Villa Maarheeze: De Geschiedenis van de Inlichtingendienst Buitenland – Bob de Graaff & Cees Wiebes 1998

Pagina 284

Tijdens het kennismakingsgesprek met Rutgers op het ministerie van Buitenlandse Zaken formuleerde de ambassadeur in algemene dienst en plaatsvervangend
directeur-generaal Politieke Zaken J.G.N. de Hoop Scheffer voor Bz de volgende
verlangens: inlichtingen over ontwikkelingen in West- en Zuid-Europa, zoals de
verhoudingen Griekenland-T’urkije, mede in het licht van Cyprus; politieke
ontwikkelingen in Italië en de rol van de communistische partij cr; ontwikkelingen in Spanje en Portugal; de verhouding tussen de Sovjet-Unie en Scandinavië;
ontwikkelingen in Oost-Europa zoals het beleid inzake de toepassing van de
akkoorden van Helsinki en het leiderschap in Moskou; reacties op het post-Titotijdperk en militaire krachtsverhoudingen in het Warschaupact; ontwikkelingen
in het Midden-Oosten, onder meer betreffende de Pro; ontwikkelingen in Rhodesië, Namibië en Angola; ontwikkelingen in Azië, met name in Indonesië en
Oost-Timor; de interne verhoudingen en het onafhankelijkheidsstreven op de
Antillen; de toestand in Suriname en de externe relaties van deze voormalige
kolonie. Het was duidelijk dat men op Buitenlandse Zaken nog steeds niet had
begrepen dat voor een goed functidneren van de 1pB de formulering nodig was
van concrete en toegespitste verlangens door Bz.
Op 24 november 1977, ruim een jaar na de eerste Micrv-vergadering, schreef
Hagen aan secretaris-generaal Ringnalda dat hij nog steeds zat te wachten op een
inlichtingenbehoeftenplan. In afwachting daarvan had het hoofd 1pB alvast maar
een voorlopig organisatieschema op papier gezet, dat volgens hem weinig bijstelling
zou vereisen wanneer de officiële reguirements wel beschikbaar zouden zijn.”
Blijkens dit schema zouden er naast de afdeling Verwerving een verwerkende
afdeling komen, die later ‘Stafafdeling voor Politieke en Economische Aangelegenheden’ zou gaan heten, en een afdeling Personele en Algemene Zaken, waaronder ook de interne beveiliging van de Villa Maarheeze viel. De dienst zou in
totaal zeventig personeelsleden omvatten.


Pagina 289-291

In een brief aan Den Uyl als voorzitter van de vaste Kamercommissie motiveerde
premier Van Agt het vertrek van Hagen met de opvatting dat acht jaar de maximale
termijn was voor de bekleding van de functie van hoofd 1pB, een ‘kleine besloten
Dienst, die onder moeilijke omstandigheden moet werken’.4 Den Uyl maakte
het zijn opvolger op dit punt niet lastig. In de verslagen van de vaste Kamercommissie over 197846 en 1979%7 werd geen regel besteed aan de 1DB en de nog steeds
bestaande personele problemen.
Overigens was Van Agt kennelijk op zeer korte termijn tot zijn acht-jaar-regeling gekomen, want aan minister C.A. van der Klaauw van Buitenlandse Zaken schreef
de premier dat er omtrent de opvolging van Hagen nog niets was geregeld.
Kruimink zou als interimhoofd optreden. De premier stelde suggesties van Buitenlandse Zaken voor de definitieve opvolging op prijs, evenals aanbevelingen
voor een passende werkkring voor Hagen.4® Kruimink richtte zich met een
soortgelijk verzoek tot Rutten. Uit het profiel van het 1pB-hoofd dat hij daarbij
schetste, bleek dat Kruimink na ruim vijf jaar coördinatorschap het relatieve
gewicht van de 1DB op waarde had leren schatten. De functionaris zou begrip
moeten hebben voor de beperkte mogelijkheden van een Nederlandse inlichtingendienst en op dit punt geen al te grote ambities mogen koesteren.49
Het verzoek aan Buitenlandse Zaken leverde een reactie uit onverwachte hoek
op. Rutten informeerde namelijk oud-minister Luns, die inmiddels secretaris-generaal van de NAvo was geworden, over het ontstaan van de vacature en vroeg
hem of hij bereid was de kandidatuur te steunen van Bakker, alias ‘Virgil’. Luns
zegde dadelijk zijn steun toe en ook de cra-statton-chief Philip Fendig in Den
Haag liet weten dat Bakker zijn zegen had. De secretaris-generaal van het ministerie
van Buitenlandse Zaken, mr. F. Italianer, Rutten en zijn opvolger als perz dr.
K.W. Reinink drongen in lange gesprekken met Kruimink aan op Bakkers
benoeming. Kruimink weigerde echter. Wellicht pleitte tegen Bakker dar hij bij
de Land- en Luchtmacht had gezeten en dus géén marineman was.
Na het ontslag van Hagen vond Maarseveen het beter ook maar te vertrekken.
Hij keerde terug naar de Landmacht. In 1980, kort na de coup in Suriname, zou
hij milicair attaché worden op de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Als hoofd
Verwerking werd hij opgevolgd door L. Jongsma, de angry young man, die in de
volgende episode van de dramaserie rond de ‘Nederlandse cra’ een belangrijke
rol zou spelen.


