine Antillen en Suriname zou kunnen hebben. Het defen-
sievraagstuk was in dat tweede stuk een van de belangrijkste. Gedacht werd aan
een verdrag tussen de drie staten, op grond waarvan een aanval op één van hen
automatisch tot militaire bijstand van beide andere zou leiden. Een zelfde formu-
le als in het Westeuropese Unie-verdrag. De vraag of dat zou moeten leiden tot sta-
tionering van Nederlandse troepen in Suriname en/of de Antillen, werd in dit stuk
open gelaten.
14
EDERLAND
CONGRES GEBOUW
Installatie van de Koninkrijkscommissie door minister Lardinois (links). Achter de tafel v.l.n.r. de heren Isa
(voorzitter Antilliaanse sectie), Morpurgo (voorzitter Surinaamse sectie), De Gaay Fortman
(voorzitter Nederlandse sectie) en Van Oel (secretaris Koninkrijkscomissie).
Over het heikele punt van de bijstand voor de handhaving van de interne orde
en rust werd niet meer gezegd dan dat elk van de drie staten daarvoor zijn eigen
apparaat diende in te zetten. Dat zou voor beide landen in de West een op militaire
leest geschoeide organisatie moeten zijn. Bij de opbouw daarvan zou Nederland
technische bijstand kunnen verlenen.
In de twee vergaderingen van onze sectie werd wel even aan de hand van dit
stuk over de twee mogelijkheden voor nieuwe staatkundige verhoudingen gediscus-
sieerd, maar de defensiepassages kwamen daarbij niet aan de orde. Alle aandacht
werd besteed aan de procedurele voorbereiding van de eerste plenaire vergadering,
die kort na de installatie van de commissie in Den Haag begon.
Ir. Lardinois, die naast Landbouw en Visserij ook ‘de West’ in zijn portefeuille
had, verrichte die installatie in het Haagse Congresgebouw. Daarna werden we met
z’n allen door koningin Juliana in Huis ten Bosch ontvangen. Het was niet alleen
een belevenis om daar met de koningin op de foto te komen, zoals dat met nieuw-
geïnstalleerde kabinetten gebeurt, nog meer indruk op mij maakte de manier waar-
op zij zich met ons onderhield. Ik herinner mij nog heel goed dat er op een gegeven
moment een dispuut ontstond over een staatsrechtelijk onderwerp. Prof. Bos gaf
haar toen gewoon college en dat accepteerde ze heel vriendelijk. Haar Leidse colle-
getijd lag ook heel wat verder achter haar dan de Utrechtse van de hoogleraar.
15
Al meteen op 27 maart 1972, de eerste dag waarop onder voorzitterschap van
Nederland vergaderd werd met de twee andere secties, bleek dat de Surinaamse en
Antilliaanse secties alles behalve homogeen waren. De Surinamers hadden nogal
wat uiteenlopende opvattingen, afhankelijk van de bevolkingsgroep die zij verte-
genwoordigden en bij de Antillianen was het vooral Betico Croes, die een vlammend
betoog hield over zijn ‘status aparte’. Hij hield ons daarbij voor dat Aruba afzonder-
lijke betrekkingen met Nederland zou gaan onderhouden, als de Antillen onafhan-
kelijk zouden worden zonder dat aan zijn eis om dat in een federatieve vorm te
doen, was voldaan.
Wat is wijsheid in zo’n situatie? De Gaay Fortman bedacht de oplossing om van
het voltallige overleg over te stappen naar bilaterale besprekingen tussen de drie
secties. Dat gaf de nodige rust. Na vier dagen vergaderen kon in ieder geval het voor-
stel van het presidium om twee werkgroepen te formeren, algemeen worden aan-
vaard. De eerste zou de staatsrechtelijke alternatieven van de bestaande rechtsorde
moeten bezien met het Statuut als uitgangspunt. De tweede kreeg een veel verder
gaande opdracht: ontwerp samenwerkingsvormen op volkenrechtelijke basis tussen
de drie landen, die volledige soevereiniteit bezitten.
16
Naar Paramaribo
Het duurde toch nog een maand of vijf voordat we weer met de complete commis-
sie konden vergaderen. Eindelijk, op vrijdag 25 augustus 1972, vloog de voltallige
Nederlandse sectie van de Koninkrijkscommissie in een KLM-jumbo naar Suriname.
Omdat Kamerleden eerste klas reizen, de hoogleraren moeilijk naar de Economy-
klas verbannen konden worden en de verhoudingen tussen de leden van de com-
missie gelijk waren, vlogen ook de ambtenaren Royal Class. Dat betekende niet
alleen ruimere stoelen maar ook toegang tot het top deck met zijn bar en vrije
drankjes. Dat had je als simpel defensie-ambtenaartje nooit kunnen bedenken toen
je aangewezen werd om voor Vredeling in een commissie te gaan zitten.
Ook de aankomst op vliegveld Zanderij was bijzonder. Ik was wel eerder in de
tropen geweest in 1948-49 in het toenmalige Nederlands Indië, waar ik als jongste
officier een jaar lang vanaf Hr. Ms. Jan van Brakel de archipel van Saba tot Hollandia
mocht bewonderen. En in 1947 was ik als werkstudent met een schip vol met dis-
placed persons naar Curaçao gevaren, maar Suriname was voor mij onbekend ter-
rein. Ik had wel gehoord dat de marine-jongens op de Antillen veel beter af waren
dan de landmacht-dienstplichtigen die naar Suriname gestuurd werden. Daar aan-
gekomen merkte ik hoe waar dat was: of je een opgekookte moltondeken om je heen
geslagen kreeg. Wat airco in Suriname voor Nederlanders betekende, ervoer ik in de
auto en even later in Torarica. Dat in 1959 gebouwde hotel was helemaal afgestemd
op de behoeften van Amerikaanse toeristen, maar voor de commissie diende het
niet alleen als eet- en slaapplaats, we konden er ook vergaderen.
Dat deden we overigens maar een paar dagen. De staatsrechtelijke werkgroep
kwam niet veel verder dan de eerste aanzet voor een zogenaamd licht Statuut. Dat
zou nodig zijn in de overgangsperiode naar onafhankelijkheid van de Antillen en
Suriname. Het merendeel van de Nederlandse leden was tot de conclusie gekomen,
Zo zag hotel Torarica er uit vlak na de opening in 1959; later werd een nieuwe vleugel bijgebouwd.
17
dat niet op zeer korte termijn tot de onafhankelijkheid van beide landen geadvi-
seerd diende te worden. Dat nieuwe Statuut zou dan nodig zijn in de overgangspe-
riode en afgestemd moeten worden op de duur waarvoor het zou moeten gelden. Er
werd wel wat verschillend gedacht over die duur. De ‘haastigen’ vonden dat er zo’n
twee tot drie jaar nodig zouden zijn; de ‘bezadigden’ dachten aan zes tot acht jaar.
In de volkenrechtelijke club, waarvoor ik had gekozen omdat daarin de defen-
sieproblematiek veel meer zou spelen dan in de andere, bleek al gauw dat er een
Surinaams noch een Antilliaans standpunt bestond. Wij Nederlanders hadden afge-
sproken dat we ons afwachtend zouden opstellen en ons zouden beperken tot het
registreren van de verlangens op dit punt van beide andere secties. Meer dan een
registratie van de persoonlijke opvattingen van een aantal politici zat er nog niet in.
Zo vertelde Lachmon, de leider van de Hindoestaanse VHP, dat hij geen onafhanke-
lijkheid op korte termijn nastreefde. Hij kwam wel meteen met een voorstel: splits de
Koninkrijkskrijgsmacht in een Nederlands-Antilliaans en een Surinaams deel, beide
onder een eigen minister van defensie! Natuurlijk doelde hij daarmee alleen op de
situatie in de West en wilde hij Nederland niet zonder defensie laten zitten, maar hij
formuleerde het als een splitsing in tweeën. Dat dit in het kader van het Statuut
onmogelijk was, werd hem door de Nederlandse staatsrechtsgeleerde voorzitter met
de nodige diplomatie duidelijk gemaakt. Het idee was dan ook meteen van de baan.
De leden van de Nationale Partij Suriname bleken niet helemaal wars te zijn
van onafhankelijkheid; het idee van een eigen Surinaamse krijgsmacht sprak hen
wel aan, want die was volgens hen onontbeerlijk, omdat zij een conflict met Guyana
over de omstreden driehoek niet uitsloten.
De Gaay Fortman wilde toch wel wat meer duidelijkheid hebben van de twee
andere secties. Hij kreeg zijn collega-voorzitters zo ver, dat zij tijdig voor de volgen-
de vergadering in Willemstad hun opvattingen over de defensieproblematiek in
nota’s zouden neerleggen.
Meer resultaat werd er in die dagen niet geboekt. De Surinamers vatten hun
taak als gastheer zo mogelijk nog serieuzer op dan de hun bij Koninklijk Besluit
gegeven opdracht. We kregen alles wat maar een beetje de moeite waard was te zien.
Om te beginnen Fort Zeelandia, waarvan professor Maarten Bos een foto maakte, die
nog in mijn album prijkt. Hij gaf mij die wat later met de profetische woorden.
“deze foto is illustratief voor Suriname’s toekomst: donkere wolken pakken zich
samen boven Paramaribo, de lichtere moeten wijken”. De moorden in dat zelfde fort
na de militaire coup van Desi Bouterse vonden acht jaar later plaats.
Een rondleiding door de Nederlandse directeur over de suikerplantage Mariën-
burg leerde ons wat een achterstand Suriname op industrieel gebied had op
Nederland. De machines in de fabriek waren van Werkspoor, maar dateerden van
De ijzeren golfplaten op de rumfabriek waren al even doorgeroest als die op
de eigenlijke suikerfabriek. Vooral Theo van Lier, die naast mij liep, ergerde zich gru-
welijk aan de toestand waarin deze ‘Nederlandse’ fabriek verkeerde. Pas in septem-
ber 1974, toen de Gaay Fortman met het tot staatssecretaris van Financiën gepro-
moveerde lid van de Nederlandse sectie, Aart de Goede, Suriname bezocht, kwam er
geld om Mariënburg op te knappen. Met de Surinaamse kabinetsleden Arron en
Cambridge spraken zij af dat er 1,5 miljoen Surinaamse guldens uit het lopende vijf-
jarenplan beschikbaar zou komen voor een totale revisie.
Ook de minister-president liet zich niet onbetuigd. Wij werden door hem
‘s woensdagsmiddags op zijn ministerie van Algemene Zaken ontvangen. Gelukkig
in ‘wandelkostuum’. Dat mochten we niet aan bij de plechtige opening van de Suri-
18
De Nederlandse directeur van de suikerplantage Mariënburg leidde ons rond. Naast hem Theo van Lier;
daarachter lopen zijn collega-Kamerlid Cees Bos en Joop Merckelbach.
ROBERTO
Korjalentocht op de Marowijne. De korjaal met Van Lier, Verstegen, het Surinaamse Statenlid Fransman en
Jeukens; voorop de koelaman met peilstok.
19
naamse Staten op 1 september, want daar was de kleding ‘officieel’. Die buitenge-
wone vergadering begon gelukkig om 9 uur ‘s morgens, toen de temperatuur nog
dragelijk was.
Het hoogtepunt van ons verblijf in Suriname was een bezoek aan het binnen-
land. Met een paar Twin Otters van de Surinaamse Luchtvaartmaatschappij SLM vlo-
gen we naar Stoelmanseiland in de Marowijnerivier. De Amerikaanse piloot van het
toestel waar ik in zat, was zo vriendelijk om een omwegje te maken, zodat we de
Afobaka-dam en het Van Blommestein-stuwmeer vanuit de lucht konden zien. Op de
weg van de airstrip op het eiland naar het guesthouse werden we verwelkomd door
onze Surinaamse collega Fransman. Die was in de Koninkrijkscommissie gekomen
als vertegenwoordiger van de bosnegers. Bij een bezoek aan Stoelmanseiland hoort
een korjalentocht op de Marowijne. Dat zat er voor ons dus ook in. Er waren vijf kor-
jalen nodig voor het hele gezelschap. Een bosneger aan de buitenboordmotor, de
motorist, en één met een peilstok voorin, de koelaman: dat was de bemanning waar
wij ons leven aan toevertrouwden in de soela’s, zoals de stroomversnellingen hier
heten. De terugtocht van de soela’s naar Stoelmanseiland werd in een racetempo
afgelegd. De motoristen maakten er een wedstrijdje van en probeerden onderhand
met hun hekgolf de mensen in de andere korjalen zo nat mogelijk te krijgen.
Op 4 september 1972 vlogen we met een verlengde DC-8 naar huis, wel met een
flinke omweg. Eerst de verkeerde kant op naar Curaçao en vandaar via stops in
Caracas, Lissabon en Frankfurt eindelijk naar Schiphol.
20
Een paramilitaire oplossing?
We hadden een hele Nederlandse winter voor de boeg om iets te produceren waar-
door we wat meer schot in de besprekingen met beide landen in de West zouden
kunnen krijgen. Er waren in Paramaribo wel door de andere secties nota’s toege-
zegd, maar die wilden we niet afwachten. Als we de discussie over het defensie-
vraagstuk in de voorjaarsvergadering op gang konden brengen door een eigen nota
in te schieten, moesten we dat niet laten. We realiseerden ons ook wel dat beide
andere secties geen echte deskundigen op dat gebied hadden, zodat we de kans lie-
pen dat we in de volgende zitting in Willemstad niet zouden beschikken over een
bevredigend uitgangspunt voor vruchtbare discussies. Er was ook nog wel even tijd
voor een eigen stuk, want die vergadering op de Nederlandse Antillen was pas
gepland voor februari/maart 1973.
Om een praatstuk voor de Nederlandse sectie te krijgen, vroeg de Gaay Fortman
mij om een algemene beschouwing te maken over de mogelijke defensie- en poli-
tietaken voor landen die hun soevereiniteit verwerven, zoals dat formeel heet. Het
betekende wat overwerk, maar het was ruim op tijd klaar. Het overleg met dezelfde
kolonels die eerst als lid waren aangemeld en nu als militair adviseur fungeerden,
was medio november 1972 afgerond. Het stuk van zes kantjes kon tijdig door de hele
Nederlandse sectie besproken worden.
Om een zo volledig mogelijk inzicht te kunnen krijgen in de taken die door een
willekeurig defensieapparaat plegen te worden verricht, werden die daarin aange-
geven. Ze werden gesplitst in taken op het gebied van de eigenlijke militaire verde-
diging en op dat van de militaire bijstand aan het politieapparaat. Volledigheids-
halve werden ook de taken genoemd die geen eigenlijk defensietaken zijn, maar vre-
destaken die uit doelmatigheidsoverwegingen aan het militaire apparaat worden
toevertrouwd. Dat is nu eenmaal zo opgeleid en toegerust dat het ook kan worden
gebruikt voor niet-militaire taken, zoals de grensbewaking, de zorg voor de veilig-
heid van het staatshoofd en de handhaving van de soevereine rechten in de territo-
riale zee en het continentale plat.
In een uitvoerige samenvatting werd aangegeven welke van al die taken voor
een onafhankelijk Suriname en de Nederlandse Antillen in aanmerking zouden
komen. Om te beginnen zou een conclusie kunnen zijn dat, als een of geen van beide
staten voor de primaire defensietaak een eigen krijgsmacht zou willen hebben, die
er niet voor beide andere taakgebieden zou moeten komen. In zo’n geval zou de
oplossing van het externe defensievraagstuk gevonden kunnen worden in het zoe-
ken van aansluiting bij een verdragsorganisatie, zoals de Organization of American
States (OAS). Daarvan zijn behalve een aantal met Suriname en de Nederlandse
Antillen vergelijkbare landen ook grote landen als de Verenigde Staten, Brazilië en
Argentinië lid. Dit verdrag verklaart dat elke aanval op een lidstaat beschouwd zal
worden als een aanval op alle verdragsstaten. Het voorziet in een gemeenschappe-
lijk militair optreden ter voorkoming of weerstaan van zulke agressie.
Daarnaast bestond nog de mogelijkheid om een bilaterale overeenkomst te slui-
ten, bijvoorbeeld met de Verenigde Staten, waardoor militaire hulp bij aanvallen
van buitenaf verzekerd zou zijn. Op dat moment hadden de Verenigde Staten op
die
basis met zeventien Midden- en Zuid-Amerikaanse landen zo’n verdrag gesloten. De
grond voor een eigen krijgsmacht zou dan ook voor Suriname en de Antillen ont-
21
vallen als op deze manier aan de defensiebehoefte van beide landen voldaan zou
worden. Een eigen krijgsmacht was ook geen voorwaarde voor aansluiting bij de
OAS, want de leden Costa Rica en Panama hadden ook geen krijgsmacht, wel een
paramilitaire organisatie.
In het stuk werd er ook op gewezen dat er in juli 1972 overleg had plaatsge-
vonden tussen ons parlement en delegaties van de Staten van Suriname en de
Nederlandse Antillen. Dat ging over de vraag hoe in Suriname de bestaande secun-
daire en oneigenlijke defensietaken vervuld dienden te worden. De Surinamer prof.
Quintus Bosz en het kamerlid mr. Mommersteeg kwamen toen met het idee om een
paramilitair orgaan op te richten, dat belast zou kunnen worden met de interne vei-
ligheid. Het zou dan tevens kunnen dienen voor de opbouw van het land en na onaf-
hankelijkheid de taak van de (hoofdzakelijk uit Nederlanders bestaande) troepen-
macht in Suriname (TRIS) kunnen overnemen. Als dat idee zou worden overgeno-
men hoefde in Suriname geen militair apparaat te worden opgezet, maar zou vol-
staan kunnen worden met een paramilitair orgaan. De voornaamste taken daarvan
zouden komen te liggen op het terrein van bepaalde politiediensten en op pio-
niersgebied.
De Surinaamse dienstplichtverordening van eind 1970 wees echter niet
bepaald in die richting. Ze zou ook niet kader van voldoende niveau opleveren en,
met een diensttijd van zestien maanden, ook niet de vereiste omvang hebben. Dat
zelfde gold trouwens ook voor de Nederlandse Antillen. De daar al wat langer gel-
dende dienstplichtverordening was alles behalve afgestemd op een eigen paramili-
taire organisatie. Die zou, zo was het idee van de commissie, ingezet kunnen wor-
den voor de kustbewaking. Voor de handhaving van de soevereine rechten in de ter-
ritoriale zee en de bestrijding van de welig tierende smokkelhandel diende men
immers over een soort kustwacht te beschikken. De daarvoor bedachte paramilitai-
re opzet zou die organisatie dan meteen geschikt doen zijn voor het in voorkomen-
de gevallen verlenen van bijstand aan het Antilliaanse politieapparaat.
De bespreking van dit stuk in de Nederlandse volkenrechtelijke werkgroep leid-
de tot een aantal voorlopige conclusies, die werden neergelegd in een aantekening
voor de Surinaamse en Antilliaanse collega’s. Ook dat verhaal mocht ik schrijven.
De a-militaire grondgedachte van het discussiestuk bleef in de aantekening
overeind. Soevereine staten met een zo geringe bevolking als beide overzeese
Rijksdelen zouden er geen krijgsmacht op na dienen te houden. Die zou immers zo
bescheiden van opzet en omvang zijn, dat er geen redelijke waarborg voor de hand-
having van de eigen onafhankelijkheid door geschapen wordt. Het nut van een
eigen krijgsmacht voor Suriname en de Nederlandse Antillen zou ook niet opwegen
tegen de relatief zeer hoge kosten ervan, zo betoogden we in deze aantekening voor
de volgende plenaire vergadering. Als beide andere secties met deze conclusies zou-
den kunnen instemmen, kon een advies aan de drie regeringen om militaire appa-
raten voor Suriname en de Nederlandse Antillen op te zetten achterweg blijven. Het
feit dat er ook in die landen secundaire en oneigenlijke defensietaken zouden kun-
nen liggen, zou niet tot een andere conclusie mogen leiden. Wel diende bezien te
worden of voor de uitoefening van de niet-primaire militaire taken in beide landen
voor een paramilitaire oplossing gekozen zou moeten worden.
De poging van de Nederlandse sectie om beide landen in de West van een eigen
krijgsmacht af te houden, was duidelijk. De passage over de oplossing van het defen-
sieprobleem, die op het Westelijk halfrond door een aantal landen was gekozen,
werd in dit stuk nadrukkelijk aan onze gesprekspartners voorgehouden door de
22
aanbeveling om de garantie voor de handhaving van de onafhankelijkheid te zoeken
bij de Organisatie van Amerikaanse Staten.
Ons stuk ging samen met het basisrapport en een toelichtende nota natuurlijk
ook naar mijn eigen minister de Koster. De staatsrechtelijke werkgroep van de
Koninkrijkscommissie kreeg die stukken eveneens. Die was zich immers aan het
buigen over de vraag hoe een licht Statuut er uit zou kunnen zien. Daarin zou niet
het idee van Lachmon om nog onder het Statuut een eigen Surinaamse krijgsmacht
mogelijk te maken, kunnen worden uitgewerkt. Nederland had zich wel bereid ver-
klaard daarvoor een alternatief te bedenken. Vooral nu die Surinaamse voorzitter
van de staatsrechtelijke werkgroep zich bereid had verklaard mee te werken aan een
andere oplossing om Nederland te ontlasten van zijn medeverantwoordelijkheid
voor de interne orde en veiligheid in Suriname, paste het stuk aardig in het geheel,
dachten we.
De mogelijkheid om bij ernstige ongeregeldheden het politieapparaat te ver-
sterken, diende te blijven bestaan; daar waren we het allemaal over eens. Maar als
dat niet meer door de Koninkrijkskrijgsmacht zou kunnen gebeuren door de beper-
king van zijn taak tot de externe defensie in de West, zou gedacht kunnen worden
aan de oprichting van een paramilitair orgaan. Dat moest dan niet onder de
Koninkrijksminister van Defensie vallen maar kon opereren onder de politieke ver-
antwoordelijkheid van een kabinetslid van het nog binnen het Statuut gebleven
land. Die suggestie van de volkenrechtelijke werkgroep zou dus verwerkt moeten
worden in het lichte Statuut, waarmee de staatsrechtelijke werkgroep bezig was.
Wij in de Nederlandse sectie hadden goede hoop dat dit zowel in Nederland als in
de West een haalbare kaart was, omdat het een half jaar eerder in het parlementai-
re overleg tussen de drie landen in feite ook al aan de orde was geweest.
Voor Suriname hadden we op Defensie zelfs al een mogelijke naam voor dat
orgaan bedacht, niet wetende dat er van 1955 tot 1961 een ‘Corps Gewapende poli-
tie in Suriname’ had bestaan. De ‘Gewapende Veldpolitie’ was dus niet zo’n erg ori-
gineel bedenksel. We hadden het nieuwe korps ook al zo’n beetje georganiseerd. Het
zou moeten bestaan uit ongeveer 300 man in twee compagnieën. Een daarvan zou
een uitsluitend politionele taak hebben ter opvulling van de gaten die er zouden
vallen als de (politie)posten die nog door de TRIS bezet werden, verlaten zouden wor-
den. De andere compagnie kon in het kader van de opbouw en de openlegging van
het binnenland ingezet worden, een soort pionierstaak dus.
Dit idee was natuurlijk niet op korte termijn te realiseren, maar bij een gelei-
delijke overgang naar onafhankelijkheid eigenlijk zo gek nog niet. Zeker niet in de
opvatting van de ‘bezadigde’ leden van de Koninkrijkscommissie (en daartoe durf ik
mij ook nu nog wel te bekennen) zou binnen een termijn van zes tot acht jaar het
oproepen en opleiden van landskinderen voor zo’n taak best mogelijk zijn. De
secundaire en oneigenlijke defensietaken die ook de TRIS en de Koninklijke Marine
verrichtten, zouden dan geleidelijk overgedragen kunnen worden aan deze parami-
litaire eenheden. Dat hield dan meteen een geleidelijk teruglopen van de sterkte
van de onderdelen in de West van de Koninkrijkskrijgsmacht in. Bovendien zouden
die uit louter Nederlanders bestaan, zodat een betere aansluiting zou worden ver-
kregen bij de situatie die zou ontstaan na beëindiging van de Statutaire verhoudin-
gen.
23
De defensiecommissie
De plenaire vergaderingen van de Koninkrijkscommissie vonden om beurten in een
van de drie landen plaats. Daarom waren nu de Nederlandse Antillen aan de beurt.
Op 12 maart 1973 vloog de KLM het Nederlandse gedeelte van de commissie naar
Willemstad. Twee volle weken duurde die derde zitting. De eerste week zaten we in
hotel Intercontinental, dat toen nog geen deel uitmaakte van de Van der Valk-keten.
Het werd ons Nederlanders al snel duidelijk dat vooral het ‘lichte’ Statuut pro-
blemen ging opleveren. Met name de ontwerpbepalingen over de nationaliteit en
die welke een eenzijdige beëindiging van het Statuut mogelijk maakten, werden
door de secties uit de West onaanvaardbaar genoemd. Op de eerste de beste verga-
dering werd daarom besloten om niet meer in een volkenrechtelijke en een staats-
rechtelijke werkgroep te vergaderen maar vier subcommissies in te stellen, waarin
de knelpunten van dat lichte-statuutontwerp besproken zouden worden.
Omdat – hoe kon het ook anders – de defensieparagraaf daarin een van de vier
probleemonderwerpen was, werd die aan de, al gauw zo genoemde defensiecom-
missie toebedeeld. Als voorzitter daarvan fungeerde niemand minder dan onze
Antilliaanse gastheer ‘Juancho’ Evertsz. Zijn Nederlandse tegenvoeter, door ons in
eigen kring steevast Gaius genoemd, en zijn plaatsvervanger professor mr. Jo van der
Hoeven, gaven door hun aanwezigheid in die commissie aan hoe belangrijk
Nederland dat defensieprobleem vond. Van het kabinet van minister Nelissen kwam
mr. Ben Adam, als vertegenwoordiger van premier Biesheuvel meldde mr. Joop
Merckelbach zich aan en vanzelfsprekend deed ik voor Defensie mee aan de bespre-
kingen over de vraag hoe de verdediging van Suriname en de Nederlandse Antillen
geregeld moest worden.
Evertsz sneed meteen de vraag aan hoe het moest met de externe defensie na
de beëindiging van het Statuut. Van Nederlandse kant werd op de vraag hoe dat voor
de Antillen moest, wat verrassend geantwoord dat de primaire defensietaak ook dan
bij de Koninklijke Marine zou moeten berusten. Als die zou wegvallen dreigde
immers een machtsvacuüm te ontstaan en daardoor zouden de belangrijkste
bestaansmogelijkheden van de Antillen ernstig in gevaar kunnen komen. Een opval-
lende ommezwaai van het standpunt dat in de volkenrechtelijke werkgroep was
ingenomen! Zeker weten doe ik het niet, maar niet onwaarschijnlijk speelde hierbij
de Amerikaanse bezorgdheid over het mogelijk wegvallen van de Nederlandse
defensietaak in dit gedeelte van het Caribisch gebied een rol. Er waren over die
bezorgdheid berichten in Den Haag binnengekomen. De Verenigde Staten wezen er
daarin op dat het wegvallen van de Nederlandse defensie zou leiden tot ‘labiliteit
van potentiële investeerders’. Dat zou een economische teruggang betekenen, die
weer de nodige onrust kon veroorzaken.
Zonder dat het uitdrukkelijk in de commissie werd gezegd, ging ze ervan uit
dat de externe defensie van Suriname na de onafhankelijkwording niet meer door
Nederland verzorgd zou worder. Een belangrijk punt voor Suriname was ook de
opvatting van de defensiecommissie dat de Surinamisering van de TRIS geen zin
meer had. De Statuutbepaling dat zoveel mogelijk inwoners van de landen in de
West deel dienden uit te maken van de Koninkrijkskrijgsmacht, ging er immers van
uit dat er een defensieapparaat voor alle drie de landen zou zijn. Dat uitgangspunt
werd nu losgelaten. Het betekende dat geen Surinamers meer als dienstplichtigen
24
opgeroepen dienden te worden. In plaats van de Surinaamse dienstplichtverorde-
ning zou er een regeling moeten komen, op grond waarvan Surinamers verplicht
konden worden om bij een paramilitaire organisatie te dienen. Zo’n organisatie
moest zo snel mogelijk worden opgericht voor het tweeledige doel dat in het
Nederlandse werkstuk was aangegeven: het oplossen van het probleem van de harde
militaire bijstandsverlening en de voorbereiding van een eigen Surinaamse krijgs-
macht na het verkrijgen van de soevereiniteit.
Een eigen Antilliaanse militaire organisatie zat er dus niet in, nu Nederland
vond dat het ook na de beëindiging van het Statuut de externe defensie voor zijn
rekening moest nemen. Een Antilliaanse paramilitaire organisatie zou dus hooguit
zin hebben voor hetgeen de commissie de interne defensietaak noemde. Maar ook
hier zou een de-Antillianisering van de krijgsmacht moeten plaatsvinden; het nog
een poosje inschakelen van Antillianen bij de externe defensie leek immers niet zin-
vol als die taak, naar verwacht werd, binnen niet al te lange tijd toch een zuiver
Nederlandse zou zijn. Met die conclusie werden de besprekingen in Willemstad
afgesloten.
Tussen het werk door moest er natuurlijk ook het een en ander op Curaçao
bekeken worden. Zo werden we rondgeleid over de werf van de Curaçaosche dok-
maatschappij. Ook brachten we een bezoek aan de Waterfabriek, waar door ver-
damping van zeewater in de complete zoetwaterbehoefte van het eiland wordt voor-
zien. We waren te gast bij de Amerikaanse consul-generaal Harry Lofton, die voor
ons een cocktail party gaf, waar de cineast Renee van Nie ons voor de Nederlandse
televisie filmde. Twee dagen later zagen we hem niet in het Hilton hotel, waar de
Antilliaanse minister-president een receptie gaf ter gelegenheid van ons ‘werkbe-
zoek’, zoals hij het noemde.
Hoewel Claude Wathey uit Sint Maarten ervoor gepleit had dat we na Curaçao
naar ‘zijn’ eiland zouden verhuizen om daar verder te vergaderen, werd besloten om
dat de tweede week op Aruba te doen. Eerst dienden we echter het derde beneden-
windse eiland te hebben gezien. Een retourtje met de ALM naar dat meest ongerep-
te van de drie eilanden was alleszins de moeite waard. Tijdens een bustocht over het
eiland kregen we vlakbij de zoutbergen de slavenhuisjes te zien. In die wat fors uit-
gevallen hondenhokken mochten de slaven, die in de zoutwinning werkten, de
nacht doorbrengen. Om onze en de volgende generatie eraan te herinneren hoe erg
het daar is geweest onder Nederlands bewind, had het eilandbestuur deze bouwsel-
tjes allemaal gerestaureerd. Een grote tegenstelling was het Gotomeer, dat we daar-
na bezochten; een schitterend natuurpark, speciaal voor de flamingo’s.
Terug naar Willemstad. Daar werden we op zondag over de nog niet openge-
stelde nieuwe Koningin Julianabrug gereden, waarna we naar Aruba vlogen. Daar
kwamen we wel in een heel ander sfeertje terecht. Hotel Holiday Inn ligt vlak aan
het palmenstrand en dat deed soms een zwaar beroep op ons verantwoordelijk-
heidsgevoel. De Arubanen zijn, net als de Surinamers en Curaçao-enaars, geweldige
gastheren. De laatsten hadden ook nog een excursie georganiseerd naar de grootste
raffinaderij van het Westelijk halfrond, waar we van de Shell een etentje in de tuin
aangeboden kregen. Eten deden we daar misschien wel meer dan werken, want als
de middagen niet gevuld werden met een excursie hadden we wel een barbeque,
zoals die op Brakkeput Mei-Mei.
Op Aruba was het niet anders. Betico Croes, de voorvechter van de status apar-
te van zijn eiland, nam het kamerlid Bos, Joop Merckelbach en mij mee in zijn auto
om het eiland te laten zien. Van zijn geboorteplaats tot aan de ‘natural bridge’ aan
25
Drie gehelmde ambtenaren bij de Shell op
Curaçao: Merckelbach, Van Oel en
Verstegen (v.r.n.l.).
de wilde noordkust, waar we ook de Guadirikiri-grot in gingen. Ten slotte naar San
Nicholas, waar het zwarte gedeelte van de bevolking van Aruba is samengeklonterd.
Daar zagen we, dat op dit bijna Westers aandoende ‘blanke’ eiland grote tegenstel-
lingen bestaan. In dit plaatsje woont dan ook het lagere personeel van de Lago-raf-
finaderij. Dat bedrijf bezochten we weer met de hele commissie. De onvermijdelijke
B-B-Q werd gehouden in het Talk of the Town Resort Hotel, waar we de gast waren
van het bestuurscollege van Aruba.
Gewerkt werd er maar af en toe in het Holiday Inn Hotel. Daar ook rapporteer-
de de Defensiecommissie haar bevindingen aan de plenaire vergadering. Die mach-
tigde het presidium om een advies in de zin van het rapport over de defensie aan de
drie regeringen uit te brengen. Dat advies werd nog op de Antillen door de defen-
siecommissie opgesteld en door de voorzitters van de Antilliaanse en Nederlandse
secties van hun handtekeningen voorzien.
De Surinamers Essed, die de een paar maanden later overleden Morpurgo ver-
ving, en Lachmon waren niet meegegaan naar Aruba; ze waren na de week in
Willemstad ijlings naar Paramaribo gevlogen in verband met de gespannen politie-
ke toestand daar. De januari-staking van de douaneambtenaren, die hun salarisei-
sen niet ingewilligd zagen, was na een rechterlijk stakingsverbod uitgelopen op een
algemene staking onder leiding van Henk Herrenberg. Die staking leidde tot een
dermate grimmige verhouding met de regering, dat er in Nederland al met militai-
re bijstand rekening werd gehouden. Het Tweede Kamerlid Theo van Lier, die ook
voor de PvdA in de Koninkrijkscommissie zitting had, verklaarde daarom al op voor-
hand dat Nederlandse troepen zich niet mochten mengen in deze conflictsituatie,
omdat het om een zuiver binnenlandse aangelegenheid ging. De Surinaamse
Statenvoorzitter Lachmon, die vond dat er wel ingegrepen moest worden, omdat
hier sprake was van een poging om via terreur de regering omver te werpen, gaf
hem lik op stuk: “Deze uitspraak doet het preventieve karakter van de aanwezigheid
van het Koninkrijksleger volkomen teniet en is misschien zelfs een aansporing voor
26
degenen die zich schuldig maken aan straatterreur”. Lachmon gaf Van Lier de raad
niet voortijdig zijn mening te geven, want “wie ‘s avonds wil hoesten moet niet
‘s middags al zijn mond openzetten”.
Omdat de Surinaamse top van de Koncom, zoals de Koninkrijkscommissie al
snel werd aangeduid, vanwege de problemen in eigen land daar niet gemist kon
worden, kon van de Surinaamse voorzitter op Aruba geen formeel akkoord op de
tekst van het advies gekregen worden. De Nederlandse secretaris vloog daarom na
afloop van deze derde zitting naar Paramaribo om daar van Morpurgo of Essed een
handtekening te vragen. Dat lukte en zo kwam het unanieme advies om voor
Suriname en de Nederlandse Antillen een paramilitaire organisatie te creëren bij de
drie regeringen op tafel.
27
Een draagtijd van vijftien maanden
Het advies dat op Aruba gestalte had gekregen, was neergelegd in het interimrap-
port van 21 maart 1973. Het had vooral betrekking op de handhaving van de inter-
ne orde en veiligheid in Suriname en de Nederlandse Antillen. De bijstand aan de
reguliere politie in die landen zou voortaan naar de mening van de hele Ko-
ninkrijkscommissie moeten geschieden door organen die rechtstreeks ressorteer-
den onder de betrokken landsregering. Daarom moesten er op zo kort mogelijke ter-
mijn op militaire leest geschoeide organisaties komen, die bij ernstige verstoringen
van de openbare orde aan het politieapparaat bijstand zouden kunnen verlenen.
De Koncom vond dat dit voorrang diende te hebben en dat niet op haar eind-
rapport moest worden gewacht. Daarom vroeg zij aan de drie regeringen om op
korte termijn te beslissen dat twee commissies van deskundigen de oprichting van
een Surinaamse respectievelijk Nederlands-Antilliaanse paramilitaire organisatie
zouden voorbereiden. Dat diende te gebeuren door de taken en organisatievorm van
die organisaties nader uit te werken en ook de financiële consequenties ervan aan
te geven. Meteen kon dan bekeken worden welke problemen er vast zaten aan het
commissievoorstel om de Koninkrijkskrijgsmacht te de-Surinamiseren en te de-
Antillianiseren.
Anders dan in het stuk dat de Nederlandse sectie op de vergadering in
Willemstad en op Aruba had ingebracht, werd in het interimrapport de verwach-
ting uitgesproken, dat Suriname over een eigen krijgsmacht zou willen beschikken
na de verkrijging van de soevereiniteit. Dat in tegenstelling tot de Nederlandse
Antillen. De Surinaamse sectie had op Aruba het Nederlandse stuk op dat punt laten
wijzigen. In plaats van een Surinaamse paramilitaire organisatie, die ingezet zou
kunnen worden voor het pionierswerk dat wij zo nodig hadden gevonden voor de
economische ontwikkeling van het land en in noodgevallen voor de bijstand aan de
politie, zou die organisatie volgens de Surinaamse sectie de voorloper moeten wor-
den van een krijgsmacht. In die gedachte paste de Surinamisering van de
Koninkrijkskrijgsmacht niet langer; dat gold overigens ook voor de Antillen. Daar
zou immers de Nederlandse krijgsmacht garant blijven voor de externe defensie,
ook na de onafhankelijkheid. Het einde van de krijgsmacht van het Koninkrijk leek
al twintig jaar na de afkondiging van het Statuut in zicht!