Pagina

Twee kampen

Zo kleurde het cultuurverschil tussen de directies Verwerving en Verwerking het
belangrijkste personele conflict aan het begin van de jaren tachtig: de strijd om
de macht tussen de hoofden Meulmeester en Jongsma, met als inzet de vraag wie
hoofd van de 1pB zou worden na het vertrek van Romijn. Bekend was dat Rutgers
in 1985 met functioneel leeftijdsontslag zou gaan. Wie hem zou opvolgen als
plaatsvervangend hoofd, zou ook een goede kans maken daarna in Romijns
voetsporen te treden. Meulmeester wist zich verzekerd van de steun van Romijn,
Rutgers, Kruimink en Ringnalda. Jongsma lag goed bij een groot deel van het
personeel en liet zich door de overmacht aan de top niet omverblazen.
Er ontstond een sfeer waarin medewerkers werden opgedeeld in twee kampen
die elkaar vanuit hun loopgraven bestookten. Deze tegenstelling kreeg ruimtelijk
vorm doordat de verwerkers van Jongsma waren ondergebracht in de villa, terwijl
de operateurs van Meulmeester in de bungalow waren gehuisvest. Bij de directie
Verwerving werkten nog steeds vele medewerkers met een militaire of marineachtergrond. Zij streefden vooral naar de verzameling van maritieme en militaire
inlichtingen. Volgens Romijn was de maritieme desk de kurk waar de dienst op
dreef.
Dit zou dan uiteraard ten koste gaan van de politiek-economische berichtgeving,
die juist de academisch geschoolde medewerkers van Verwerking nastreefden.
Militaire gegevens gingen rechtstreeks naar de inlichtingendiensten van de krijgsmacht, met name de MARID en de LAMID. De dienstleiding gedoogde echter dat
het hoofd van de militaire desk van Verwerving niet alleen over militaire, maar
ook over politieke onderwerpen, die aan Verwerking hadden moeten worden
gerapporteerd, rechtstreeks in contact trad met de LAMID. Daarnaast gaf Verwerving informatie vertraagd door aan de analisten. Een rapport over de sovjetinvloed
in de Indische Oceaan arriveerde bijvoorbeeld pas twee maanden na opstelling
ervan bij Verwerking. Omgekeerd verlangde de afdeling Verwerving wel dat het
een kopie zou ontvangen van alle rapporten die Verwerking uitbracht aan de
militaire zusterdiensten.
De analisten zagen met lede ogen hoe de LAMID garen spon bij deze situatie.
De militaire dienst nam het voortouw bij de inlichtingenverwerving over het
conflict tussen Irak en Iran en hield informatie achter over de ontwikkelingen in
Suriname, waar in 1980 militairen onder leiding van Desi Bouterse door een
staatsgreep aan de macht waren gekomen. Overigens stoorde dit optreden van de
LAMID ook Romijn. De inlichtingenchef voegde het hoofd van die dienst kolonel
H.R. Toorop kort voor diens vertrek eind 1980 toe, dat de 1pB ‘schijtziek’ werd
van het optreden van de dienst van de Landmacht. Rutgers had kort daarna bij
de presentatie van het nieuwe hoofd A.W. Schulte wel het een en ander uit te leggen.


Pagnia 337-338

De opvolger van Bowe werd Kevin Andre Maloy (1986-1990)? Maloy vond
de 1pB weliswaar een professionele organisatie, maar over de kwaliteit van de
rapportages was hij niet erg te spreken. Ongetwijfeld zal bij zijn oordeel hebben
meegewogen dat hij eerder enige tijd gestationeerd was geweest in West-Duitsland
en op Cyprus, waar lieden van de meest uiteenlopende inlichtingendiensten hun
duistere deals met elkaar dreven. In vergelijking met de grote Bundesnachrichtendienst en het inlichtingenlustoord Cyprus stelden de 1pB en Nederland weinig
voor. Holland moet voor de nieuwe station-chtef, die tijdens eerdere werkzaamheden tot driemaal toe de dood recht in de ogen had gezien, een wel erg kalm
werkterrein zijn geweest. Voor gezamenlijke operaties op korte termijn ontbrak het de 1pB aan personeel. Voor de langere termijn konden echter wel gemeenschappelijke operaties worden opgezet.
In 1990 kwam R.L. (Ronald) Cerra, die tot 1994 cos zou blijven. De 1 meter
go lange Amerikaan had eerder een moeilijke tijd gehad om zich onopvallend te
bewegen, toen hij vier jaar lang station-chief in Sjanghai was geweest. Niet alleen
zijn lengte, ook zijn Italiaanse uiterlijk speelde hem kennelijk parten, want een
Nederlandse gesprekspartner omschreef hem met enige overdrijving als een ‘beetje
maffia-achtig type met een godfather-achtig huis’ vlak naast Duindigt. Ten tijde
van Cerra zou het cla-station de 1pB-inlichtingen over Irak en Suriname erg
waarderen. Zowel de informatiepositie als de analyse van de Nederlandse dienst
werden voor die gebieden van hoge kwaliteit geacht. Met spijt werd vastgesteld
dat de Nederlandse regering opheffing van de dienst noodzakelijk achtte.


Pagina 355-372

HOOFDSTUK XIII
‘Nul, zero, niks’:
Suriname
Personele wisselingen

De ontmaskering van Smit plaatste de 1DB en vooral de afdeling Verwerking voor
nieuwe problemen. Het coördinatieorgaan op regeringsniveau, bestaande uit het
hoofd Verwerking van de 1pB, geassisteerd door de chefs van de analyseafdelingen
van de BvD en de LAMID, raakte door het vertrek van Smit in het slop! De overige
Nederlandse geheime diensten hadden even geen behoefte aan contact met de
afdeling Verwerking van de 1pB. Eind juli 1983 schreef Kruimink voorzichtig dat
de contacten met de analisten van de Bvp en de militaire inlichtingendiensten
‘wanneer mogelijk, geleidelijk weer gaan plaatsvinden’?
De betrekkingen van de 1pB met de ministeries hadden volgens Kruimink ‘zeker
niet geleden’ onder de affaire. Misschien had in dat opzicht de zaak-Smit niet
rechtstreeks roet in het eten gegooid, maar blijkens een notitie van enkele maanden
later was het door overbelasting van het geringe aantal overgebleven analisten wel
moeilijk een geregeld contact met de afnemers te onderhouden.+ Er werkten
inmiddels bij de afdeling namelijk nog maar vier medewerkers, die als aandachtsvelden hadden: Afrika en het Midden-Oosten, Europa, het westelijk halfrond en
de analyse van het wkc-materiaal. Plaatsvervangend diensthoofd Rutgers moest
noodgedwongen het Verre Oosten ‘erbij’ doen. Met deze bezetting kon nog maar
net adequate ondersteuning worden gegeven aan de directie Verwerving.”
Smits opvolger als hoofd van de analyseafdeling, drs. Antonius Henricus Jacobus
Maria Speekenbrink, was ook al geen succes. Speekenbrink, geboren in 1938, had
een uitgebreide staat van dienst als diplomaat.* Hij had onder meer aan de Edmund
A. Walsh School of Foreign Service van de Georgetown University in Washington
en aan de prestigieuze Fletcher School of Law and Diplomacy in Massachussetts
gestudeerd. Vanaf 1966 was hij achtereenvolgens als diplomaat gestationeerd
geweest in Buenos Aires, Monrovia, bij de permanente vertegenwoordiging bij
de Verenigde Naties, in Oost-Berlijn en bij de permanente vertegenwoordiging
van Nederland bij de Noord-Atlantische Raad. Vanaf 1982 was hij hoofd van het
bureau Wetenschappelijke Samenwerking op BZ, dat hem in 1984 bij de 1pB
detacheerde. De bedoeling was dat hij daar drie jaar zou blijven, maar hij kwam
al snel in conflict met de rest van de medewerkers. De deftige Speekenbrink paste
absoluut niet binnen het 1DpB-milieu. De operateurs beschouwden hem als de ears and eyes van Bz. In 1985 vertrok hij bij de dienst en werd consul-generaal in
Kaapstad.7
Speekenbrinks opvolger werd Godfried Leonard Olaf baron van Boetzelaer, die,
zoals hij hetzelf uitdrukte, in de volgende jaren de Mata Hari’s en James Bonden
aan zijn bureau zou zien voorbijtrekken? De ‘baron’®, zoals hij in 1pB-kringen
werd genoemd, Olaf voor vrienden, kwam uit een oerconservatief milieu. Zijn
grootvader van moederszijde was prof.dr. Harmen Westra, die, na een carrière als
Indisch ambtenaar, aan het eind van de jaren dertig als hoogleraar staats- en
adatrecht aan de Indologische faculteit in Utrecht in uiterst rechts vaarwater
terecht kwam. Tijdens de Duitse bezetting van Nederland werd hij NsB-burgemeester van Den Haag en adviseur van NsB-leider Anton Mussert. Na de oorlog
werd hij wegens zijn hulpverlening aan de vijand door de Bijzondere Raad van
Cassatie tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld.
Van Boetzelaer, die zelf halverwege de bezetting was geboren, werd op zijn zesde
jaar, door het tweede huwelijk van zijn moeder, rooms-katholiek. Na zijn rechtenstudie aan de universiteit van Utrecht vestigde hij zich als advocaat in Den
Bosch, waar hij zich als een behoudend katholiek ontpopte. Rond 1970 werd hij
ere- en devotieridder van de Soevereine Militaire Orde van Malta, een organisatie
die zich voornamelijk richt op hulpverlening bij rampen en zich inzet voor goede
doelen. De orde is tevens een exclusief gezelschap dat zware toelatingseisen kent
— Nederland telde in die tijd nauwelijks meer dan vijftig leden —°® en zich formeel
de verdediging van de rooms-katholieke kerk ten doel stelt. Van het lidmaatschap
van de Orde, die door tal van staten als soevereine natie met eigen ambassadeurs
en paspoorten wordt erkend, is altijd een grote aantrekkingskrachten uitgegaan
op leden van de internationale inlichtingengemeenschap.
Behalve via zijn ridderschap van de Maitezer Orde kwam Van Boetzelaers
uitgesproken katholieke standpunt tot uitdrukking door zijn politieke opstelling.
Van 1974 tot 1977 was hij gemeenteraadslid voor de vvp in Vught, maar hij verliet
die partij omdat hij zijn politiek handelen niet langer kon verenigen met zijn geloofsovertuiging.”* Na enige tijd als administratiefrechtelijk jurist te hebben
gewerkt bij de gemeente Haarlem, trad Van Boetzelaer in dienst van de 1DB. In zijn woonplaats Den Haag meldde hij zich aan bij het cpa, waarna hij in die stad
voorzitter werd van de afdeling Centrum.
Hij zou het als een teleurstelling ervaren dat het cba hem in 1989 passeerde bij
de opstelling van de kandidatenlijst voor de Europese verkiezingen. Tenslotte had hij zich steeds zeer ingespannen, eerst in de werkgroep Europese integratie en later in de werkgroep Midden- en Oost-Europa van zijn partij. In die laatste hoeda- nigheid nam hij ook deel aan zogeheten fact-finding-missies van het cpa, waarbij
steun werd geboden aan Oost-Europese christen-democratische partijen, bijvoor- beeld in de vorm van voorlichting over het voeren van een verkiezingscampagne. Ondanks de kennisvoorsprong die hij onmiskenbaar moet hebben gehad binnen de werkgroep Midden- en Oost-Europa, werd hij bij de kandidaatstelling terzijde
geschoven. 5 Zijn collega’s bij de 1pB vonden Van Boetzelaer weliswaar zeer aimabel, maar
teveel een studeerkamergeleerde om een goed inlichtingenman te zijn. Niettemin
stonden zijn plenaire briefings voor de 1pB-medewerkers bekend als grondig en
geestig. Tot zijn treurnis zou hij moeten vaststellen dat zijn analyses eind jaren
tachtig over een nakende burgeroorlog in Joegoslavië ‘niet de geringste interesse’
kregen van ‘de destijds eerst aangewezene’ en ‘de toko van de destijdse minister
Hans van den Broek’!4 Mert zijn conservatieve achtergrond paste de baron
overigens goed in de toenmalige leiding van de dienst.
Een ander nieuw afdelingshoofd was G. van Asch, die afkomstig was van de
MARID, waar hij luitenant ter zee tweede klasse met kort verband was geweest.
Hij kende Meulmeester uit de tijd dat zij gezamenlijk bij de Marine Luchtvaartdienst (MLD) hadden gewerkt, waar Van Asch was opgeleid tot officier-waarnemer.
Ten slotte werd De Vries in februari 1984 als hoofd van s & T opgevolgd door
ir. L.A.A. Romeyn, voormalig directeur van een dochteronderneming van de N.v.
Schokbeton. Romeyn ervoer zijn achtergrond in het bedrijfsleven niet als een
handicap. Integendeel, in 1998 zou hij schrijven dat de 1pB naar zijn oordeel “de
meest on-ambtelijke organisatie binnen de Nederlandse overheid” was, wat gezien
de taak van de dienst volgens hem ook nodig was. Dankzij de aard van zijn
werkzaamheden was Romeyn steeds in de gelegenheid zich ‘zéér onafhankelijk en
on-ambtelijk’ op te stellen, waardoor hij zijn werktijd bij de inlichtingendienst
over het geheel genomen als zeer prettig ervoer.!é
Na het vertrek van Smit bedroeg het aantal medewerkers bij de 1pB 59: beduidend