De principebeslissing van de Nederlandse regering op het voorstel om twee
commissies van deskundigen in te stellen voor het opzetten van de paramilitaire
organisaties, kwam snel. In de ministerraad van 13 april 1973 werd daartoe beslo-
ten, maar het duurde tot juni 1973 voordat de inmiddels tot staatssecretaris van
Defensie benoemde Mommersteeg de Nederlandse leden van die commissies aan-
wees. Van beide clubs, die geen subcommissies van de Koncom waren, maar recht-
streeks vielen onder de regeringen van de betrokken landen, ging ik deel uitmaken.
Van de commissie van deskundigen voor Suriname (in de wandeling Comdes
genoemd) werd ik voorzitter, van de Antilliaanse commissie werd dat Commandeur
Van Beek, die ik na zijn benoeming tot plv. Chef marinestaf mocht opvolgen.
De West volgde in augustus en september. De Nederlands-Antilliaanse regering
benoemde bij landsbesluit van 15 augustus 1973 de Antilliaanse leden en een maand
later volgde een brief van premier Sedney met het landsbesluit waarin de namen
van zeven Surinaamse collega’s stonden: mr. P.R. Sjak Shie, advocaat-generaal bij het
28
Hof van Justitie als voorzitter. Jimmy Douglas, de voorzitter van de dienstplichtraad,
E. Walker, commissaris van politie, kapitein Hein Leeuwin, de enige militair in deze
Surinaamse sectie, mr. J. Ajodhia, een districtscommissaris, mr. R.W. Braam, the-
saurier-generaal bij Financiën en ten slotte mijn vriend uit de Koninkrijkscommis-
sie ir. George Hindorie. Die zou later een opvallende rol spelen in de Surinaamse
Staten, toen daar beslist werd over de onafhankelijkheid. Als enige VHP-er stemde
deze Hindoestaan toen voor en dat is hem heel kwalijk genomen door Lachmon en
de zijnen.
In het advies van de Koncom was ervoor gepleit beide clubs zo klein mogelijk
te houden (vier of vijf man) en op deelgebieden zoals logistiek, materieel en rechts-
positie, deskundigen op ad hoc-basis aan de commissies toe te voegen. Mijn ervaring
op Defensie had mij geleerd dat zo iets in de praktijk slecht werkt. Gelukkig wees
staatssecretaris Mommersteeg, die op Defensie met personeelszaken was belast,
twee deskundigen op het gebied van rechtspositieregelingen als vaste leden aan.
Dat waren Arend Schuring van de Directie burgerpersoneel, die helaas in 1994 is
overleden, en mr. Leo Dietz van de Militair-Juridische dienst. We hadden er al zo’n
voorgevoel van dat de grootste problemen op het personeelstechnische vlak zouden
komen te liggen. Later bleek dat inderdaad zo te zijn.
Als financieel deskundige werd Dick van den Berg, hoofd Landmachtzaken van
de Hoofdafdeling comptabiliteit aangewezen. Hij kreeg op dat terrein een collega
van Financiën naast zich, want minister Nelissen, die in het kabinet-Biesheuvel de
staatskas beheerde, vond het nodig om mr. Rob Smits aan de commissie toe te voe-
gen. Van de Landmachtstaf kwamen niet twee of drie deskundigen, zoals bepleit
was. Majoor Gerrit Maarseveen was de enige man van die staf die naast mij kwam
zitten. Hij zat bij de inlichtingendienst van de Landmacht (LAMID) en was dus goed
op de hoogte van de politieke verhoudingen in Suriname. Toen na de coupe van
Bouterse Hans Valk als hoofd van de militaire missie bij de ambassade in Parama-
ribo afgelost werd, was hij de aangewezen man om die functie te gaan vervullen.
De formalisering van de Nederlandse sectie werd nogal vertraagd door wat
strubbelingen met Kabsna, het kabinet voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse
zaken van de Gaay Fortman. Die was geen voorzitter van de Koncom meer, maar in
het kabinet-den Uyl op Binnenlandse Zaken terechtgekomen; hij had ook de porte-
feuille voor de West gekregen en wilde niet als eerste ondertekenaar van de minis-
teriële beschikking voor de aanwijzing van de comdes-leden fungeren. Hij had ook
bezwaar tegen de opvatting van Duisenberg en Mommersteeg om de kosten van
beide commissies ten laste van zijn begroting te brengen. Daardoor duurde het tot
medio 1974 voordat de ministeriële beschikking (met Vredeling als eerste onderte-
kenaar) in de Staatscourant verscheen.
Al voor die tijd probeerde ik contact op te nemen met mijn Surinaamse colle-
ga, want we wilden aan het werk en niet wachten op die beschikking, waarvan we
de inhoud toch al kenden. De aanwijzing van Sjak Shie en de zijnen was al twee
maanden oud en nog had ik niets van die kant gehoord. Daarom schreef ik in
november 1973 mijn collega aan de andere kant van de oceaan maar eens een brief-
je, dat de Nederlandse sectie graag met haar Surinaamse collega’s een eerste over-
legronde wilde beginnen. Zou dat kunnen, zo vroeg ik hem, op basis van door zijn
sectie geformuleerde uitgangspunten? De door ons te ontwerpen organisatie zou
immers moeten functioneren als instrument van de Surinaamse regering. Mijn col-
lega van de andere commissie schreef een zelfde briefje aan zijn Antilliaanse collega.
Begin 1974 kwam ik er achter dat Sjak Shie nota bene met verlof in Nederland
was. Een afspraak op het ministerie van Defensie was toen gauw gemaakt. Hoewel
29
hij dat natuurlijk nog niet definitief kon toezeggen, omdat hij zijn medecommis-
sieleden nog moest raadplegen, spraken we in principe af dat we ofwel in de week
van 18 februari ofwel in die van 4 maart in Den Haag met de voltallige commissie
zouden vergaderen. Twee weken later kreeg ik van hem een telegrammetje, dat hij
na overleg met ‘de bevoegde instantie’ voorlopig moest afzien van de in principe
afgesproken vergadering.
In oktober 1973 waren er in Suriname verkiezingen geweest en de vrij conser-
vatieve regering Sedney was vervangen door het kabinet-Arron. Dat had een heel
andere politieke kleur, want de VHP van Lachmon was na een fors zetelverlies niet
meer in de regering teruggekomen. Grote winnaars waren de Creolen en de
Javanen, die als Nationale Partij Kombinatie (NPK) met één lijst waren uitgekomen.
Premier Arron en minister Hoost, die de portefeuille van Justitie en Politie had
gekregen, wilden waarschijnlijk heel andere mensen in de comdes dan de een
maand voor hun verkiezingsoverwinning door het kabinet-Sedney aangewezenen.
Ook zat het er wel in dat zij de nieuwe leden aanwijzingen zouden willen geven over
de koers die zij moesten varen. Dat was ook de verklaring die Vredeling aan den Uyl
en de Gaay Fortman gaf, toen die hem om een overzicht van de stand van zaken in
de deskundigencommissie vroegen. Hoewel de formele instelling van de commissie
voor Suriname nog niet had plaatsgevonden, hadden we wel al een paar keer met de
Nederlandse sectie ervan vergaderd. We bleken er ook nog een nieuw lid bij te krij-
gen, want de Gaay Fortman liet in januari 1974 weten dat hij in beide deskundi-
gencommissies vertegenwoordigd wilde zijn. Zo kwam mr. Jan van Oel van het kabi-
net voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken in beide clubs.
In de paar vergaderingen ter voorbereiding op de eerste plenaire bijeenkomst
hadden we een aantal vraagpunten geformuleerd, die we aan de Surinaamse colle-
ga’s wilden voorleggen. Ze hadden niet alleen betrekking op de taken die aan de
paramilitaire organisaties opgedragen dienden te worden maar ook op de organisa-
tiestructuur en op personeels- alsmede opleidingsaspecten. Tot mei 1974 kwamen
we echter geen stap verder. In die maand vond er in Den Haag een regeringsoverleg
plaats met Suriname en de Nederlandse Antillen. Na afloop daarvan ging niet ieder-
een meteen weer naar huis, want er was ook bilateraal het een en ander te regelen.
Zo arrangeerde Vredeling een gesprek op zijn ministerie met Arron en Hoost. Die
had hij nodig om althans een van de twee commissies vlot te trekken. Met beide
Surinaamse ministers kon hij de afspraak maken dat binnen drie weken de namen
van de nieuwe Surinaamse leden van de commissie van deskundigen zouden wor-
den doorgegeven.
In die week was er in Den Haag nog iets veel belangrijkers gebeurd. Besloten
werd aan de Koncom de opdracht te geven om uiterlijk op 1 november 1974 haar
eindrapport voor wat Suriname betrof uit te brengen. Daarin diende zij als uit-
gangspunt te nemen de verwezenlijking van het streven van de Surinaamse rege-
ring naar onafhankelijkheid op geen later tijdstip dan eind 1975.
Zo iets zou den Uyl in een conferentie met een delegatie uit het kabinet-Sedney
waarschijnlijk niet voor elkaar gekregen hebben. Zelfs als die premier daar wat voor
gevoeld zou hebben, had hij dat nooit kunnen zeggen zonder een kabinetscrisis met
Lachmon en diens VHP te riskeren. Maar de politieke verhoudingen in Suriname
waren danig veranderd en Lachmon was in de Staten niet meer bij machte deze
regeringsuitspraak tegen te houden.
Eind mei, vier dagen na het gesprek op Defensie, bevestigde Vredeling in een
brief aan Arron de gemaakte afspraak. Die hield, als gevolg van de beslissing over de
uiterste datum van onafhankelijkheid, ook in dat de opdracht aan de Surinaams-
30
Nederlandse commissie van deskundigen veranderd moest worden. Haar taak dien-
de nu niet meer gericht te zijn op een paramilitaire organisatie maar op een echte
Surinaamse krijgsmacht. Ook de voorstellen die de comdes voor de de-Surinami-
sering van de (Koninkrijks)krijgsmacht moest doen, waren daardoor in een heel
ander licht komen te staan.
Drie weken later hoorde Vredeling in de ministerraad van Pronk, die net uit
Suriname terug was, dat Arron de defensiebrief nooit ontvangen had. Spoorslags
ging er een telegram naar gouverneur Ferrier met het verzoek om een kopie van de
brief, die hij ter informatie had gekregen, aan Arron te geven. Zo werd ook dat pro-
bleem weer opgelost en konden we dan eindelijk in juni 1974 horen wie onze
Surinaamse gesprekspartners zouden zijn. Dat waren prof. mr. A.J.A. Quintus Bosz,
mr. M.J.B. Chehin, mr. F.F.J. Troon, W. Teixeira, mr. L.F. Ramdat Misier en als voor-
zitter de luitenant-kolonel Y.D.F. Elstak. Dat had alles bij elkaar wel vijftien maan-
den geduurd sinds de regeringen hadden ingestemd met de instelling van deze
commissie van deskundigen.
Elstak was een officier van de Koninklijke Landmacht, een echte Creoolse
Surinamer, die zijn officiersopleiding vlak na de oorlog in Engeland had genoten,
net als Maarseveen. Hij was getrouwd met een hoogblonde Nederlandse uit
Amersfoort, Netty, die ik in Suriname leerde kennen. ‘Bingo’, zoals zijn collega-offi-
cieren hem noemden (ik noemde hem op zijn verzoek steeds ‘Henk’), wist dat zijn
mogelijkheden om kolonel te worden in Nederland erg klein waren. Zijn ambities
reikten echter nog hoger: in Suriname zou hij bevelhebber kunnen worden van een
kleine kopie van de Nederlandse krijgsmacht. Niet alleen een leger, ook een marine
en een luchtmacht moesten daar deel van uitmaken. De kans om dat ideaal te berei-
ken, lag nu voor het grijpen. Hij was immers de hoogste Surinaamse officier in het
Nederlandse leger.
Die kans deed zich voor toen de commandant van de troepenmacht in
Suriname (TRIS) op 1 september 1974 afgelost moest worden. Dat was tot die datum
de kolonel der grenadiers J.M. Lammeree. In Den Haag zocht men naarstig naar een
opvolger. Eerst werd gedacht aan de plaatsvervangend commandant van de TRIS, de
luitenant-kolonel Lenselink. Die zat er al zo lang dat hij de ontwikkelingen in de
Surinaamse politiek beter zou kunnen beoordelen dan een nieuweling uit
Nederland. Bovendien ging het niet om een volledige ‘term’, zoals we bij Defensie
een uitzendtermijn naar de tropen noemden. De nieuwe commandant zou in
Suriname nog maar zo’n zestien maanden te gaan hebben. Als Lenselink de nieuwe
commandant van de TRIS (COTRIS) zou worden, was er een nieuwe plaatsvervanger
nodig voor die zestien maanden. De Nederlandse regering raadpleegde gouverneur
Ferrier over twee mogelijke kandidaten voor die functie. Een van die twee was
Elstak. Eerst werd hij in de conceptbrief aan Ferrier als tweede kandidaat na
Boon van Ochssee genoemd, maar Vredeling schoof hem als eerste kandidaat bij de
gouverneur naar voren.
Er was echter nog een andere KL-officier die graag commandant in Suriname
wilde worden. De overste de Jong had er al jaren lang gezeten en zich daar bijzon-
der verdienstelijk gemaakt voor de Surinaamse samenleving. Er werd verteld dat hij
best Surinamer wilde worden, als dat nodig was om daar in een of andere functie
de jonge staat te dienen. De vroegere Gevolmachtigd minister Polanen was zijn per-
soonlijke vriend en hem vroeg hij zijn kandidatuur te ondersteunen. Maar de KL-lei-
ding vond dat een officier van administratie geen commandant van een militaire
eenheid als de TRIS kon worden.
Lenselink noch de Jong werd de nieuwe COTRIS. Opeens verschijnt Maarten
31
Maarten Woerlee op het achterdek van ‘zijn’ Wilhelmina.
Woerlee op het Surinaamse toneel. Een echte Hollandse kolonel, van wie de
Bevelhebber in Den Haag wist dat die de ongetwijfeld moeilijke Surinaamse perio-
de goed aan zou kunnen.
Henk Elstak werd zijn tweede man. Dat hij drie maanden voordat hij onder
Woerlee ging dienen, door de Surinaamse regering was aangewezen als voorzitter
van de Surinaamse sectie van de commissie van deskundigen, werd in Den Haag
noch in Paramaribo als een bezwaar gezien.
32
De commissie van deskundigen
In de eerste helft van 1974 waren alle politieke hobbels weggenomen en was het
wachten alleen nog op de formalisering van de Comdes, zoals de commissie van des-
kundigen naar goed defensiegebruik al gauw werd genoemd. De Nederlandse
beschikking waarbij de taak van de commissies, zowel die voor Suriname als die
voor de Nederlandse Antillen, werd omschreven, kwam op 20 juni 1974 tot stand. In
dat stuk werd, omdat een paar weken tevoren al aan Arron was bericht dat de taak
van de commissie geen betrekking meer zou hebben op een paramilitaire organisa-
tie, voor het eerst de Surinaamse krijgsmacht genoemd als onderwerp van de
besprekingen in die Surinaams-Nederlandse commissie. Omdat er ambtenaren van
drie ministeries in zaten, zetten zowel Vredeling als de Gaay Fortman en Duisenberg
er hun handtekening onder.
Anders dan was geadviseerd in het interimrapport van de Koncom, kregen
beide commissies verschillende opdrachten mee. Die voor Suriname moest een rege-
ling voorbereiden voor de taken en organisatievorm van een Surinaamse krijgs-
macht, waaraan de defensie van Suriname kon worden opgedragen “na de beëindi-
ging van de staatkundige verhouding met Nederland”. De Antilliaanse moest een
paramilitaire organisatie uitwerken. Een opvallend verschil tussen de twee opdrach-
ten was ook dat de financiële consequenties van een SKM, zoals de Surinaamse
krijgsmacht in het verdere verloop van de besprekingen werd aangeduid, niet hoef-
den te worden aangegeven en die van de Antilliaanse organisatie wel.
In de taakomschrijving werd voor Suriname nog steeds uitgegaan van de-Suri-
namisering van de krijgsmacht van het Koninkrijk. Om die te bereiken, moest de
commissie aan beide regeringen voorstellen doen. Achter die de-Surinamiserings-
gedachte zat nog het idee van de Koninkrijkscommissie om naast een louter Neder-
landse TRIS een Surinaamse organisatie te creëren voor de bijstandsverlening aan
het politiekorps. Naast die ‘harde’ bijstandstaak zou zij dan ook de oneigenlijke de-
fensietaken voor haar rekening kunnen nemen. Na de onafhankelijkwording kon de
paramilitaire status worden omgezet in een militaire, zodat dan de wens van de Su-
rinaamse regering om over een eigen krijgsmacht te beschikken gehonoreerd zou zijn.
Voor de Nederlandse Antillen werd geen opdracht geformuleerd in deze zin;
die commissie moest de problemen van de de-Antillianisering bestuderen en de
opzet van een paramilitaire organisatie aangeven. Zoals gezegd dienden ook de
financiële consequenties van zo’n organisatie te worden berekend.
Nog in dezelfde maand waarin de drie Nederlandse ministers in de taakom-
schrijving van de leden van de Surinaams-Nederlandse commissie uitgingen van
een de-Surinamisering van de TRIS, moesten we Vredeling erop wijzen dat dit haaks
stond op de Surinaamse wensen. Hoost wilde immers ‘direct’ een eigen krijgsmacht.
Dat moest opgevat worden als ‘direct na de onafhankelijkwording’, omdat in de
Koncom al aan de Surinamers uitgelegd was dat er geen twee militaire organisaties
naast elkaar konden bestaan zolang het Statuut ook voor Suriname gold. We begre-
pen van Hoost dat hij die SKM niet via een paramilitaire voorgeschiedenis van het
militaire apparaat wilde. Het enige alternatief was dus om in plaats van te de-Suri-
namiseren nu te super-Surinamiseren. Door het Surinaamse element van de TRIS te
vergroten, zou die bij de onafhankelijkwording losgemaakt moeten worden van de
krijgsmacht van het Koninkrijk en tot Surinaamse krijgsmacht worden verheven.
33
De Nederlandse sectie van de Comdes had, in afwachting van de beslissing van
de nieuwe Surinaamse regering over de taak en bezetting van de commissie, een
werkstuk geproduceerd over de rechtspositionele aspecten van de oprichting van
een Surinaamse militaire organisatie. Het belangrijkste punt daarin was het voor-
stel om de leden van de TRIS, die in Surinaamse krijgsdienst zouden treden, gedu-
rende een bepaalde overgangstermijn een gelijkwaardige rechtspositie te waarbor-
gen. Zij zouden na hun overgang immers niet meer naar Nederlandse maatstaven
bezoldigd worden maar naar lagere Surinaamse. Zonder overgangsregeling zou het
verschil in hun financiële rechtspositie voor en na de overgang veel te groot worden.
Dat zou hun overgang op basis van vrijwilligheid heel onwaarschijnlijk maken.
Dit idee wilde Vredeling in de Defensieraad bespreken, voordat wij er met de
Surinaamse collega’s over gingen praten. Het overleg, dat wij ambtelijk al gestart
hadden met de betrokken defensie-instanties, zoals de personeelsdienst van de
Koninklijke landmacht, de afdeling Pensioenen en Wachtgelden, de Hoofdafdeling
comptabiliteit en de Directie burgerpersoneel, was nog niet afgerond toen ik het
stuk aan de minister moest sturen. De Legerraad was nog niet in het overleg betrok-
ken omdat ik dat pas wilde doen als de direct betrokken instanties hun mening ero-
ver hadden gegeven. De opdracht van Vredeling versnelde die procedure natuurlijk
wel. Hij liet mij begin juli 1974 een nota aan de Legerraad concipiëren waarin hij
opdracht gaf hem voor 1 september een afgeronde studie te doen toekomen over de
manier waarop de TRIS moest worden gereorganiseerd, hoe de opleiding van de toe-
komstige Surinaamse militairen door de TRIS kon plaatsvinden en last but not least:
wat de financiële gevolgen zouden zijn.
Het was in dezelfde maand dat we uit Suriname te horen kregen wie de nieu-
we Surinaamse sectieleden waren. Voorzitter werd dus Elstak, die kort na zijn aan-
wijzing als voorzitter van de Surinaamse sectie van deskundigen benoemd werd tot
plv. commandant van de TRIS. Dat dit een onmogelijke combinatie van functies was,
merkte Woerlee in de praktijk van alledag. In de eerste plaats had Elstak voor die
Elstak in Fort Zeelandia: Napoleontische
ambities?
34
TRIS-functie helemaal geen tijd, want hij zat ofwel bij minister Hoost of was voor
hem op pad. Vooral zijn relatie met de Surinaamse minister zat Woerlee geweldig
dwars. Via de directe lijn Hoost-Elstak kwam namelijk de inhoud van alle Haagse
brieven en telegrammen aan Woerlee op het bureau van Hoost terecht. In janu-
ari 1975 maakte Woerlee daar een eind aan: hij stuurde zijn plaatsvervanger met
buitengewoon verlof en legde hem een zwijgplicht op.
Toen we begin september 1974 met de voltallige Nederlandse sectie naar
Paramaribo konden, was dat nog niet gebeurd. Onze gastheer daar was toen nog
niet alleen het verlengstuk van de Surinaamse minister Hoost, zoals ik dat was van
Vredeling/van Lent, maar ook de plaatsvervanger van Woerlee. Ik had daar niet
zoveel praktische problemen mee, want als ik echt vertrouwelijk overleg moest voe-
ren vanuit Suriname was van Lent altijd bereid dat telefonisch via de militaire lijn
te doen. Als hij er niet was, zat de secretaris-generaal Peynenburg wel achter zijn
bureau om mij telefonisch te woord te staan. Ik kon altijd in het Prins Bernhard-
kampement van achter het bureau van Woerlee bellen en zo had ik er geen enkele
behoefte aan om bij hem problemen te maken over de andere functies van mijn col-
lega-voorzitter. Woerlee had die duidelijk wel, maar dat die in januari 1975 zouden
leiden tot het met buitengewoon verlof sturen van Elstak en het opleggen van een
spreekverbod, heeft hij mij nooit verteld voordat hij die verregaande maatregel
nam.
Alvorens af te reizen naar Suriname vroeg ik toch nog maar even voor alle
zekerheid aan Vredeling of hij het goed vond dat wij niet strikt zouden vasthouden
aan onze formele opdracht om voorstellen te doen voor de-Surinamisering van de
Koninkrijkskrijgsmacht. Zo luidde namelijk nog steeds de ministeriële beschikking
waarin die opdracht stond. Ook de passage in de Defensienota liet daar eigenlijk
geen ruimte voor open, want daarin stond: “waarbij de gedachten in de eerste plaats
uitgaan naar het spoedig beëindigen van het oproepen van Surinaamse dienst-
plichtigen bij de Troepenmacht in Suriname”. Omdat de minister een maand eerder
al was ingelicht over de Surinaamse afwijzing van het Koncom-idee om een para-
militaire organisatie op te zetten, die bij de onafhankelijkwording tot Surinaamse
krijgsmacht verheven zou kunnen worden, kwam die vraag waarschijnlijk bij hem
minder vreemd over dan wanneer dat niet gebeurd was.
We wezen hem ook op een bezwaar tegen het voorstel van de Koncom, dat uit
de hoek kwam van de man van het politiek bureau van de Landmachtstaf, majoor
Gerrit Maarseveen. Een Surinaamse organisatie die alle materiële kenmerken van
een krijgsmacht zou hebben en alleen niet die formele status had, zou wel eens
gebruikt kunnen worden voor doeleinden die niet de instemming van de (Konink-
rijks)minister van Defensie zouden hebben. Stel je voor, zo hielden we de minister
voor, dat die door Nederland opgeleide organisatie met Nederlands materieel zou
worden ingezet om de betwiste driehoek in het zuidwesten van Suriname daadwer-
kelijk onder het gezag van Paramaribo te brengen! Zou dat niet een ernstig pro-
bleem in de verhoudingen met Guyana veroorzaken zonder dat we zo’n paramili-
taire ‘verovering’ hadden kunnen verhinderen?
Ook op andere gronden, zo betoogden we, zijn wij tot de conclusie gekomen
dat u ons wat speling zou moeten geven in de interpretatie van onze opdracht. Met
name door toe te staan dat wij ons bezighouden met het versterken van de instro-
ming van Surinaamse dienstplichtigen in plaats van die te beëindigen. Het de-
Surinamiseren van de krijgsmacht zou dus in de tijd gezien moeten worden: na de
onafhankelijkwording van Suriname diende die geen Surinamers meer te bevatten.
35
Ik weet niet eens meer of Vredeling een antwoord heeft gegeven voordat we
naar Suriname vertrokken, maar toen we terugkwamen met op de nieuwe visie
gebaseerde voorstellen, kregen we de Bevelhebber der Landstrijdkrachten vierkant
achter ons. Binnen vier weken nadat Elstak en ik onze handtekeningen hadden
gezet onder ons eerste interimrapport, berichtte het hoogste collegiale gezag van de
KL, de Legerraad, aan de minister dat het zich kon verenigen met de methodiek van
Surinamisering van de TRIS, zoals die onze commissie voor ogen stond.
36
Het nationaliteitenvraagstuk
De verkiezingen in Suriname van 19 november 1973 hadden de politieke verhou-
dingen daar drastisch gewijzigd. Tot dan vormden de twee grootste politieke partij-
en altijd coalitieregeringen. De Creool Pengel van de Nationale Partij Suriname en
de Hindoestaan Lachmon (VHP) voerden een verbroederingspolitiek, die soms heel
ver ging. Haakmat, wiens boek Herinneringen aan de toekomst van Suriname ik met veel
belangstelling en waardering heb gelezen, geeft daar een sprekend voorbeeld van:
toen Pengel niet in het parlement verkozen werd, zorgde Lachmon ervoor dat hij
toch een zetel kreeg door een wel verkozen VHP-er te dwingen zijn zetel niet te aan-
vaarden.
Maar aan de persoonlijke band tussen de leiders van NPS en de VHP kwam een
einde door de val van het kabinet-Pengel en zijn dood een jaar later. Was er tot dan
toe sprake geweest van coalities tussen de Nationale Partij Suriname en de Verenig-
de Hindoestaanse Partij, bij de formatie na de verkiezingen werd de Hindoestaanse
leider Lachmon buiten de besprekingen gehouden. Hij had dan ook een dramatisch
verlies geleden. De NPS vormde toen samen met de veel kleinere PNR van Eddie
Bruma de regering, die verantwoordelijk was voor de doorbraak in de besprekingen
in de Koninkrijkscommissie. Het schijnt vooral Bruma te zijn geweest die de drij-
vende kracht was achter deze nieuwe Surinaamse opstelling. In de regeringsverkla-
ring van het kabinet-Arron werd op 15 februari 1974 de onafhankelijkheid vóór het
eind van 1975 aangekondigd.
Die verklaring was de aanleiding voor een overleg tussen de drie regeringen. In
mei 1974 kwamen zij overeen dat zij aan de Koninkrijkscommissie een nieuwe
opdracht zouden geven, die zou aansluiten bij de Surinaamse beslissing. Die bete-
kende immers dat een aantal direct daaruit voortvloeiende problemen moest wor-
den opgelost: de nationaliteitenkwestie, de vraag welke door het Koninkrijk geslo-
ten verdragen voor Suriname zouden gaan gelden, de regeling van de buitenlandse
betrekkingen van Suriname, de status van de van kracht zijnde Rijkswetten en de
ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en het onafhankelijke Suriname.
Werk genoeg voor de Koninkrijkscommissie, en dat moest allemaal voor 1 novem-
ber 1974 klaar zijn. Een klein Koninklijk Besluit van 4 juli 1974 formaliseerde die
afspraak en zo kon de Koncom weer aan het werk. De commissie van deskundigen
was nog niet eens begonnen, maar die moest nu dus haast maken, want ook haar
advies diende gereed te zijn voordat het voor januari 1975 voorziene regeringsover-
leg tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen begon.
De taak van de Koninkrijkscommissie, die bij haar instelling in januari 1972
heel algemeen was geformuleerd, werd op 4 januari 1974 dus nader gepreciseerd.
Een van de onderwerpen die daarin met name werd genoemd, was de nationalitei-
tenkwestie. Die nadere opdracht was waarschijnlijk het gevolg van de conclusies die
het presidium van de Koncom een paar weken eerder had getrokken. Het was in
Davos, waar een van de heren met vakantie was, dat de Nederlanders van der
Hoeven, die als voorzitter de tot minister benoemde de Gaay Fortman was opge-
volgd, en Jeukens, de Surinamer Karamat Ali, opvolger van de in juni 1973 overle-
den Morpurgo als voorzitter van de Surinaamse sectie, en Gomez, de ondervoorzit-
ter van de Antillianen, afspraken hoe de nieuwe, nog te formaliseren opdracht uit-
gevoerd zou worden. Werkgroep I zou van 5 tot 10 augustus in Willemstad vergade-
37
ren en werkgroep II van 14 tot 20 augustus in Den Haag. In de plenaire vergadering,
die van 2 tot 12 oktober 1974 in Den Haag gepland was, konden dan de resultaten
van de werkgroepen vastgesteld worden. Zo zou nog vóór 1 november het eindrap-
port van de Koninkrijkscommissie bij de drie regeringen ingediend kunnen worden.
In Davos zei Karamat Ali al dat het uitgesloten was dat het een unaniem advies zou
zijn. Dat moet dan maar blijken uit minderheidsadviezen, repliceerde Jeukens. Zo
gebeurde het ook en toen bleek dat de drie Surinaamse minderheidsstandpunten
die bij het eindrapport werden gevoegd, van de vijf VHP-leden waren. Die konden
zich onder andere niet verenigen met het advies over de oplossing van het nationa-
liteitenvraagstuk.
Precies een maand nadat de nieuwe opdracht was ontvangen, in augustus 1974
dus, kwam werkgroep I in Willemstad bijeen. Hoewel ik bij een eerdere opsplitsing
van de commissie had gekozen voor de volkenrechtelijke werkgroep, deed ik niet
mee aan de besprekingen die onder voorzitterschap van Riphagen in dezelfde
maand augustus in Den Haag over een drietal onderwerpen van volkenrechtelijke
aard werden gehouden; de defensiekwestie behoorde daar niet meer toe, want die
was bij hetzelfde Koninklijk Besluit waarin de taak niet alleen gepreciseerd maar
ook beperkt werd, naar het bilaterale overleg tussen de regeringen van de betrokken
landen verwezen. Nee, de nationaliteitenkwestie trok mij nu meer dan de institu-
tionalisering van de ontwikkelingssamenwerking en de vraag of en hoe met name
Suriname gebonden zou blijven aan de door het Koninkrijk gesloten verdragen. Dat
kon ik nog net doen, want de commissie van deskundigen voor de regeling van de
defensie van Suriname was nog steeds niet van start gegaan.
Met Aart Geurtsen, het kamerlid dat door de VVD naar de Koncom was afge-
vaardigd, sprak ik af dat we onze vrouwen zouden meenemen en na Willemstad
met z’n vieren nog een weekje vakantie zouden houden op Aruba. Wil, Aarts echt-
genote, en mijn Anneke hadden dan op Curaçao gezelschap aan elkaar, terwijl wij
vergaderden. Zo gebeurde het ook. Op 2 augustus stapten we op het vliegtuig, maar
reisden bij deze gelegenheid natuurlijk Economy class. We logeerden in hetzelfde
hotel waar de vergaderingen werden gehouden, het Holiday Inn aan de overkant
van de St. Annabaai, Otrabanda. Mr. Dip, een docent aan de Hogeschool van de
Nederlandse Antillen, zat de besprekingen voor.
De voorzitter van de Nederlandse sectie, prof. Jo van der Hoeven, had voor de
Nederlandse sectie van deze werkgroep een regeling ontworpen waarmee een einde
gemaakt moest worden aan de onrust die ontstaan was bij veel Surinamers. Die
vroegen zich met name af of zij in Nederland als vreemdeling beschouwd zouden
gaan worden dan wel met hun Nederlandse nationaliteit het recht zouden verliezen
om van Nederland naar Suriname te verhuizen. Het was een staatsrechtelijk knap
stuk dat onze staatsrechtsgeleerde voorzitter had gewrocht. Maar het was ook een
ontwerp dat een groot praktisch bezwaar inhield. Het ging er namelijk van uit dat
elke Surinamer die op het moment van de onafhankelijkwording van Suriname in
Nederland woonde, de Nederlandse nationaliteit zou behouden. Vanzelfsprekend
zou zo’n regeling ruim vóór dat tijdstip bekend worden, niet alleen in Nederland
maar ook in Suriname. Het was met name mijn (ex)stadgenoot prof. mr. Maarten
Bos, die hier zulke onoverkomelijke bezwaren in zag, dat hij tot het laatste toe wei-
gerde met dit ontwerp in te stemmen. Vooral de kans dat veel Surinamers onder
deze regeling hun toch al zo dun bevolkte land zouden verlaten, was volgens hem
heel groot. Als je Suriname dertig jaar lang krachtdadig wilt helpen bij de econo-
mische en sociale ontwikkeling, zoals de Koncom bepleitte, moet je de vestiging van
38
De foto van prof. Maarten Bos, waaraan hij zijn sombere voorspelling over de toekomst van Suriname
verbond.
Surinamers in Nederland niet aanmoedigen, zo redeneerde Bos. Ik deelde dat
bezwaar. De trek naar Nederland van mensen uit economisch zwakkere landen in
de periode dat er hier een schaarste aan arbeidskrachten heerste, zou zich ook wel
eens in dezelfde omvang kunnen voordoen als Surinamers zouden kunnen kiezen
tussen een economisch en sociaal veel betere positie in Nederland en de onzeker-
heid hoe Suriname zich na 1975 zou ontwikkelen, zo meende ik. Op het laatste
moment hebben de andere hoogleraren dan Bos mij over de streep getrokken. Het
belangrijkste argument waar ik als jurist voor zwichtte, was dat een regeling als
deze niet het instrument kon zijn om de migratie te beteugelen. Het principe dat
aan het ontwerp van Jo van der Hoeven ten grondslag lag, was natuurlijk ook moei-
lijk te betwisten. Elke Nederlander die dat wil, mag zijn nationaliteit behouden.
Hem de mogelijkheid onthouden om die keuze te maken, is in strijd met dat begin-
sel. Maar Bos hield stand. Hij diende een minderheidsrapport over deze kwestie in
en probeerde daarin de door hem voorziene migratiestroom naar Nederland nog te
voorkomen door te bepleiten dat niet de datum van onafhankelijkheid van
Suriname beslissend zou zijn voor het behoud van de Nederlandse nationaliteit. Een
zodanig eerdere datum waarvan niet meer de door hem gevreesde werking zou uit-
gaan, zou ook hem over de streep getrokken hebben.
André Haakmat geeft een wat andere lezing van dit gebeuren. Hij moet geput
hebben uit niet-officiële bronnen; dat dit vooral Surinaamse zijn geweest, geeft hij
zelf in zijn boek toe. Hij begint met te vertellen dat de Koninkrijkscommissie ‘in
beginsel’ door parlementariërs werd bemand. Dat gold wel voor de Surinaamse sec-
tie, waarin vijftien Statenleden zaten. Daarnaast had de Surinaamse regering nog
39
zeven deskundigen als lid/adviseur benoemd; de Antillen hadden er zelfs tien naast
de veertien gewone leden, waarvan er ook weer tien Statenlid waren. Maar de
Nederlandse sectie was heel anders samengesteld en daar kwam het ontwerp van de
nationaliteitenregeling vandaan. Het aantal parlementariërs in onze sectie bedroeg
slechts ongeveer een derde gedeelte van het aantal leden en, zoals gezegd, van hén
kwam niet het ontwerp dat de mogelijkheid aan zoveel Surinamers gaf om naar
Nederland te verhuizen. Dat de commissie in het diepste geheim vergaderde, zoals
Haakmat schrijft, viel nogal mee en de drie premiers, die volgens Haakmat ook al
niets lieten uitlekken, waren nog niet eens aan vergaderen toe; zij hadden immers
het advies over deze nationaliteiten-toescheiding pas in november 1974 op hun
bureaus.
Maar dat er onder de Surinamers in Nederland en Suriname onrust heerste,
zoals Haakmat schrijft, zal ongetwijfeld waar zijn. Zijn sappige verhaal over het
Javaanse parlementslid annex lid van de Koninkrijkscommissie, had ik ook al eens
eerder gehoord. Hij zou een schip hebben gecharterd om een groot aantal Javanen
naar Nederland te verschepen, maar daarmee gestopt zijn toen hij zich realiseerde
dat hij op die manier een groot deel van zijn electoraat verspeelde. Dat lid (was het
Soemita?) zat immers voor de KTPI in de Surinaamse Staten en het aantal niet-
Javanen dat bij de verkiezingen op de KTPI stemde, was op de vingers van één hand
te tellen.
Haakmat hoeft het minderheidsrapport van Maarten Bos niet eens gelezen te
hebben om zich te kunnen afvragen hoe je als politicus kunt blijven doorgaan met
de verwerkelijking van een ideaal als een groot deel van de mensen die daarvoor
nodig zijn, laten blijken daar niets in te zien. Hij heeft dit ‘blind doordraven op de
eenmaal ingeslagen weg’ een van de merkwaardigste aspecten van de voorbereiding
op de Surinaamse onafhankelijkheid gevonden. Hij zegt uit Surinaamse documen-
ten te weten gekomen te zijn dat de verantwoordelijke politici – en ik neem aan dat
hij daarmee de Nederlandse bedoelt – werkelijk niet voorzien hadden dat de mensen
uit Suriname zouden wegtrekken. Ik meen dat te mogen betwijfelen en dan druk ik
mij zacht uit. Het minderheidsrapport van Bos was al aan den Uyl en de Gaay Fort-
man bekend, voordat de volksverhuizing (een term van Haakmat) echt op gang
kwam. Ik denk dat Haakmat de principieel ingestelde politici die hij op het oog
heeft, net zo min begrijpt als volgens hem Nederlandse politici de Surinaamse poli-
tiek niet snappen. Hij is, ik denk niet helemaal ten onrechte, van oordeel dat onze
politici inschattingsfouten maken bij het beoordelen van de Surinaamse politiek en
dat daardoor misverstanden ontstaan. Hij zegt ook dat Surinaamse politici de
Nederlandse politiek wel begrijpen, omdat zij Nederlandstalig zijn opgevoed en in
Nederland hebben gestudeerd, maar daar geeft hij hier toch geen blijk van. Als hij
in de Calvinistische zielen van den Uyl en de Gaay had kunnen kijken – maar daar-
voor zijn Nederlandse en geen Surinaamse ogen nodig – zou hij gezien hebben dat
principes voor ons veel belangrijker zijn dan vervelende voortvloeiselen daaruit.
De besprekingen in de Koninkrijkscommissie over deze regeling, die voor tien-
duizenden Surinamers aanleiding was om naar Nederland te vliegen, speelden zich
zoals gezegd in de eerste helft van augustus 1974 af. Een week later werd in de ande-
re werkgroep in Den Haag gepraat over de ontwikkelingssamenwerking. Heel inte-
ressant is wat Haakmat in zijn boek vermeldt over de onderhandelingen in die werk-
groep over de omvang van de ontwikkelingshulp (‘de bruidsschat’ noemt hij die),
waarmee Nederland Suriname in staat zou stellen zich economisch en sociaal ver-
der te ontwikkelen. Ik zat niet in die werkgroep en heb dus de besprekingen erin
40
niet meegemaakt. Maar dat er daar een Nederlandse wens om de stroom Surina-
mers in te dammen zou zijn uitgesproken, kan ik moeilijk geloven. Het was immers
het door de Nederlanders zelf aanvaarde gevolg van de nationaliteiten-toeschei-
dingsregeling, dat die stroom ontstond. Daarop werd door Bos in zijn minderheids-
rapport ook duidelijk gewezen. Dat door de Surinaamse sectie op een Nederlandse
wens om de gevolgen van die regeling te verminderen, werd gereageerd met een
weigering om daarover te praten als Nederland de ‘bruidsschat’ niet wilde verho-
gen, geloof ik dus ook niet zo. Dat zo’n politiek chantage-instrument in de rege-
ringsonderhandelingen van januari 1975 gebruikt zou zijn, lijkt dus ook erg
onwaarschijnlijk. In de Koninkrijkscommissie zal dat zeker niet het geval zijn
geweest. Ik zou dat gehoord hebben van mijn collega’s uit de andere werkgroep en
in de plenaire vergadering, waarin de resultaten van de twee werkgroepen vastge-
legd moesten worden, zou dat ook ter sprake zijn gekomen. Maar het blijft een mooi
verhaal hoe de beide uitgangspunten van Suriname en Nederland, die twaalf mil-
jard gulden uit elkaar gelegen zouden hebben, leidden tot een akkoord van 3,7 mil-
jard. De ‘onbeschrijflijke tonelen’ die zich bij deze ‘paardenmarkt’-onderhandelin-
gen zouden hebben, afgespeeld, zullen zich in werkelijkheid niet hebben voorge-
daan. In dit hoofdstuk van zijn boek gebruikt Haakmat nogal wat ‘podiumtaal’,
zoals hij dat zelf noemt. Het is overigens niet zo verwonderlijk als hij suggereert dat
het geweest zou zijn, dat de Surinamers in het Catshuis een gesloten front vormden.
Als over het bedrag aan ontwikkelingshulp dat Nederland (niet in één keer maar
gespreid over de eerste tien tot vijftien jaren na de onafhankelijkheid) zou geven,
inderdaad in het Catshuis is gesproken, zal dat niet in commissieverband zijn
gebeurd maar in een regeringsoverleg. Daaraan namen de Surinaamse oppositie-
partijen dus geen deel en hadden Lachmon en consorten ook geen mogelijkheid om
afbreuk te doen aan dit gesloten Surinaamse front. Hoe het akkoord over de 3,7 mil-
jard wel tot stand is gekomen, staat in een volgend hoofdstuk, waarvan de titel aan
Haakmats boek is ontleend: de bruidsschat van Suriname.
Het is ook niet zo dat Nederland iets aan zijn eigen ontwerp van een nationa-
liteiten regeling veranderde, toen den Uyl en zijn ministers in het Catshuis tot een
akkoord gekomen waren over dit ontwikkelingsbedrag. Ook daarna ging de verhui-
zing van Surinamers naar kouder oorden immers onverminderd door.
Je kunt van mening verschillen over de gevolgen van de door van der Hoeven
ontworpen en door beide regeringen aanvaarde regeling. Als Bos zijn zin had gekre-
gen en de datum van onafhankelijkwording van Suriname in die regeling vervangen
was door een datum die zoveel eerder voor die onafhankelijkwording gelegen was,
dat daardoor niet ongeveer een kwart miljoen Surinamers naar Nederland waren
gekomen, zou Suriname heel wat meer inwoners hebben dan de circa 400.00 van
nu. Maar of dat de Surinaamse economie op een hoger plan zou hebben gebracht,
betwijfel ik. Daarvoor zou aan andere voorwaarden moeten zijn voldaan en daaraan
heeft het, met name sinds februari 1980 nogal ontbroken. Met die voorwaarden doel
ik niet op het bijbrengen van een eigen verantwoordelijkheidsbesef door Nederland,
zoals Haakmat de Nederlandse regering verwijt. Als die volgens hem niet akkoord
was gegaan met de bruidsschat van 3,7 miljard gulden en het bekostigen van het
Surinaamse leger, zouden de Surinamers het besef hebben gekregen dat het vanaf
25 november 1975 hard aanpakken geblazen was om van de onafhankelijkheid een
succes te maken. Het lijkt mij een te simpele verklaring van het feit dat Suriname
zowel economisch als moreel aan de rand van de afgrond staat, zoals Haakmat
vindt. De belangrijkste oorzaak is volgens mij het opschorten van de medewerking
aan de ontwikkeling van Suriname op het moment dat daar een autocratisch
41
bestuur aan het bewind kwam en de mensenrechten met voeten werden getreden.
Ik vraag mij af of het miljardenbedrag en het feit dat Nederland eraan meewerkte
dat Suriname een leger kreeg, er de oorzaak van waren dat, ook voordat Bouterse
zijn coupe pleegde, Suriname geen succes maakte van zijn nieuwe vrijheid.
Nu de hulp aan Suriname weer hervat is – in 1995 is volgens ambassadeur van
Heemstra negentig miljoen aan Suriname overgemaakt – en Pronk in april 1996 met
zijn Surinaamse collega Assen overeengekomen is dat voor een aantal projecten
zo’n 130 miljoen beschikbaar komt, lijkt het toch weer de goede kant te kunnen
opgaan met de Surinaamse economie. Of de kosten van ‘het broodje Pronk’, waar-
mee de allerarmste Surinamers in leven worden gehouden ook ten laste van het met
Suriname in 1975 overeengekomen bedrag komen, weet ik niet. Ik hoop dat dit
naast de voedselpakketten uit Nederland een extraatje zal zijn, want er zijn nogal
wat mensen die van hun pensioentje of spaargeld moeten leven en dat is onmoge-
lijk na de hyperinflatie van de laatste jaren. De Surinaamse gulden is immers nog
maar 1/4 (afgeschafte) Nederlandse cent waard!
Over de totstandkoming van dat onnodige ‘geldverslindende’ leger, waarvan de
kosten inderdaad beter aan de economische ontwikkeling hadden kunnen worden
besteed, gaat het volgende hoofdstuk. Volgens Haakmat zou dat leger door
Nederland worden ‘bekostigd’, maar dat is slechts voor een deel zo. Ook daarvoor zij
verwezen naar het hoofdstuk over de bruidsschat.
42
Met de Comdes naar Suriname
Toen we op Defensie in juli 1974 zagen welke Surinamers benoemd waren in de
commissie van deskundigen, konden we eindelijk met onze Surinaamse collega’s
rond de tafel gaan zitten. Zelfs de kwestie van de kosten die de Nederlandse sectie
zou moeten maken, was uit de wereld. De bewindslieden waren het erover eens
geworden, dat elk ministerie de kosten van zijn eigen vertegenwoordiger(s) zou dra-
gen. Makkelijk toch! De Surinaamse voorzitter Elstak was zo aardig om ons uit te
nodigen voor de eerste keer in Paramaribo te vergaderen en vanzelfsprekend had
niemand van ons daar problemen mee.
Omdat ik als voorzitter van de Nederlandse sectie in de aanwijzingsbeschik-
king gemachtigd was in een secretariaat te voorzien, vroeg ik de secretaresse van
mijn afdeling of zij zin had mee naar Suriname te gaan. Ja dus. Zo ging Mimi
Vermeulen-Lubout met zeven mannen op 30 augustus 1974 het vliegtuig in. Zowel
in Suriname als in Nederland heeft zij in de drieënhalve maand die wij hadden
gekregen om aan onze opdracht te voldoen, een geweldige klus geklaard met inzet
van haar niet geringe kwaliteiten.
Na een lange, vermoeiende vlucht werden we ‘s avonds op Zanderij door Elstak
en een vertegenwoordiger van het plaatselijk bestuur ontvangen. In de VIP-room,
waar we een paar uur op onze koffers moesten wachten, hoorden we van mijn col-
lega welk programma ons te wachten stond: vergaderen in de fraaiste gelegenheid
die daarvoor in Paramaribo beschikbaar is, het Medisch Wetenschappelijk Instituut
met een vergaderzaal voor de plenaire vergaderingen en twee kleinere voor het
geval we als secties afzonderlijk wilden vergaderen. Alles airconditioned. Voor onze
acht mensen tellende sectie waren, zo vertelde hij verder, voor de hele duur van ons
verblijf permanent drie auto’s beschikbaar. We spraken echter onder elkaar af die
alleen te gebruiken voor de ritten van het hotel naar de vergaderplaats en terug.
Toen we de douane (!) gepasseerd waren met onze koffers, werden we in een uur
naar Paramaribo gereden. Daar werden we gehuisvest in het mij inmiddels bekende
hotel Torarica. Maar veel van de luxe mogelijkheden die dat bood, waren niet aan
ons besteed. Er moest gewerkt worden.
De volgende morgen, op zaterdag dus, werden we om negen uur door gouver-
neur Ferrier ontvangen. Op het terras van zijn ambtswoning dronken we met hem
een ‘sapje’ en even later ontmoetten we daar de hele Surinaamse sectie. Daarna
naar minister-president Henck Arron, waar we een half uur vertraging opliepen
voor ons volgend bezoek aan minister Eddie Hoost. Dat kon maar even duren, want
om twaalf uur zou in de kazerne het voorzittersoverleg over de agenda en procedu-
re voor de komende vergaderingen worden gehouden. Pas laat in de middag waren
we weer in het hotel, waar we met de hele club een tijdje in het zwembad zwommen
en in de zon lagen. Op zondag hadden we ons enige uitje; kolonel Lammeree had
voor ons een boottochtje een eindje het binnenland in georganiseerd.
Vanaf maandagmorgen 2 september vergaderden we in het Medisch Weten-
schappelijk Instituut. De rit van Torarica daarheen ging met taxi’s van een particu-
lier bedrijf. Zo kon het gebeuren dat ik een paar keer kwam te zitten in de meest
luxe auto die ik ooit gezien heb. Het was de dienstwagen die Jopie Pengel als pre-
mier in Miami besteld had, voorzien van luxe dingen die een Nederlandse premier
zich nooit zou veroorloven. De bar erin was overigens niet gevuld met flessen drank;
43
dat was hij trouwens nooit geweest, want toen de auto werd afgeleverd, was het
kabinet van Pengel gevallen. Zijn opvolger had over dienstauto’s een wat andere
opvatting dan Pengel; hij liet de wagen verkopen en zo werd die overgenomen door
het taxibedrijf dat voor ons was ingehuurd.
De vergadering van maandag 2 september begon niet zoals we gedacht hadden.
De Surinamers eisten dat we nog in dezelfde week hoorzittingen zouden houden
voor het burger- en militair personeel van de TRIS. Daaronder heerste onrust. Het
was bang ontslagen te worden bij opheffing van de TRIS. Als iemand die onrust kon
wegnemen, was dat degene die de opheffing voor Nederland voorbereidde, zei
Elstak niet helemaal onterecht. Daar hadden we echter niet op gerekend met ons
overvolle vergaderprogramma. Pas na urenlange debatten in tropische stijl, schors-
ingen en intern overleg kwamen we eruit. Omdat een aantal van ons per se op zater-
dag weer naar huis moest en de agenda die Elstak en ik een dag tevoren hadden
opgesteld absoluut afgewerkt moest worden, konden we aan zijn eis niet in de ver-
gaderweek voldoen. Ten lange leste liet Elstak zich overtuigen dat de hearings niet
eerder dan in de volgende week op maandag en dinsdag gehouden konden worden.
Dit eerste ‘resultaat’ werd meteen aan de vertegenwoordigers van het personeel
meegedeeld. De mensen die op de hoorzittingen aanwezig dienden te zijn, Leo
Dietz, Arend Schuring, Mimi Vermeulen en ik, konden zo aan het eind van de week
nog niet naar Nederland terug. Of we onze boeking van zaterdag naar woensdag
konden laten veranderen, moesten we in de middagpauze maar zien.
Eindelijk konden we ons wijden aan de problemen die waren ontstaan door de
opdracht ervoor te zorgen, dat Suriname vóór 1 januari 1976 over een eigen leger
kon beschikken. We werden het er wel snel over eens dat er aan de oprichting van
een eigen Surinaamse organisatie van welke aard dan ook naast de TRIS overwe-
gende bezwaren kleefden. Zo vonden we elkaar in het advies om het Surinaamse ele-
ment van de TRIS zoveel mogelijk te versterken. Die methode kozen wij vooral op de
praktische grond, dat zo gauw mogelijk het bestand aan Surinaamse dienstplichti-
gen opgevoerd diende te worden. Daaruit zou voor een gedeelte het benodigde
kader geput moeten worden. Voor het overige kon dan het aantal Nederlandse
dienstplichtigen met net zoveel mensen verminderd worden als het overschot aan
Surinamers zou bedragen. Door de TRIS nog in 1975 te super-Surinamiseren in
plaats van te de-Surinamiseren sneed het mes van twee kanten. Er zaten ook wel wat
nadelen aan deze methode. Zo zou er in 1975 geen mogelijkheid zijn dat een
Surinaamse organisatie bij ordeverstoringen bijstand zou verlenen aan de politie.
Dat zou dus tot de onafhankelijkheidsdatum door de TRIS moeten gebeuren, hoe-
veel bezwaren daar in Nederland ook tegen bestonden.
De eis van de Surinaamse regering dat de bezoldiging van de Surinaamse
dienstplichtigen al vanaf 1 januari 1975 moest worden teruggebracht naar het
Surinaamse niveau van 1976, leverde nogal wat bezwaren op, zowel van juridische
als van technische aard. Dat laatste was nog wel op te vangen. Als niet door politie-
ke overwegingen gehinderde ambtenaren vonden we dat de vele voordelen van de
door ons voorgestane methode veel zwaarder wogen dan dat ene politieke bezwaar.
Bovendien dachten wij dat de kans dat bijstand verleend zou moeten worden bij
onlusten, niet zo groot was. De tegenstanders van onafhankelijkheid, die vooral in
Hindoestaanse kringen gezocht moesten worden, waren immers van nature niet zo
op amok belust. Zij hebben zich, op enige onbetekenende relletjes na, dan ook bij
het onvermijdelijke neergelegd.
Wat waren dan al die voordelen van het verder Surinamiseren van de TRIS in
plaats van het de-Surinamiseren, dat door de Koninkrijkscommissie was voorge-
44
Vergadering van de Comdes in Paramaribo; v.l.n.r.: Dick van den Berg, Rob Smits, Math Verstegen, Mimi
Vermeulen, Leo Dietz en de Surinamer Quintusz Bos.
steld? Het waren vooral praktische overwegingen van onze commissie die leidden
tot deze keuze. In de gegeven omstandigheden was alleen op deze manier aan onze
opdracht te voldoen. Want hoe hadden wij in de ons gegeven tijd niet alleen een
nieuwe dienstplichtverordening kunnen opstellen maar ook nog de nodige andere
regelingen voor de paramilitaire organisatie op het gebied van de rechtspositie en
het tuchtrecht? Die zouden eigenlijk al gereed moeten zijn geweest om een para-
militaire organisatie nog voor de onafhankelijkheid op poten te hebben. De extra
kosten voor een organisatie zouden natuurlijk ook geringer zijn dan wanneer er
twee naast elkaar zouden bestaan, waarvan door de ene, de TRIS, infrastructuur, uit-
rusting en bewapening ter beschikking van de andere gesteld zouden moeten wor-
den. We konden het natuurlijk niet laten om de Nederlandse politici er ook op te
wijzen, dat de Surinamers een oneigenlijk gebruik van hun paramilitaire orgaan
(dat door hen meer gezien zou worden als het Surinaamse leger in oprichting) zou-
den kunnen maken als de grensproblemen met Guyana daar aanleiding toe gaven.
Bij het kiezen voor onze methode zou het Surinaamse leger in oprichting immers
tot de TRIS, dat is tot de Koninkrijkskrijgsmacht behoren, waarover alleen de rege-
ring in Den Haag zeggenschap bezat. Alles bij elkaar genomen was het voor ons dui-
delijk dat de door onze commissie gekozen methode een veel reëlere mogelijkheid
bood voor de totstandkoming van een Surinaams leger dan elke andere.
Dit alles werd neergelegd in een interimrapport aan beide regeringen, dat door
Elstak en mij op 7 september 1974 werd ondertekend. Daarin werd ook een ontwerp
45
van een voorlopig organisatieschema voor het Surinaamse leger opgenomen.
Voorlopig, omdat de Surinaamse sectie al aankondigde dat zij de totale omvang van
dat leger wilde bepalen aan de hand van het aantal per jaar in te lijven dienstplich-
tigen en de duur van hun dienstplicht. Dat zou een gemiddelde jaarsterkte opleve-
ren van circa 620 man, als tenminste de wens van Elstak en de zijnen om met ingang
van 1 januari 1975 elke drie maanden 125 dienstplichtigen in te lijven, snel geho-
noreerd kon worden.
Omdat het de uitdrukkelijke wens van de Surinaamse regering was dat ook de
Surinaamse dienstplichtigen die al onder de wapenen waren, vanaf 1 januari 1975
naar Surinaamse maatstaven bezoldigd zouden worden, moesten we niet alleen
voor de lichtingen van 1975 maar ook voor die van 1974 een regeling bedenken. Op
dat moment zouden nog twee complete lichtingen, die van januari en van juli 1974,
onder de wapenen zijn. Nu bleek hoe belangrijk het was dat we in onze sectie des-
kundigen op rechtspositioneel gebied hadden. Leo Dietz wees er direct op dat een
wijziging van de bestaande bezoldigingsregeling voor de in dienst zijnde dienst-
plichtigen waarschijnlijk niet zonder meer mogelijk was. Wij begrepen natuurlijk
wel dat de Surinaamse regering niet opgezadeld wilde worden met een militair sol-
dij naar Nederlandse opvattingen en een overgang per datum onafhankelijkheid
van Nederlands naar Surinaams niveau zou bepaald niet bevorderlijk zijn voor een
vrijwillig kiezen voor de SKM, zoals met name Elstak de Surinaamse krijgsmacht
aanduidde. We deden daarom de toezegging dat we onze opdrachtgevers in Den
Haag ertoe zouden proberen te bewegen de verlangde bezoldigingsverlaging op zo
kort mogelijke termijn door te voeren. Omdat we daar thuis nog eens rustig over
wilden nadenken, maakten we wel het voorbehoud dat daartegen geen formeel juri-
dische bezwaren mochten bestaan.
Het bemannen van de SKM was het grootste probleem en dat kon natuurlijk
niet alleen met dienstplichtigen en de paar officieren en onderofficieren van
Surinaamse landaard, die er in dat land waren, opgelost worden. Daarom wilden we
ook een inventarisatie van al het Surinaamse militair personeel dat buiten Surina-
me diende, laten houden. Uit dat reservoir zouden we vooral moeten putten voor de
vervulling van de kader- en specialistenfuncties. Zij die daarvoor in aanmerking
kwamen, moesten vanzelfsprekend in rechtspositioneel opzicht onder optimale
voorwaarden naar de SKM overgaan, net zo goed als van de zogenaamd blijvend
geplaatsten niet verlangd kon worden dat zij het niveau van hun Nederlandse
rechtspositie zouden verliezen als zij gehoor zouden geven aan het verzoek om in
Suriname te blijven dienen. Met hetzelfde probleem kreeg Arend Schuring bij het
burgerpersoneel te maken. Dat was immers ook in dienst bij defensie en zelfs als het
ontslagen kon worden wegens opheffing van de TRIS, bestond de gerede kans dat
het – op eigen kosten – naar Nederland zou afreizen, zoals zoveel Surinamers hebben
gedaan. Er was ons wel wat aan gelegen deze mensen te doen overgaan naar de SKM,
want als dat niet zou lukken moesten we er rekening mee houden dat we ze op de
stoep van het ministerie in Den Haag zouden zien verschijnen voor een burger-
baantje. Ook voor dit personeel dienden dus aanvullende regelingen gemaakt te
worden.
In totaal bevatte het interimrapport zeven aanbevelingen. Er was niet alleen
hard maar vooral vaak vergaderd: ‘s morgens, ‘s middags en soms ook nog ‘s avonds.
Van een tropenrooster was geen sprake en voor sommige Surinaamse leden was dit
af en toe te gortig. Onze secretaresse Mimi Vermeulen werd nog het zwaarst belast.
Na de vergaderingen, waarvan zij de inhoud moest vastleggen, kon zij nog eens aan
de slag voor het uitwerken van haar aantekeningen en het maken van het interim-
46
In aanwezigheid van alle commissieleden hebben de beide voorzitters zojuist het eerste interim-rapport
ondertekend.
rapport. De Surinaamse typistetjes waren best aardig, maar voor dit werk onder
hoge druk niet erg geschikt.
De sectieleden die niet aan het einde van de week naar huis konden, omdat zij
aanwezig moesten zijn bij de hearings, boften nog in zoverre dat zij in het weekend
een uitstapje konden maken. Met een busje gingen we naar Brokopondo, waar we
het Van Blommestein-stuwmeer en de stuwdam mochten bewonderen; ook de
krachtcentrale waarvoor dit voormalige bosnegergebied onder water kwam. Er was
immers veel electriciteit nodig, omdat de Surinaamse economie voor een groot deel
drijft op de activiteiten van de Suralco, die al sinds de jaren voor de Tweede
Wereldoorlog het binnenland van zijn bauxiet ontdoet.
Wat niet in het rapport stond maar wat Vredeling wel moest weten, was dat er
aan de eis om de Surinaamse bezoldiging al voor de onafhankelijkheid te verlagen,
ook een politiek kantje zat. Wij waren er achter gekomen dat de regering Arron die
impopulaire maatregel op het conto van Nederland wilde schrijven en die zelf niet
wilde nemen op de datum van onafhankelijkwording. De kans dat Arron na de ver-
krijging van de onafhankelijkheid een beroep op Nederland zou doen om bij te dra-
gen in de meerkosten die voor Suriname zouden ontstaan door het feit dat die
bezoldiging op Nederlands niveau moest worden gehouden, leek ons niet irreëel.
Daarover kreeg hij een persoonlijke aantekening van mij.
47
Vermoeid stonden we na een week weer op Schiphol. Het rapport ging linea
recta naar Vredeling en van Lent, die in maart 1974 de toen voortijdig afgetreden
Mommersteeg was opgevolgd. Met name over de voorstellen om het aantal lichtin-
gen Surinaamse dienstplichtigen te verdubbelen onder verlenging van de diensttijd
van zestien tot achttien maanden, geen dienstplichtigen meer vanuit Nederland te
sturen en het zoveel mogelijk bespoedigen van de opleiding van Surinamers tot offi-
cier, onderofficier en specialist, wilde Vredeling weten of de Legerraad daarmee kon
instemmen. Binnen twee weken kreeg hij te horen dat met het eerste voorstel werd
ingestemd, al zou dat wel legeringsproblemen kunnen meebrengen. Het staken van
de uitzending van Nederlandse dienstplichtigen kon echter niet volledig gebeuren.
Volgens de Legerraad diende naast het detachement van circa 70 man dat in janu-
ari 1975 uitgezonden zou worden, ook nog het even grote detachement dat voor
maart van dat jaar voorzien was, gehandhaafd te blijven. De generaals waren niet
alleen bezorgd voor de externe veiligheid van Suriname, maar vonden ook (evenals
de commissie, overigens) dat de TRIS tot eind 1975 over ten minste een tirailleurs-
compagnie van Europese Nederlanders moest kunnen beschikken.
Met het derde voorstel hadden zij minder moeite, al voorspelden zij dat op zo’n
korte termijn geen dienstplichtigen op te leiden zouden zijn voor de kapiteins- en
hogere rangen. Hun suggestie om gedurende de eerste periode van de onafhanke-
lijkheid een aantal officieren van de Koninklijke Landmacht ter beschikking van de
SKM te stellen, getuigde echter van een wat gebrekkig inzicht in de politieke opvat-
tingen in Nederland. Ook wilde de Legerraad zijn zorg kwijt over de idee om de
bezoldiging van de Surinaamse dienstplichtigen te verlagen, zonder daarbij overi-
gens met een idee te komen hoe die overgang van Nederlandse salarisniveau naar
dat van Suriname dan wel opgelost kon worden.
Nu zat er in de Defensieraad ook een hoge ambtenaar van Buitenlandse Zaken.
Aan hem vroeg Vredeling wat Buitenlandse Zaken dacht van het idee van de
Legerraad om officieren van de KL te detacheren bij de SKM. Maar het antwoord van
Van der Stoel, waarvan Vredeling op het moment van de vraag waarschijnlijk wel
wist hoe dat zou luiden, kwam te laat. Toen dat op 21 oktober 1974 ontvangen werd,
was het ministerraadstuk met Vredelings voorstel om op drie adviezen van de
Comdes te beslissen, de deur al uit. Ook omdat de commissie op 11 november weer
bijeen zou komen, diende zij vóór die tijd te weten of zij op de door haar ingeslagen
weg verder kon gaan. Vredelings voorstel aan de ministerraad was om daar ja op te
zeggen en inderdaad niet meer te kiezen voor de paramilitaire opzet. Hij wees er
daarbij op dat, toen de Koninkrijkscommissie daartoe in maart 1973 adviseerde, zij
dat onder geheel andere omstandigheden deed.
De opvatting van de Legerraad dat de aflossing van de A-compagnie in januari
en maart 1975 gewoon door moest blijven gaan, nam hij over in zijn voorstel aan de
ministerraad. Voor het overige vroeg hij aan het kabinet om instemming met alle
door onze commissie gedane voorstellen en hij kreeg die ook vlot. Geen enkel pro-
bleem dus door verschillen van inzicht tussen politici en defensiedeskundigen, die
zich later wel voordeden bij de uitzending van Nederlandse militairen naar Bosnië.
Zo kon de minister van Defensie op 1 november 1974 aan de voorzitters van de
Eerste en Tweede Kamer onze eerste resultaten meedelen.
48
Met Vredeling op reis
Hoewel we met de Surinaamse sectie al hadden afgesproken dat we onze tweede
Comdes-vergadering in Nederland zouden houden van 11 tot 22 november 1974
moest ik voor die tijd nog een week met de minister mee naar Suriname. De zondag
nadat het parlement was ingelicht over de vorderingen in de besprekingen met
Suriname, stapten we gedrieën (mevrouw Vredeling vergezelde haar man) op het
vliegtuig. Zondagsavonds om tien uur stond er een echte commissie van ontvangst
op Zanderij: minister Hoost, kolonel Maarten Woerlee, luitenant-kolonel Elstak en
de fungerend chef protocol verwelkomden ons. Zij brachten ons naar Paramaribo,
weer naar Torarica.
Sindsdien weet ik wat een officieel bezoek van een minister aan een ander land
voor een slopende bezigheid is. Agenda’s voor dit soort gelegenheden schijnen erop
afgesteld te zijn ministers en hun gevolg geen minuut rust te gunnen. De maandag
begon al met een visite aan gouverneur Ferrier om half negen, een half uur later
gevolgd door onze opwachting bij minister-president Arron. Het tempo bleef onge-
wijzigd: een half uur later zaten we bij de Statenvoorzitter Wijntuin en weer een
half uur later streken we neer bij Hoost. Daar bleven we bijna twee uur, omdat we
met hem werkelijk iets te bespreken hadden, tot dat we naar het ministerie van
Algemene Zaken moesten.
Daar kwamen onderwerpen aan de orde die eigenlijk tot het werkterrein van
de commissie van deskundigen behoorden, maar Elstak (die in Suriname steevast
‘voorzitter van de Defensiecommissie’ werd genoemd, want dat was belangrijker
dan sectievoorzitter van de commissie van deskundigen) mocht daar een uiteenzet-
ting houden over de manier waarop de Surinaamse Krijgsmacht moest worden
opgezet. Deze als bespreking aangekondigde bijeenkomst moest kennelijk dienen
om aan het bezoek van een Nederlandse (Koninkrijks)minister wat cachet te geven.
Hoogst en Elstak namen deze gelegenheid waar om Vredeling erop te wijzen
dat zij absoluut patrouilleboten en helicopters nodig hadden. Daar hadden wij het
in de commissie ook over gehad en ik had Vredeling daarom verteld wat ons Ne-
derlandse standpunt over de aanschaf van boten en helicopters was. Hij hield de
boot dan ook in zoverre af dat hij wel het nut van patrouillevaartuigen voor de
bewaking van de territoriale zee en de grensrivieren erkende. Maar of die deel dien-
den uit te maken van de Surinaamse krijgsmacht dan wel onder Politie en Justitie
of Binnenlandse Zaken moesten ressorteren, liet hij in het midden. Op de vraag of
Nederland die boten wilde meefinancieren, zei hij alleen maar dat hij daar kennis
van genomen had. Hoost kondigde ook aan dat door de Surinaamse regering al
enkele vaartuigen waren besteld. Ik wist dat Elstak enige Nederlandse werven was
afgeweest voor dat doel, maar tegen ons had hij daar nog nooit wat over gezegd.
Later hoorde ik dat hij het hoofd van de Vaartuigendienst van Verkeer en Waterstaat
had ingeschakeld voor een technisch advies en dat hij Alouettes of Sikorsky’s wilde
hebben voor de grensbewaking op de Marowijne en Corantijn. De noodzaak daarvan
werd door Hoost ook benadrukt, maar Vredeling reageerde er niet op. Daar had den
Uyl in het Catshuis wel wat over op te merken, maar dat komt in een ander hoofd-
stuk aan de orde.
Voor het overige deed Vredeling alleen maar toezeggingen over onderwerpen
die al in de Comdes aan de orde waren geweest en waar geen verschil van mening
49
over bestond, zoals het in orde brengen van bepaalde gebouwen, de overdracht van
het grootste deel van het TRIS-materieel, het inventariseren van Surinaamse mili-
tairen in en buiten Suriname, aanvullende voorzieningen voor burger- en militair
personeel van de TRIS en last but not least de handhaving van de militaire muziek-
kapel. Die moest er in het belang van de hele Surinaamse gemeenschap blijven! Van
onze kant werd erop gewezen dat het vrijstellings- en uitstelbeleid van de
Surinaamse Dienstplichtraad er de oorzaak van was, dat de noodzakelijke 10% tot
15% van het potentieel aan officieren, onderofficieren en specialisten niet gehaald
werd. Hoost zegde toe de dienstplichtverordening op dat punt te verbeteren.
Met de hele Surinaamse ministerraad lunchten we in de buitensociëteit ‘Het
Park’, een overblijfsel uit de koloniale tijd, toen daarin alleen de bon ton welkom
was, en daartoe behoorden natuurlijk de Nederlanders. ‘s Middags een bezoek aan
de bacoven(bananen)plantage, want een landbouwkundig ingenieur wordt geacht
daarvoor interesse te hebben, ook al is-ie bewindsman op Defensie. De rest van de
middag werd besteed aan een uitgebreide rondrit door Paramaribo en daarna pas
werden we ‘losgelaten’.
De volgende dag van hetzelfde laken een pak: half negen van Torarica naar
Zorg en Hoop, een airstrip vlak bij Paramaribo voor een vlucht naar Nickerie. Onze
gids was minister Soemita van Landbouw, Veeteelt en Visserij. We vlogen over de
nieuwe weg naar Avanavero, waar een bauxietproject gepland was. Daarvoor moes-
ten hele stukken bos gekapt worden, ook voor de airstrip waar we landden. Onze
natuurbeschermers huiveren nog als zij daaraan denken, want het gebeurde alle-
maal met Nederlands geld en achteraf was het nergens voor nodig, want een aantal
jaren later werd het hele project afgeblazen.
Met een Twin Otter vlogen we een paar meter boven de Corantijn; net of je in
een raceauto op het circuit van Zandvoort rijdt, maar dan veel ‘gladder’ want er
zaten geen hobbels in deze ‘weg’. In Nieuw Nickerie konden we het militair kampe-
ment niet links laten liggen, hoewel dat militair gezien niet veel voorstelde. In
Nickerie waren voor Vredeling nog genoeg interessante dingen te zien. Eerst naar de
Groot-Henar polder en vandaar met speedboten naar het plaatsje Wageningen, het
centrum van de rijstcultuur, die er helemaal in Hindoestaanse handen is. De bij-
zonder aardige directeur Shankar liet ons in een busje, dat af en toe vastliep op de
modderige dammen tussen de rijstvelden, zijn grote bedrijf zien, waar 800 mensen
werkten. Er had zich in september 1971 een grote staking voorgedaan om te protes-
teren tegen het sociaal-economische beleid van de regering Sedney. Die vond dat je
reinste staatsgreep, maar Ferrier liet toen aan onze vice-premier weten dat er geen
enkele reden tot ongerustheid was en dat de regering de zaak volkomen in de hand
had. In Wageningen gebruikten we de lunch in een hotel dat (je raadt het nooit) ‘De
Wereld’ heette en misschien nog steeds zo heet. Terug naar Groot Henar weer met
dezelfde speedboten en vandaar met de auto naar de airstrip. Om vijf uur landden
we weer in Paramaribo.
De woensdag werd bijna helemaal besteed aan militaire installaties. Vredeling
mocht dan wel belangstelling hebben voor landbouwzaken; hij kwam in feite om
zich te oriënteren over datgene waar hij politiek voor verantwoordelijk was.
Minister Karamat Ali vergezelde hem bij ons bezoek aan het Prins Bernhard-kampe-
ment, waar Maarten Woerlee een briefing hield. Een rondgang over deze belang-
rijkste kazerne van de TRIS en een bezoekje aan het Kampement Noord met dezelf-
de prinsennaam was voor ons beiden leerzaam; voor mij ook, omdat een discussie
over de overdracht van al deze gebouwen op onze agenda voor de tweede deskundi-
genvergadering stond.
50
Shankar verwelkomt minister
Vredeling; achter hem diens
vrouw en Cotris Woerlee.
Na een drankje in de VOS, de vereniging officierssociëteit, gingen we naar de
botenbasis. De TRIS beschikte namelijk naast het commandantsvaartuig, dat
Woerlee vooral voor PR-doeleinden kon gebruiken, over nog een aantal boten. Ook
die zouden met de basis overgedragen moeten worden. Er vlakbij ligt het abattoir,
waar het slachtafval in de rivier gedumpt wordt. De steiger van de botenbasis was
daarom drukker bevolkt met wachtende gieren dan met TRIS-boten. Van de kazerne
van de Koninklijke Marechaussee in het centrum van de stad naar het
Gouverneurshuis voor de lunch, was maar een klein eindje. Het is daar rustig en
koel, zodat we blij waren bij deze vriendelijke man en zijn echtgenote wat langer te
kunnen blijven. We hoefden pas om half vijf weer op te draven om met een delega-
tie van de belangenvereniging te praten.
Ook die bijeenkomst was belegd om de minister de onrust onder het personeel
van de TRIS te doen wegnemen. Omdat hun hoogste baas het zei, maakte de verze-
kering dat er geen onvrijwillig ontslag zou plaatsvinden, vanzelfsprekend meer
indruk op dit personeel dan hetzelfde verhaal van Dietz, Schuring en mij twee
maanden eerder.