minder dan de formatie van 7o die — onder voorbehoud van de bezuiniging op
het ministerie van Algemene Zaken — aan de dienst was toegestaan? Niet alleen
bij Verwerking deed zich een personeelstekort voor. Ook de operateurs hadden
hun problemen. Zij raakten snel gefrustreerd door het gebrek aan mogelijkheden
voor het opzetten van operaties. Geconfronteerd met een fors aantal targets
spiegelden zij zich tevergeefs aan grote buitenlandse zusterdiensten. Hun frustratie
was een bijna dagelijks gespreksonderwerp in de bungalow, waar uitdrukkingen
als ‘we zijn een spionnen-MAVvO’ of ‘ik ben agent 003%’ over tafel gingen. Een
deel van de jonge 1pB’ers vertrok eveneens wegens het vooruitzicht dat Meulmeester, die per 1 januari 1985 Rutgers opvolgde als plaatsvervangend hoofd 1DpB,
in 1986 de leiding van de dienst van Romijn zou nemen, iets waar zij weinig goeds
van verwachtten.
Als gevolg van het personeelsverloop begonnen vrouwen in het midden van de
jaren tachtig binnen de 1pB een belangrijker rol te spelen. Tot die tijd waren
vrouwen alleen in administratieve functies aangetrokken, al had in de jaren zeventig
een van hen, een dochter van een tijdens de oorlog omgekomen verzetsman, al
wel operationele taken op zich genomen. Een van de nieuw aangetrokken vrouwelijke medewerkers maakte in de tweede helft van de jaren tachtig de analyses
van het westelijk halfrond, die in die periode met name op Suriname betrekking
hadden, en voerde daarover regelmatig overleg met de top van Algemene Zaken.
Zelfs briefde zij ooit cia-directeur William Casey. Ondanks het personeelsverloop bleef Romijn optimistisch over de mogelijkheden tot uitbouw van de dienst. Hij rekende er op dat in de jaren 1984 tot en met
1986 de personeelssterkte, die in 1977 was vastgesteld op 7o personen, zou kunnen
groeien tot 78. Zolang sAZ in Maarheeze zou zijn gehuisvest — en Romijn verwachtte dat dat nog lang het geval zou zijn — was een groei tot dertig operateurs
en tien analisten mogelijk. De rest van het personeel zou voornamelijk ondersteunende diensten verlenen. Het hoofd van de 1pB zag slechts één randvoorwaarde:
‘Het personeelsbestand zal immer gestoeld blijven op de behoefte bij de afnemers.
Het oordeel hierover moet regelmatig gepeild worden. De Coördinator heeft
hierbij de meest neutrale positie.”!8
Inlichtingenbehoeften
Een duidelijker indicatie dan tot dusver van de behoefte van de afnemers gaf het
in 1982 voor het eerst tot stand gekomen Nationaal Inlichtingen Behoeften Plan
(NiBP). Het was bedoeld voor de periode van medio 1982 tot midden 1983 en zou
daarna worden aangepast. Of dit gebeurd is, is niet bekend. Het ministerie van
Algemene Zaken heeft bij de ordening van de archieven van het ministerie, de
coördinator en de 1DB geen andere NiBP’s aangetroffen.!?
In de considerans van het plan werd de noodzaak van prioriteitstelling van de
requirements onderstreept, aangezien de 1pB ‘met het tot haar beschikking staande
potentieel aan personeel en middelen zelfs onder de meest gunstige werkomstandigheden slechts een gering gedeelte van de wensen van haar opdrachtgevers zal
kunnen vervullen’.2°
Het viel de ministeries echter bijzonder moeilijk concrete behoeften aan te
geven. Het inlichtingenbehoeftenplan telde 32 dicht betypte pagina’s bijlagen met
een opsomming van landen en onderwerpen die om de een of andere reden in de
belangstelling stonden van de beleidsmakers op Buitenlandse Zaken, Economische
Zaken of Defensie. Buitenlandse Zaken drong erop aan dat de 1pB zich zo weinig
mogelijk op open bronnen zou richten, omdat informatie die daaruit werd
verkregen weinig zou toevoegen aan wat op dat ministerie al bekend was. De
gebieden waarop BZ en Economische Zaken inlichtingenbehoeften formuleerden
betroffen de gehele wereld met uitzondering van de Verenigde Staten en WestEuropa. Voorts moest de 1DB voor BZ vooral inlichtingen vergaren in landen waar Nederland niet beschikte over een diplomatieke vertegenwoordiging.
De hoogste prioriteit (informatie welke essentieel is voor de besluitvorming op
beleids-, plannings- en uitvoeringsniveau’) gaf Buitenlandse Zaken onder meer aan inlichtingen over ontwikkelingen in de leiding van partij en staat, de onderlinge
samenwerking, dissidente bewegingen en schendingen van mensenrechten en grootschalige onvrede in de communistische staten; de wapenbeheersingspolitiek van die landen; de Oost-West-verhouding; de Duits-Duitse betrekkingen; de betrekkingen tussen de Sovjet-Unie enerzijds en Joegoslavië en Roemenië anderzijds; de binnenlands-politieke ontwikkelingen in Polen; voorboden van een
gewapend conflict waarin Israël betrokken zou zijn; belangrijke wijzigingen in het
standpunt van de Arabische landen, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie ten
aanzien van Israël; de stabiliteit in de Golfregio; reacties in de Arabische wereld
op Nederlandse maatregelen, zoals de wetgeving met betrekking tot de zogeheten
‘niet-jood-verklaringen’; politieke, militaire en subversieve activiteiten van Cuba,
de Sovjet-Unie, de DpR en radicale Arabische staten in Midden-Amerika en
Suriname, en politieke ontwikkelingen in Venezuela en Midden-Amerika die
repercussies zouden kunnen hebben voor de Nederlandse Antillen.
Economische Zaken kende onder meer hoge prioriteit toe aan de verzameling
van gegevens over ruimtevaart-, nucleaire, laser-, pulsed power-, computer- en off
shore-technologie; bijna alle denkbare economische onderwerpen ten aanzien van
de Sovjet-Unie en Oost-Europa; handelsactiviteiten van westerse landen met
Saoedi-Arabië, Egypte, Irak, Iran en de Arabische emiraten; vroegtijdige plannen
tot aanbesteding van infrastructurele projecten, tot aanschaf van kapitaalgoederen
en tot opzet van agrarische projecten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en
Iran; de besteding van ontwikkelingsgelden in Afrika ten zuiden van de Sahara;
algemene politieke ontwikkelingen in Argentinië, Brazilië, Venezuela, Mexico en
Suriname; handelspolitieke ontwikkelingen in de eerste drie van deze landen;
tenders en offertes in het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Iran, Midden- en
Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en het Verre Oosten, en concurrentie van derde
landen in Midden-en Zuid-Amerika. Deze lijst van hoogste prioriteiten is geenszins
volledig. Grote delen van de bijlagen bij het Nationaal Inlichtingen Behoeften
Plan waarin de prioriteitstellingen van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken
zijn aangegeven, zijn bij vrijgave door het ministerie van Algemene Zaken aan
ons weggelakt.
Omwille van de ruimte zullen we hier de prioriteiten 2 (informatie welke in
hoge mate wenselijk is teneinde situaties of activiteiten op hun volledige omvang/
consequenties te kunnen beoordelen’) en 3 (informatie welke buiten de directe
belangensfeer ligt maar om enige reden wenselijk geacht wordt’), alsmede de
prioriteitstelling van het ministerie van Defensie, waarbij uiteraard ontwikkelingen
in het Warschaupact de hoogste voorrang genoten, maar buiten beschouwing
laten. Het zal intussen wel duidelijk zijn dat dit behoeftenplan nauwelijks een
verbetering betekende ten opzichte van de situatie waarin richtlijnen voor inlichtingenvergaring nog ontbraken. Een dergelijk plan kon bij een controle op de
vervulling van de behoeften niet anders dan tot teleurstelling over de prestaties
van de kleine 1pB leiden.