Op donderdag 7 november moesten we nog iets eerder op, want voordat we
naar Zanderij reden, brachten we in rap tempo nog een bezoekje aan (weer) de
Marechaussee, het Militair hospitaal, het munitiemagazijn Zorg en Hoop (vlakbij de
bebouwing, bedenk je nu, meer dan twintig jaar later) en (ook weer) de botenbasis.
In welk tempo dit ging, wordt pas duidelijk als je bedenkt dat we al om twaalf uur
in het Prinses Beatrix-kamp te Zanderij stonden. Ook dat moest uitvoerig geïnspec-
teerd worden, want Elstak wilde daar zijn opleidingskamp hebben en daarvoor was
het bepaald nog niet geschikt.
Geluncht op Zanderij en weer met de auto terug naar Paramaribo. Daar konden
we ons nog net omkleden om Maarten en Miep Woerlee op te zoeken, die ons had-
den uitgenodigd voor een aperitief en een informeel dinertje. Ook Henk Elstak en
zijn vrouw waren daar. Het was heel genoeglijk, want Miep Woerlee toonde zich een
51
heel charmante en aardige gastvrouw en de koks van de troepenmacht bewezen dat
ze een prima opleiding in Nederland hadden gehad, evenals trouwens de hofmeesters.
De vrijdagochtend was helemaal gereserveerd voor een voortzetting van de be-
sprekingen op Algemene Zaken, het ministerie van Arron. Om een uur werd geluncht
in het Indisch restaurant Deli aan de Saramaccastraat. Ik hoop dat het nog steeds
bestaat, want als ik nog eens naar Paramaribo mocht gaan, bezoek ik het zeker weer.
Voor het weekend hadden onze Surinaamse gastheren een uitstapje georganiseerd
naar Stoelmanseiland, halverwege de bron en de monding van de Marowijne. Eerst
gaf Vredeling nog even een persconferentie in het hotel, maar daarna vertrokken we
toch. Via Zorg en Hoop vlogen we samen met het echtpaar Elstak naar dit bosne-
gerdorp, waar we in het guesthouse konden overnachten. Een bezoek aan Stoel-
manseiland gaat steevast gepaard met een korjalentocht over de Marowijne. Vrede-
ling en ik hadden ieder onze eigen korjaal, waarmee we tot de Mangkebe Soela- ofte-
wel in goed Nederlands de Mansgenoeg-stroomversnelling voeren. Zo kreeg ik
Suriname voor de tweede keer echt te zien: bosnegerdorpjes langs de Marowijne en
echte korjalen waarmee de oerwoudbewoners hun producten vervoeren.
De zondagmorgen begon met een duik in de rivier. Mevrouw Vredeling, adju-
dant Bill en ik verfristen ons zo na een warme nacht, nog veel benauwder dan de
nachten in Paramaribo, dat dicht bij zee ligt. Toen de zon op zijn hoogste punt
stond, vlogen we weer naar Paramaribo, waar we op ons gemak konden eten, zwem-
men, zonnen en inpakken voor de terugreis. Want ‘s avonds om acht uur werden we
weer naar Zanderij gebracht. De reis zat er op.
52
32
In het Defensie-studiecentrum
Vredeling is na onze vermoeiende reis waarschijnlijk niet nog naar Plein 4 gegaan
op maandag 11 november 1974; ik heb dat in ieder geval niet gedaan. In Nederland
was het al maandagmorgen vier uur toen we vertrokken. De vlucht duurde meer
dan zeven uur en we landden dus pas tegen de middag op Schiphol. Gerrit Maarse-
veen moest mij daarom die eerste vergaderdag van de Comdes in Nederland ver-
vangen, en dat was hem wel toevertrouwd. Hij had ervoor gezorgd dat we twee
weken lang konden beschikken over de vergaderruimten van het Defensie-studie-
centrum in Den Haag, waar we ook konden lunchen.
De geplande twee vergaderweken hadden we zeker nodig, want er was nog heel
wat te bespreken voordat het eindrapport aan beide regeringen medio decem-
ber 1974 kon worden uitgebracht. Ook nu kwamen we al gauw tot de conclusie dat
er een tweede interimrapport nodig was, omdat er een aantal aanbevelingen moest
worden gedaan die niet tot medio december konden wachten. Over die onderwer-
pen zou op zeer korte termijn beslist moeten worden, wilden de betreffende rege-
lingen al op 1 januari 1975 kunnen ingaan.
Elstak had ‘s maandags al de ontwerp-weddeschalen voor Surinaamse dienst-
plichtigen aan Gerrit Maarseveen en de andere collega’s uitgereikt. Daaruit bleek
dat een dienstplichtig Surinaams soldaat nog maar 142 Surinaamse guldens zou
gaan verdienen. Suriname wilde een nieuwe start maken, zoals Nederland in 1945
moest doen. Als Nederlandse dienstplichtige kreeg ik in 1947 een gulden per dag en
daarom leek ons dat bedrag van 142 Surinaamse guldens niet onredelijk, gezien de
situatie waarin Suriname in 1976 zou komen te verkeren. We kwamen dan ook in
de Nederlandse sectie tot de conclusie dat we tegen de invoering van die wedde-
schalen geen bezwaar konden maken. Het enige probleem dat we moesten bespre-
ken was dat de Surinaamse regering die weddeschalen al per 1 januari 1975 wilde
laten ingaan, dus ongeveer een jaar voor de onafhankelijkwording. Daarom hadden
we in Paramaribo gezegd dat we daarover thuis op Defensie moesten overleggen.
Dat was gebeurd toen ik met Vredeling in Suriname was. Elstak onderhandelde
daarover met de commissie-Snelders van de dienst Opperofficier personeel KL, waar-
in onder meer drie Nederlandse leden van de Comdes zaten: Leo Dietz, Gerrit
Maarseveen en Arend Schuring.
Het ging dus vooral over die datum van invoering van de nieuwe weddeschalen.
Nederland ging ervan uit dat ze niet voor de onafhankelijkwording dienden te wor-
den ingevoerd, maar Elstak stond erop dat ze al op 1 januari 1975 zouden gaan gel-
den. Hij zei dat ‘zijn’ regering bang was dat er grote onrust zou ontstaan onder de
Surinaamse dienstplichtigen die al vóór 1976 ingelijfd waren, als op 1 januari van
dat jaar hun wedde opeens fors verlaagd werd. Hij deed daarom het ‘compromis’-
voorstel om het verschil tussen een op 31 december 1975 ‘bevroren’ Nederlandse
bezoldiging en het Surinaamse niveau van 1 januari 1976 door Nederland te laten
bijpassen. De daaruit voortvloeiende toelage zou dan kunnen verminderen met de
stijging van de Surinaamse wedde en helemaal komen te vervallen zodra het
Nederlandse niveau zou zijn bereikt. Dat zou wel het rechtspositionele bezwaar dat
Nederland had tegen de eerdere datum wegnemen, maar het ging van zoveel onze-
kerheden uit dat het door Snelders en de zijnen niet geaccepteerd kon worden.
Uiteindelijk vond men elkaar in een echt compromis. Gezien het Surinaamse
53
belang bij de datum van 1 januari 1975 zou op die datum de wedde voor Surinaamse
dienstplichtigen op het veel lagere Surinaamse niveau gebracht kunnen worden,
onder compensatie van het verschil door een uitkering ineens aan de lichtingen van
Het voordeel van dit compromis was, dat er geen onrust onder de Surinaamse
dienstplichtigen zou ontstaan én dat Nederland na 1975 geen financiële verplich-
tingen meer aan hen zou hebben. Deze uitkering ineens zou wel belast worden vol-
gens het tarief bijzondere beloningen, maar dat nadeel nam Defensie later voor
haar rekening.
Een veel zwaardere financiële verplichting zou Nederland op zich nemen als
het zich zou verplichten aan het vrijwillig dienende personeel een compensatie te
geven voor het verschil tussen de Nederlandse bezoldiging en het salaris dat zij bij
de SKM gingen verdienen. Dat die compensatie absoluut nodig was om het beroeps-
personeel de stap van de op Nederlandse leest geschoeide Koninkrijkskrijgsmacht
naar de SKM te laten zetten, was algemeen aanvaard. Door de commissie-Snelders
werden de kosten van zo’n regeling geraamd op 41,4 miljoen gulden bij een jaar-
lijkse stijging van 10% van de Surinaamse salarissen en op 77,7 miljoen als die stij-
ging de helft zou zijn. Met dat resultaat van het overleg tussen Elstak en de com-
missie-Snelders konden we al meteen in het DSC met een gerust hart met de
Surinamers afspreken dat voor de Surinaamse dienstplichtigen die op dat moment
onder de wapenen waren, zo’n compensatie gegeven zou worden, waardoor voorko-
men werd dat hun verkregen rechten aangetast werden. In ons tweede interimrap-
port van 22 november 1974 bevestigden we het buiten onze commissie bereikte com-
promis om die compensatie te geven door een uitkering ineens, te berekenen over
de periode van 1 januari 1975 tot aan ‘einde eerste oefening’.
De dienstplichtigen die na 31 december 1974 onder de wapenen zouden
komen, hoefden die compensatie niet eens te krijgen; zij hadden immers nog geen
rechten verkregen op de Nederlandse wedde als die tijdig verlaagd zou zijn. In feite
zou het dus om een relatief gering bedrag gaan. Dat zou de Defensie-begroting ook
nauwelijks belasten. De uitkering aan de dienstplichtigen van de lichtingen 1974,
die na de onafhankelijkwording nog onder de wapenen zouden zijn, was immers
net zo hoog als de besparing op die begroting door de lagere wedde in 1975. Vestzak-
broekzak dus.
We vonden wel dat de Commandant, Woerlee dus, aan de Surinaamse dienst-
plichtigen van dat moment zo snel mogelijk over deze operatie de nodige voorlich-
ting moest geven. De Surinaamse regering zou dat – en daar waren we het met Elstak
en de zijnen over eens – moeten doen aan de hele Surinaamse bevolking en in het
bijzonder aan de jongelui die in 1975 nog in de TRIS zouden worden ingelijfd. Om
het onze regeringen mogelijk te maken deze adviezen wat sneller te beoordelen,
voegden we een wijzigingsvoorstel van de bezoldigingsregeling van 1972 op dit punt
bij ons rapport.
Een tweede gesprekspunt was de overdracht van de infrastructuur van de TRIS.
Om de achterstand in omvang en onderhoud daarvan, die Vredeling en ik zelf ook
al hadden kunnen constateren, zoveel mogelijk in te lopen, stelden we voor om de
meest noodzakelijke voorzieningen nog in 1975 uit te voeren. Er bestonden al plan-
nen voor een nieuw legeringsgebouw voor de Koninklijke marechaussee vlak bij fort
Zeelandia. Daar wilden we meteen mee beginnen en ook het bestaande gebouw van
de marechaussee renoveren. Ook over de verplaatsing van de munitie-opslag in Zorg
en Hoop werden we het snel eens. Die mocht daar zo dicht bij de bebouwing niet
blijven en daarom stelden we voor een nieuw munitiemagazijn te bouwen op Zande-
54
Op het departement van Defensie werd de commissie van deskundigen ontvangen door staatssecretaris Cees
van Lent. Op de trappen van Plein 4 v.l.n.r. Maarseveen, Smits, Akkerman, Verstegen, Quintus Bosz, Mimi
Vermeulen, Chehin, Van Oel, onbekend, Van den Berg, Schuring, Teixeira, Elstak, Ramdat Misier, Leeuwin,
Troon en Dietz.
rij en daar ook een dienstweg aan te leggen. De overige voorstellen hadden betrek-
king op sanering en nieuwbouw van keukens en toiletgebouwen.
In ons eerste interimrapport hadden we voorgesteld een inventarisatie te hou-
den van alle buiten Suriname dienende Surinaamse militairen. Die was inmiddels
bij de landmacht voltooid en daarom adviseerden wij om onder hen een enquête te
houden met de vraag of zij onder de door ons ontworpen voorwaarden bereid zou-
den zijn naar de Surinaamse krijgsmacht over te gaan. Meteen zou dan nog eens
nagegaan kunnen worden of er nog Surinamers bij de marine en luchtmacht dien-
den. In de eerste helft van 1975 konden dan de overgangsregelingen voor het perso-
neel dat wilde overgaan, vastgesteld worden. Dat zou door Nederland moeten gebeu-
ren, uiteraard na overleg met Suriname. Met een ontwerp daarvoor waren wij nog
niet klaar, maar dat zou in ons eindrapport worden opgenomen, zo beloofden we.
De rechtspositieregelingen voor de SKM hadden ook haast. Die waren ook no-
dig voor hen die over zouden gaan; die regelingen bepaalden immers hun nieuwe
55
rechtspositie. Niet alleen de Nederlandse overgangsregeling was voor hun beslissing
van belang. Stel die regelingen daarom vast vóór 1 april 1975, zo vroegen we aan de
Surinaamse regering, en Elstak beloofde daar achter heen te zullen zitten. Het duur-
de wel wat langer dan we gehoopt hadden. Pas begin juli 1975 kregen we de brief
van Hoost, waarbij de Nota bevattende de hoofdpunten van de rechtspositionele voorzienin-
gen van toepassing op het vrijwillig diendend personeel van de Surinaamse Krijgsmacht (SKM)
aan van Lent werd toegezonden.
De vrijwillig dienende soldaat zou volgens die nota met 233 gulden beginnen,
91 meer dan zijn dienstplichtige collega; de commandant, die waarschijnlijk de
kolonelsrang zou krijgen, kreeg 1355 Surinaams maar dat liep op tot 1504. Dat
waren dus aanzienlijk lagere bedragen dan volgens de Nederlandse bezoldigingsre-
geling (een Nederlandse kolonel kreeg toen 4304 tot 5731 gulden!), maar het was
dan ook het belangrijkste rechtspositionele verschil. Allerlei rechtspositionele rege-
lingen voor vrijwillig dienenden, zoals die waarin de eisen van indienstneming,
bevordering, opleiding en geneeskundige keuring waren opgenomen, werden klak-
keloos van de Koninklijke landmacht overgenomen, hoewel er redenen genoeg
waren om die eisen wat lager te stellen. Dat leidde na de onafhankelijkheid meteen
tot problemen, toen Elstak een Surinamer met HAVO-diploma naar het Koninklijk
instituut voor de marine wilde sturen. Hij had immers een beroepsofficier met een
marine-opleiding nodig voor zijn patrouillevaartuigen!
De Koninkrijkscommissie had er een maand tevoren al op geattendeerd dat
Suriname zelf de eigen wetgeving op het gebied van het militair, straf-, strafproces-
en tuchtrecht zou moeten maken. Onze Comdes vulde dat aan met een aantal rege-
lingen die voor de SKM ook nodig zouden zijn. De inwendige dienst, het ceremo-
nieel (waar Elstak erg gevoelig voor was) en de verlening van militaire bijstand
waren bijvoorbeeld onderwerpen die ook geregeld moesten worden. Nederland zou
daarbij kunnen helpen en dat is ook gebeurd. Medio 1975 gingen de militaire juris-
ten Veurink en de Leeuw naar Suriname om daar de Surinaamse regelingen op het
gebied van het militaire straf- en tuchtrecht te ontwerpen. Zo gauw ze daarmee
klaar waren zou de noodwetgeving aan de beurt komen. Ten slotte werd in ons rap-
port gewezen op het feit dat er bij de onafhankelijkwording nog straf- en tuchtpro-
cedures zouden lopen tegen militairen die overgingen naar de SKM. De afdoening
daarvan was ook iets dat tevoren geregeld diende te worden.
Ons tweede interimrapport van 22 november 1974 kreeg dezelfde vlotte behande-
ling als het eerste: twee weken na ontvangst hadden Vredeling en van Lent vol-
doende inzicht in de financiële consequenties van onze voorstellen. Zij stelden aan
de Ministeriële commissie Suriname, beter bekend als de Micos, voor om alle kosten
van de activiteiten die in 1975 plaats zouden vinden in het kader van de voorberei-
ding van de SKM, te financieren binnen het totaal van de defensiebegroting voor dat
jaar. Met name hadden zij hierbij het oog op de kosten van de aanbevelingen 1 en 7
uit ons eerste interimrapport. Aanbeveling 1 had betrekking op het inlijven van vier
lichtingen Surinaamse dienstplichtigen van 125 man per jaar en de verlenging van
de dienstplicht van 16 tot 18 maanden; aanbeveling 7 ging over de opleiding van een
aantal van die dienstplichtigen tot officier, onderofficier en specialist. Maar ook de
kosten die het gevolg zouden zijn van afspraken die Vredeling had gemaakt met
Hoost in de eerste volle week van november 1974 vielen daaronder. Vredeling maak-
te wel aan de Micos, waarin naast de minister-president nog vijf bewindslieden,
staatssecretaris van Dam van VROM en zeven hoge ambtenaren zaten, duidelijk dat
hij niet wenste op te draaien voor de aanschaf van patrouillevaartuigen en helicop-
56
In de grote vergaderzaal van het ministerie van Defensie werd de Comdes toegesproken door staatssecretaris
Van Lent.
57
ters. Over die aanschaf had hij in het overleg met Hoost het een en ander gehoord
en, mede op mijn advies, de boot afgehouden toen Hoost hem vroeg of Nederland
die dingen wilde meefinancieren.
Wat ook de financiële gevolgen zouden zijn van het oprichten en instandhou-
den van een SKM na 1975, voor andere kosten dan die welke voortvloeiden uit de nu
al door de commissie van deskundigen voorgestelde maatregelen, zagen de
bewindslieden van Defensie geen ruimte in de defensiebegroting. Meteen maakten
zij van de gelegenheid gebruik om als hun duidelijke mening te geven dat
Nederland geen garanties aan Suriname diende te verstrekken op defensieterrein.
Met de instemming van de Micos, het speciaal met het oog op de komende
onafhankelijkheid van Suriname ingestelde rompkabinet, kwamen we nog voor het
einde van het jaar 1974 tot een afronding van een belangrijke voorwaarde voor de
onafhankelijkheid van dit Rijksdeel, die een jaar later meegevierd kon worden.
De tweede plenaire zitting van onze commissie werd besloten met een diner,
waarbij ook de secretaris-generaal, Gerard Peijnenburg, aanwezig was. Daar namen
wij afscheid van onze Surinaamse vrienden, behalve van collega-voorzitter Henk
Elstak. Die moest blijven voor het schrijven van het eindrapport, over de inhoud
waarvan wij het in de tweede plenaire zitting van onze Comdes wel eens waren
geworden, maar dat nog opgesteld diende te worden aan de hand van de vergader-
verslagen van Mimi Vermeulen. Die waren door de Nederlandse en Surinaamse sec-
ties goedgekeurd, zodat we ze met Elstak in het eindrapport konden verwerken.
Hele dagen zaten we daaraan te werken, geassisteerd door de voor deze gele-
genheid aan het secretariaat toegevoegde Robert-Jan Akkerman, een van de jongere
juristen van mijn afdeling. Deze Akkerman ging later naar Buitenlandse Zaken,
waar hij in de buitenlandse dienst terecht kwam. Helaas werd hij om nog steeds niet
opgehelderde redenen in Algiers, waar hij ambassadesecretaris was, vermoord. Zo af
en toe kon ik ook nog wel eens de stukken die bij mijn afdeling waren binnengeko-
men, achter mijn eigen bureau doornemen. Tot mijn niet geringe verbazing ont-
dekte ik zo dat Hoost in dezelfde maand dat wij zaten te vergaderen met de
Surinamers, een nota naar Den Haag had gestuurd onder de fraaie kop Komplexiteit
van de problematiek bij de voorbereiding van de toekomstige eigen krijgsmacht. Het was
maar een voorlopige nota, zo schreef Hoost in zijn voorwoord, “want de commissie
bestaande uit een Surinaamse en een Nederlandse sectie is nog bezig zich te bera-
den over de aan de beide regeringen uit te brengen adviezen, mede ten behoeve van
het regeringsoverleg begin ’75”.
Al lezende in de nota werd mij duidelijk wie haar geschreven had. Ze wemelde
van beschuldigingen aan Nederland en bevatte ook beweringen die Elstak zelf in de
Comdes al had gedaan: “de vaagheid van het interimrapport (dat moet het eerste
zijn geweest, want het tweede was toen nog niet van de pers) is te wijten aan de
omstandigheid, dat de Nederlandse sectie niet voldoende mandaat had om mee te
werken aan concrete adviezen”. De fraaiste was ‘de ongekende verwaarlozing’ van
de TRIS-infrastructuur door Nederland. Die was door Vredeling erkend, stond er,
maar daarbij had mijn minister in de kantlijn geschreven dat hij dat nooit gezegd
had. De volkenrechtelijke kennis van de schrijver van het stuk was ook nogal betrek-
kelijk, want hij durfde het voor zijn rekening te nemen dat “op grond van Inter-
nationale Codes zij, die de Surinaamse nationaliteit niet bezitten geen deel van ons
leger mogen uitmaken”. Dat de Fransen met hun vreemdelingenlegioen deze codes
dus aan hun laars lappen, werd er niet bij verteld.
Het is jammer dat André Haakmat toen zijn boekje met herinneringen aan de
toekomst van Suriname nog niet geschreven had; als ik toen had kunnen lezen dat
58
Elstak zet op het Ministerie van
Defensie zijn handtekening
onder het rapport, waarvan
hij kort daarna afstand nam
in een nota van de Surinaamse
sectie van de Comdes.
000
Surinamers, en dan vooral Creolen zoals Elstak, dit soort taal gebruiken zonder
kwade bedoelingen maar alleen uit een behoefte om zich op zo’n manier te uiten
in verkiezingstoespraken, zou ik misschien bedacht hebben dat onze onderhande-
lingen vergelijkbaar waren met een situatie waarin Surinaamse politici zich tegen
elkaar afzetten. Hoewel ik al meteen bij onze eerste vergadering had ontdekt dat
‘Bingo’ (zoals al vermeld, noemden zijn collega-officieren hem zo) Elstak bij mij
thuis op bezoek met zijn hele sectie een heel andere man was dan de Surinaamse
sectievoorzitter, vond ik dit toch te gek. In plaats van het langs mijn koude kleren
te laten afgaan, schreef ik een nota voor Vredeling om alle passages die ik rood had
onderstreept – en dat waren er nogal wat – te weerleggen. Waarschijnlijk speelde in
de behoefte om dit te doen mee, dat dit stuk formeel van een minister van Justitie
en Politie kwam. Ik heb er tijdens het werken aan ons eindrapport met Elstak maar
helemaal niet over gepraat. Anders zou het rapport waarschijnlijk niet op 18 decem-
ber 1974 door ons ondertekend zijn.
59
Het eindrapport
Nadat we op 22 november 1974 ons tweede interimrapport hadden ingediend, ble-
ven er dus nog maar een paar weken over om de datum te halen waarop het eind-
rapport bij de regeringen van Suriname en Nederland diende te liggen. We hadden
immers beloofd dat het medio december 1974 klaar zou zijn. Dat lukte, want op
18 december konden Elstak en ik er in Den Haag onze handtekeningen onder zet-
ten. In het 35 pagina’s omvattende stuk werd allereerst verwezen naar de op 21 mei
1974 genomen beslissing in de regeringsconferentie tussen Nederland, Suriname en
de Nederlandse Antillen om de defensie van Suriname niet langer in de Koninkrijks-
commissie te doen bespreken, maar dat te doen in bilateraal overleg tussen de rege-
ringen van Nederland en Suriname. Dat dit in een ambtelijke commissie van des-
kundigen zou worden voorbereid, was snel geregeld, maar dat de aanwijzing van de
deskundigen daarvoor wat meer voeten in de aarde had, is al beschreven. En ook dat
de opdracht aan de commissie later werd gewijzigd in verband met de Surinaamse
regeringsverklaring, dat dit land uiterlijk eind 1975 onafhankelijk zou zijn. Ten-
slotte diende, zo releveerden we, in het eindrapport ook een raming van de kosten
van de SKM te worden opgenomen, omdat dit tussen beide regeringen op 1 oktober
1974 zo besloten was.
Het eindrapport is klaar; van de Surinaamse leden is alleen Elstak nog in Nederland.
60
Na een verwijzing naar de op 7 september en 22 november 1974 ingediende inte-
rimrapporten, waarin maatregelen werden voorgesteld die geen uitstel gedoogden,
begonnen we deze rapportage met aan te geven welke de primaire en de secundai-
re taken van de SKM zouden zijn. Er bestond tussen de secties geen enkel menings-
verschil over dat voor de externe defensietaken de grensposten in Albina en Nickerie
gehandhaafd dienden te blijven en dat de legering van de hoofdmacht in
Paramaribo en Zanderij gecontinueerd moest worden. Het kampement in Browns-
weg zou opgeheven kunnen worden door een verplaatsing van de aldaar gelegen
militairen. Voor de uitoefening van de secundaire taak, het ter beschikking stellen
van delen van die krijgsmacht aan de Surinaamse regering voor het verlenen van
militaire bijstand, zou op korte termijn een regeling gemaakt moeten worden, zoals
die ook was gemaakt voor de harde en de zachte bijstand door de TRIS.
De Surinaamse sectie wilde per se in dit rapport een passage opgenomen zien
over de noodzaak om de militaire aanwezigheid op beide grensrivieren duidelijker
te demonstreren door middel van patrouilleboten. En passant werd daarbij meege-
deeld dat er daarvan al een aantal was aangeschaft. Voor die boten zouden natuur-
lijk extra voorzieningen nodig zijn, want vanuit de botenbasis aan de Suriname-
rivier zouden ze voor hun bewakingstaak niet kunnen opereren. Als de SKM ook zou
worden uitgerust met helicopters, iets waarover we geen overeenstemming konden
bereiken maar waarvan Elstak onwrikbaar bleef vinden dat ze onmisbaar waren voor
de grensbewaking, zouden ook daarvoor infrastructurele voorzieningen nodig zijn.
Waar we het wel over eens werden, was dat de organisatievorm van de TRIS niet
helemaal geschikt was voor de SKM. We stelden daarom voor om de tirailleurcom-
pagnieën van drie pelotons op vier te brengen ter compensatie van het wegvallen
van de mobilisabele vierde compagnie, die in noodgevallen vanuit Nederland over-
gevlogen zou worden.
Een tweede organisatiewijziging betrof de samenvoeging van het commando-
element en de ondersteunende elementen van de TRIS in één compagnie. Omdat
het ministerie van Hoost niet was toegerust voor de departementale taken op het
gebied van de defensie, stelden we voor om de SKM-eenheden die belast zouden wor-
den met personeelszaken en met de verdere opbouw en de instandhouding van het
leger, rechtstreeks onder de commandant SKM te laten ressorteren. De politieke
beslissing over alle kwesties met betrekking tot legering, financiële zaken, beheer
van het personeel en de controle op de goederenbeweging zouden dan door die een-
heden kunnen worden voorbereid. Zij zouden dus gaan fungeren als beleidsvoorbe-
reidende organen van het departement dat met defensieaangelegenheden belast
zou worden.
De wens van Elstak om ook te adviseren dat alle adviezen van die beleidsvoor-
bereidende organen via de commandant naar het departement zouden gaan, was
volgens de Nederlandse sectie gerechtvaardigd. Die commandant zou immers de
verantwoordelijkheid van de hele SKM dragen en diende in staat te worden gesteld
zijn minister van advies te dienen op alle terreinen die de SKM betroffen. Dat hij ook
de bevoegdheid zou moeten krijgen om op het uitvoerende vlak bepaalde beslissin-
gen namens de minister te nemen, konden wij moeilijk bestrijden. Het zou er maar
van af hangen wat die minister aan hem zou willen overlaten, want er zijn natuur-
lijk een hoop dingen te bedenken die zonder gevaar voor een te grote politieke
invloed aan een commandant overgelaten kunnen worden op dat uitvoerende
niveau. Er zou in ieder geval wel door voorkomen kunnen worden dat voor het rela-
tief kleine leger een te omvangrijk ambtelijk defensieapparaat gecreëerd zou moe-
ten worden.
61
Over de patrouilleboten en helicopters bevatte ons eindrapport dus geen
onverdeeld advies. Als Nederlandse deskundigen erkenden wij wel de noodzaak om
over een aantal patrouilleboten te beschikken, maar wij vonden dat die niet per se
een militaire status hoefden te hebben. De niet-militaire grensbewaking door deze
vaartuigen is in wezen een politiële taak, zo betoogden we. Over de militaire grens-
verdedigingsnoodzaak hadden wij zo onze eigen opvattingen, die wij, niet zo ver-
rassend, deelden met de Koninkrijkscommissie. En de handhaving van de exclusie-
ve visserijrechten in de volle zee diende volgens ons ook door het politieapparaat te
geschieden. Een maritiem orgaan onder het eigenlijke politiedepartement van
Hoost diende er ook in onze opvatting wel te zijn, maar wij gaven er de voorkeur aan
die niet als een ‘Kriegsmarine’ onder de SKM te brengen.
Over de ‘lichte helicoptereenheid’ van Elstak en de zijnen konden we, zelfs na
uren praten, helemaal geen overeenstemming bereiken. Dat was in ons rapport dan
ook het enige wezenlijke geschilpunt. Daarover ging dan ook eigenlijk alleen maar
de behandeling van ons eindrapport in het Catshuis, waar we het maanden later
bespraken met den Uyl en zijn Micos.
Over dat onderwerp namen beide secties dus van elkaar afwijkende opvattin-
gen in het rapport op. Volgens de Surinaamse sectie was die helicoptereenheid
nodig in verband met de uitgestrektheid en ontoegankelijkheid van het Surinaamse
grondgebied. Infiltraties dienden tijdig onderkend te worden en dat zou alleen kun-
nen gebeuren door patrouilles vanuit de lucht langs de grensrivieren, zei Elstak.
Hoe de Nederlandse sectie ook betoogde dat een paar helicopters in die Surinaamse
situatie daarvoor ongeschikt waren, Elstak hield voet bij stuk. Ik durf nu best te
bekennen dat er bij ons nog andere overwegingen golden om beide regeringen
ervan te weerhouden met de Elstakiaanse opvattingen mee te gaan. De Surinaamse
krijgsmacht (de benaming komt van Elstak, want hij wilde als eerste commandant
het bevel voeren over alle drie krijgsmachtdelen en niet alleen over een leger) zou
inderdaad, zoals Haakmat zegt, ‘geldverslindend’ worden. Ons militaire argument
was, dat je de duizenden kilometers Marowijne en Corantijn niet kunt bewaken met
een paar helicopters. De infiltraties, waarvan er een enkele door Guyanezen had
plaatsgevonden met een paar korjalen, zouden immers vanuit de lucht niet ontdekt
worden; de buren zouden wel wachten met de oversteek tot de helicopter voorbij
was en in geen uren meer terug verwacht hoefde te worden. Maar sterker was het
argument van de Surinamers, dat helicopters onmisbaar waren voor een snel troe-
pentransport en het vervoer van zieken en gewonden. Dat hoefde echter niet door
een eigen ‘luchtmacht’ te geschieden, zo vonden wij. Je kunt zulke air rescue-ope-
raties beter onderbrengen bij een bestaande organisatie. Daarbij hadden we natuur-
lijk het oog op de SLM, die zulke civiele operaties al geruime tijd uitvoerde. Dat die
met zijn twin-otters kon landen en opstijgen van de talloze airstrips had ik al een
paar keer ervaren en ook Vredeling kon dat beamen na zijn bezoek aan
Stoelmanseiland.
Over het Militair hospitaal werden we het snel eens. We stelden voor dat Hoost
en Vredeling later zouden beslissen wat de status van dat hospitaal zou worden in
samenhang met de toekomstige positie van het Academisch ziekenhuis.
Een volgend punt in ons eindrapport was de organisatie van de SKM. We kwamen
op een sterkte van 29 officieren, 136 onderofficieren en 520 korporaals en soldaten.
Daarnaast was er behoefte aan 194 burgers. Daarbij was niet het personeel geteld
dat nodig zou zijn voor de bemanning van eventueel in de SKM op te nemen
patrouillevaartuigen, helicopters en de ondersteunende diensten daarvoor. Ook de
62
voor een te handhaven militair hospitaal benodigde vier officieren, negen onderof-
ficieren, zes korporaals en soldaten en 49 burgers waren daar niet bij opgenomen.
Vooral door de herstructurering van de TRIS-organisatie, het militariseren van de
vaartuigenploeg (de burgerbemanningen daarvan pasten niet in de ‘marine’-wens
van Elstak) en het wegvallen van het Militair hospitaal in onze SKM-organisatie bete-
kende toch, vergeleken met de TRIS, een aanzienlijke personeelsvermindering van
18 officieren, 69 onderofficieren, 99 korporaals en soldaten en 87 burgers.
Voor die nieuwe organisatiestructuur zouden naar onze schatting in april 1976
458 dienstplichtige korporaals en soldaten beschikbaar zijn. In onze berekening van
dat aantal gingen we ervan uit dat er eind 1975 over 750 dienstplichtigen beschikt
zou kunnen worden, waarvan er 125 nog in hun eerste opleiding zouden zitten en
120 man door afkeuring, vrijstelling en dergelijke (ervaringsgegevens van de TRIS)
niet in dienst zouden komen. Voor de benodigde 458 korporaals en soldaten zouden
er dus ongeveer 500 dienstplichtigen beschikbaar zijn; daarvan moest nog ongeveer
50 man afgetrokken worden in verband met hun opleiding tot officier, onderoffi-
cier en specialist.
Er zouden dus 29 officieren nodig zijn om de commandant in spe zijn SKM
goed op poten te laten krijgen. Ongeveer de helft daarvan zou uit dienstplichtigen
met de laagste officiersrang mogen bestaan, de rest zou gevonden moeten worden
in het bestaande TRIS-kader. Bij de Koninklijke landmacht dienden op dat moment
ongeveer tien Surinaamse officieren. De andere vijf zouden voor een deel gevonden
kunnen worden door bepaalde onderofficieren snel op te leiden voor officiersfunc-
ties. Voor het overige zouden bij de Nederlandse militaire missie geplaatste advi-
seurs tijdelijk ter beschikking gesteld kunnen worden. Dit zou alleen voor bepaalde
functies kunnen gebeuren, zoals het geven van instructie en onder stringente voor-
waarden; als belangrijkste daarvan zagen wij het verbod om deel te nemen aan mili-
taire operaties en aan verlening van (harde) militaire bijstand.
Van de benodigde 136 onderofficieren dienden er niet minder dan honderd uit
de Koninkrijkskrijgsmacht te komen, op vrijwillige basis uiteraard. De overige 36
zouden dienstplichtigen kunnen zijn. Om het benodigde bestand aan korporaals en
soldaten niet aan te tasten zouden door deze 36 en de 14 dienstplichtige officieren
de nodige specialistenfuncties vervuld moeten worden. Ook zou, in verband met
hun veel langere opleiding, de diensttijd voor dienstplichtige officieren en onder-
officieren verlengd moeten worden. Dat zou bij voorkeur moeten gebeuren op het-
zelfde tijdstip, dat voor gewone dienstplichtigen de dienstplichttijd op achttien
maanden gebracht zou worden, zoals al in ons eerste interimrapport was voorge-
steld. Een schatting van de kosten van deze organisatie leverde bedragen op aan
bezoldiging van 3,8 miljoen Nederlandse guldens (in 1974 was dat maar Sf. 2,5 mil-
joen!) en f.2,1 miljoen aan voeding, kleding enzovoort (Sf.1,4 miljoen).
We realiseerden ons natuurlijk heel goed dat het grootste probleem zat in de
vulling van de functies voor vrijwillig dienende officieren en onderofficieren.
Nogmaals beklemtoonden we daarom dat het van het grootste belang zou zijn dat
een zo groot mogelijk gedeelte van de zogenaamd blijvend geplaatsten (die lang niet
allemaal van Surinaamse komaf waren) en van het Surinaamse kader van onze
Koninkrijkskrijgsmacht zou overgaan naar de SKM. Dat dit alleen zou kunnen
gebeuren als er aanvullende regelingen zouden komen, die het grote verschil in
rechtspositie zouden overbruggen, hadden we al eerder betoogd. Maar zo iets kon
niet vaak en duidelijk genoeg gezegd worden.
Er waren op dat moment slechts twee officieren die tot de categorie van blijvend
geplaatsten behoorden, lang niet genoeg voor het aantal dat nodig was (vijftien).
63
Daarom moest er ook gezocht worden naar officieren die niet tot die categorie
behoorden. Niet onder de blanke Nederlanders, hoewel we hoorden dat ook van hen
wel enigen idee hadden om bij de SKM te gaan dienen; in een bevelfunctie, uiteraard.
Voor de honderd benodigde Surinaamse onderofficieren was het tekort veel
minder groot, als we er althans van mochten uitgaan dat alle 75 blijvend geplaat-
sten bereid waren over te gaan. Dat het tekort van 25 door de overgang van een in
Nederland dienende onderofficier ten minste met één is teruggelopen, weten we
allemaal, als ik de naam Bouterse noem. Die bij de kaderschool in Weert opgeleide
sportinstructeur vond de overgangsregeling in ieder geval aantrekkelijk genoeg om
naar Paramaribo te verkassen. Was hij maar hier gebleven!
De 44 korporaals en soldaten die behoorden tot die categorie blijvend geplaat-
sten, zouden het gemakkelijkst aangevuld kunnen worden tot de benodigde 520.
Die lage rangen werden ook in de TRIS immers hoofdzakelijk bezet door dienst-
plichtigen die vanuit Nederland werden uitgezonden.
Hoe de SKM aan het benodigde kader moest komen, hadden we al eerder
gezegd in onze interimrapporten: schep een recht op uitkering voor alle beroeps-
militairen van Surinaamse landsaard, dat in beginsel tot hun 65ste jaar geldt. De
grondslag van die uitkering diende volgens de Comdes gevormd te worden door de
Nederlandse bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de toelage bui-
tenland. Volgens de Nederlandse leden waren dat natuurlijk de bedragen die golden
op de dag voor de onafhankelijkheid van Suriname, maar Elstak probeerde het
onderste uit de kan te halen. Hij wilde uitgaan van de bedragen die zouden gelden
op 2 januari 1976; dan zouden immers de nieuwe salarissen gelden!
Het zonder meer handhaven van hun financiële rechtspositie zou voor vele
Surinamers waarschijnlijk niet aanlokkelijk genoeg zijn om de Koninkrijkskrijgs-
macht te verwisselen voor de Surinaamse. Als een stimulans voor de overgang stel-
den we daarom voor de uitkering te laten bestaan uit 120% minus de tegenwaarde
van de Surinaamse bezoldiging. De rest van de diensttijd tot hun 65ste zou die dan
uit 100% minus die tegenwaarde dienen te bestaan en vanaf het 65ste levensjaar uit
80% minus de tegenwaarde van het Surinaamse pensioen. Onze Nederlandse rechts-
positiedeskundigen stonden er op dat de elementen van de uitkering ‘bevroren’
zouden worden. Dit betekende dat de Nederlandse grondslag en de Surinaamse
bezoldiging na de datum van de vaststelling van de uitkering niet meer gewijzigd
konden worden. De bezoldigingsverlaging zou immers voor deze uitkeringgenie-
tenden geen nadelig effect hebben en voor de SKM alleen maar financieel gunstig
werken. Ook een lagere tegenwaarde van de Surinaamse bezoldiging zou helemaal
voor Nederlandse rekening komen bij de uitbetaling van die uitkeringen. Hoe nodig
dat bevriezen was, is al snel gebleken; was de koerswaarde van de Nederlandse gul-
den in 1975 nog maar 67 Surinaamse centen, nu is onze gulden ongeveer 400 keer
zo veel waard als de Surinaamse. Stel je voor dat we die bevriezing niet hadden
bedongen; de defensie-uitkeringen zouden praktisch de hele (huidige) Nederlandse
salarissen hebben bedragen. Over het Surinaamse pensioenelement van de uitke-
ring merkten we nog op dat de diensttijd, doorgebracht in de Koninkrijkskrijgs-
macht, voor het Surinaamse pensioen niet meegeteld kon worden, omdat volgens
de Nederlandse militaire pensioenwet de mensen die zouden overgaan, recht op een
Nederlands pensioen behielden.
Interessant voor onze opdrachtgevers was natuurlijk wat die regeling aan de
Nederlandse schatkist zou gaan kosten. Bij een overgang van alle, waar ter wereld
ook dienende Surinaamse militairen en van alle blijvend geplaatsten, zou van 1976
tot en met 1985 met de voorgestelde uitkeringen per jaar f.2.265.319 gemoeid zijn.
64
Dat bedrag zou de daarop volgende tien jaren van ongeveer twee miljoen tot
463.000 gulden teruglopen en in de jaren 1996-2005 verder tot 75 mille. Daarna zou
het nog maar om ‘peanuts’ gaan, totdat het in 2020 tot nog geen tienduizend gul-
den zou zijn teruggebracht.
In ons rapport vergeleken we deze cijfers met die welke gemoeid zouden zijn
met wachtgelduitkeringen. Als we niets regelden, zou immers aan alle ontslagen
beroepsmilitairen een wachtgeld uitgekeerd moeten worden. De daarmee gemoeide
bedragen waren in het eerste jaar ongeveer zes ton hoger en in 1985 nog ongeveer
even hoog als bij de uitkering. Pas in de negentiger jaren zou het wachtgeld iets
lager worden, om in 2005 helemaal op nihil uit te komen. Aan de ene kant zou de
wachtgeldtoekenning voor onze schatkist dus onvoordeliger zijn geweest, maar het
belangrijkste argument om in plaats daarvan een uitkeringsregeling in het leven te
roepen, was toch de stimulans voor de vrijwillige overgang.
Het burgerpersoneel was nu aan de beurt. Bij de SKM waren, zoals al eerder was
berekend, 194 burgerfuncties nodig. In het november-overleg was tussen Hoost en
Vredeling afgesproken dat al het burgerpersoneel zoveel mogelijk naar de SKM zou
kunnen overgaan. Dat leverde een probleem op, want bij de TRIS dienden op dat
moment 282 burgers, zodat er voor ongeveer 90 man geen organieke burgerfunctie
bij de SKM beschikbaar zou zijn. Als het uit zestien burgers bestaande vaartuigen-
detachement gemilitariseerd zou worden, zoals voorgesteld, bleven nog 74 mensen
over voor wie geen plaats was. Het probleem zou pas echt oplosbaar zijn, als het
militair hospitaal bij de SKM ondergebracht zou worden, want daar werkten 45 bur-
gers. In 1975, dus nog voor de onafhankelijkheid, zou ongeveer de helft van dit res-
tant van 25 door natuurlijk verloop verdwijnen.
Dit burgerpersoneel was op arbeidsovereenkomst naar Surinaams burgerlijk
recht aangesteld om bij de TRIS werkzaam te zijn. Bij ontslag zou een personeelslid
aanspraak op wachtgeld hebben gedurende een termijn die overeenkwam met een-
derde van zijn diensttijd en aflopend van 90% tot 60%. Een probleem was nu dat het
aantal niet te plaatsen mensen oudere werknemers waren, die geringe herplaat-
singskansen elders hadden en dus in inkomen achteruit zouden gaan. Omdat alle
burgers die wel bij de SKM een plaats zouden vinden, onder de Nederlandse anticu-
mulatiebepaling vielen, stelden we voor de wachtgeldregeling om te zetten in een
afvloeiïngs- en overgangsregeling. Daardoor zou ook voor de burgers hun financië-
le positie bij de SKM aantrekkelijker worden. Door die anticumulatie-bepaling zou
de som van wachtgeld en Surinaams burgersalaris namelijk nooit meer dan het
TRIS-salaris hebben bedragen.
Anders dan de regeling voor de militairen luidde, ontwierp Arend Schuring
een regeling die aan burgerpersoneelsleden drie maanden recht gaf op hun laatste
TRIS-salaris, daarna negen maanden 90% daarvan, vier jaren daarna 80% en daarna
nog 70%. Die uitkering zou wel waardevast zijn, niet naar Nederlandse maar naar
Surinaamse maatstaven. De kosten hiervan zouden, zo was berekend, in het eerste
jaar 1,5 miljoen gulden bedragen (Surinaams ruim een miljoen), geleidelijk ver-
minderen tot circa 0,5 miljoen in 1985, in de vijf jaren daarna tot 1990 tot gemid-
deld vier ton en tot 2000 tot gemiddeld 1,7 ton. Totaal dus 14,6 miljoen. Daarbij was
er van uitgegaan dat het salarisniveau van burgers bij de SKM op 70% van dat bij de
TRIS zou uitkomen. Maar zelfs onder deze regeling had het burgerpersoneel nog
een aanzienlijk minder gunstige rechtspositie dan bij de TRIS. Dat kwam vooral
omdat Suriname (nog) geen vakantietoelage kenden en ook niet van plan was dub-
bele kindertoelage, vaartochtvergoedingen, waakdienstvergoedingen en consigna-
tievergoedingen te gaan toekennen, zoals Nederland die kende.
65
De Koninkrijkscommissie had in haar twee maanden tevoren ingediende eindrap-
port er al op gewezen dat een aantal Koninkrijksregelingen in beginsel zou blijven
gelden in Suriname. Om die te vervangen door eigen Surinaamse wetgeving zouden
Nederlandse deskundigen beschikbaar gesteld moeten worden aan de Surinaamse
regering. Op dat gebied hadden wij al een groot aantal militaire wetten en beslui-
ten genoemd, maar waar we niet op konden wachten tot na de onafhankelijkwor-
ding, was een regeling waardoor Surinaamse dienstplichtigen werden ontslagen uit
de Koninkrijkskrijgsmacht onder gelijktijdige inlijving bij de SKM. Ook moest tijdig
een overeenkomst worden gesloten waarbij de afgesproken infrastructurele werken,
uitrusting en bewapening zou worden overgedragen aan Suriname. Met de regeling
waarin onze (financiële) verplichting tegenover het SKM-personeel moest worden
vastgelegd en de vestiging van de Nederlandse militaire missie werd geregeld, gaf
dat voor het laatste jaar van voorbereiding op de soevereiniteitsoverdracht nog
genoeg werk voor Leo Dietz’ afdeling militaire rechtspositie, Arend Schurings iden-
tieke club voor defensieburgers en mijn afdeling wetgeving en publiekrecht.
Nadat we erop gewezen hadden dat in 1975 een aantal militaire adviseurs bij
de militaire missie in Suriname nodig waren voor bepaalde werkzaamheden zoals
onderhoud en vervanging van materieel, sloten we ons eindrapport af met de aan-
beveling de commissie te belasten met de coördinatie van de uitvoering van haar
voorstellen. Voor zover die door beide opdrachtgever-regeringen zouden worden
aanvaard, uiteraard.
Voor de uitvoering van die opdracht hadden we slechts ruim vier maanden de
tijd gekregen. Dat was vooral te wijten aan het feit dat de Surinaamse deskundigen
pas op 7 augustus 1974 waren aangewezen. Als de daardoor noodzakelijk geworden
haast-rapportages wat foutjes bevatten, moesten we daarvoor maar bij voorbaat
geëxcuseerd worden, vonden we.
Op 7 januari 1975 stuurde Vredeling dit rapport naar den Uyl, de voorzitter van
de Micos. Die had in november van het jaar daarvoor bedacht dat er een vaste amb-
telijke groep moest komen, die de agendastukken voor de vergaderingen van die
Ministeriële commissie Suriname diende voor te bereiden. Ons rapport werd dus
ook naar die ambtelijke adviesgroep gestuurd. Zoals het zo vaak met dat soort amb-
telijke commissies gaat, worden zij in de praktijk veel omvangrijker dan de bedoe-
ling was. Besliste de Micos nog dat deze ambtelijke Isos maar uit vier of vijf vaste
leden mocht bestaan, aan de vergaderingen van deze Interdepartementale stuur-
groep onafhankelijkheid Suriname werd steeds door meer dan tien mensen deelge-
nomen. Voorzitter Elzerman, directeur van het Kabinet van Surinaamse en
Nederlands-Antilliaanse Zaken (Kabsna), vond het kennelijk niet nodig Defensie uit
te nodigen bij de behandeling van het eindrapport van de Surinaams-Nederlandse
commissie van deskundigen. Was dat wel gebeurd, dan zou ik bezwaar hebben
gemaakt tegen de vermelding in de ‘intro’ van dit Isos-rapport, dat binnen deze
ambtelijke club eenstemmigheid bestond over de principiële afwijzing van enigerlei
financiële bijdrage door Nederland aan de oprichting van een Surinaamse krijgs-
macht. Bedoeld was natuurlijk niet de oprichting maar de instandhouding van de
SKM, want aan de oprichting werkte het ministerie van Defensie wel degelijk in
financieel opzicht mee door de overgangsregelingen voor zowel burger- als militair
personeel. Daarmee verklaarde de Isos zich trouwens met even zoveel woorden
akkoord, en ook met de kosten ervan: voor burgerpersoneel Nf 14,6 miljoen over 25
jaar en voor militair beroepspersoneel Nf 37 miljoen over 45 jaar. Ook met de kos-
ten (Nf 1,37 miljoen) van het opknappen van de TRIS-infrastructuur ging de Isos
akkoord. Tegen het voorstel van Vredeling om bij de Nederlandse ambassade een
66
militaire missie van 25 man te vestigen, had de Isos wel bezwaar. Zij meende dat
deze omvang, die overigens niet door onze Comdes aan Vredeling was voorgesteld,
aanzienlijk beperkt diende te worden.
Ook werd in het advies aandacht besteed aan een Surinaams voorstel om als
uitgangspunt voor de militaire overgangsregeling het Nederlandse salaris van
2 januari 1976 te nemen en niet dat van de datum van onafhankelijkwording, zoals
in het eindrapport stond. Waar kwam dat Surinaamse voorstel in hemelsnaam van-
daan, als Elstak zich met zijn handtekening akkoord had verklaard met een eerde-
re datum in de overgangsregeling dan die van een dag vóór de onafhankelijkwor-
ding? Wat later 24 november 1975 bleek te zijn. Het antwoord op die vraag wordt
ook in het Isos-advies van 15 januari 1975 gegeven. Daarin lezen we dat de Suri-
naamse voorzitter van de commissie van deskundigen, Elstak dus, na afsluiting van
het ook door hem ondertekende rapport, namens zijn groep een nota had ingezon-
den, waarin onder meer stond dat de Surinaamse sectie zich op het standpunt stel-
de dat Nederland voor de SKM gedurende dertig jaar hetzelfde bedrag zou moeten
betalen dat in 1975 in de defensiebegroting voor de TRIS was opgenomen. Volgens
de Surinamers waren dat 25 miljoen Nederlandse guldens, die ook nog eens dertig
jaar lang waardevast dienden te zijn.
Of de ambtelijke Isos haar informatie op dit punt uit Suriname had ontvangen,
vertelt zij niet in haar advies aan de Micos. Wel zegt zij daarin dat er rekening mee
gehouden moest worden dat deze benadering bij de onderhandelingen in Suriname
waarschijnlijk als uitgangspunt op tafel gelegd zou worden gebracht door de
Surinaamse regeringsdelegatie. Dat dit juist gezien was, bleek zes weken later in
hotel Torarica.
67
Impasse in Paramaribo
De Koninkrijkscommissie had op 14 oktober 1974 haar eindrapport aan de drie rege-
ringen uitgebracht en een van de twee commissies van deskundigen deed dat ruim
twee maanden later. Beide waren ruim op tijd voor de regeringsconferentie, die in
januari 1975 moest beginnen. Nederland had voorgesteld dat in twee etappes te
doen, van 13 tot 18 januari in Den Haag en van 12 tot 19 februari in Paramaribo. De
Surinaamse regering vond echter dat tijd en geld bespaard konden worden, als de
besprekingen alleen in Suriname gehouden zouden worden en die hoefden volgens
premier Arron ook niet langer dan een week te duren. De Gaay Fortman maakte
daar geen punt van, want ook hij had er alle belang bij om de voorstellen van de
Koninkrijkscommissie zo snel mogelijk aanvaard te krijgen. Maar Arron had nog
meer problemen op tafel gelegd, die tussen de regeringsdelegaties van beide landen
besproken dienden te worden. Over de toekomstige ontwikkelingssamenwerking
waren problemen gerezen; ook de vervanging van Elstak als plaatsvervangend com-
mandant van de troepenmacht in Suriname moest een punt van bespreking worden.
Er was wrevel ontstaan over de berichten in de Nederlandse pers, die meldden
dat er meningsverschillen waren gerezen over de ontwikkelingssamenwerking; ook
ons rapport over het toekomstige Surinaamse leger had in de kranten uitvoerige
aandacht gekregen. Daarom moest er snel gepraat worden. Een Nederlandse dele-
gatie van vijf bewindslieden en acht ambtenaren werd daarvoor geformeerd.
Elzerman van het kabinet voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken ver-
trok met twee medewerksters al op vrijdag 24 januari naar Paramaribo. Tegelijk met
hem gingen ook twee mensen van den Uyl: Joop Merckelbach, die ook in de
Koninkrijkscommissie had gezeten, en Herman de Ru, de woordvoerder van de
minister-president.
Twee dagen later vertrok de rest van het gezelschap. Zondagmorgen stond de
chauffeur van staatssecretaris Van Lent in alle vroegte voor mijn huis, zodat we hem
om acht uur in Voorburg konden ophalen. Een half uur later ontmoetten we op
Schiphol de rest van het gezelschap: de Gaay Fortman, Pronk met zijn rechterhand
van Dam, staatssecretaris van Financiën de Goede en staatssecretaris Kooymans van
Buitenlandse Zaken met ex-ambassadeur Scheltema. De ambtenaren werden, net
zoals bij de reizen van de Koninkrijkscommissie, in het vliegtuig niet gescheiden
van hun bewindslieden, hoewel we niet allemaal een voldoende hoge rang hadden
om eersteklas te mogen reizen. We konden de zeven uur durende vlucht trouwens
goed gebruiken om een aantal problemen te bespreken en, gezien de bedragen die
ermee gemoeid waren, betekenden de extra vliegkosten eigenlijk ook maar betrek-
kelijk weinig. ‘s Avonds om tien over tien landden we op Zanderij; een paar uur later
streken we weer neer in het mij zo langzamerhand vertrouwde hotel Torarica.
Dezelfde zondag waarop wij in het vliegtuig zaten, vond er in Paramaribo een
demonstratie plaats van twintigduizend Hindoestanen tegen het beleid van de rege-
ring Arron. Lachmon had hen opgeroepen massaal naar Paramaribo te komen om
ertegen te protesteren dat de VHP als oppositiepartij niet betrokken werd bij de
voorbereidingen van de onafhankelijkheid. De Hindoestaanse leider had weliswaar
tijdens die demonstratie gezegd dat zijn partij niet de straat zou opgaan om brand
te stichten en ruiten in te gooien ‘als de regering Arron verwaand blijft’, maar het
was toch een gespannen sfeer waarin we in Suriname arriveerden.
68
Het eerste wat ik deed, was proberen uit te vissen wat nu precies het probleem
was waarover Arron zo boos was geworden en dat tussen van Lent en Hoost uitge-
praat moest worden. Terwijl de rest van de Nederlandse delegatie van de andere
kant van het zwembad van het hotel toekeek, praatte ik met mijn Comdes-collega
Elstak. Nog maar een week of zes geleden had ik in Den Haag afscheid van hem
genomen na het zetten van onze handtekeningen onder ons eindrapport. Maar er
was geen goed garen te spinnen met de man, die, naar ik later hoorde, door zijn
commandant een dag of vijf eerder met buitengewoon verlof was gestuurd en zelfs
een zwijgplicht opgelegd kreeg. Ik zou het wel in het gesprek bij Hoost horen, was
alles wat hij aan mij kwijt wilde. Op maandag waren van Lent en ik de hele avond
te gast bij Maarten Woerlee en daar hoorden we wat er allemaal met Elstak aan de
hand was. Als politicus had van Lent natuurlijk geleerd dat je zo iets niet helemaal
op de militaire manier kunt oplossen. Ook met andere middelen kun je jouw doel
bereiken, zo overtuigde hij Maarten Woerlee. Hoe dat de volgende dag gebeurde met
de volledige instemming van zijn Surinaamse collega, staat aan het slot van dit
hoofdstuk.
De vergaderingen in Torarica van beide voltallige delegaties verliepen in een
moeilijk sfeertje. De Surinaamse regeringsdelegatie bestond uit niet minder dan zes
ministers onder aanvoering van de vice-MP van Genderen. Verder waren er Hoost,
Soemita van Landbouw, Ooft van Binnenlandse Zaken, Cambridge van Opbouw en
Brahim van Volksgezondheid. Zeven ambtelijke adviseurs en twee secretarissen
completeerden het Surinaamse gezelschap. Omdat wij met een bewindsman, een
ambtenaar en een secretaris minder waren, zaten we met 27 mensen rond de ver-
gadertafel.
Van Genderen gaf meteen het woord aan Hoost voor het defensieprobleem. De
Surinaamse minister vertelde dat hij al met Van Lent had gesproken om een aantal,
wat hij ‘technische problemen’ noemde, op te lossen. Daarnaast waren er echter nog
onderwerpen die plenair aan de orde dienden te komen: de nota van de Surinaamse
sectie van de commissie van deskundigen en het eindrapport van die zelfde com-
missie. Ik vond het wat vreemd dat hij geen verklaring gaf voor het merkwaardige
feit dat er tussen die twee stukken belangrijke verschillen bestonden. Onder beide
stond immers de handtekening van de man die nu als zijn adviseur aan de onder-
handelingstafel zat. Wel wilde hij de inhoud van de nota van de Surinaamse sectie
het eerst behandeld zien! Voordat hij van Lent de gelegenheid gaf hem van repliek
te dienen, kwam Hoost zelf nog met een extra argument waarom Nederland dertig
jaar lang diende bij te dragen aan de kosten van een Surinaamse krijgsmacht: “de
Nederlandse land-, lucht- en vlootmacht’ [Surinaams voor ‘zeemacht’?] zijn niet
alleen voor Nederland beschikbaar, maar stonden tot dusver ook paraat voor de ver-
dediging van Suriname. Dat zal deze macht moeten missen”, zei de Surinaamse
minister van Justitie en Politie. “Het heeft daarom een goed geoutilleerd leger
nodig. Het is dus niet onredelijk om daarvoor hulp van Nederland te vragen.” Dat
die hulp al in de vorm van vele miljoenen voor de overgang van militairen en bur-
gers van de TRIS en door de overdracht van al het TRIS-materieel en alle militaire
infrastructuur geboden zou worden, zei hij er niet bij. Om dat te laten gebeuren,
hoefden beide regeringsdelegaties alleen maar in te stemmen met de Comdes-voor-
stellen.
Van Lent, die nu het woord kreeg, begon zijn waardering uit te spreken voor het
feit dat de Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen er in bijzonder
korte tijd in geslaagd was het advies uit te brengen. Hij dacht dat hij dit ook namens
de Surinaamse regering mocht doen. Of die dit vergeten was dan wel het niet nodig
69
vond, omdat de voorstellen van de Comdes de heren lang niet ver genoeg gingen,
bleef in het midden. Van Lent wilde het verdere overleg voeren aan de hand van de
aanbevelingen van dat rapport. De nota van Elstak en de zijnen zouden dan bij het
agendapunt ontwikkelingssamenwerking behandeld kunnen worden. Met dat voor-
stel haakte hij slim in op de opmerking van Hoost dat er per jaar 25 miljoen aan de
SKM gegeven zou moeten worden in het kader van de ontwikkelingssamenwerking.
Met twee verschillende procedurevoorstellen op tafel werd de vergadering geschorst
voor intern beraad van beide delegaties.
Tot onze verrassing kwam van Genderen na dat beraad met de mededeling dat
met het voorstel-van Lent akkoord werd gegaan en dat de financiering van de SKM
dus pas twee dagen later aan de orde zou komen. Hoost wilde alleen zekerheid heb-
ben dat hij op die donderdag dan ook te horen zou krijgen hoe die Nederlandse hulp
er uit zou zien. Daarvan zou het immers afhangen welke korte-termijnmaatregelen
hij kon nemen. Toen deed onze voorzitter, de Gaay Fortman, iets heel opvallends,
dat niet alleen mij verraste. Hij zei dat de Nederlandse delegatie nog geen defini-
tieve afspraken kon maken. Dat zou pas in maart kunnen gebeuren.
De Surinaamse voorzitter ontplofte bijna toen hij dit hoorde. Hij vroeg zich af
of het nog wel zin had het gesprek over de defensie voort te zetten. Dat deed van
Lent wel. Hij wilde de indruk wegnemen dat de financiering van de Surinaamse
krijgsmacht uit ontwikkelingsgelden moest geschieden. Die financiering diende
geheel open te blijven. Dat was wel nodig ook, want Van Genderen had uit het pro-
cedurevoorstel van van Lent begrepen dat er door hem naar Pronk verwezen was. En
dat, zo zei van Genderen, betekent ‘hulp’.
Het was wel begrijpelijk dat de Surinamers vonden dat er meteen besluiten
genomen moesten worden. Ooft wees erop dat al in mei 1974 afgesproken was om
over een aantal onderwerpen bilateraal te overleggen. Waarom kon er dan ‘s mor-
gens wel over twee daarvan, de EEG-associatie en de grenskwesties, gesproken wor-
den en ‘s middags niet over de defensie? De Gaay had het er een beetje moeilijk mee.
Hij vond dat een gesprek over de defensie niet zinloos hoefde te zijn, ook niet als
tevoren al vaststond dat er nog geen besluit over genomen kon worden. Hij had ken-
nelijk van den Uyl te horen gekregen dat over het defensierapport pas in maart
beslissingen konden vallen. Dan zou in Nederland vergaderd worden en kon de pre-
mier er zelf bij zijn. Het feit dat er dan een tripartite regeringsoverleg zou zijn, hoef-
de toch niet te betekenen dat de aanwezigheid van een Surinaamse delegatie niet
benut kon worden voor bilateraal overleg, zo betoogde De Gaay. Maar het bleef toch
vreemd dat er over zo’n belangrijke kwestie niet anders dan vrijblijvend gepraat kon
worden. Toen Nederland het voorstel dat Suriname had gedaan om in januari in
Den Haag en in februari in Paramaribo te vergaderen, accepteerde, was ook hele-
maal niets gezegd over de onmogelijkheid om beslissingen te nemen over het rap-
port van de Comdes. De reden waarom onze delegatievoorzitter daar ineens mee op
de proppen kwam, moet dus daarna ontstaan zijn. Misschien had men zich in de
ministerraad niet voldoende gerealiseerd dat er op korte termijn duidelijkheid
moest worden verschaft over de dingen waarover we het in ons rapport eens waren
geworden. Waarschijnlijker is echter dat er bezwaren waren gemaakt tegen de
financiële gevolgen van het aanvaarden van die aanbevelingen.
Het probleem van onze voorzitter zat in ieder geval duidelijk in het feit dat hij
op dit punt door het kabinet niet gemachtigd was om beslissingen te nemen. Dat
had Hoost goed opgepikt en zijn vraag lag voor de hand: kan er niet alsnog een vol-
macht gevraagd worden, zodat we hier ook echt zaken kunnen doen? Jammer voor
Hoost, maar in plaats van hem door de Gaay een antwoord te laten geven, vroeg zijn
70
voorzitter aan zijn Nederlandse collega of die hem kon garanderen dat er uiterlijk
in het maart-overleg uitsluitsel gegeven zou worden over de Nederlandse hulp bij de
vorming van een Surinaamse krijgsmacht. Ja, zei de Gaay snel, maar Hoost was daar
niet tevreden mee. Vredeling had zelf tijdens zijn bezoek aan Suriname erkend dat
er over de SKM snel beslissingen moesten vallen, zei hij. Als die pas in maart geno-
men zouden worden, moesten alle voorbereidingen daarop wachten. Is het niet
mogelijk om op die besluitvorming vooruit te lopen, vroeg de duidelijk wanhopige
Hoost.
Het antwoord daarop kwam van Pronk. Die had een week eerder aan de Micos
voorgesteld om bij de vaststelling van de aan Suriname te verstrekken bedragen
ervan uit te gaan dat de kosten van de Surinaamse defensie door dat land uit eigen
middelen gedragen zouden worden. Hij gaf daarom aan Hoost het antwoord dat op
het definitieve Nederlandse standpunt nu niet vooruit gelopen kon worden, zeker
niet wat betreft de financiering van de Surinaamse krijgsmacht. Daar wrong de
schoen dus! Wel verzekerde hij dat de Nederlandse regering in maart haar defini-
tieve standpunt zou hebben bepaald. Maar, vervolgde Pronk, het feit dat we hier nog
geen definitieve afspraken kunnen maken, betekent toch niet dat jullie je eigen
voorbereidingen voor de oprichting van een Surinaams leger niet kunnen voortzet-
ten. Kennelijk had hij onze rapporten niet helemaal gelezen, want Hoost wees hem
er meteen op dat de voorstellen in die deskundigenrapporten juist aangaven dat die
voorbereidingen haast hadden en afhankelijk waren van de regeringsbeslissingen
op die voorstellen. Hoost deed nog een laatste poging om op de maart-beslissingen
‘binnen het redelijke’ vooruit te lopen. Tevergeefs.
Voorzitter Van Genderen deed nog een duit in het zakje en begon over de ver-
velende affaires van de laatste weken rond de TRIS. Ook het verwijt dat Nederland
in het kader van de ontwikkelingssamenwerking steeds had gevraagd om goed uit-
gewerkte projecten, en nu een op tafel liggend goed project niet eens wilde behan-
delen, werd de Gaay en Pronk voor de voeten gegooid. Onze voorzitter kon niets
beters bedenken dan dat verschillende onderwerpen niet met elkaar verward moes-
ten worden. Hij legde nogmaals uit dat de Nederlandse ministerraad nog geen
beslissing had genomen over een Nederlandse bijdrage aan de SKM. Wij ambtena-
ren, en ik zeker, zaten er wat ongelukkig bij. We wisten allemaal dat er tijd genoeg
was geweest om het rapport dat hier op de agenda stond, te bespreken. Wij hadden
ons waanzinnig gehaast om het midden december gereed te hebben, de Isos had
zijn positieve advies op 15 januari klaar en de vrijdag daarop was er een minister-
raadsvergadering geweest.
Wat de reden voor het sturen van een regeringsdelegatie zonder volmacht om
over een op de agenda staand ambtelijk rapport te beslissen, ook geweest mag zijn,
het was in ieder geval de oorzaak van de slechtste sfeer die ik ooit in een vergade-
ring heb meegemaakt. De Surinaamse voorzitter stelde dan ook voor om het overleg
af te breken. Na een korte schorsing kwam hij met de mededeling dat het gehele
overleg beëindigd werd. We begrepen daaruit dat er niet meer in Paramaribo ver-
gaderd kon worden, zo lang er geen fiat uit Den Haag was om over het rapport van
de commissie van deskundigen beslissingen te nemen.
De volgende dag, woensdag 29 januari, was de Gaay Fortman om 13.00 uur
terug in Torarica om verslag uit te brengen van zijn onderhoud met de Surinaamse
gouverneur Ferrier. Hij had zich tot het staatshoofd gewend, omdat hij van deze
uiterst loyale man advies wilde hebben hoe we uit de ontstane impasse konden
komen. Hoewel de gouverneur had laten blijken heel boos te zijn op Vredeling van-
wege de affaire-Elstak, was hij wel bereid zijn mening te geven over de manier waar-
71
op het de vorige dag ontstane probleem opgelost kon worden. Eerst zou de Gaay
moeten proberen nog een gesprek te hebben met de vice-minister-president van
Genderen; mocht die onbuigzaam blijven, dan raadde Ferrier aan om het afbreken
van de besprekingen niet te accepteren zonder dat de Gaay in de gelegenheid was
geweest om er met Arron over te praten. Ferrier was ook bereid om zelf te proberen
Arron over te halen tot een gesprek met van Genderen en de Gaay Fortman.
De gouverneur vertrouwde onze voorzitter ook nog toe dat hij wel wist dat het
onderwerp defensie een breekpunt dreigde te worden. Men had immers door uitla-
tingen in de Nederlandse pers de indruk gekregen dat Nederland niet zou toegeven
op het stuk van de financiering van de Surinaamse krijgsmacht. Ook hoorden we
van hem dat die zelfde avond van Genderen op de Surinaamse tv de bevolking zou
inlichten over het onredelijke Nederlandse standpunt. De verhoudingen tussen de
Nederlandse en Surinaamse regeringen waren goed verpest. Ferrier had ook tegen
onze delegatievoorzitter gezegd dat de kwestie Elstak in ieder geval nog besproken
moest worden. En we kregen wat inside information: in het Surinaamse kabinet
bestond een conflict tussen Bruma en Ooft aan de ene kant en Arron en de zijnen
aan de andere kant over de manier waarop de onafhankelijkheid bewerkstelligd
moest worden. De radicale Bruma wilde dat via een conflict met Nederland, iets dat
Arron bepaald ongewenst vond.
De conclusie van dit interne beraad was, dat we direct uit Suriname moesten
vertrekken als de besprekingen niet meer hervat konden worden. Zo ver kwam het
echter niet. De volgende dag leverde het overleg tussen de delegatievoorzitters, dat
de hele ochtend en middag duurde, een formule op voor de voortzetting van de
geschorste vergadering. Die formule werd ons om half zes door van Genderen voor-
gelezen. Ze kwam erop neer dat Nederland bij de vaststelling van het totale bedrag
aan ontwikkelingshulp na 1975 rekening zou houden met de behoefte op alle ter-
reinen, dus ook die welke uit de onafhankelijkwording zouden voortvloeien. Zonder
dat de financiering van de SKM met zoveel woorden werd genoemd, betekende deze
formule toch dat Nederland zou bijdragen aan de SKM-kosten die Suriname na de
onafhankelijkwording op zijn begroting zou krijgen. Dit hield een heel principiële
afwijking in van het altijd door Nederland aangehouden standpunt. Het was door
Pronk nog in de ministerraad kort voordien verwoord: kosten van het Surinaamse
defensieapparaat mogen níét uit de ontwikkelingshulp worden gefinancierd.
In zijn toelichting op het met de Gaay Fortman gesloten akkoord zei van
Genderen wel dat boven op het nog vast te stellen bedrag aan ontwikkelingshulp het
bedrag zou moeten komen dat in de nota van Hoost was genoemd. Hij vermeed het
woord ‘defensiekosten’, maar er konden geen andere kosten bedoeld zijn. De Gaay
wees erop dat bij de onderhandelingen over het totale bedrag aan ontwikkelings-
hulp met verschillende gebieden rekening zou worden gehouden, maar dat dit niet
betekende dat er afzonderlijke bedragen zouden worden toegekend.
Zo werd er om de hete brei heen gedraaid in een poging om niet in een zelfde
impasse als op dinsdag te geraken. Hoost vond de tekst echter niet duidelijk genoeg
en stelde voor om in de notulen vast te leggen dat een deel van de behoeften die
voortvloeiden uit de onafhankelijkwording, al aan de Nederlandse delegatie bekend
was. Het lijstje met defensiebehoeften wilde hij ook aan de notulen toevoegen. De
twee voorzitters vonden elkaar in de wat vagere formulering dat de Surinaamse
delegatie een staat van overgangskosten had overgelegd, waarvan zij aannam dat
die bij de Nederlandse delegatie bekend was. Alsof Nederland later bij de vaststelling
van het totale ontwikkelingsbedrag zou kunnen ontkennen dat men wist welke die
overgangskosten waren. Na deze ‘vondst’ gingen we eindelijk over het eigenlijke
72
agendapunt praten. De voorzittersformule hield weliswaar geen enkele oplossing in
van het probleem dat Nederland nu nog niet kon beslissen over de voorgestelde
maatregelen, maar dat scheen opeens geen probleem meer te zijn. Zou het dan toch
alleen een geldkwestie zijn geweest?
Hoost vond dat we niet de afzonderlijke aanbevelingen van de Comdes moesten
bespreken maar een veel algemener probleem van de Surinaamse regering. Die had
het gevoel dat ze door Vredeling buiten alle TRIS-zaken werd gehouden, terwijl de
TRIS toch binnen een jaar omgevormd moest zijn in een Surinaamse krijgsmacht.
Daarom zouden er nu al goed ingewerkte mensen bij de TRIS dienen te zitten, die
ook met de wensen van Suriname rekening zouden houden. Hoost wilde dan ook
van Nederland de bereidheid horen om iemand op een hoge post bij de TRIS aan te
stellen die met die wensen bekend was. Ook benadrukte hij nog eens de haast die
met de overgangsregelingen gemaakt moest worden, omdat die de voorwaarden
waren voor een beslissing van al het Surinaamse militaire en burgerpersoneel om
over te gaan naar de SKM. Dat waren dan onderwerpen waarover hij niet en detail
wilde praten en dat was wat vreemd, want zolang er geen akkoord was over die rege-
lingen, zou er geen enkele beslissing over overgang naar de SKM worden genomen.
Dat ving van Lent keurig op. Hij had natuurlijk ook door zijn ervaring bij de
Dienst opperofficier-personeel KL als enige bewindsman ter plekke goed door dat
dit nu net een van de kernpunten van dit overleg diende te zijn. Hoewel het een
financieel punt uit het rapport van de Comdes betrof, schroomde hij niet om te zeg-
gen dat Nederland bereid was de kosten van de overgangsregelingen voor militair
en burgerpersoneel blijvend voor zijn rekening te nemen. Die regelingen waren pas-
klaar in het eindrapport van de Comdes aan de beide regeringen voorgesteld, maar
van Lent verwees daar niet naar. Als een handig tacticus beloofde hij de overgangs-
regelingen zo in te richten dat de overgang aantrekkelijk genoeg zou worden. Hij
moest ze nog wel met het TRIS-personeel bespreken, want, zo zei hij fijntjes, in
Nederland is het gebruikelijk het personeel inspraak te geven als er voorstellen wor-
den gedaan die op hun rechtspositie betrekking hebben. Hij vroeg, enigszins over-
bodig maar daardoor niet minder sfeerverbeterend, aan Hoost toestemming om de
aanbevelingen in het eindrapport van de defensiedeskundigen in het Nederlands
georganiseerd overleg te bespreken.
Hoost wilde echter opeens weer over die aanbevelingen overeenstemming tus-
sen beide landen hebben, voordat het georganiseerd overleg werd gehoord. Wel
wilde hij het TRIS-personeel de nodige voorlichting over de voorstellen laten geven
door deskundigen uit Nederland, zodra een procedure daarvoor in een bilateraal
gesprek was vastgesteld. Dat was dus ook iets wat van Lent en ik nog met Hoost en
Elstak moesten bespreken. De echte reden voor de Surinaamse ergernis was nog
steeds onder tafel gebleven: de kwestie Elstak-Woerlee. Als het aan Hoost had gele-
gen, zou Elstak direct Maarten Woerlee als commandant van de TRIS moeten aflos-
sen. ‘Bingo’ kende immers de wensen van de Surinaamse regering uitstekend, want
hij zat regelmatig bij Hoost, die toen nog een grenzeloos vertrouwen in hem had.