Een minder gunstige stemming op Algemene Zaken
Romijn mocht dan hebben gewezen op het belang van het oordeel van de afnemers
voor het voortbestaan van de 1pB, een belangrijke andere voorwaarde zag hij over het hoofd: de politiek moest de dienst welgezind blijven. Na de ruzies rond 1980
tussen de analisten enerzijds en Verwerving en de dienstleiding anderzijds en
vervolgens de zaak-Smit, was de opstelling van de minister-president van belang.
Kruimink, die per 1 november 1983 het coördinatorschap zou opgeven, moest in
zijn laatste maanden op Algemene Zaken alle zeilen bijzetten om premier Lubbers
ervan te overtuigen dat hij de 1DB niet moest opheffen.”
Lubbers’ intrek in het Torentje in november 1982 beloofde namelijk weinig
goeds voor de dienst. Zijn voorganger Van Agt had voor de 1pB nooit veel
belangstelling kunnen opbrengen. Zijn houding, en die van enkele eerdere premiers, jegens de dienst werd bepaald door de gedachte: ‘als er maar geen heibel
is’. Lubbers was echter ronduit vooringenomen tegen een dergelijke dienst. Volgens
welingelichte kringen zou Lubbers al vóór zijn entree in de politiek grote aarzelingen hebben gehad over de economische spionage die door de 1pB werd bedreven.
Daarvoor kunnen uiteenlopende redenen hebben bestaan. Lubbers was van 1963
tot 1965 directiesecretaris van Lubbers’ constructiewerkplaats en machinefabriek
Hollandia BV in Krimpen aan den IJssel, en vanaf 1965 samen met zijn broers
Rob en Richard directeur van dit bedrijf.?? In de eerste plaats kan het bedrijf van
de gebroeders — of personeel daarvan — in het verleden zijn benaderd door de 1p5.
Hollandia had immers veel werk in het Midden-Oosten en was daar betrokken
bij de aanleg van vliegvelden. Kortom, de firma beschikte in militair en politiek
opzicht over belangrijke informatie van strategische waarde, waarmee de 1DB ook
goed zou scoren bij de buitenlandse zusterdiensten. De 1DB gaf vanaf begin jaren
zeventig veel informatie over Nederlandse bedrijven met belangen in landen als
Irak en Koeweit aan Israëlische instanties. Als de dienst dat al niet vrijwillig deed,
kan dat verder zijn gebeurd door toedoen van Smit. Niet uitgesloten is dat de
Israëlische instanties die informatie hebben benut om druk uit te oefenen op deze
Nederlandse bedrijven.
In de jaren zeventig werden nagenoeg alle ondernemingen die in het MiddenOosten actief waren, benaderd door de dienst. De familie Lubbers kan angst
hebben gehad dat dergelijke 1pB-pogingen schade zouden berokkenen aan de
economische belangen van het bedrijf.
Er is ook de mogelijkheid dat de 1pB in het verleden een van de gebroeders
Lubbers — de 1pB wierf bij bedrijven voornamelijk informanten op directieniveau
— heeft benaderd om informatie te verschaffen, en dat dit de latere premier om
de een of andere reden slecht is bevallen.
Voorts kunnen de gebroeders Lubbers op de gedachte gekomen zijn dat zij
belangrijke orders zijn misgelopen in de Arabische wereld als gevolg van het werk
van westerse of meer specifiek Nederlandse inlichtingendiensten in de jaren zestig
en zeventig in die contreien. Tevens bestaat de mogelijkheid dat Hollandia nadeel heeft ondervonden door bevoordeling van bedrijven die nauwer verbonden waren met de 1pB en bijvoorbeeld op grond van het principe ‘voor wat hoort wat’ informatie hebben gekregen die aan het bedrijf van de gebroeders werd onthouden. Wart ook de reden mag zijn geweest, Lubbers was vanaf het begin van zijn politieke
loopbaan geen fan van de IDB.
Als minister van Economische Zaken tussen 1973 en 1977 maakte hij amper kennis met berichtgeving van de 1pB, omdat de IDB-rapportage op dat departement
zelden het niveau van het directoraat-generaal voor de Buitenlandse Economische
Betrekkingen (BEB) ontsteeg. Als voorzitter van de vaste Kamercommissie voor
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bleef hem geen positief beeld van de inlichtingendienst bij, doordat hij in die hoedanigheid voornamelijk werd geconfronteerd met de problemen rond Hagen en de afdeling Verwerking.
Op Algemene Zaken trof premier Lubbers evenwel, vooral bij Ringnalda, een
positieve instelling ten aanzien van de 1pB aan. Overgehaald door Kruimink
besloot Lubbers de inlichtingendienst nog niet op te heffen. Maar hij liet de vaste
Kamercommissie in september 1983 wel weten dat hij ‘thans dacht aan een iets
kleinere dienst, toegespitst op essentiële functies’, al wist hij nog niet precies welke
dat moesten zijn.”
Toch liet de minister-president zich in deze bijeenkomst ook in positieve termen
uit over de 1pB. De dienst had zich ontwikkeld conform de richtlijnen van de
MICIVv; de opbrengst van de verwerving was verdrievoudigd door verruiming van
het werkterrein, betere operationele leiding en betere sturing door het NiBP; en
als pluspunt op het conto van de afdeling Verwerking viel de analyse van de
informatie van het wKC te melden.24
In het kader van de zogeheten 2 procent-bezuinigingsoperatie bij de rijksoverheid, zo had de departementsleiding inmiddels besloten, zou de formatie van de
IDB niettemin worden teruggebracht naar 57 personeelsleden in 1986.2 Met zijn
schoten voor de boeg leidde Lubbers een periode in waarin weliswaar (nog) niet
het bestaansrecht van de 1pB ter discussie stond, maar de premier wel zijn borstelige
wenkbrauwen fronste over het functioneren van de dienst en over de waarde van
het resultaat.?* Met het vertrek van Kruimink werd de dekking die de coördinator
op Algemene Zaken aan de 1pB bood alleen maar minder. De nieuwe coördinator,
Alkemade, was een weinig doortastende man met veel minder natuurlijk gezag
dan zijn voorganger. Hij werd omschreven als ‘amorf’. Bij de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten en bij de in Den Haag vertegenwoordigde zusterdiensten vroeg men zich vaak af wat de voormalige Landmachtman eigenlijk deed.
Hij had weinig invloed op de secretaris-generaal en op de premier en hij wist
nauwelijks sturing te geven aan de IDB.
Op 1 juli 1986 volgde raadadviseur Rein-Jan Hoekstra Ringnalda op als secretaris-generaal van Algemene Zaken. Hoekstra, een antirevolutionair die als middelbare scholier grote bewondering had gekoesterd voor de Amerikaanse minister
van Buitenlandse Zaken John Foster Dulles en diens rol! back-strategie ten opzichte
van de Sovjet-Unie,?7 stond weliswaar kritisch tegenover de 1DB, maar beschouwde
de dienst als in de kern gezond. Premier Lubbers gaf echter in toenemende mate
uiting aan een tegenovergestelde opinie. Hij achtte de zaak ‘behoorlijk beschimmeld’.