Het was weer van Lent die dit kundig opving. Als een volleerd docent aan de
Koninklijke Militaire Academie legde hij Hoost geduldig uit dat een begrip als ‘com-
mandovoering’ dient te worden uitgewerkt voordat je kunt gaan kijken hoe je bin-
nen een commando de verhoudingen kunt verbeteren. Hij zei er het volste vertrou-
wen in te hebben dat we daar een vorm voor zouden vinden die beide partijen tevre-
den kon stellen. Klaar! Uit het regeringsoverleg en verwezen naar het directe over-
leg tussen Hoost en van Lent.
Over een ander door Hoost opgebracht punt was hij heel beslist. Hij maakte zijn
73
collega duidelijk dat hij ook in het tweegesprek tussen hen niet meer wilde praten
over het waardevast maken van de uitkeringen die op grond van de overgangsrege-
lingen door Nederland betaald zouden worden. Dat dit wel diende te gebeuren, had
Elstak in zijn nota gesteld, hoewel hij even tevoren door zijn handtekening te zetten
had ingestemd met de niet-welvaartsvaste regeling in ons eindrapport. Hoost had
die latere eis van Elstak overgenomen en dus vroeg van Lent hem nadrukkelijk haar
te laten vallen. Voor zo’n post is geen begroting aan te wijzen, zei van Lent. De
bewindsman van Defensie bevestigde nog eens dat Defensie bereid was om de over-
gangsregelingen tot het jaar 2000 te financieren, maar dat die bereidheid alleen
bestond als dat niet op basis van waardevastheid diende te gebeuren. In feite negeer-
de hij daarmee de mededeling van Gaius dat er op dit punt nog geen beslissingen
genomen konden worden. Die regelingen kwamen uiteindelijk wel tot stand. Dat
Nederland de uitkeringen die op grond daarvan werden gedaan, opschortte na de
Bouterse-moorden in december 1982, spreekt vanzelf; ook de ontwikkelingshulp
werd toen immers gestaakt.
Hoost wilde echter in dit overleg de eis dat de overgangs uitkeringen waardevast
gemaakt zouden worden, niet laten vallen. Hij was bang dat door het bevriezen van
de uitkeringsbedragen geen Surinaams personeel van de Koninkrijkskrijgsmacht
zou overgaan naar het Surinaamse leger. Dat is, zoals we al lang weten, erg meege-
vallen, hoewel Nederland op dat punt voet bij stuk heeft gehouden. Het zou ook niet
geleid hebben tot een echt Surinaams niveau van salariëring. Van Lent waarschuw-
de daar ook voor: pas de salariëring van de SKM niet aan het Nederlandse niveau
aan. Wij gaan er in Nederland van uit, dat er na 25 jaar in Suriname nog maar één
niveau is: het Surinaamse.
We hebben later begrepen dat de Nederlandse uitkeringen aan Surinamers die
zich daardoor lieten leiden om dienst te nemen bij de SKM, een bron van ergernis
zijn geweest voor hen die daarvoor niet in aanmerking kwamen. Formeel gezien
waren de bezoldigingen van alle leden van de SKM dan wel op het Surinaamse
niveau, maar het bedrag dat de één elke maand in handen kreeg, was veel hoger dan
dat van de ander. Dat moet wel afgunst gewekt hebben, zoals wij ook in de Comdes
konden voorzien. Maar er was geen andere weg te bedenken om de burgers en mili-
tairen van Surinaamse landaard te bewegen om op vrijwillige basis naar de SKM
over te gaan.
Nadat we ook nog even over het bedrag van de ontwikkelingshulp hadden
gesproken en van Elzerman hadden gehoord dat er van het lopende vierjarenplan
nog 74 miljoen Surinaams beschikbaar was, werd dit regeringsoverleg toch nog in
een redelijk goede sfeer afgesloten.
Na dit formele regeringsoverleg stond er voor van Lent en mij nog iets op het
programma. We moest met Hoost gaan praten over de affaire-Elstak, waarover de
eerste een brief op poten aan Vredeling had geschreven. Woerlee had Elstak, zoals
vermeld, vanwege hun onmogelijke verhouding buiten de TRIS-organisatie
geplaatst. Zijn functie van plaatsvervangend Cotris was inmiddels al ingenomen
door de luitenant-kolonel Weening, maar dat scheen buiten voorkennis van de
Surinaamse regering gebeurd te zijn. Eddie Hoost, die ik als een uiterst vriendelijke
man heb leren kennen, accepteerde de verontschuldiging daarvoor. Van Lent slaag-
de er ook in de goede verhoudingen tussen Vredeling en Hoost te herstellen: hij hief
stante pede de aan Elstak opgelegde zwijgplicht op. Die was trouwens nogal arbit-
rair en de naleving ervan kon in de praktijk ook nauwelijks gecontroleerd worden
zonder de medewerking van Hoost. Ook spraken beide bewindslieden af dat de
‘rehabilitatie’ die door Hoost en Elstak geëist was, zou bestaan uit een ‘etalering’
74
van de laatste als de toekomstige commandant van de Surinaamse militaire organi-
satie (SMO). Met die terminologie nam Hoost wat afstand van de benaming ‘krijgs-
macht’, die door Elstak werd gebruikt om aan te geven dat hij niet alleen leger-
commandant zou worden maar ook het bevel zou voeren over de twee andere krijgs-
machtdelen.
Deze officiële aanwijzing van Elstak als de toekomstige Surinaamse comman-
dant hield vanzelfsprekend in dat hij te zijner tijd ontslag bij de Koninklijke land-
macht zou moeten nemen om in Surinaamse krijgsdienst te kunnen treden. Zijn
rechtspositie zou dan een stuk minder zijn dan in Nederlandse overheidsdienst en
dus was de logische vervolgafspraak tussen de twee bewindslieden, dat met Elstak
overlegd zou worden door welke te nemen maatregelen zijn rechtspositie na de
onafhankelijkwording van Suriname ongeveer gelijkwaardig zou kunnen worden
aan die bij de TRIS. Maar een eerste resultaat boekte mijn collega al direct: hij sleep-
te er een bevordering tot kolonel uit, waarbij hij de nieuw gecreëerde functie van
Hoofdofficier conversie-aangelegenheden TRIS (HOCTRIS) kreeg.
Er stonden nog meer wensen op zijn verlanglijstje. Hij wilde rechtstreeks onder
de Koninkrijksregering staan. Dat betekende in feite een directe plaatsing onder de
Koninkrijksminister van Defensie. Zijn belangrijkste taak omschreef hij als “de aut-
horisatie en begeleiding van de geleidelijke conversie van de TRIS naar de SMO”.
Daarover willen we thuis nog even nadenken en overleggen, zei van Lent. Een zo
geformuleerde positie en opdracht van de rechterhand van Hoost dreigde immers
de rol van de Nederlandse defensiedeskundigen in de commissie helemaal uit te
hollen.
De Nederlandse winst in het gesprek was de erkenning door Hoost van de rede-
lijkheid van de Nederlandse opvatting dat Elstak niet weer medeverantwoordelijk
voor de TRIS kon zijn. De maatregel van Woerlee om hem buiten de TRIS-organisa-
tie te plaatsen, werd dan ook gesanctioneerd. Woerlee werd daardoor niet weer in
de onmogelijke positie geplaatst waarin hij in de laatste maanden van 1974 had ver-
keerd. Elstak zou wel ‘physiek’ aanwezig mogen zijn, omdat hij in het Prins Bern-
hard kampement moest kunnen vergaderen, eten en slapen als hij dat wilde, maar
dan niet als plv. Cotris, chef staf en garnizoenscommandant. Die drie functies had
hij van zijn voorganger overgekregen; door hem die blijvend te ontnemen, bereikte
van Lent dat de problemen die eruit voortvloeiden, niet meer konden ontstaan.
Helemaal gerust waren Hoost en Elstak er toch niet op en dus werd hen toege-
zegd dat eventuele geschillen tussen Woerlee en Elstak door de eerste gerapporteerd
zouden worden aan de hoogste landmachtfunctionaris, de bevelhebber der land-
strijdkrachten. Die zou dan, zo wilden de heren het, de zaak aan de Koninkrijks-
regering voorleggen. In een voorkomend geval zou dat natuurlijk door Vredeling
moeten gebeuren, want zelfs een luitenant-generaal kan geen punten op de agenda
van de (Koninkrijks)regering plaatsen. Omdat ook Hoost vond dat de beslissing die
dan genomen zou worden, bindend moest zijn, gingen van Lent en ik redelijk tevre-
den naar ons hotel. De Surinaamse collega’s waren dat ook wel, dachten we.
Bij vorige gelegenheden hadden we al gemerkt dat onze gastheren ons graag
zoveel mogelijk van hun land lieten zien. Deze week was fort Amsterdam, aan de
overkant van de Surinamerivier, aan de beurt. Het onvermijdelijke diner dat bij
bezoeken van regeringsdelegaties wordt aangeboden, vond op donderdag 30 januari
plaats in het Palace hotel; ik herinner me er alleen van dat de rijsttafel uit niet min-
der dan 34 gerechten bestond.
De volgende dag was het de verjaardag van onze kroonprinses. Van Lent kon
niet en zo ging ik alleen, op uitnodiging van de Cotris, in smoking naar het Prins
75
TER GELEGENHEID VAN DE VERJAARDAG VAN
HARE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINSES BEATRIX
HEEFT DE COMMANDANT TROEPENMACHT IN SURINAME DE EER
De Weledelgestrenge Heer Mr. M. Verstegen.
UIT TE NODIGEN TOT HET BIJWONEN VAN EEN ONTVANGST
WELKE OP VRIJDAG 31 JANUARI 1975 VAN 20.30-22.00 UUR
ZAL WORDEN GEHOUDEN IN HET PRINS BERNHARD KAMPEMENT.
Tijdens deze ontvangst zullen enkele facetten worden belicht
van de nieuw op te richten
Surinaamse Militaire Organisatie.
Kleding: Wandelkostuum
Geklede Uniform
UT 2
Verzoeke deze kaart mede te brengen
Tussen mevr. Ferrier en Miep Woerlee in luister ik naar de toespraak van de gouverneur.
76
Bernhard kampement. Elstak, die ik toen nog met ‘Henk’ aansprak, was er ook met
zijn vrouw Netty. Maar de belangrijkste gasten waren gouverneur Ferrier en zijn
vrouw. Voordat hij zijn feestrede hield, liet het Surinaamse staatshoofd mij naar
voren halen. Kennelijk vond hij dat de ‘vervanger’ van van Lent niet op de achterste
rij naar zijn toespraak hoefde te luisteren. Tussen Ferriers vrouw en Miep Woerlee
in luisterde ik op de eerste rij naar deze bijzondere man. Daar bleef ik ook staan tij-
dens het concert van de gecombineerde TRIS- en politiekapel en bij het Wilhelmus
waarmee deze avond besloten werd.
Op zondag 2 februari 1975 vertrok bijna het hele gezelschap naar Curaçao.
Kooymans was al op 30 januari naar Nederland terug gegaan; Pronk en Van Dam vlo-
gen op zondag ook weer naar huis. Zij hadden kennelijk geen ontwikkelingsproble-
men te bespreken met de Antillianen. Van Lent en ik ook geen zaken die met het
werk van de commissie van deskundigen van de Antillen te maken hadden. Dan zou
immers de commandeur Van Beek hem vergezeld hebben, want pas een half jaar
later volgde ik hem op, toen hij benoemd werd tot plv. chef marinestaf. Nee, van
Lent ging op de Antillen op oriëntatiebezoek en ik mocht met hem mee. Hoogte-
punt was ons bezoek aan de Koninklijke Marine, waarbij ik bijna negen jaar mocht
dienen. Met een Neptune van de Marineluchtvaartdienst, ook gestationeerd op
Hato, maakten we een rondvlucht boven Curaçao en Aruba. Na vier vermoeiende
dagen vlogen we op woensdagavond 5 februari weer naar huis. Omdat we tussen-
stops hadden in Caracas, Lissabon en Zürich, waren we pas donderdag tegen zessen
‘s avonds weer op Schiphol.
Het deels mislukte overleg onder leiding van de minister die onder andere de
Surinaamse zaken behartigde, moest natuurlijk leiden tot een vervolg. Dat kwam in
maart 1975. Toen vond het tripartite regeringsoverleg tussen de drie landen van het
Koninkrijk plaats in Den Haag.
77
De bruidsschat van Suriname
Het bedrag dat Nederland uiteindelijk in juni 1975 bereid was te geven aan ontwik-
kelingshulp voor de jaren na de onafhankelijkwording, noemt André Haakmat de
bruidsschat van Suriname. Hij doet dat in zijn boek waarin hij Herinneringen aan de
toekomst van Suriname ophaalt. Het bedrag werd overeengekomen in het vierde rege-
ringsoverleg dat over dit onderwerp werd gehouden. De eerste keer dat men daar-
over sprak, in januari 1975, leidde in Paramaribo tot een clash, die maar net niet een
voortijdig vertrek van de Gaay en zijn delegatie tot gevolg had. Het vervolg speelde
zich af in het Catshuis op 24, 25 en 26 maart 1975. De Surinaamse regeringsdelega-
tie was al meer dan zeven dagen in Den Haag; in de week daarvoor was er namelijk
een tripartite overleg geweest, waaraan dus ook de Nederlandse Antillen deelna-
men. Dat had niet zo veel om het lijf gehad, want de Antillen hadden, nadat het
eindrapport van de Koninkrijkscommissie was uitgebracht, geen serieuze plannen
voor een onafhankelijkwording naar buiten gebracht. Evertsz en de zijnen hadden
weliswaar geen afstand genomen van het streven naar onafhankelijkheid, maar die
moest via een heel geleidelijk lopend proces verkregen worden, vonden zij. Zelfs nu,
meer dan twintig jaar later, is er nog geen merkbare voortgang in dat proces te
bespeuren.
Met Suriname ging het dus wel hard. Het belangrijkste knelpunt dat nog opge-
lost moest worden, was het bedrag dat na 1975 aan ontwikkelingsgeld zou worden
gegeven ten late van de begroting van Pronk. De Surinaamse defensie bleek geen
militair-technische kwestie meer te zijn, maar sinds het januari-overleg in Parama-
ribo een louter financiële. In de nota-Elstak, die toen door Hoost als eerste agenda-
punt was opgevoerd, werd immers een financiële claim gelegd die wel in het over-
leg in de Comdes ter sprake was geweest maar niet in het eindrapport voorkwam.
De normale gang van zaken zou zijn geweest dat er in het rapport door de Surina-
mers een afwijkende opvatting over die claim zou zijn opgenomen. De nota van de
Surinaamse sectievoorzitter, die zegt haar te hebben geschreven namens zijn hele
sectie, was daarom nog wat verrassender voor de Nederlandse leden dan de brief
van Hoost aan Vredeling, die duidelijk ook door Elstak was geschreven, kort na het
eindrapport.
Die brief was in Paramaribo niet eens aan de orde gekomen, omdat Hoost zich
daar vierkant achter de nota-Elstak opstelde en de daarin vervatte claim van 25 mil-
joen Nederlandse guldens per jaar hard maakte. Volgens de nota-Elstak zou
Nederland dit bedrag, dat overeenkwam met de TRIS-post op de defensiebegroting
voor 1976, dertig jaar lang aan Suriname moeten geven om de SKM te kunnen beko-
stigen. Als dat niet uit de defensiebegroting betaald zou kunnen worden, moest
Nederland maar zeggen ten laste van welke andere begroting dat wel kon. Het
bedrag diende bovendien waardevast te zijn, want, zo werd geredeneerd, de kosten
van de TRIS zouden immers ook jaarlijks hoger zijn geworden. Als een van de ele-
menten van deze kostenstijging voerde Elstak de stijging op van de salarissen van
het beroepspersoneel van de Koninklijke landmacht. Wij hadden hem in de Com-
des, toen hij daarom vroeg, de salarisschalen van 1964 en van 1974 gegeven. Daaruit
leidde hij een verdrievoudiging van die salarissen in de afgelopen tien jaar af.
Ook over de uitkeringen stond in die nota een eis. De Nederlandse sectie had
zich op het standpunt gesteld dat de uitkeringen die krachtens de overgangsrege-
78
lingen zouden worden uitbetaald, ‘vaste’ bedragen zouden zijn; ‘bevroren’ zoals dat
in vaktermen heet. Niet alleen diende de ontwikkeling van de Surinaamse econo-
mie losgekoppeld te worden van de Nederlandse, vonden wij, er zou door de ‘bevrie-
zing’ ook een geleidelijke gewenning aan het Surinaamse salarisniveau plaatsvin-
den. Bovendien was met geen mogelijkheid te voorspellen hoe het Surinaamse sala-
risniveau zich in al die jaren zou ontwikkelen. Elstak wilde die uitkeringen waar-
devast maken; hij wond zich er nogal over op dat door het vaststellen van vaste
bedragen Nederland in feite steeds minder zou hoeven te betalen.
Over het bedrag dat de SKM jaarlijks zou gaan kosten, bestond tussen de
Surinaamse sectie en de onze echter geen verschil van mening. In ons rapport had-
den we de kosten van bezoldiging, kleding en voeding berekend op 5,9 miljoen
Nederlands per jaar. Dat verschilde nogal wat van de 25 miljoen die door Elstak
geclaimd werden. Afgezien van het feit dat er in ons rapport bij die berekening bij-
voorbeeld geen infrastructurele kosten waren meegenomen – die had Suriname
immers niet, omdat die door de Nederlandse voorzieningen voorlopig niet gemaakt
hoefden te worden – en andere belangrijke TRIS-posten nu eenmaal niet op de SKM-
begroting zouden verschijnen, was het uitgangspunt voor die claim van 25 miljoen
niet reëel in die zin, omdat de SKM nu eenmaal niet even veel zou kosten als de TRIS.
In de nota van Elstak stond nog een aantal wensen. De patrouilleboten kwamen
weer aan de orde; een extra premie voor hen die met een overgangsuitkering bij de
SKM zouden gaan dienen; kosten om het verschil in rechtspositie goed te maken (de
nabestaanden van overgangers zouden bijvoorbeeld hun ‘Nederlandse’ recht op een
uitkering bij overlijden verliezen); en een bedrag aan extra infrastructurele voorzie-
ningen. Ten slotte stond er een post in voor de exploitatiekosten van een aantal heli-
copters, het belangrijkste in ons eindrapport opgenomen geschilpunt. Een Defensie-
claim bij Financiën voor dat bedrag van 25 miljoen per jaar zou natuurlijk nooit
gehonoreerd worden.
De maart-onderhandelingen tussen de regeringsdelegaties in het Catshuis wer-
den door de Surinaamse minister van Volksgezondheid Brahim ingezet met een
bedrag aan ontwikkelingshulp van 4,5 miljard gulden in tien jaar. De defensieclaim
van 25 miljoen per jaar, waarvan niet duidelijk was of die daar ook in zat, was door
Hoost politiek goed voorgekookt. Kort voor zijn vertrek naar Nederland zei deze
minister in een persconferentie dat Nederland verplicht was om mee te werken aan
het wegwerken van de achterstand op defensiegebied. Die zou ontstaan zijn door
een jarenlange verwaarlozing, zodat het in Den Haag volgens hem niet eens zou
gaan om het financieren van de krijgsmacht van een vreemde mogendheid, maar
om het alsnog voldoen aan Nederlandse verplichtingen.
Omdat hij wist dat ook de financiering van de inmiddels in Nederland gekoch-
te boten een moeilijk punt zou zijn, gaf hij vast een argument waarom Nederland
die diende te betalen: de kustbewaking kon na de onafhankelijkwording niet meer
geschieden door de op de Nederlandse Antillen gestationeerde eenheden, zodat
Suriname daar eigen schepen voor zou moeten inzetten. In de Comdes hadden wij
Elstak er al lang op gewezen dat het ene fregat op de Antillen niet op twee zo ver
van elkaar liggende zeegebieden kon patrouilleren en dat er bovendien geen mili-
taire noodzaak was om dat in Suriname te doen. Misschien wel uit politionele over-
wegingen, maar dat was niet iets dat wij tot onze opdracht konden rekenen.
Hetzelfde gold onzes inziens ook voor de rivierpatrouilleboten, waarvan de kosten
eveneens door Hoost geclaimd werden, net zoals die voor de infrastructurele voor-
zieningen. Die bedragen lagen boven die waarover in ons gezamenlijke rapport over-
eenstemming was bereikt en waarvoor Defensie zich al gecommiteerd had. Ook
79
beweerde hij dat Nederland beslist een militaire post gebouwd zou hebben bij
Avanavero, als Suriname niet aangekondigd had dat het onafhankelijk zou worden.
Hoost besloot zijn interview met de aankondiging dat Elstak zeer waarschijnlijk de
eerste bevelhebber van de Surinaamse ‘strijdmacht’ zou worden. Dat was immers in
januari al tussen hem en van Lent afgesproken.
Met deze kennis gingen den Uyl en de zijnen in maart 1975 het overleg in het
Catshuis in. Twee maanden eerder was in Paramaribo door de Gaay Fortman de toe-
zegging gedaan dat Nederland bij de vaststelling van het totaalbedrag aan ontwik-
kelingshulp na 1975 rekening zou houden met álle behoeften die uit de onafhan-
kelijkwording zouden voortvloeien. Op grond daarvan moest dus ook de claim-
Hoost/Elstak worden meegenomen in het bedrag dat op de begroting van Pronk
diende te verschijnen. Uiteindelijk werd die claim voor 31,4 miljoen gehonoreerd. In
de conclusies van dit driedaagse overleg staat onder andere dat Nederland bij de
vaststelling van het totale bedrag rekening zou houden met de reële tegenwaarde
ad f 31,4 miljoen voor de uitgaven die Suriname voor de aanpassing van de inrich-
ting van zijn defensie noodzakelijk achtte.
Die formulering was voor Pronk nog net aanvaardbaar. Door de ‘reële tegen-
waarde’ van de Surinaamse defensie-uitgaven ad ƒ 31,4 miljoen onder de ontwikke-
lingshulp te brengen, werd formeel gezien de SKM niet uit de ontwikkelingsgelden
gefinancierd. De facto maakte het natuurlijk geen verschil, dat het bedrag nu voor
‘andere projecten’ beschikbaar zou komen die Suriname anders zelf had moeten
betalen. Welke projecten dat zouden kunnen zijn, werd niet aangegeven. Dat kon
ook moeilijk, want de ervaringen sinds 1974 hadden geleerd dat lang niet al het
beschikbare geld aan projecten was besteed. In de 27 jaren sinds met de hulp was
begonnen, had Nederland ongeveer een miljard aan Suriname overgemaakt (gemid-
deld nog geen 40 miljoen per jaar) en van de beschikbare 605 miljoen voor de jaren
1972-76 was eind 1974 ongeveer 425 miljoen nog niet gerealiseerd. Feitelijk kwam
deze ‘oplossing’ er gewoon op neer dat in het bedrag waarover men het voor de niet-
gespecificeerde projectfinanciering uiteindelijk eens werd, een bedrag verstopt zat
dat volgens Suriname nodig was voor de inrichting van zijn defensie.
Hoe kwamen den Uyl en Pronk nu toch aan dat bedrag van 31,4 miljoen voor
ontwikkelingsprojecten, die de uitgaven van Suriname voor de aanpassing en
inrichting van zijn defensie zouden moeten compenseren? Nederland had die uit-
gaven al voor een heel groot deel voor zijn rekening genomen. Niet de uitgaven die
voortvloeiden uit de salariëring van het personeel van de SKM; vanzelfsprekend
kwamen die op de begroting van het Surinaamse ministerie waaronder de SKM zou
ressorteren. Die kosten, samen met die van de voeding en kleding hadden wij in de
Comdes-rapportage geraamd op 5,9 miljoen Nederlandse guldens.
De gekozen formulering ‘uitgaven van Suriname voor de aanpassing en inrich-
ting van zijn defensie’ was dus veel te ruim, zeker waar het ‘de inrichting’ van de
Surinaamse defensie betrof. Hadden die 31,4 miljoen dan misschien betrekking op
‘de aanpassing’ van de SKM? Wat er aan de TRIS veranderd moest worden om die
geschikt te maken voor de verdediging van het onafhankelijke Suriname, hadden
wij in de Comdes al aangegeven. Daar werden later door Vredeling en van Lent nog
wat voorzieningen aan toegevoegd. Maar op het punt van de financiering van
patrouilleboten en helicopters hadden die hun poot stijf gehouden. Zij wilden die
kosten onder geen beding op de defensiebegroting zien verschijnen, zoals wel zou
gebeuren met de door hen geakkordeerde bedragen voor de inrichting en aanpas-
sing van de SKM. Hoe Den Uyl en Pronk aan die 31,4 miljoen kwamen, blijkt ook niet
uit de conclusies van het regeringsoverleg in Paramaribo. Toen daar over de ont-
80
wikkelingshulp werd gesproken, was Defensie er niet bij, want van Lent en ik waren
alleen nodig in het gesprek over de militaire missie. Ook in het verslag van die ver-
gadering is geen verklaring te vinden voor dat merkwaardige bedrag. Het is echter
makkelijk te berekenen.
Van Lent had op 10 maart 1975 in een brief aan de Micos een analyse van de
landmachtstaf verstrekt van alle defensieprojecten die in het regeringsoverleg aan
de orde zouden komen. Het waren er vijf. Het nog in 1975 op peil brengen van de
infrastructurele en materiële voorzieningen van de TRIS, waarover wij in de com-
missie overeenstemming hadden bereikt, zou 1,8 miljoen gaan kosten. Die kwamen
na de overeenstemming daarover tussen van Lent en Hoost natuurlijk voor rekening
van Defensie en telden ook niet mee voor het Pronk-bedrag van 31,4 miljoen. Ook
niet de kosten van de overgangsregelingen van militair en burgerpersoneel van
respectievelijk 37,3 en 14,6 miljoen en voor de infrastructurele projecten ad 2,5 mil-
joen, die na de onafhankelijkwording nog gerealiseerd zouden worden. Defensie
had die al voor haar rekening genomen. Wel werd, denk ik, met het uiteindelijk
afgesproken bedrag de Surinaamse claim van 10,2 miljoen afgekocht die betrekking
had op de nieuwbouw van het bosbivak Zanderij, van een militair kampement in
Avanavero en een stenen legeringsgebouw in het Prins Bernhardkampement-noord.
In de nota-Elstak zat echter ook een kostbare aanschaf van vier patrouillevaar-
tuigen voor de rivieren, drie zeegaande kustwachtboten en vijf helicopters. Die
zeven boten zouden volgens Suriname 8 miljoen gaan kosten en de daarvoor benodig-
de aanlegsteigers, reparatie- en onderhoudsfaciliteiten 7,5 miljoen. Samen 15,5 mil-
joen. Voor de heli’s en de daarvoor benodigde faciliteiten was 15,9 miljoen opgege-
ven. Tel daarbij de 15,5 miljoen voor de boten c.a. op, en de uitkomst is precies
31,4 miljoen.
De helicopters zijn, zover ik weet, nooit aangeschaft en van de vier als onder-
handelingsobject ingezette rivierboten zijn er in Nederland bij De Roos Nautical (die
daarbij samenwerkte met Schottel Nederland BV) drie geleverd voor f 315.000 per
stuk en een voor f 280.000. Totaal Nf 1.225.000. In de Surinaamse claim waren de
vier rivierboten op 2 miljoen geraamd en de kustwachtboten, die net zo min als de
heli’s gekocht zijn, op 6 miljoen.
Is de veronderstelling te gewaagd dat het deze ramingen voor vaartuigen en
heli’s c.a. waren, die de heren in het Catshuis hebben genomen om een akkoord
over het ontwikkelingshulpbedrag te bereiken. Of is er een andere verklaring voor
het exact samenvallen van beide bedragen?
Over de kosten die met de aanschaf van deze, naar de mening van de Neder-
landse deskundigen, althans voor defensiedoeleinden onnodige helicopters en vaar-
tuigen c.a. gemoeid waren, werd in een Isos-advies aan de Micos vermeld, welke
ramingen daarvoor van de Surinamers waren ontvangen; ook dat die globaal wel
juist waren, maar voor de helicopters aan de lage kant leken. Over het nut van de
aanschaf werd in die brief echter niets gezegd. Je kunt je afvragen wat Hoost en
Elstak daar in het Catshuis met de door hen gevolgde tactiek ‘verdiend’ zouden heb-
ben als zij een paar korvetten voor de kustbewaking geclaimd hadden. In ieder geval
hebben zij aan vaartuigen en helicopters alleen al 31,4 minus 1,225 miljoen meer
geclaimd dat zij aangeschaft hebben. Het is natuurlijk denkbaar dat Hoost op dat
punt een beetje gek gemaakt is door de aanstaande bevelhebber en dacht dat die
dingen niet alleen nodig waren, maar zelfs ook operationeel gemaakt konden wor-
den. Waarschijnlijker is het volgens mij dat deze manier van geld binnenhalen nu
eenmaal voor Surinamers niet ongebruikelijk is en dat Nederlandse politici dat
gewoon niet door hadden. In dat opzicht ga ik een heel eind mee met de man die
81
de Surinamers beter kent dan welke Hollander dan ook. Haakmat zegt in zijn uit-
eenzetting van de manier waarop in Suriname politiek bedreven wordt, dat het voor
Nederlandse politici een schier onmogelijke opgave is om de Surinamers te door-
gronden, omdat zij onbekend zijn met hun persoonlijkheidsstructuur.
Over de brief van van Lent van 10 maart over de kosten van de Surinaamse ver-
langens had de Isos onder voorzitterschap van de chef van het Kabinet voor
Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse zaken twee dagen later in haar advies ook
gezegd dat de bedragen voor de infrastructurele voorzieningen na 1975 en voor de
boten en heli’s in aanmerking dienden te worden genomen bij de besprekingen over
de omvang van de ontwikkelingshulp. Als goede ambtelijke commissie wees de Isos
daarbij nadrukkelijk op de conclusies van de besprekingen in Paramaribo, waarin
Nederland immers had toegezegd bij de vaststelling van dat bedrag rekening te zul-
len houden met de behoefte aan hulp op alle terreinen. Daar vielen ook de defen-
siebehoeften onder, zodat de Isos moeilijk kon adviseren om dat niet te doen.
Het blijft in de Nederlandse politieke wereld natuurlijk wel wat vreemd om
ontwikkelingshulp aan Derde-wereldlanden te geven die de vooropgezette bedoe-
ling hebben om daarvan militair materieel aan te schaffen. Dat vonden alle direct
betrokken ministers en staatssecretarissen kennelijk ook. Op 17 januari 1975 had-
den zij nog in de ministerraad besloten dat bij de vaststelling van het ene bedrag
aan ontwikkelingshulp de Nederlandse delegatie zich wel zou baseren op de behoef-
te van Suriname aan deze hulp, maar dat eventuele bijdragen aan de Surinaamse
defensie niet ten laste hiervan mochten worden gebracht. Drie dagen later schreef
Pronk aan de voorzitter van de Micos, den Uyl, dat Suriname bij de aanvang van de
onafhankelijkheid een kolossale reserve aan hulpgelden zou hebben en bovendien
vanaf 1974 jaarlijks over Sf 95 miljoen kon beschikken aan additionele opbrengsten
uit de bauxietwinning. Zijn conclusie was dat Suriname de onafhankelijkheid zou
ingaan met een bepaald niet ongunstige financiële positie en dus geen aanspraak
zou kunnen maken op een verhoging van de Nederlandse hulp.
Hij begreep wel dat Nederland het eerste overleg over de omvang van de
Nederlandse ontwikkelingshulp, dat een week later in Paramaribo zou starten,
moeilijk kon ingaan met een verlaging van het hulpniveau. Daarom adviseerde hij
om uit te gaan van de bedragen die in het meerjarenplan van de ontwikkelingssa-
menwerking met Suriname waren neergelegd: 145 miljoen voor 1976, elk jaar tot en
met 1979 steeds met 10 miljoen te verhogen. Heel nadrukkelijk zei Pronk daarbij
ervan uit te gaan dat de kosten van de Surinaamse defensie door dat land uit eigen
middelen zouden worden gedragen. Ook vond hij dat Nederland de onderhandelin-
gen moest beginnen met een bod aan ontwikkelingshulp over vier jaren, waarbij die
hulp betrekking diende te hebben op gedetailleerde plannen. Dat daarvan nog
dezelfde maand niets terechtgekomen is, stond in het hoofdstuk over de impasse in
Paramaribo.
Het regeringsoverleg, dat van 24 tot 26 maart 1975 in het Catshuis plaatsvond,
was voorbereid in de ministerraad van 6 maart. Daarin werd geconcludeerd dat niet
alleen vastgehouden zou worden aan het afwijzende standpunt ten aanzien van de
Surinaamse eisen van 10,2 miljoen voor achterstallig onderhoud van de TRIS-opstal-
len, maar ook dat de aanschaf van patrouillevaartuigen c.a. (15,5 miljoen) en van
lichte heli’s (15,9 miljoen) zou worden afgewezen. Met zoveel woorden zei de pre-
mier, die het overleg met de Surinamers nog diezelfde maand zou leiden: “de
Surinaamse verlangens m.b.t de patrouilleboten en de helicopters dienen niet opnieuw nego-
tiabel te worden gesteld.”
Zelfs in de volgende Micos-vergadering werd het nodig gevonden een en ander
82
nog eens duidelijk te beslissen. Van Lent liet vastleggen dat de geclaimde kosten
wegens achterstallig onderhoud niet juist waren. De Goede bevestigde dat we de
gevraagde financiële tegemoetkoming voor patrouilleboten en heli’s moesten blij-
ven afwijzen en van Lent wees erop dat hij in een eerdere Micos had gezegd dat die
defensiekosten niet onder het plafond van de ontwikkelingshulp gebracht mochten
worden. Nu er echter in Paramaribo was afgesproken dat Nederland bij de bepaling
van de hoogte van de ontwikkelingshulp rekening zou houden met de behoeften op
alle terreinen, inclusief die verband houdende met de onafhankelijkheid, was er
een moeilijkheid ontstaan. Niet alleen wat de Micos betrof; ook in de ministerraad
had Pronk immers gezegd dat rechtstreekse hulp aan de Surinaamse krijgsmacht
niet overwogen kon worden. Het Paramaribo-overleg scheen daaraan echter niet in
de weg te staan, want nog op 21 maart werd dit ministeriële standpunt bevestigd: in
de voorbespreking tussen Hoost en Pronk, waarbij ook Defensie en de Goede aan-
wezig zouden zijn, diende vastgehouden te worden aan dit afwijzende Nederlandse
standpunt.
Toch kon den Uyl dat moeilijk volhouden, toen hij met de Surinamers in het
Catshuis zat. Nederland zou ongetwijfeld van woordbreuk beschuldigd zijn, als hij
de januari-afspraak op dat punt aan zijn laars gelapt had. Wie de oplossing van dit
probleem bedacht heeft, is niet duidelijk: niet de boten en heli’s zouden door
Nederland gefinancierd worden door de verhoging van het ontwikkelingsbedrag
met 31,4 miljoen, maar de ‘tegenwaarde’ van die militaire kosten zou in het eind-
bedrag aan ontwikkelingshulp zitten. Zou het niet beter zijn geweest, als de Gaay
Fortman twee maanden eerder de blokkade over een beslissing ook op dat punt niet
had hoeven op te werpen? Dan zou ook Defensie daarover hebben kunnen meepra-
ten. Dat was nu niet het geval.
Het verschil van mening over de helicopters kwam op tafel in het vooroverleg
van de Nederlandse regeringsdelegatie. Daarvoor was ik als voorzitter van de Neder-
landse sectie van de Comdes naar het Catshuis opgetrommeld, maar niet om vragen
te beantwoorden. Het enige dat den Uyl daar tegen mij zei, was: “Hoe kunt u er nou
bezwaar tegen hebben dat de Surinaamse regering helicopters wil aanschaffen, als
zij die nodig vindt voor haar defensie?” Gelegenheid om te zeggen dat aan ons als
defensiedeskundigen nu juist was gevraagd om van advies te dienen over de struc-
tuur van de toekomstige Surinaamse militaire organisatie, en dus ook over het daar-
voor benodigde militaire materieel, werd niet gegeven. De uitnodiging om in het
Catshuis te verschijnen, was daarom niet meer dan een formaliteit.
Om volledig te zijn: de vijfde kostenpost betrof de militaire missie van een man
of tien. Die kwam uiteraard voor Nederlandse rekening en speelde dus niet mee
voor het bepalen van het bedrag dat als reële tegenwaarde van de uitgaven die
Suriname noodzakelijk achtte ‘voor de aanpassing van de inrichting van zijn defen-
sie’ werd overeengekomen.