Drie maanden na het vertrek van Ringnalda stapte Romijn op als hoofd van de
1DB. Zijn vervanger werd, zoals verwacht, Meulmeester. Het was geen gunstig
gesternte waaronder Meulmeester aantrad. Romijn had zich in het kader van de
bezuinigingen door Algemene Zaken al gedwongen gezien varianten te formuleren
voor afslanking van de dienst op basis van vervroegde uittreding en/of privatisering van de bewakingsdienst van de 1pB.28 Kort na zijn aantreden kreeg Meulmeester van het departement opdracht een nog veel verdergaand 20 procent
afslankingsscenario op te stellen, dat zou resulteren in het ontslag van elf medewerkers. Gedwongen ontslagen waren niet meer te voorkomen.”
De coup in Suriname
Het nieuwe 1pB-hoofd erfde ook de grote belangstelling die de dienst sinds 1980
had ontwikkeld voor inlichtingen over Suriname. Alkemade had in juli 1984 aan
Romijn meegedeeld dat Lubbers en minister Hans van den Broek van Buitenlandse
Zaken prijs stelden op regelmatige informatie over bepaalde landen. De coördinator stelde daartoe periodiek overleg voor tussen de 1pB, BZ en de BvD.3° Het
ministerie van Algemene Zaken weigerde in 1996 het document waarin deze
opdracht was vastgelegd, openbaar te maken, omdat dit zou kunnen leiden tot
schade voor de betrekkingen met andere landen, maar het is niet moeilijk te raden
dat een van de genoemde landen Suriname was.
In 1975 had het kabinet-Den Uyl, na een geforceerde voorbereiding, onafhankelijkheid verleend aan de Nederlandse kolonie in Zuid-Amerika. Door de komst
van grote aantallen Surinamers naar Nederland aan de vooravond van de soevereiniteitsoverdracht en door de verstrekking van flinke bedragen in het kader van
het verdrag Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname bleef de Nederlandse regering echter ook na de verlening van de onafhankelijkheid nog nauw
betrokken bij de gebeurtenissen in en rond Paramaribo.
Met pijn in het hart constateerden de Nederlandse autoriteiten, die gehoopt
hadden met Suriname, in tegenstelling tot de eerdere gang van zaken rond
Indonesië, een toonbeeld van een soepele dekolonisatie te bieden, dat de ex-kolonie
zich niet voorspoedig ontwikkelde. Al snel ontstonden er zowel in Suriname zelf
als in Den Haag frustraties over de wijze waarop de op etnische basis opererende
partijen de parlementaire democratie in het Latijns-Amerikaanse land in de praktijk
brachten. De bestaande partijen wisten de ruime geldschenkingen uit Nederland
niet erg productief aan te wenden en lagen voortdurend met elkaar overhoop. Zij
stonden onder de verdenking van corruptie en nepotisme.
Nog geen vijf jaar na de soevereiniteitsoverdracht pleegde op 25 februari 1980
een aantal Surinaamse onderofficieren, die er eigenlijk alleen op uit waren geweest
een niet-politiek arbeidsconflict op te lossen, een geslaagde coup. De leiding van
deze groep had sergeant-majoor Desi Délano Bouterse. Drie weken na de machtsgreep droegen de jonge militairen de macht over aan een burgerregering onder