In het Catshuis werd de uitkomst van de opdracht aan onze commissie om de
kosten te ramen die gemoeid zouden zijn met onze aanbevelingen, op dit punt dus
niet overgenomen. In plaats van de bedragen waar we het in ons eindrapport over
eens waren geworden, als uitgangspunt te nemen en daarna met de Surinamers te
praten over het geschilpunt van de helicopters en over de Nederlandse suggestie om
voor transportdoeleinden gebruik te maken van SLM-faciliteiten, werd er nu klak-
keloos van uitgegaan dat die (nooit aangeschafte) heli’s en kustvaartuigen nodig
waren. En dan bovendien nog zonder te bezien of de Surinaamse kostenopgaven wel
juist waren. Daarbij had dan ook door Nederland gevraagd kunnen worden of die
vaartuigen niet onder het ministerie van Politie en Justitie ondergebracht konden
83
worden. Dat ressorteerde nota bene onder de gesprekspartner Hoost. Zou een
Nederlands argument, dat het voor ons erg bezwaarlijk was om de ontwikkelings-
begroting te gebruiken voor militaire aanschaffingen, niet voor de Surinamers de
reden geweest kunnen zijn om met zo’n oplossing in te stemmen? Het ging hen
immers voornamelijk om de grootte van het bedrag. Alleen zou Elstak dan zijn
opvattingen over de ‘krijgsmacht’ die hij onder zijn bevelen zou krijgen, wat hebben
moeten bijstellen.
Wat er ook van zij, de in het Catshuis als ontwikkelingshulp gegeven extra
31,4 miljoen voor de SKM zijn in ieder geval boven op de in het Comdes-rapport
genoemde en door van Lent in Paramaribo toegezegde bedragen gekomen. Dit stuk-
je ‘ontwikkelingshulp’ is naar mijn mening door den Uyl c.s. gewoon aan Suriname
gegeven, omdat hij en Pronk coûte que coûte tot de onafhankelijkheid van Su-
riname wilden komen. Dat daarbij de voorwaarden waaronder dat zou geschieden,
niet aan de gebruikelijke normen behoefden te voldoen, verklaar ik uit die alles
overheersende politieke drang. Of die voortkwam uit een gebukt gaan van beide
ministers onder het feit dat hun partij bij de dekolonisatie van Nederlands Indië
zo’n afremmende en conservatieve rol heeft gespeeld (zoals Haakmat zegt), laat ik
aan het oordeel van meer deskundigen over. Feit is wel dat het systeem van hulp-
verlening in het kader van door Nederland goedgekeurde projecten hier eigenlijk
werd losgelaten.
Ondanks de in Den Haag toegezegde 31,4 miljoen voor de Surinaamse defensie
werd er ook deze keer geen overeenstemming bereikt over het totale bedrag aan ont-
wikkelingshulp.
Mijn Comdes-collega Elstak was aan de Surinaamse regeringsdelegatie toege-
voegd als adviseur. Van zijn aanwezigheid in Den Haag als zodanig maakte hij
gebruik om een gesprek met Vredeling aan te vragen. Die kon dat moeilijk weige-
ren, maar toen hij hoorde dat het over de affaire-Woerlee/Elstak zou gaan, wilde hij
van Lent, Peynenburg (de SG) en mij er wel bij hebben. Tot onze niet geringe verba-
zing begon Elstak zich weer te beklagen over de maatregelen die in Suriname tegen
hem waren genomen. Hij was van 22 januari tot 1 maart 1975 met buitengewoon
verlof gestuurd; hij had geen inzage in de stukken meer gekregen van zijn com-
mandant; er was hem een zwijgplicht opgelegd; hij mocht zelfs niet meer in uni-
form lopen. Dat laatste was helemaal nieuw voor van Lent en mij en daarover hoor-
den we verder ook nooit meer iets. Maar van Lent kon Vredeling over die zwijgplicht
geruststellen; die had hij acht weken tevoren opgeheven in het gesprek met Hoost.
En dat Elstak geen stukken meer kreeg, vloeide gewoon voort uit zijn buitengewoon
verlof. Als je een functie al dan niet tijdelijk niet meer vervult, hoef je de daarmee
verband houdende correspondentie ook niet meer te zien.
Vredeling maakte Elstak op de meest vriendelijke wijze duidelijk dat de func-
ties van plaatsvervangend Cotris, chef staf en garnizoenscommandant niet te com-
bineren waren met het voorzitterschap van de commissie van deskundigen. Als het
hem verleende buitengewoon verlof de uitwerking was van die aan Woerlee meege-
deelde opvatting van Den Haag, zou de kolonel daar toch misschien begrip voor
kunnen hebben. Elstak knikte van ja en verliet ons tevreden.
Het diner in het sjieke Haagse hotel Des Indes, waarvoor ik door den Uyl werd
uitgenodigd, smaakte mij niet zo best, zo kort na het Catshuis-‘gesprek’. Twee dagen
later werd in de Ridderzaal door de drie ministers-president een borrel aangeboden,
omdat het tripartite-overleg toen beëindigd was. De kater kwam kort daarna.
In de eerste ministerraadsvergadering na deze, voor de tweede keer grotendeels
mislukte conferentie moest de Gaay Fortman dan ook teleurgesteld rapporteren dat
84
geen overeenstemming was bereikt over de omvang van de ontwikkelingshulp: “we
zijn geen stuk opgeschoten”, zei hij letterlijk. Wel was men het over de tekst van een
aantal militaire overeenkomsten eens geworden, maar dat zal de stemming in de
raad niet veel verbeterd hebben. “Toch moeten we verder”, zei den Uyl. “In de week
van 14 tot 21 mei 1975 gaan we het opnieuw proberen in Paramaribo.”
Toen de Nederlandse regeringsdelegatie daar arriveerde, zaten van Lent en ik
al een dag of vijf in Paramaribo om de laatste ‘defensiehobbels’ op te ruimen. Wij
hebben van die vergaderweek maar één dag, de 15e mei, meegemaakt, omdat de
militaire missie ook nog op de agenda stond. Wat zich over verreweg het belang-
rijkste agendapunt, de ontwikkelingshulp, heeft afgespeeld, weet ik dus niet uit
eigen ervaring maar uit de vergaderverslagen.
De Nederlandse delegatie bestond aanvankelijk uit den Uyl, de Gaay Fortman,
Kooymans en de Goede. Omdat Pronk pas de 15e arriveerde, begon het derde gehak-
ketak over de bruidsschat pas op vrijdag 16 mei. Toen waren van Lent en ik al weer
op de terugweg naar Nederland. Door de belangrijkste adviseur van Pronk, prof.
M.P.A. van Dam, was over dit punt een voorgesprek gevoerd in Paramaribo. Op 7 mei
liet hij Pronk weten dat hij daarin een bedrag van 2,7 miljard had voorgesteld. Dat
was niet het uitgangspunt van Pronk bij het begin van de onderhandelingen. Hij
herhaalde nog eens wat er al in Den Haag toegezegd was. Als men de 31,4 miljoen
aan kosten ten behoeve van de Surinaamse defensie bij het eigenlijke hulpbedrag
optelde, zou er volgens hem toch een realistisch bedrag overeengekomen kunnen
worden. Welk bedrag dat was, liet hij echter open. Arron, die duidelijk de meest
bezadigde van de Surinaamse deelnemers aan de discussie was, stelde daarom voor
Cambridge en Pronk samen met hun adviseurs daarover te laten praten. Hoewel dat
voorstel werd overgenomen, is er toch diezelfde ochtend een explosieve situatie ont-
staan, die de oorzaak was van een schorsing van de bijeenkomst.
De volgende ochtend hield den Uyl met zijn mensen intern beraad; kennelijk
was de vergadering op zijn verzoek geschorst, want hij motiveerde het met de nood-
zaak dat de Surinaamse delegatie tijd nodig had om zich te bezinnen op de ontsta-
ne situatie. Arron en de zijnen werden bovendien geconfronteerd met de dreiging
van een door de VHP georganiseerde massale betoging, direct na het weekeinde. De
premier zei dat hij met Arron had afgesproken om half elf die ochtend opnieuw bij
elkaar te komen, maar dan zonder adviseurs. Uit het verslag daarvan heb ik begre-
pen dat het gesprek tussen Cambridge en Pronk alleen maar nieuwe problemen had
opgeleverd.
Cambridge zei namelijk in de heropende vergadering dat hij verontwaardigd
en teleurgesteld was over de verklaring van Pronk dat de te verlenen hulp slechts
gebonden hulp kon zijn. Omdat het leeuwendeel van de importen ten behoeve van
de realisering van het ontwikkelingsplan uit Nederland zou komen, zou ons land
niet substantieel participeren in de ontwikkeling van Suriname. Die beperking van
Pronk ging volgens Cambridge dan ook uit boven het geschil over de hoogte van het
ontwikkelingsbedrag. Pronk reageerde hierop met een rustige uitleg van wat hij
onder gebonden hulp verstond. Het vraagstuk van de binding van de hulp kan vol-
gens hem niet los gezien worden van de kernvraag of Nederland gewoon geld
beschikbaar stelt of dat het concrete projecten en programma’s financiert. De
gebondenheid van hulp, zo stelde hij de Surinamers gerust, is in die zin te verstaan
en betekent niet dat Suriname niet vrij zou zijn de goederen te kopen waar het dat
wil. Theoretisch zou het dus mogelijk zijn dat 100% van die hulpgoederen in
Brazilië wordt gekocht. Voor Arron was dit volkomen nieuw en daarmee was de rust
weergekeerd. De vraag blijft wel of deze uitleg in het tweegesprek Cambridge-Pronk
85
ook is gegeven; waarschijnlijk niet, want anders zou de Surinamer het hervatte over-
leg niet zo hoog van de toren blazend over die gebondenheid zijn begonnen.
Er kon dus weer over het bedrag zelf gesproken worden. Nederland bood 3 mil-
jard, maar dat lag nog een heel eind onder de Surinaamse eis, die volgens Pronk
door minister van Genderen was verwoord: “Suriname dient met Lachmon op te
trekken naar de 7 miljard, maar in ieder geval moet de 4,5 miljard worden gehaald.”
De eis van 7 miljard schijnt dus niet in de eerste plaats van de partij van minister
Bruma afkomstig te zijn geweest maar van de VHP van Lachmon, die, als Suriname
dan toch onafhankelijk moest worden, er dit enorme bedrag moest zien uit te sle-
pen. Het moet gezegd worden dat deze 7 miljard niet alleen uit een Surinaamse
duim gezogen was. De Nederlands-Surinaamse commissie van deskundigen op het
gebied van de ontwikkelingshulp (doorgaans naar de voorzitter de commissie-Bos
genoemd) had een wensenlijstje opgesteld tot een totaal bedrag van deze 7 miljard.
Over de realisatietermijn was men het kennelijk niet eens geworden: de
Nederlanders wilden er tien jaar over doen, maar de Surinaamse leden dachten dat
bedrag in de helft van die tijd op te souperen. Nu was in de afgelopen jaren de ver-
werkingscapaciteit van Suriname 43 miljoen per jaar geweest, maar de commissie
dacht dat een verdubbeling hiervan wel tot de mogelijkheden behoorde. Voor het
vaststellen van het eenmalige bedrag aan ontwikkelingshulp zou men dus kunnen
uitgaan van 86 miljoen. Daarbij diende dan 13 miljoen per jaar voor het Surinaamse
leger(!) opgeteld te worden en 7 miljoen voor de Buitenlandse dienst. Zo zou de reële
hulpbehoefte op 106 miljoen per jaar gesteld kunnen worden. Hoe dat in tien jaar
een bedrag van 7 miljard moest opleveren, is mij nooit duidelijk geworden.
De Surinaamse politici moesten het kennelijk onderling ook eerst eens zien te
worden, voordat er een beslissing kon vallen, want premier Arron had buiten de ver-
gadering laten blijken dat hij het Nederlandse aanbod redelijk vond. Tegenover hem
stond niet alleen de oppositieleider Lachmon maar ook Karamat Ali. Die had zelfs
tegen de Goede van Financiën gezegd dat hij, Bruma en van Genderen het aanbod
niet zouden slikken. Zelf speelde hij met de gedachte om de onafhankelijkheid van
Suriname maar helemaal niet te laten doorgaan.
In het interne Nederlandse beraad berekende Pronk dat het aanbod in feite
hoger dan 3 miljard was. Het ‘’stuwmeer’ van 350 miljoen dat er op dat moment nog
was, zou immers niet in mindering op dat bedrag worden gebracht, en bovendien
kwam er ook nog 150 miljoen bovenop, omdat er al 50 miljoen was toegezegd voor
sociaal-educatieve ontwikkelingsprojecten en 100 miljoen voor de medefinancie-
ring van projecten van particuliere organisaties, universiteiten en de vakbeweging.
In het overleg met de voltallige Surinaamse delegatie bleef Pronk echter de gebeten
hond. Hoewel zulks niet blijkt uit de officiële verslagen van dit overleg, schijnt het
er erg warm te zijn toegegaan, zonder dat er overigens enig resultaat werd bereikt.
De Surinaamse bevolking werd flink opgewarmd over het mislukken van deze
conferentie. Op 23 mei verscheen in De Ware Tijd het bericht dat Karamat Ali boos de
vergaderzaal was uitgelopen, nadat hij tegen Jan Pronk had gezegd: “Jullie hebben
ons altijd belazerd en nu probeer je ons opnieuw te belazeren. Wat mij betreft mag
je je ontwikkelingsgeld houden.” Het zal wel weer Surinaamse podiumtaal zijn,
want ook de journalisten in Suriname verloochenen hun aard niet. Dat er hardere
Surinaamse woorden zijn gevallen dan gebruikelijk is in een formeel overleg tussen
twee regeringen, lijkt wel zeker. Het is, denk ik, waarschijnlijker dat dit is gebeurd
in het tweegesprek tussen Cambridge en Pronk dan in de plenaire vergadering. Dan
zal Karamat Ali, die nota bene voorzitter van de Surinaamse sectie van de
Koninkrijkscommissie was geweest en nu de Surinaamse Grondwetscommissie leid-
86
de, de adviseur zijn geweest die minister Cambridge bijstond in dat gesprek. Volgens
die zelfde krant zou er in Suriname een mop verteld worden over dit gehakketak:
den Uyl zegt tegen de Surinaamse delegatie over de Nederlandse opvatting dat
‘slechts’ drie miljard aan ontwikkelingshulp gegeven dient te worden: “jullie moet
nu zonder hulp op eigen wieken kunnen drijven, of wil je soms een uilskuiken blij-
ven?” Wie dat verzonnen heeft, weet ik natuurlijk niet, maar het is typisch
Surinaams om zo iets in de mond te leggen van de laatste Nederlander, die het over
zijn tong zou kunnen krijgen. Het typeert de stemming in Suriname over deze kans
om een zo groot mogelijk slaatje te slaan uit de Nederlandse wens om Suriname
snel onafhankelijk te laten worden.
Een nieuwe afspraak voor een vierde gesprek over dit onderwerp moest op
korte termijn gemaakt worden, want de tijd drong. Een half jaar later zou Suriname
immers zijn onafhankelijkheid moeten kunnen vieren. Het werden twee dagen in
juni: de 25ste en 26ste in Den Haag. Pronk had kennelijk van den Uyl het verzoek
gekregen om een bod te doen dat wat verder ging dan dat in mei. Dat gebeurde dus.
In een select gezelschap van zes ministers (den Uyl, de Gaay Fortman en Pronk aan
Nederlandse zijde; Arron, Cambridge en Hoost van Suriname), een staatssecretaris
(Zeevalking, die nog geen drie weken eerder op Justitie de op 28 mei afgetreden
Glastra van Loon was opgevolgd) en een Gevolmachtigd minister (van Eer van
Suriname) deed Pronk zijn voorstel. Hij memoreerde eerst dat zijn aanbod van drie
miljard, waarin overigens 0,5 miljard kwijtgescholden schulden zaten, niet was
geaccepteerd, zelfs niet na de verhoging ervan met 150 miljoen. Samen met de
befaamde 31,4 miljoen betekende dit dat in Paramaribo voorgesteld was 3184,4 mil-
joen aan ontwikkelingshulp aan Suriname te geven. Nu kwam hij met een concept-
verdrag waarin een bedrag van 3,7 miljard stond. Bovendien verklaarde hij dat
Nederland bereid was samen met Suriname te zoeken naar financieringskapitaal
van derden, als de 3,2 miljard van het eigenlijke ontwikkelingsbedrag niet voldoen-
de mocht zijn om het ontwikkelingsplan te realiseren. Over deze tekst werd meer
dan een dag beraadslaagd. Op de 26ste werd dan toch een akkoord bereikt.
Opvallend genoeg is in die bij de conclusies van het overleg gevoegde ontwerp-
tekst het zogenaamde defensiebedrag van 31,4 miljoen niet terug te vinden. Er
wordt een bedrag van 2700 miljoen in genoemd. dat was bestemd voor “medefi-
nanciering van projecten en programma’s, welke onderdeel uitmaken van het
Surinaamse meerjaren-ontwikkelingsprogramma, voor sociaal-educatieve ontwik-
kelingsprojecten en voor medefinanciering van ontwikkelingsprojecten van parti-
culiere organisaties, universiteiten en de Financieringsmaatschappij voor Ontwik-
kelingslanden”. Een ‘tegenwaarde ad ƒ 31,4 miljoen’ voor de Surinaamse defensie-
uitgaven is daar en ook in de formele verdragstekst niet te vinden. Als het in die
2,7 miljard zit (en ik kan mij moeilijk voorstellen dat de Surinamers die claim heb-
ben laten vallen; uit de vergaderverslagen blijkt dat ook niet), dan vraag ik mij af of
onze volksvertegenwoordigers bij de goedkeuring van dit verdrag in 1977 geweten
hebben dat wij in feite tientallen miljoenen hebben gegeven voor militaire doelein-
den van de instabiele regering van een land dat al binnen vijf jaar na de onafhan-
kelijkwording onder een militaire dictatuur zuchtte. Achteraf gezien was dat min-
stens even erg als meewerken aan het creëren van een krijgsmacht die het apparaat
zou worden waarmee Bouterse zijn coupe kon plegen.
Hoe groot de Surinaamse bruidsschat uiteindelijk is geworden, blijkt uit de
tekst van het verdrag waarover op die 26ste juni 1975 in het Catshuis overeenstem-
ming werd bereikt. Behalve de genoemde 2,7 miljard verklaarde Nederland zich
bereid om maximaal 300 miljoen te geven voor de financiering van het tekort dat
87
zou ontstaan als die 2,7 miljard niet genoeg was om het plan volledig te financie-
ren. Die bereidheid was overigens gekoppeld aan de besparingen die Suriname zou
kunnen bereiken. Daarnaast stelde Nederland nog 500 miljoen beschikbaar voor het
verstrekken van garanties. Met de nog niet uitgegeven circa 350 miljoen van het vijf-
jarenplan en de kwijtschelding van de Surinaamse schuld ad f 517.416.611,96 (tot op
de cent gespecificeerd in een bijlage van het verdrag) betekende dit een totaal
bedrag van 4,37 miljard gulden. Dat is dus ruim een half miljard meer dan Haakmat
en Gaius aangeven als de omvang van de Surinaamse bruidsschat, waarbij kennelijk
de genoemde 300 miljoen en 350 miljoen niet zijn meegeteld.
Waar het toegekende deel van al dat geld gebleven is? Als men Pronks verhaal
uit januari 1975 voor het antwoord op die vraag als uitgangspunt mag nemen, zal
dat wel duidelijk zijn. Pronk waarschuwde toen zijn collega’s van de Micos in zijn
voorstel om voor de uitvoering van gedetailleerde plannen zo’n 540 miljoen te
geven; dat daarbij rekening moest worden gehouden met mismanagement en cor-
ruptie, zoals bijvoorbeeld had plaatsgevonden bij de uitgifte van landbouwgronden.
Als in het op dat moment lopende vijfjarenplan nog niet eenderde van het beschik-
bare geld was besteed, hoe zou het dan gegaan zijn met het kolossale bedrag dat
Suriname meekreeg op 25 november 1975, als Desi Bouterse er eind 1982 niet voor
had gezorgd dat Nederland het verlenen van hulp toen (voorlopig) stopzette?
888
De laatste defensiehobbels
In het regeringsoverleg dat op 14 mei 1975 in Paramaribo begon, wilde den Uyl niet
meer met defensieproblemen geconfronteerd worden. Hij had dus tegen Vredeling
gezegd dat de paar problemen die er op het terrein van defensie nog lagen, vóór die
tijd opgeruimd moesten zijn. Daarom vertrokken van Lent en ik op vrijdag 9 mei
van Schiphol. Dat was mijn vijfde trip naar Suriname en het zou niet de laatste zijn,
want ook na deze lentemaand waren er rond de persoon Elstak nog steeds kwesties
die om een oplossing vroegen.
Dit bezoek was óók bedoeld om een in wezen interne Nederlandse zaak te rege-
len. De rechtspositionele regelingen die al met de Surinaamse regering besproken
waren, moesten nog in het georganiseerde overleg gebracht worden. De vertegen-
woordigers van de militaire belangenverenigingen, met wie dat overleg gevoerd
werd, waren naar Suriname gekomen. De mensen wier belangen zij vertegenwoor-
digden, zaten immers voornamelijk in dat land en zij wilden niet alleen met ons
maar ook met de militairen en burgers van de TRIS praten.
Maarten Woerlee had ons zijn ‘Wilhelmina’ ter beschikking gesteld. Dat schip
gebruikte hij voor inspectietochten in het binnenland, maar het was ook heel
geschikt voor tochtjes met genodigden. Er was genoeg ruimte om behalve Cotris
Woerlee nog zes extra mensen te herbergen. Van de vier mensen met wie Cees van
Lent en ik twee dagen praatten in het eetzaaltje van de Wilhelmina, herinner ik me
nog twee namen: van Anholt van de onderofficiersvereniging en Meyer van de kor-
poraalsvereniging. Die gesprekken verliepen in de beste sfeer en toen we na twee
dagen weer op de botenbasis bij de hoofdstad aanmeerden, konden we afscheid
nemen van de vier blanke Nederlanders die voor het laatst de belangen van alle mili-
tairen die naar het Surinaamse leger zouden overgaan, hadden behartigd.
Het overleg met Hoost ging al even vlot. Er werd een aantal veranderingen in
de al eerder overeengekomen regelingen aangebracht. Die hadden vooral ten doel
de overgang naar de SKM aantrekkelijker te maken. Zo zegde van Lent toe dat naast
de periodieke uitkering die door de Comdes was ontworpen, nog een uitkering
ineens zou worden gegeven: aan gehuwden een van 7,2 maal en aan ongehuwden
een van 5,4 maal de laatstgenoten maandbezoldiging. Ook werd speciaal voor hen
die uitzicht hadden op een ontslag op 55-jarige leeftijd, afgesproken dat zij het
recht op uitkering zouden behouden als zij op eigen verzoek op die leeftijd zouden
worden ontslagen. Een zelfde als in de betreffende defensieregeling voorkomende
uitkering aan nabestaanden van een overleden SKM-militair kostte evenmin veel
problemen, evenmin als de oplossing die de onrust onder de Surinaamse dienst-
plichtigen van de lichting ’75 moest wegnemen. Zij werden immers al bezoldigd vol-
gens de Surinaamse wedderegeling en, hoewel de comdes dat niet nodig had gevon-
den, kregen ook zij van de staatssecretaris voor personeelszaken een compensatie
ter hoogte van het verschil tussen beide wedden. Ten slotte werd afgesproken dat er
nog een zevental kleine verbeteringen aan de infrastructuur van de TRIS zouden
worden aangebracht.
Over de militaire missie had Vredeling al twee weken eerder schriftelijk aan
Hoost voorgesteld om die uit vier officieren en vijf onderofficieren te doen bestaan.
Daaraan zouden dan nog vier lokale werknemers voor administratieve en
chauffeurstaken toegevoegd kunnen worden. Hoost had op de laatste dag van ons
89
overleg nog een reactie aan Vredeling geschreven, waarin hij een paar kleine wijzi-
gingen voorstelde in de taken van de adviesgroepen in de missie. Daarbij had hij ook
gevraagd om de aanwijzing van de leden van de missie te doen in overleg met de
Cotris (Woerlee) en de Hoctris (Elstak, die daarmee voor het eerst deze fraaie afkor-
ting van hoofdofficier conversie TRIS meekreeg). Zo konden we met Hoost deze laat-
ste openstaande kwestie nog niet definitief regelen. We zegden wel toe dat de vesti-
ging van de missie direct met Buitenlandse Zaken zou worden voorbereid, zodra er
tussen de ministers overeenstemming was bereikt over taken en omvang.
Al deze afspraken werden met behulp van TRIS-faciliteiten in een brief van van
Lent op de laatste dag van ons verblijf in Paramaribo vastgelegd en door Hoost ook
weer schriftelijk bevestigd. Dat hield ook in dat Hoost zich had neergelegd bij de
weigering om de uitkeringen waardevast te maken. Zulks had van Lent in een op
dezelfde dag nog geschreven aanvullingsbrief als punt van overeenstemming bij de
andere opgeloste kwesties opgenomen en daaraan ook nog een sociale maatregel
toegezegd: ten behoeve van de dienstplichtigen die de dienst zouden verlaten, zou
er een sociaal-educatief fonds komen, waarin Nederland gedurende ten hoogste tien
jaar een miljoen gulden per jaar zou storten. Dat zou binnen het totale bedrag aan
ontwikkelingshulp tussen beide landen worden overeengekomen.
Dat er één bedrag aan die hulp moest worden vastgesteld, was in het rege-
ringsoverleg van januari, dat ook in Paramaribo was gehouden, al afgesproken,
maar over de hoogte ervan was men het nog steeds niet eens. Dit stond dus ook op
de agenda van de vergadering die op woensdag 14 mei 1975 in het Torarica-hotel
begon. De Nederlandse delegatie bestond uit den Uyl, de Gaay Fortman, Kooymans
en de Goede. Van Lent en ik hoefden alleen op 15 mei te verschijnen in de verga-
derzaal van het Torarica, omdat het enige defensiepunt waarover nog een overeen-
komst vastgesteld moest worden, de vestiging van een militaire missie was. De ande-
re drie overeenkomsten op defensiegebied waren al op 26 maart tussen beide lan-
den geaccordeerd: de eerste ging over de overdracht aan Suriname van de roerende
en onroerende zaken van de TRIS, de tweede over de repatriëring van het bij de onaf-
hankelijkwording nog in Suriname aanwezige militair en burgerpersoneel en de
laatste over de rechtspositionele voorzieningen voor het defensiepersoneel dat zou
overgaan in Surinaamse dienst.
In de Micos-vergadering van 6 maart 1975, die dus kort voor het overleg in Den
Haag was gehouden, hadden de betrokken ministers met de drie concept-overeen-
komsten ingestemd. In het overleg met de vaste Kamercommissie voor Surinaamse
en Antilliaanse Zaken op 17 april kon de Gaay Fortman na het op 26 maart bereikte
akkoord meedelen, dat men het over de defensiekwesties eens was geworden; de
overeenkomsten hierover waren toen zelfs al in hun definitieve vorm aan de Kamer
toegezonden. Die voor de vestiging van een militaire missie bij de aanstaande
Nederlandse ambassade in Paramaribo moest, zo vond de Micos in haar vergadering
van 17 april, nog nader worden uitgewerkt. Daarna zou zij als een concreet voorstel
naar Paramaribo worden gestuurd. In die Micos-vergadering was Vredeling noch van
Lent aanwezig; ik moest daarom als enige defensieman naar die vergadering op het
ministerie van Algemene Zaken. Op mijn vraag aan den Uyl of dat voorstel nog voor
het mei-overleg in Paramaribo via de Isos aan de Micos moest worden voorgelegd,
zei de premier gelukkig dat dit niet hoefde.
In januari 1975 was in de Micos afgesproken dat de missie uit niet meer dan
vijftien leden zou kunnen bestaan; die dienden Suriname als adviseurs te helpen bij
de opbouw van zijn leger. De omvang van de missie werd daarom in het uitgewerk-
te voorstel op dat maximum bepaald. Zo werd het ook vastgelegd in de conclusies
90
van het mei-overleg. Acht maanden later, op 18 september 1975, besloot de Micos
opeens weer om de missie te beperken tot drie officieren, twee onderofficieren en
twee lokale krachten. Waarom dat gebeurde en hoe het kon na de brief van
Vredeling aan Hoost van 2 mei van hetzelfde jaar, ben ik niet te weten kunnen
komen. De overeenkomst die op 25 november 1975 in Paramaribo werd onderte-
kend, vermeldt dan ook nog steeds dat maximum van vijftien leden.
In de Micos-vergadering van 17 april 1975 maakte ik de betrokken ministers
deelgenoot van mijn zorg over de werving van Surinaams kader, die veel te traag ver-
liep om een geleidelijke conversie van TRIS naar SKM te bewerkstelligen, zoals de
bedoeling was. Volgens mij kwam dat omdat Suriname veel te weinig haast maakte
met het tot stand brengen van de rechtspositieregelingen voor hen die zouden over-
gaan naar de SKM. Zij zouden immers de beslissing om al dan niet over te gaan pas
nemen, als zij wisten welke salarissen er zouden worden betaald en hoe de rest van
hun rechtspositieregeling er uit zou zien. Als de SKM op de onafhankelijkheidsdag
uit zo’n 500 Surinaamse dienstplichtigen zou bestaan zonder voldoende kader, was
een gezagsvacuüm in dat leger bepaald niet denkbeeldig.
Den Uyl deelde die zorg en vroeg zich af of we dan de TRIS niet wat ‘elastischer’
konden terugtrekken, maar Kooymans maakte hem duidelijk dat de hele TRIS direct
na de onafhankelijkwording terug naar Nederland moest. De conclusie was daarom
dat onze zorgen op dit punt met spoed aan de Surinaamse regering moesten wor-
den overgebracht. De reactie van Hoost hierop was zijn brief aan van Lent met wat
rechtspositionele hoofdpunten. Die als ‘geheim’ geclassificeerde brief kwam op
3 juni binnen. Daarin stond ook wat het vrijwillig dienende personeel van de aan-
staande SKM ging verdienen. Het stuk moest natuurlijk meteen gedeclassificeerd
worden om de inhoud ervan te kunnen meedelen aan iedereen die overwoog om
over te gaan naar het Surinaamse leger.
Het een week durende overleg in Paramaribo ging behalve over het totale ontwik-
kelingsbedrag feitelijk alleen over min of meer technische zaken, die politiek niet
zo gevoelig lagen in beide landen. Zo werd er gesproken over de aanpassing van de
pensioenwetgeving in Suriname en Nederland, die in maart nog nodig scheen. Nu
werd geconstateerd dat de nationaliteit geen invloed zou hebben op de verkregen
overheidspensioenen.
Over de militaire missie werd afgesproken dat de leden ervan dezelfde rechten
en privileges zouden genieten als het ambassadepersoneel. Dit laatste onderwerp
dat Defensie nog betrof, werd dus op twee fronten tegelijk geregeld. Of Vredeling,
die al eens eerder zijn premier had gekapitteld over diens bemoeienis buiten
Defensie om met de verlening van militaire bijstand bij ordeproblemen in de West,
hem en marge van de ministerraad heeft gezegd dat de militaire missie een zaak
was die door hem en Kooymans geregeld werd, weet ik niet. Ik heb hem wel leren
kennen als een man die niet over zich heen liet lopen, ook niet door een algemeen
als leider erkend partijgenoot.
Tijdens ons verblijf kwam Hr. Ms. Limburg in de haven van Paramaribo. Van
Lent en ik werden beiden – den Uyl was er op die 12de mei nog net niet – uitgeno-
digd voor een receptie aan boord van dit fregat, waar we graag gebruik van maak-
ten. Als oud-marineofficier voelde ik me er weer helemaal thuis.
Via Curaçao, waar we ruim drie uur op het vliegveld moesten wachten voordat
we konden doorvliegen, vlogen we op 16 mei weer naar huis. Het politieke overleg
over de onafhankelijkheid van het grootste Rijksdeel zat er op. Dachten we. Maar
niet alleen mislukte het overleg in Suriname over de ontwikkelingshulp, ook de
91
defensiehobbels bleven daar komen. Omdat die vooral door Elstak werden opge-
worpen, werd ik in augustus voor de zesde keer naar Suriname gestuurd, nu voor
het eerst alleen.
Op maandag 18 augustus 1975, ruim drie maanden voordat de soevereiniteit zou
worden overgedragen, vloog ik weer naar Suriname, nu ‘goedkoop’. Het belangrijk-
ste stuk dat ik bij me had, was de concept-overeenkomst voor de overdracht van
praktisch alle TRIS-goederen aan de Surinaamse regering. Het was eerst de bedoe-
ling geweest dat de Cotris en Hoctris (Woerlee en Elstak dus) die overeenkomst zou-
den tekenen, maar in mijn gesprek met Hoost over de inhoud van het stuk liet hij
blijken deze ‘bijna’ volkenrechtelijke overeenkomst toch liever zelf te ondertekenen.
Hij had er geen enkel probleem mee dat ik dat ook namens Vredeling zou doen. Zo
werden wij beiden door de Surinaamse pers bij de ondertekening gefotografeerd
aan de vergadertafel op het ministerie van Hoost. Het enige wat van de TRIS-bewa-
pening werd uitgezonderd van de overdracht waren de wapens die door de Verenig-
de Staten ter beschikking waren gesteld in het kader van het MDAP (mutual defen-
ce assistance program), het crypto-materiaal en wat spullen voor de militaire missie.
Over de kwaliteit van de drie over te dragen personenauto’s, een Opel Admiral en
twee Mercedessen, begon Elstak te donderjagen, uitgerekend tijdens het diner waar-
voor Maarten en Miep Woerlee ons beiden een week voor de ondertekening van de
overeenkomst hadden uitgenodigd. De marinerijsttafels waren althans in mijn tijd
zo befaamd dat niet-marinemensen die een dienstreis naar een marineschip of
-inrichting moesten maken, dat uitgerekend altijd deden op de vaste rijsttafeldag.
Maar ik moet zeggen dat de koks van de TRIS er ook wat van konden. Het was waar-
schijnlijk de laatste keer dat zij bij de troepenmacht in Suriname zo iets konden
doen. De menukaart vermeldde in het Maleis niet minder dan negentien verschil-
lende gerechten.
Aan het einde van deze maand kwam nog een tweetal mensen van de Directie
burgerpersoneel van Defensie naar Suriname om de burgers van de TRIS te infor-
meren over de afvloeiingsregeling bij ontslag. De voorwaarden waaronder zij naar
de SKM konden overgaan en de regelingen die door Hoost gemaakt moesten worden,
waren toen nog altijd niet geformaliseerd. Ook het militaire straf- en tuchtrecht,
waarvoor de militaire jurist Veurink en zijn collega de Leeuw naar Paramaribo
waren gekomen, moesten nog hun beslag krijgen. Dat waren allemaal dingen waar
ik gelukkig geen directe bemoeienis mee had, evenmin als met het ontwerp van de
Rijkswet, dat inmiddels bij de Kamer was ingediend, om het mogelijk te maken de
overeenkomst tussen Nederland en Suriname over de rechtspositie van het militair
en burgerpersoneel direct in werking te laten treden. Een te veel tijd vragende goed-
keuringswet werd daardoor overbodig. Die Rijkswet kwam maar net op tijd in het
Staatsblad, zes dagen voor de onafhankelijkheid.
Woerlee toonde dat hij ook een geweldige gastheer was zonder dat er een
minister of staatssecretaris bij hem op bezoek kwam. In het weekend van 24 en
25 augustus nam hij me mee op de ‘Wilhelmina’ op een tocht over de Saramacca
naar Totikamp. Dat is een bosnegerdorp, waar ik kennis kon maken met de gebrui-
ken in het oerwoud van Suriname. Zo kreeg ik te zien dat de kapitein van het dorp
en de kolonel niet rechtstreeks met elkaar praatten maar dat deden via hun ‘bas-
ja’s’. Een van Woerlees Surinaamse militairen, Muntslag geheten maar door ieder-
een ‘Muntje’ genoemd, trad voor hem als basja op.
Op woensdag 28 augustus, toen ik bij Hoost de overeenkomst voor de over-
dracht van de TRIS-spullen had getekend, vloog ik ‘s middags weer naar Nederland.
92
In oktober was Hoost weer eens samen met Elstak in ons land; hij wilde met van
Lent praten over een streefdatum waarvóór het burgerpersoneel zou moeten opte-
ren voor overgang naar de SKM. Afgesproken werd dat door drie mensen van de com-
missie van deskundigen in Nederland en in Suriname voorlichtingsbijeenkomsten
zouden worden gehouden voor militairen en burgers; bij die gelegenheid zouden zij
zich meteen kunnen aanmelden voor de Surinaamse krijgsmacht. Tijdens dit
bezoek stelde van Lent ook een aantal defensiedeskundigen ter beschikking voor
het ‘opwerken’ van de inmiddels in Suriname gearriveerde patrouilleboten. Dat had
nogal haast, want op 25 november 1975 moesten deze Nederlanders al weer weg zijn
uit Suriname.
De directe aanleiding voor mijn zoveelste afreis richting Suriname was echter
het overleg op 7 november, dat op het ministerie in Den Haag over de positie van
Elstak gevoerd werd. Dat was nog maar achttien dagen voor de soevereiniteitsover-
dracht. Vredeling en van Lent, de net tot militair attaché in Paramaribo benoemde
kolonel Hans Valk en ik bespraken toen op de kamer van de minister het verzoek
van de Surinaamse regering om garanties te scheppen voor Elstak. Die had kenne-
lijk tegen Hoost gezegd dat hij alleen bereid was om de eerste commandant van de
SKM te worden, als Nederland bereid zou zijn hem weer bij de KL in dienst te nemen
in het geval hij bij de SKM zou worden ontslagen of ontslag zou moeten nemen. De
twee bewindslieden vonden dat dit niet schriftelijk kon worden afgedaan met een
categorische afwijzing. Dat was overigens wel de conclusie waartoe tijdens dit over-
leg gekomen werd. Kennelijk hadden zowel Vredeling als van Lent voldoende ver-
trouwen in mij om die boodschap aan Hoost over te brengen. Daarbij mocht ik nog
wél namens de minister en de staatssecretaris aan Hoost zeggen dat een niet-oneer-
vol ontslag aan kolonel Elstak als bevelhebber niet zou worden gezien als een ont-
slag door eigen toedoen. Dit betekende dat, als hij niet op eigen verzoek eervol zou
worden ontslagen, hij zijn uitkering zou behouden.
Op 9 november vloog ik voor het eerst met Surinam-airways; het was een over-
geschilderd KLM-vliegtuig, dat alvast tot ’25 november’ was omgedoopt. Dat zette
me anderhalf uur te vroeg op Zanderij af, waar niet alles gereed was om me te ont-
vangen: telefoon kapot, zodat er niet naar de stad gebeld kon worden, airco VIP
room buiten gebruik en dus buiten wachten bij 33 graden Celcius in mijn Europese
winterkleren. Gelukkig kwamen na een uurtje transpireren twee wagens het vlieg-
veld opdraaien: Maarten Woerlee, die samen met zijn vrouw een afscheidstoernee
naar het binnenland had gemaakt en een majoor van de TRIS uit de stad. ‘s Avonds
was ik bij Miep en Maarten Woerlee om bij te praten. De volgende morgen ging ik
op de aanstaande ambassade met drs. Leopold praten over de problemen die hij als
ambassadeur zou krijgen met de nazorg voor het militaire en vooral het burgerper-
soneel dat in Suriname zou blijven.
Om kwart over tien had ik het eerste gesprek met Hoost zonder dat Elstak er bij
was. Die had ik de avond tevoren door de telefoon verteld dat ik die afspraak had
met ‘zijn’ minister. Hij vertelde me toen dat hij zijn beslissing al genomen had en
aan het pakken was om naar Holland terug te gaan. Hoost was heel tevreden met de
toezegging die ik namens Vredeling en van Lent kon doen om de financiële positie
van Elstak bij politieke moeilijkheden in de toekomst veilig te stellen. Daarna werd
Elstak binnen geroepen. Ik herhaalde wat ik aan Hoost gezegd had. De uitwerking
was negatief maar niet verrassend, na wat hij mij de avond tevoren door de telefoon
had gezegd. Voor Elstak was de toezegging helemaal niet wat hij wilde: ‘volledig met
Nederland afrekenen’. Dat hield in, zo maakte hij me duidelijk, dat hij al zijn pen-
sioenrechten gehonoreerd wilde zien en als ‘generaal’ ontslagen moest worden. Ik
93
zei hem dat dit niet kon. Hij zou tot zijn 55ste moeten wachten tot hij zijn 37 dienst-
jaren gehonoreerd kon krijgen en dat de voor generaals geldende regeling alleen in
één bepaald geval toegepast kon worden; dat geval deed zich bij Elstak niet voor.
Hoost zag het met Elstak kennelijk ook niet meer zo zitten en beëindigde ons
gesprek. Het karige resultaat daarvan meldde ik direct aan Leopold op zijn kantoor
en aan Woerlee in de kazerne. Daar belde ik ook van Lent om hem in te lichten. Hij
vroeg hoe definitief deze beslissing nu weer was, maar dat wist je bij Elstak nooit.
De volgende dag hadden we toch weer een gesprek bij Hoost. Blijkbaar had die
aan Elstak te verstaan gegeven dat er nog gepraat moest worden. Ze wilden nu van
mij weten wat wij precies onder de term ‘door eigen toedoen’ verstonden. Die term
stond in de beleidsbrief van van Lent, waarin het recht op uitkering geregeld was.
Dat recht zou onder andere vervallen bij een ontslag door eigen toedoen. Elstak
kwam met een aantal voorbeelden van situaties die zich zouden kunnen voordoen.
Zo zou er een regering kunnen komen die hem opdrachten zou geven die hij onmo-
gelijk kon uitvoeren, zodat hij om eervol ontslag zou moeten verzoeken. Zo’n rege-
ring zou hem ook oneervol kunnen ontslaan, omdat hij een gegeven opdracht had
geweigerd uit te voeren. We maakten een ontwerptekst om op dat punt duidelijk-
heid te scheppen; op 12 november seinde de TRIS-telegrafist die tekst naar van Lent:
“Indien kolonel Elstak als commandant van de SKM niet-oneervol wordt ontslagen
(met name op grond van politieke meningsverschillen met de Surinaamse regering)
zal dit ontslag niet als een beëindiging van zijn verbintenis door eigen toedoen wor-
den aangemerkt, zodat hij zijn recht op uitkering van de zg. 120%-regeling tot zijn
65e jaar volledig zal behouden. In het geval dat de Surinaamse regering hem oneer-
vol ontslaat, zal hij zich voor een onafhankelijk oordeel tot de Surinaamse rechter
moeten wenden. De minister van Defensie zal zich dan refereren aan de uitspraak
hieromtrent van de Surinaamse rechter ter bepaling van het recht op behoud van
de uitkering.”
Een dag later wilde ik van Lent hierover nog iets zeggen. Nadat het telegram
was verzonden, kreeg ik namelijk gouverneur Ferrier aan de telefoon. Hij vertelde
me dat minister-president Arron contact had gezocht met zijn Nederlandse collega
om te bereiken dat Elstak ter gelegenheid van zijn overgang in Surinaamse over-
heidsdienst zou worden ontslagen op grond van het zogenaamde generaalsartikel.
Daardoor zou hij namelijk als Nederlandse militair nog voor de onafhankelijkheid
een onmiddellijk ingaande, waardevaste uitkering krijgen. Elstak had dit verzoek
ook doorgeseind aan de Opperofficier personeel van de KL en daarbij meteen mee-
gedeeld dat zijn terugkomst naar Nederland op 25 november nog niet zeker was.
Ferrier vroeg mij met een definitieve regeling van de kwestie-‘ontslag Elstak’ nog
even te wachten totdat ik uit Nederland de beslissing op het verzoek van Arron aan
den Uyl had gehoord. Maar van Lent was niet bereikbaar en daarom vroeg ik secre-
taris-generaal Gerard Peynenburg aan de telefoon. Die was er gelukkig om vijf uur
nog en zo kreeg van Lent de volgende dag een briefje met mijn boodschap op zijn
bureau. Daarin stond behalve de laatste poging van Elstak om via de lijn Arron-den
Uyl toch zijn zin te krijgen, ook mijn suggestie om de Opperofficier personeel nog
even te laten bezien of de tekst die ik in mijn telegram van de vorige dag had voor-
gesteld, rechtspositioneel wel helemaal goed was.
Het duurde nog vijf lange dagen voor ik antwoord kreeg. Acht dagen voordat de
soevereiniteitsoverdracht zou plaatsvinden, kwam het antwoord van van Lent. Dat
was positief voor beide in mijn telegram genoemde gevallen. De tekst van de
Nederlandse toezegging aan Elstak was, rechtspositioneel bezien, wel fraaier
gemaakt en daarom ook langer dan de door Hoost en mij ontworpene, maar ik kon
94
met dit antwoord zowel Hoost als Elstak verzekeren dat in beide door ons besproken
gevallen Elstak zijn uitkering zou behouden. Het vertrouwen in de Surinaamse rech-
ter was ook wel zo groot dat die zou mogen beslissen over het al dan niet eervolle
karakter van het ontslag. Op één punt bevatte dit telegram wel een noodzakelijke
aanvulling, waar ik niet aan gedacht had. Voor Nederland maakte het namelijk
nogal wat uit of Elstak voor dan wel na zijn 55ste jaar ontslag zou worden verleend.
Als dat ontslag zou worden gegeven nadat hij 55 jaar was geworden, zou het karak-
ter van het ontslag namelijk onbelangrijk zijn. In de beleidsbrief van van Lent stond
immers dat het recht op uitkering zou bestaan tot het 65ste jaar, tenzij voor die tijd
recht op pensioen krachtens de Algemene Militaire Pensioenwet zou worden ver-
kregen. Omdat Elstak op zijn 55ste jaar zijn Nederlandse militair pensioen zou gaan
ontvangen, ongeacht wat hij dan zou doen en welke nationaliteit hij zou bezitten,
hoefde hij dan natuurlijk geen dubbele uitkering te ontvangen. Vandaar dat de aan-
vulling nodig was om bij beide ontslagsituaties die leeftijd te vermelden.
Over het ‘generaalsartikel’ bevatte het antwoordtelegram niets. Ik begreep
daaruit dat deze ‘vondst’ van Elstak in de Defensie-prullenbak terecht was gekomen.
Zou men er ingetrapt zijn, dan was de tekst die Hoost en ik hadden gemaakt en
waarop ik een gemodificeerd ‘ja’ had gekregen, immers helemaal niet meer aan de
orde geweest. Later bevestigde van Lent dat ook. Toen ik op zijn verzoek achtereen-
volgens gouverneur Ferrier, minister Hoost en kolonel Elstak belde om hen het ant-
woord van Den Haag mee te delen, werd ook niet meer naar het toepassen op een
kolonel van het artikel voor een, in een bijzondere positie verkerende, generaal
gevraagd. Dit was nu echt het eindbod van de politieke top aan de kolonel die zich
bereid had verklaard ontslag te nemen uit het Nederlandse leger om de eerste com-
mandant van de Surinaamse krijgsmacht te worden. Het bleef echter tot de laatste
dag onduidelijk of hij met dit aanbod afscheid van zijn Nederlandse zekerheid zou
nemen. Na die 17de november is er in ieder geval niet meer met hem of Hoost over
gepraat.
In deze laatste weken van de troepenmacht in Suriname werden natuurlijk allerlei
afscheidsbijeenkomsten gehouden. Het begon met een ‘all ranks’-afscheidsreceptie,
waar half Suriname was. Daar trof ik ook Freddy Ramdat Misier, lid van het Hof van
Justitie in Paramaribo. Met hem waren mijn vrouw en ik bevriend geraakt tijdens de
zitting van de Koninkrijkscommissie op de Antillen. Zij eerste vraag was dan ook:
hoe is het met Anneke? Ik vertelde dat er nog een kansje was dat zij met van Lent
mee naar Suriname zou komen om de onafhankelijkheidsfeesten mee te vieren. Op
vrijdag 14 november was de volgende afscheidsreceptie, die van de officieren van de
TRIS. Zij hadden een sociëteit, de VOS, die een aparte rol speelde in de overdrachts-
overeenkomst, omdat zij geen eigendom van de TRIS was maar van een stichting en
op erfpachtgrond stond. Het was natuurlijk wel de bedoeling dat zij de sociëteit van
het officierskorps van de SKM zou worden.
In het laatste weekeinde voor de onafhankelijkheid maakten we onze laatste
trip met de ‘Wilhelmina’. Arend Schuring van de commissie van deskundigen, die
helaas enige jaren geleden is overleden, ging mee, evenals Hans Valk, die ik dins-
dags met Woerlee van het vliegveld had afgehaald. We voeren naar Joden Savanne
en zagen daar het kerkhof van de Joodse gemeenschap, die zich daar eeuwen gele-
den had gevestigd na hun vlucht uit Brazilië.
Op woensdag 19 november was het officiële afscheid van iedereen die op
25 november naar Nederland zou vertrekken. Om half een ‘s middags waren we in
huize Woerlee, waar militair Nederland voor het laatst bijeen was na meer dan drie-
95
Ontvangst van het echtpaar Elstak in
de Vereniging Officiers Sociëteit’.
honderd jaar van koloniale en statuut-verhoudingen. Met weemoed namen we
afscheid van elkaar, want na al die keren dat ik met de mensen van de TRIS had
samengewerkt, had ik me gehecht aan dit stukje van onze Koninklijke Landmacht.
Zijn commandant zag ik een dag later nog op het afscheidsdiner, dat de aanstaan-
de ambassadeur en zijn vrouw in hotel Krasnapolsky gaven ter gelegenheid van het
vertrek van Maarten en Miep Woerlee.
De minister die eerst een van de voorzitters van de Koninkrijkscommissie was
geweest en daarna lid van het kabinet-den Uyl werd, was toen ook al in Suriname.
De Gaay Fortman wilde er eerder zijn dan de uitgebreide kabinetsdelegatie, die op
zaterdag 22 november zou arriveren. Van zijn secretaresse, mevrouw Trompper,
kreeg ik een briefje of ik ‘s middags op zijn kamer wilde komen. Gaius wilde van-
zelfsprekend de laatste ontwikkelingen horen rond de enige persoon die nog voor
problemen zo kort voor de soevereiniteitsoverdracht kon zorgen. Een paar dagen
later was het deze minister die de uiteindelijke beslissing in deze kwestie nam.
96
Inpakken maar niet wegwezen
Ik was, die zaterdag 22 november 1975, al op Zanderij ruim voordat de KLM-kist
landde. Vier ministers en drie staatssecretarissen vormden de kabinetsdelegatie
voor het onafhankelijkheidsfeest van Suriname. De belangrijkste gast op dat feest
was natuurlijk prinses Beatrix, die met prins Claus het Koninklijk Huis vertegen-
woordigde. Behalve den Uyl, Westerterp (van Verkeer en Waterstaat), Pronk,
Kooymans (Buitenlandse Zaken), de Goede (Financiën) en van Lent, alle zes met hun
echtgenotes, kwam een nog groter aantal hoge ambtenaren de vliegtuigtrap af: tien
man. Ook van der Hoeven, ex-voorzitter van de Koninkrijkscommissie en inmiddels
lid van de Raad van State, was erbij. Van Lent had het voor elkaar gekregen: mijn
vrouw Anneke was met dit hoge gezelschap meegekomen als gaste van de
Surinaamse regering. Het was niet haar eerste vlucht naar de West. In augustus 1974
waren wij met Aart en Wil Geurtsen naar de Antillen gevlogen, waar we met z’n vie-
ren nog een weekje vakantie plakten aan de vergadering van de Koncom op Aruba.
Het hele gezelschap werd in hotel Torarica ondergebracht. Ik had er al een
tweepersoonskamer dicht bij het zwembad, en daar trok Anneke ook in. We moes-
ten ons snel verfrissen en omkleden, want om negen uur ‘s avonds was er een recep-
tie bij de gouverneur. In zijn paleis ontving de eerste man van Suriname het voltal-
lige Nederlandse gezelschap. Anneke en ik wandelden in de prachtige palmentuin
achter het gouverneurshuis. We mochten met mevrouw Ferrier de mini-dierentuin
van de familie bewonderen en bleven na afloop van de receptie wat plakken, omdat
we inmiddels met de dochters Ferrier aan de praat waren geraakt. De afstand tot het
hotel was best te lopen; toch reden we in onze ‘eigen’ auto naar Torarica. De
Nederlandse gasten hadden allemaal een auto met chauffeur en reisbegeleidster ter
beschikking gekregen voor de duur van hun verblijf. Achteraf bezien hebben we
daarvan veel te weinig gebruik gemaakt, want ik had mijn vrouw natuurlijk veel
meer van Suriname kunnen laten zien.
Het feestprogramma dat door de Britse kolonel Hefford in elkaar was gezet,
begon op zondagmorgen de 23ste met een ‘water regatta’ op de Surinamerivier.
Voor de gasten was er aan de waterkant een overdekte tribune gebouwd, maar wij
wilden het schouwspel liever vanaf het water zien. Daar lag Hr. Ms. Rotterdam en
omdat wij een uitnodiging hadden gekregen voor een ontvangst aan boord, gingen
we naar dat Nederlandse fregat. De vraag of de Koninklijke Marine bij gelegenheid
van de onafhankelijkheidsfeesten zich met dit oorlogsschip mocht presenteren, was
aanleiding geweest voor een heel voorzichtige Nederlandse opstelling. Om elke
schijn te vermijden dat Nederland met een oorlogsschip de mogelijkheid wilde creë-
ren om bij eventuele ongeregeldheden militair in te grijpen, was door Den Haag aan
Leopold bericht dat het schip alleen op uitnodiging van de Surinaamse regering zou
komen. Die invitatie kwam dus. ‘s Middags reden we naar de kazerne, waar we het
laatste appèl van de vertrekkende troepenmacht zagen. De dag daarop zou iedereen
die niet had getekend voor overgang naar de Surinaamse krijgsmacht, met het vlieg-
tuig naar Nederland gaan. Ook Maarten Woerlee.
En Elstak? Zijn laatste woord was, dat hij de Nederlandse garantieregeling
onvoldoende vond en dus niet de eerste commandant van de Surinaamse krijgs-
macht zou worden. En dat betekende dat ook hij de volgende dag met het TRIS-res-
tant op het vliegtuig zou stappen. Daar was men in Nederland ook op voorbereid,
97
Elstak ziet af
van opperbevel
leger Suriname
Van onze verslaggever
PARAMARIBO
De gedoodverf
de bevelhebber van het nieuwe Suri-
naamse leger, kolonel Y. Elstak,
heeft op het laatste ogenblik besloten
van een benoeming af te zien. Na
maanden aarzelen liet hij het don-
derdag officieel afweten. Hij ging
de Volkskrant van ZATERDAG 22 NOVEMBER 1975
niet akkoord met de administratief-
technische afwikkeling van zijn rech-
ten als Nederlands militair.
Vandaag arriveert in Paramaribo
tegelijk met staatssecretaris Van
Lent (Defensie) majoor Mol, een Su-
rinaamse Nederlander, die de eerst-
volgende kandidaat is voor het com-
mando. Over zijn benoeming is nog
niet beslist, zo werd in Paramaribo
gezegd. Majoor Mol werkte tot dus-
ver bij de Koninklijke Landmacht.
Het conflict met kolonel Elstak
draait om zijn voorwaarde dat hij
ook na ontslag op eigen verzoek uit
het Surinaamse leger recht zal blij-
ven houden op ale uitkeringsregelin-
gen van het Nederlandse ministerie
van Defensie, tot zijn pensioenge-
rechtigde leeftijd. Deze eis werd in
Den Haag in strijd geacht met de
voorschriften.
Na zijn besluit op de valreep is nog
geprobeerd een compromis te berei-
ken, waarvoor ook de premiers Dén
Uyl en Arron met elkaar hebben ge-
telefoneerd. Volgens deskundigen in
Paramaribo wenste minister Vrede-
ling (Defensie) echter niet verder te
gaan dan Elstak een uitkering in het
vooruitzicht te stellen ingeval van
ontslag door de Surinaamse regering
en met uitsiuiting dus van ontslag op
eigen verzoek.
Zelfs via de pers liet Elstak weten dat hij niet commandant van de SKM zou worden.
want in de Volkskrant van zaterdag 22 november stond onder het kopje ‘Elstak ziet af
van opperbevel Suriname’ het bericht dat hij het na maandenlang aarzelen don-
derdag officieel had laten afweten. Als reden gaf hij op dat hij niet akkoord kon
gaan met de administratief-technische afwikkeling van zijn rechten als Nederlandse
militair. Wat niemand officieel wist, stond ook in het krantenbericht. Met staatsse-
cretaris Van Lent was majoor Mol meegekomen naar Suriname. Hij was een
Surinaamse Nederlander, die de Nederlandse kandidaat voor het SKM-commando
was. Of deze Mol voor de Surinaamse regering een acceptabele kandidaat was, wist
van Lent nog niet. Vandaar dat hij de majoor zorgvuldig achter de schermen hield.
Ik heb hem zelfs nooit gezien en weet daarom ook niet in welk hotel Mol logeerde.
Beslist niet in Torarica, want daar zou hij veel te veel opvallen. Elstak was in ieder
geval in geen velden of wegen te ontdekken. Was hij misschien zijn koffers aan het
pakken? De volgende dag zouden we het pas weten.
Die avond was er voor de Nederlandse gasten op het terras van het hotel iets
heel bijzonders georganiseerd. De verschillende bevolkingsgroepen van Suriname
traden daar op. De meeste indruk maakten op ons de Javanen, van wie er een zich-
zelf na het eten van rijsthalmen, die hij met zijn mond van een tafel pakte, in tran-
ce bracht. Uiteindelijk kwam hij met gespreide armen en benen volkomen bewe-
gingloos op de tegels van het terras te liggen. Wij keken daar met niet-begrijpende
ogen naar en ook den Uyl, die midden tussen ons zat, snapte er niets van. Hij draai-
de zich naar mij en vroeg: “Wat is dit, Verstegen?” Ik had in mijn Indië-tijd wel eens
iets van goena-goena gehoord, maar of dit het nu was, wist ik niet en onze premier
had de laatste koloniale stuiptrekking van Nederland daar niet meegemaakt. Hij
schijnt er alleen in zijn Suriname-politiek zo door beïnvloed te zijn, dat hij er heel
veel, zo niet alles voor over had om dat land zo snel mogelijk zijn onafhankelijkheid
te bezorgen.
98
Niet-begrijpend kijkt Den Uyl naar de Javaanse voorstelling; achter hem rookt Anneke Verstegen een sigaretje.
Op maandag 24 november 1975 zou het dan gaan gebeuren. De ochtend en
middag verliepen rustig. Er stond niets bijzonders op het officiële programma,
alleen wat ‘sight seeing tours’. Anneke en ik bleven rustig in het hotel om wat te
kunnen zwemmen en zonnen. Om acht uur ‘s avonds begon het staatsbanket en na
afloop daarvan begaven we ons naar het voetbalstadion. Daar vond het eigenlijke
gebeuren plaats: de nationale demonstratie, eindigend in het hijsen van de nieuwe
Surinaamse vlag. Dat was het moment waarop alle politieke tegenstellingen even
verdwenen en Creolen, Mulatten, Hindoestanen, Javanen, Chinezen en Indianen
elkaar in de armen vlogen: Suriname leek een eenheid te zijn geworden door het
feit dat het helemaal los was gekomen van de oude kolonisator. Het vuurwerk dat
hierna losbarstte, scheen dit te bevestigen. Van Haakmat weet ik dat de Surinamers
in Nederland dit ieder jaar rond 25 november vieren als ‘brasade’, omhelzingsdag.
Het Statuut, dat in 1954 de nieuwe verhoudingen tussen de landen van het
Koninkrijk had vastgelegd, bestond voor Suriname niet meer. Een nieuw, verlicht
Statuut, zoals we ons dat in de Koninkrijkscommissie hadden voorgesteld, was door
de regering Arron afgewezen. Nederlanders en Surinamers hadden al in de grote
zaal van Torarica afscheid van elkaar genomen.
Gelegenheid daartoe bestond ook op een cocktail party voorafgaand aan het
banket. Toen we daar waren, kwam van Lent opeens naar mij toe: “Math, moet je
horen, ik krijg net bericht dat Elstak in zijn tuin een aantal schijnwerpers heeft
opgericht, zodat iedereen vanaf de straat kan zien dat hij aan het inpakken is. Hij
schijnt dus echt van plan te zijn mee terug naar Nederland te gaan.” Hij vroeg me
99
of ik vond dat we iets moesten doen. Ik zei hem, Elstak rustig zijn gang te laten gaan.
Hij kon immers Hoost nog altijd een alternatieve commandant aanbieden, als
‘Bingo’ geen toneel aan het spelen was. Maar van Lent zag iets verderop den Uyl
staan en zei: “Toch wil ik nog even vragen wat hij ervan vindt.” We liepen naar de
premier toe en van Lent legde uit wat er aan de hand was. Den Uyl had niet lang
nodig: “Ach, geef die vent toch zijn zin.” Hij dacht nog even na. “Vraag voor alle
zekerheid nog maar even wat de Gaay ervan vindt.”
Gaius stond apart, zodat we niet hoefden te wachten. Van Lent vroeg mij om
aan de man, die in 1977 van Agt als vice-premier zou opvolgen, te vertellen wat hij
al aan den Uyl had voorgelegd. Ik maakte van die gelegenheid gebruik om mijn ex-
voorzitter ook te zeggen dat mijn ervaringen met Elstak mij hadden geleerd te den-
ken dat hij aan het toneelspelen was. Voor een Creoolse Surinamer geen ongebrui-
kelijke manier om te proberen toch zijn zin te krijgen. Ik raadde de Gaay daarom
aan om Elstak zijn ‘act’ maar te laten opvoeren. “En zelfs als ik het mis heb”, voeg-
de ik daaraan toe, “heeft van Lent nog altijd een kandidaat voor het commando van
de SKM achter de hand. Mocht-ie echt afhaken, dan hoeven we Hoost niet in de kou
te laten staan.” De Gaay dacht even na. Toen wendde hij zich tot mijn staatssecreta-
ris: “Verstegen heeft gelijk, Cees. Niets doen.” Het bericht over het inpakken onder
schijnwerperlicht werd zo voor kennisgeving aangenomen. Even later gingen we
aan tafel.
De dinerzaal van Torarica was met een tussenschot over meer dan de helft van
de breedte in tweeën gedeeld. In het grootste gedeelte zaten Prinses Beatrix en prins
Claus, de Nederlandse en de Surinaamse kabinetsleden en andere hoge genodigden,
in totaal zo’n 112 gasten. Anneke en ik zaten in het kleinere zaalgedeelte met vijftig
anderen, meest ambtenaren, maar ook heel wat buitenlandse gasten. Het was een
heel geanimeerd gesprek aan tafel. Omdat Anneke veel beter Frans spreekt dan ik,
dankzij twee seizoenen in een hotel in Lourdes, raakte zij aan de praat met Jean
The Governor of Suriname
and Madame Ferrier – Vas
request the pleasure of the company of
Mr.
Verslagen on
Mess Verslagen
at a
State Banquet
on Monday, 24th November 1975
at 7.15 p.m. for 7.45 p.m. Torarica Hotel
PLEASE BRING THIS CARD WITH YOU
100
Prinses Beatrix en Prins Claus in de Hervormde kerk; de lege stoel tussen hen is voor het Surinaamse
staatshoofd.
Masseron van het Institut Français du pétrole. Intussen werd ik op de schouder
getikt door een bediende van het hotel. Of ik even bij mijnheer van Lent in het ande-
re zaalgedeelte wilde komen. Ik liep dus om het schot heen en vervoegde me bij de
staatssecretaris. Die zei alleen: “Gefeliciteerd, je had gelijk. Hij is weer aan het uit-
pakken.” Zo werd de kolonel met wie ik zo veel had moeten praten en die het mij
soms zo moeilijk maakte, toch de eerste commandant van het Surinaamse leger, dat
wij in onze commissie op poten hadden moeten zetten. Ik voel me nog steeds met
hem en Suriname verbonden.
De volgende morgen zag ik hem en zijn vrouw in de Hervormde kerk, waar de
Onafhankelijkheidsceremonie plaatsvond. De kerk was tjokvol met genodigden,
onder wie natuurlijk de prinses en haar echtgenoot, die door Arron binnengeleid
werden. Zij namen plaats aan weerszijden van Ferrier, die tot het eerste staatshoofd
van het onafhankelijke Suriname was gekozen. In het midden van de kerk was een
lange, U-vormige tafel opgesteld, waaraan de Surinaamse Statenleden plaats namen.
Tegenover hen zat het Surinaamse kabinet. Premier Henck Arron hield zijn onaf-
hankelijkheidsrede, waarna Ferrier werd ingezworen als president. Wij keken vanaf
het balkon toe.
‘s Avonds om zes uur hield de Raad van ministers zijn receptie. In de palmen-
tuin achter het paleis van de gouverneur konden we alle bewindslieden geluk wen-
sen met de onafhankelijkheid. Helaas hebben onze ‘beste wensen’ niet de voorspoe-
dige toekomst voor Suriname betekend, waarvan we hoopten dat die op deze dag
begonnen zou zijn. Maar de euforie bleef nog even, ook tijdens het Staatsbal in het
hotel, waar we ons in avondkleding tot in de kleine uurtjes vermaakten.
101
Voordat we de volgende dag, woensdag 26 november 1975 afscheid moesten
nemen van Suriname, keken we op het Oranjeplein, dat inmiddels was omgedoopt
in Onafhankelijkheidsplein, nog even naar de show van de militaire kapel. De leden
van de TRIS-kapel waren allemaal in Surinaamse dienst overgegaan. Deze intact
gebleven band was daarom in staat om zijn bevelhebber zo trots als een pauw over
het plein te laten lopen. Elstak glorieerde zichtbaar.
Helaas werd zijn SKM geen succes. In februari 1980 kwam er zelfs helemaal een
eind aan zijn bestaan. Bij de coupe van Bouterse werd hij, als het Nationale leger, tot
het instrument waarmee een totalitair regime zijn misdaden kon begaan. Dat die
op 8 december 1985 culmineerden in de gruwelijke moorden in Fort Zeelandia ver-
vult ons nog steeds met afschuw. De hoofdpersoon van dit boek ontsnapte
Godzijdank aan die moordpartij. Nadat hij eerst door Bouterse gevangen was gezet,
kreeg hij gelukkig de gelegenheid naar Nederland te gaan. Sindsdien woont hij rus-
tig met zijn echtgenote in Den Haag, maar met de geschiedschrijving van het ont-
staan van ‘zijn’ Surinaamse krijgsmacht wilde hij niets te maken hebben. Helaas.
102
Personenregister
Adam, B.H. 9, 24.
Agt, A. A.M. van 100.
Ajodhia, J. 29.
Akkerman, R.J. 58.
Anholt, van 89.
Arron, H.A.E. 7, 18, 30, 31, 37, 43, 47, 49,
52, 68, 69, 72, 85-87, 94, 99, 101.
Assen 42.
Bakker, J.A. 9-11
Beatrix, prinses 97, 100, 101.
Beek, H.L. van 28.
Berg, D. van den 29.
Biesheuvel, B.W. 8, 9, 24, 29.
Boersma, J. 8.
Boon von Ochssee, J.F. 31.
Bos, C.A.13, 25.
Bos, M. 13, 15, 18, 38-41.
Bouterse, D.D. 29, 42, 64, 74, 87, 88, 102.
Braam, R.W. 29.
Brahim, J.M.K. 69, 79.
Bruma, E.J. 37, 72, 86.
Cambridge, M.Ch. 18, 69, 85-87.
Chehin M.J.B. 41.
Claus, prins 97, 100, 101.
Croes, G.F. 16, 25.
Dam, F. van 68, 77.
Essed, F. E. 26, 27.
Evertsz, J.M.G. 8, 24, 78.
Ferrier, J.H.E. 31, 43, 49, 50, 71, 72, 77,
94, 95, 101.
Ferrier, mevr. 77, 97.
Fransman, P. 20.
Gaay Fortman, W.F. de 7, 8, 13-16, 18, 21,
24, 29, 30, 33, 37, 40, 68,70-72, 74, 78,
80, 83-85, 87, 88, 90, 96, 100.
Geertsema, WJ. 9, 10.
Genderen, O.W. van 69-72, 86.
Geurtsen, A. 13, 38, 97.
Geurtsen, Wil 38, 97.
Glastra van Loon, J.F. 87.
Goede, A. de 13, 18, 68, 83, 85, 86, 90,
97.
Gomez, M.D. 37.
Haakmat, A.R. 37, 39-42, 59, 62, 78, 82,
84, 88, 99.
Harinxma thoe Slooten, M. J.P.D. van
13.
Heemstra 42.
Hefford, kol. 97.
Herrenberg, H. 26.
Hindorie, G.D. 29.
Hoeven, J. van der 8, 13, 24, 37-39, 41,
97.
Dam, M.P.A. van 56, 85.
Dietz, L. 29, 44, 46, 51, 53, 66.
Dip 38.
Douglas, J. 29.
Duisroes, G.F. 16, 25.
Dam, F. van 68, 77.
Dam, M.P.A. van 56, 85.
Dietz, L. 29, 44, 46, 51, 53, 66.
Dip, C.E. 38.
Douglas, J. 29.
Duisenberg, W. 7, 29, 33.
Duk, W. 9.
Eer, W.F. van 87.
Elfferich, P.C. 13.
Elstak, Y.D.F. 31, 32, 34-36, 43-46, 49, 51-
54, 56, 58-64, 66, 67, 69-71, 73-75, 77-81,
84, 89-95, 97-100,102.
Elstak, Netty 31, 51,77.
Elzerman, J.Ph. 66,68, 74.
Hoost, A.E. 30, 33, 35, 43, 49, 50, 56, 58,
59, 61, 62, 65, 69-75, 78-81, 83, 84, 87,
89-95, 100.
Isa, R.J. 14, 15.
Jeukens, H.J.M. 9, 13, 37, 38.
Jong, P. J.S. de 10, 11.
Jong, de R. 31.
Juliana, koningin 9, 13, 15.
Karamat Ali, A.G. 37, 38, 50, 86.
Kooymans, P.H. 68, 77, 85, 90, 91, 97.
Kop, H. van der 13.
Korthals, H.A. 9.
Koster, H.J. de 14, 23.
Lachmon, J 18, 26, 27, 29, 30, 37, 68, 86.
Lammeree, J.M. 31, 43.
Lankhuijzen, A.J. 9.
Lardinois, P.J. 8, 10, 15.
Leeuw, J.W. de 56, 92.
103
Leeuwin, H. 29.
Lenselink, P.S. 31.
Lent, C. L.J. van 35, 48, 56, 68-70, 73-75,
77, 80-85, 89-95, 97-101.
Leopold, H. 93, 94, 97.
Lier, Th.J.A.M. van 13, 18, 26, 27.
Lofton, H. 25.
Loosbroek, A. van 13.
Maarseveen, G. 29, 31, 35, 53.
Masseron, J. 101.
Merckelbach, J.P.M.H. 24, 25, 68.
Meyer 89.
Mol, M.W.J. 98.
Mommersteeg, J.A. 22, 28, 29, 48.
Morpurgo, A.J. 7, 15, 26, 27, 37.
Muntslag 92.
Nelissen, R.J. 13, 14, 24, 29.
Nie, R. van 25.
Oel, J. van 15, 30.
Ooft, C.D. 69, 70, 72.
Pengel, J. 37, 43, 44.
Petronia, E.O. 10, 12.
Peynenburg, G.H.J.M. 35, 58, 84, 94.
Polanen 31.
Pronk, J.P. 31, 42, 68, 70-72, 77, 78, 80,
83-88, 97.
Quintusz Bos, A.J.A. 22, 31.
Ramdat Misier, L.F. 31, 95.
Regt, I.C. de 13.
Riphagen, W. 9, 13, 38.
Ru, H. de 68.
Schaik, Th. E.E. van 13.
Scheltema, H. 68.
Schuring, A.A. 29, 44, 46, 51, 53, 65,
66, 95.
Sedney, J. 10-12, 28, 30, 50.
Shankar 50.
Sjak Shie, P.R. 28, 29.
Smits, R.M. 29.
Snelders, T.W.A. 53, 54.
Soemita, W. 40, 50, 69.
Stoel, M. van der 48.
Teixeira, W. 31.
Trompper, M.C.J.E. 96.
Troon, F.F.J. 31.
Uyl, J.M. den 7, 29, 30, 40, 41, 49, 62, 66,
68, 70, 80, 82-85, 87, 89-91, 94, 96-100.
Valk, H. 29, 93, 95.
Vermeulen-Lubout, Mimi 43, 44, 46, 58.
Verstegen, Anneke 38, 95, 97, 99, 100.
Verstegen, M.A.M. 13, 98, 100.
Verwoert, E.F.B. 13.
Veurink, D. 56, 92.
Vredeling, H. 7, 8, 14, 17, 29-31, 33-36,
47-50, 52-54, 56, 59, 60, 62, 65-67, 71, 73-
75, 78, 80, 84, 89-93.
Vredeling, mevr. 49, 52.
Walker, E. 29.
Wathey, A.C. 25.
Weening, F. 74.
Westerterp, T.E. 97.
Woerlee, M. 32, 34, 35, 49-51, 54, 69, 73-
75, 84, 89, 90, 92-97.
Woerlee, Miep 51, 77, 92, 93, 96.
Wijntuin, E.L.A. 49.
Zeevalking, H.J 87.
104
89053105466
b89053105466a
89053105466
b89053105466a
Mr. Math Verstegen werd in 1970 benoemd tot hoofd van de
afdeling Wetgeving en Publiekrecht van het Ministerie van
Defensie. Toen in het jaar daarop door het kabinet Biesheuvel
samen met de regeringen van Suriname en de Nederlandse
Antillen werd besloten een breed samengestelde commissie te
laten bezien welke altenatieve verhoudingen dan die van het
Statuut voor het Koninkrijk van 1954 tussen de drie landen
zouden kunnen gaan bestaan, werd hij door minister Henk
Vredeling aangewezen om voor Defensie in die commissie
zitting te nemen.
Door die commissie werd de onafhankelijkheid van Suriname
voorbereid. Daarbij was Verstegen dus direkt betrokken, maar
nog veel intensiever was zijn betrokkenheid bij de totstand-
brenging van de Surinaamse krijgsmacht. Het Surinaamse
kabinet van Henck Arron had de aanwezigheid van een mili-
tair apparaat als conditio sine qua non voor de souvereiniteits-
overdracht gesteld.
Met het opzetten daarvan werd een commissie van deskundi-
gen belast, waarvan Verstegen de Nederlandse en Y. Elstak de
Surinaamse voorzitters werden. Over zijn belevenissen in en
rond beide commissies vertelt de schrijver meer dan twintig
jaar na de onafhankelijkwording van Suriname dingen, die nog
niet eerder naar buiten gebracht zijn.
De titel van het boek is ontleend aan de gebeurtenis, die zich
in de tuin van Elstak afspeelde, toen in hotel Torarica het
staatsbanket werd gehouden.
ISBN 90b881073-1
Van Soeren & Co
9 799068 810737