leiding van premier Henk Chin A Sen, maar op de achtergrond bleef het leger onder leiding van Bouterse en de zijnen een factor van belang. De situatie in Suriname kreeg meteen na de staatsgreep de aandacht van de IDB. Lange tijd bleef onduidelijk welke weg Suriname na de staatsgreep zou inslaan. Waren de militairen werkelijk voorgoed teruggekeerd naar de kazernes? Zou er een ontwikkeling plaatsvinden in de richting van een linkse dictatuur, zoals in Cuba of Grenada? Of zou er een machtsstrijd ontbranden tussen de militairen?
Twee jaar nadat de regering Chin A Sen was aangetreden, nam Bouterse opnieuw het heft in handen als regeringsleider en voorzitter van het zogeheten Topberaad,
het hoogste politieke orgaan in Suriname.
De decembermoorden
Naast Suriname trokken de Nederlandse Antillen in de jaren tachug sterk de
aandacht van de 1pB in verband met witwasoperaties van drugsgelden en fraude
op Aruba en Sint Maarten. Het was voor medewerkers van de 1DB, gezien de beperkte financiële armslag van de dienst, niet gemakkelijk in die contreien te
opereren met een cover als toerist of ‘rijke Nederlander’. Een ander probleem was
dat op deze tropische eilanden de kans op herkenning door landgenoten en daarmee
het afbrand-risico veel hoger was dan elders in het buitenland.
De nieuwe targets van de 1pB in Midden-Amerika waren ook bij andere Nederlandse inlichtingen-en veiligheidsdiensten niet onbetwist. De groeiende interesse
voor de drugshandel in het Caribisch gebied dreef de 1pB in het vaarwater van
de MARID. De belangstelling voor Suriname bracht de 1DpB in conflict met de
LAMID, die wegens de traditionele betrokkenheid van de Koninklijke Landmacht
bij Suriname dit land tot zijn domein rekende en in 1980 binnen het cviN gedaan
wist te krijgen dat de militaire inlichtingendienst de rapportage over deze staat
zou doen. De tegenstelling tussen de 1pB en de LAMID leidde er zelfs toe dat het
hoofd van de raMID A.W. Schulte begin jaren tachtig aan de Nederlandse
defensie-attaché in Paramaribo B. van Tussenbroek opdracht gaf niet via de diplomatieke kanalen te rapporteren, omdat anders de 1pB waarschijnlijk rechtstreeks
op de hoogte zou raken van zijn berichtgeving.”
De Nederlandse inlichtingendiensten moesten ten aanzien van Suriname ook
overleggen met de cra, die met argusogen de ontwikkelingen in de achtertuin van
de Verenigde Staten volgde. Dit overleg had steeds plaats in Washington of Den
Haag, niet in Suriname zelf. In december 1981 besloot de top van het Nederlandse
ministerie van Defensie de ontluikende militaire inlichtingendienst van Bouterse
te steunen om een afdrijven van Suriname in de richting van Cuba te voorkomen.
Bovendien zag de Nederlandse regering in zo’n connectie de beste garantie voor
een eventuele evacuatie van de naar schatting zesduizend Nederlanders die in
Suriname woonden.
Het hoofd LAMID Schulte werd in januari 1982 naar Washington gezonden om de Amerikaanse instanties over dit standpunt in te lichten.3? Tevens moest hij de
Amerikaanse regering ervan op de hoogte brengen dat Den Haag met lede ogen
zag hoe de Amerikaanse ambassade in Paramaribo een confrontatiepolitiek in
plaats van de door Defensie gewenste stabilisatiepolitiek voerde. Schulte kreeg van
de Amerikaanse Departments of Defence en Army een positieve reactie voor deze
benadering. Zij zouden in het vervolg ook een, zoals Schulte het noemde, appeasement-politiek gaan voeren. President Ronald Reagan, die kort tevoren zijn
bezorgdheid had uitgesproken over de ontwikkelingen in het Caribisch gebied,
zou van deze beleidsombuiging op de hoogte worden gesteld.
Schulte maakte ook afspraken voor een intensieve communicatie tussen de DIA
en CIA aan de ene en de LAMID en de 1DB aan de andere kant. De Amerikaanse
gesprekspartners van Schulte stelden het zeer op prijs dat in Nederland inmiddels
was besloten tot de oprichting van een gezamenlijke Suriname-desk van IDB, BVD
en LAMID.3
Kort na het bezoek van Schulte aan Washington werd de situatie in Suriname
echter grimmiger door de mislukte coup van Rambocus cum suis. Op 1o en m1
maart 1982 probeerde een groep van voornamelijk Hindoestanen onder leiding
van tweede luitenant Surendre Rambocus, sergeant-majoor Wilfred Hawker en
voormalig parlementslid professor Baal Indradj Oemrawsingh legerleider Bouterse
om het leven te brengen en een militaire staatsgreep te plegen. Oemrawsingh had
zich enkele dagen voor de geplande staatsgreep bij de Amerikaanse ambassade
gemeld met een verzoek om steun voor de plannen, maar zowel de diplomatieke
staf als cra-vertegenwoordigers hadden dit afgewezen. De aanslagen en de coup
liepen vervolgens uit op een mislukking. Hawker werd standrechtelijk geëxecuteerd
en Oemrawsingh werd dood (vergiftigd) aangetroffen. Rambocus werd met een
aantal medestanders gearresteerd en tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld.
In mei 1982 bracht Bouterse een bezoek aan Fidel Castro, waarbij werd afgesproken dat Cuba een ambassadeur in Paramaribo zou krijgen. In oktober van
dat jaar bracht de marxistisch georiënteerde premier Maurice Bishop van Grenada
een bezoek aan Suriname. Terwijl Bouterse en de zijnen naar links leken op te
schuiven, groeide er in de Surinaamse samenleving in de loop van 1982 een brede
oppositie tegen het militaire bewind van de zijde van de Raad van Kerken, de
Orde van Advocaten, de Associatie van Zakenmensen, universitaire docenten en
hun studenten, uitgevers, journalisten, de Federatie van Arme Landarbeiders en
de vakcentrales c-47 en de Moederbond.
De tweespalt tussen Bouterse cum suis en een groot deel van de bevolking leidde
tot een dramatische ontwikkeling. Terwijl de LAMID contacten onderhield met
de inlichtingendienst van Bouterse, beschikte de cra over een bron in de nabijheid
van de legerleider. Het was Roy Horb, chef van de Generale Staf, die begin
december 1982 aan de Amerikanen een lijst zou hebben overhandigd met namen
van 23 mensen die door de legerleiding zouden worden geëxecuteerd wegens hun
vijandige houding jegens Bouterse en de zijnen. Enkele dagen later, in de nacht
van 8 op 9 december 1982, liet legerleider Desi Bouterse in Fort Zeelandia in Paramaribo vijftien opponenten vermoorden, onder wie Rambocus en vijf andere
betrokkenen bij de staatsgreep van 11 maart.
Ten aanzien van acht gezochten die op de lijst stonden was dit, aldus een
vertegenwoordiger van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad korte tijd later,
‘om de een of andere reden … niet gelukt’.34 Zou, gezien de nauwe samenwerking
tussen de cra en de Nederlandse instanties, de 1pB door de Amerikaanse zusterdienst voorafgaand aan de decembermoorden op de hoogte zijn gesteld van het
bestaan van deze lijst? Had de LAMID door contacten met de Surinaamse inlichtingendienst wellicht langs zijn eigen kanalen ervan weet gehad? En waarom zou
de executie van acht personen niet zijn gelukt? Waren zij getipt? Door Surinamers?
Of door buitenlanders? Soortgelijke vragen stonden centraal in twee artikelen die
in het voorjaar van 1998 in Elsevier verschenen. Daarin werd beweerd dat de
toenmalige minister van Defensie Van Mierlo eind 1982 via een geheime missie
op de hoogte zou zijn geweest van de plannen van Bouterse om vermeende
opposanten uit de weg te ruimen. Een prominent lid van D66 zou in zijn opdracht
hebben geprobeerd uitvoering van de moorden te voorkomen. Die missie faalde
echter.2 Volgens het artikel zou Van Mierlo door deze geschiedenis bloot staan
aan chantage. Welingelichte kringen uit de wereld van diplomatie en inlichtngendiensten, in zowel Nederland als de Verenigde Staten, noemden het verhaal
echter ongeloofwaardig. Weliswaar was men zich aan Amerikaanse en Nederlandse
zijde goed bewust van de fors oplopendespanningen in de Surinaamse samenleving,
maar de arrestaties door Bouterse en de zijnen kwamen ook voor hen als een
complete verrassing. Aan CIA-zijde was men aanvankelijk niet eens op de hoogte
van de verblijfplaats van de arrestanten. Als er al door Horb voorafgaand aan de
moorden melding was gemaakt van een lijst met 23 namen, is die informatie te
laat gekomen of is er onvoldoende waarde aan gehecht.
Zowel in Washington als Den Haag wezen betrokkenen op de slechte voorbereidingen van Bouterse en de zijnen, een aanwijzing dat er geen duidelijk plan de
campagne was. Hun operatie was gebrekkig opgezet en eigenlijk ‘rather spontaneous’. Zij werkten met oude adreslijsten en vielen verkeerde woningen binnen,
waardoor een aantal mensen kon ontsnappen dan wel de Braziliaanse ambassade
binnenvluchten. Bovendien ontsprongen sommige opposanten van Bouterse de
dans, doordat zij zich toevallig op een conferentie in Miami bevonden.36
Horb heeft in elk geval weinig plezier beleefd van zijn informantenrol. Op 8
december moest hij voor de Surinaamse televisie een van de mensen wier naam
op de lijst voorkwam, de kort daarop vermoorde journalist Jozef Slagveer, een
bizarre bekentenis afdwingen over diens aandeel in een zogenaamd beraamde
coup. Kort na de moorden ontdekte de legerleiding Horbs dubbelspel. Horb, die
een groot dierenliefhebber was, had tijdens een bezoek aan Amerika twee paarden
cadeau gekregen.37 Deze liefde werd hem fataal, toen de dieren twee dagen na de
decembermoorden met een Amerikaans militair transportvliegtuig op vliegveld
Zanderij arriveerden. Bouterses achterdocht was gewekt en Horb werd in Fort
Zeelandia gevangengezet. Op een morgen in januari 1983 troffen Amerikaanse diplomaten in de brievenbus van hun ambassade een brief van Horb aan waarin
deze beloofde alles te vertellen over de activiteiten van Bouterse en diens vrienden.
De diplomatieke staf en de cra-station-chief kwamen echter al snel tot de conclusie dat de brief een vervalsing was.38 Zij noteerden tal van punten in de brief
die volstrekt onjuist waren. Daarnaast werkte Horb al voor de cia en was een
dergelijk aanbod dus volstrekt overbodig. De Amerikanen lieten legerleider Bouterse weten dat het om een vervalsing en dus een provocatie ging. Het mocht
Horb niet baten. In februari 1983 bereikte de buitenwereld het bericht dat hij zich
in zijn cel zou hebben opgehangen.
De cra heeft trouwens geen enkele moeite gedaan om zijn agent Horb uit Fort
Zeelandia te halen of anderszins te redden. Een Amerikaanse betrokkene stelde:
‘He was an asset which they simply dropped. He was disposable.” De hele gang
van zaken leidde tot een stevig intern conflict op de Amerikaanse ambassade, want
de cra-station-chief werd ‘a very bad handling of the Horb case’ verweten. De
sfeer werd er niet beter op toen de ambassadeur ontdekte dat de cos niet alle
informatie aan hem doorgaf. De cra-station-chief verklaarde echter dat hij uit
Langley uitdrukkelijke instructies had gekregen dit niet te doen. Hogerop kreeg
Assistant Secretary of State, Thomas Enders, het op zijn beurt aan de stok met
de cra, want een dergelijke handelwijze was niet door het State Department
gesanctioneerd. Zoals een van de betrokkenen in 1998 terugblikkend vaststelde:
“The cra screwed up enormously in Paramaribo.’39
Na de decembermoorden van 1982 kon er van steunverlening aan het regimeBouterse geen sprake meer zijn. De Nederlandse en Amerikaanse regering schortten
hun economische hulp aan Suriname op. Ook bij de 1pB werd geschokt gereageerd
op de moorden. De Nederlandse regering maakte zich voorts, evenals de Amerikaanse, bezorgd over het risico van een extreem-linkse koers van het bewind-Bouterse, die tot destabilisering van de regio kon leiden, en over de toenemende
doorvoer van drugs via Suriname. Kort na de decembermoorden vloog Bouterse
naar de conferentie van de beweging van niet gebonden landen in het vliegtuig
van Fidel Castro, vergezeld door Maurice Bishop. Op de terugweg leidde Castro
een ontmoeting in Libië in tussen de Surinaamse legerleider en kolonel Khadaffi.
De 1pB kreeg het signaal een grote effort te steken in de voormalige kolonie. Er
werden onder meer operaties opgezet vanuit naburige landen, met name Venezuela
en Frans-Guyana. Voorts opereerden 1pB’ers in Nederland onder de Surinaamse
migranten die plannen smeedden om Bouterse en de zijnen omver te werpen.
Deze bemoeienissen van de 1pB met Surinaamse migranten verliepen niet altijd
gladjes. Het was de formele taak van de BvD om een interventie vanaf Nederlandse
bodem tegen een vreemd bewind te gaan, maar de feitelijke taakstelling van de
veiligheidsdienst ten aanzien van Suriname was voor 1DB-operateurs erg ondoorzichtig. Regelmatig constateerden zij dat 1pB’ers en BvD’ers achter dezelfde bron
aan zaten. BVD ers volgden soms rpB’ers om hun bronnen te leren kennen.40

Go or no-go?

Bepaalde Amerikaanse instanties voelden nu wel voor een militair of paramilitair
ingrijpen in Suriname, omdat Suriname in hun ogen bezig was zich tot een
satellietstaat van Cuba en een bondgenoot van Grenada te ontwikkelen. Onder
hen was de National Intelligence Officer (Nro) for the Western Hemisphere van
de cra, Constantin Menges, die om zijn sla-er-op-los-voorkeur in de wandelgangen
ook wel ‘constant menace’ werd genoemd. In januari 1982 had Menges nog zijn
instemming verklaard met de appeasement-politiek van Schulte, maar inmiddels
koos hij weer voor de harde lijn. Dat deed ook zijn opvolger John Ryder Horton.
Al in de herfst van 1982, nog vóór de decembermoorden, werden de eerste
Amerikaanse plannen beraamd om Bouterse ten val te brengen. Op een conferentie
in Panama, die werd bijgewoond door alle Amerikaanse ambassadeurs in LatijnsAmerika, deelde de covert acttons-specialist van de National Security Council (Nsc)
Oliver North de aanwezigen mee dat de Nsc had besloten tot een roll back-strategie
in de regio, waarbij Washington vooral soft targets als Grenada en Suriname op
het oog had. In die tijd werd president Reagan elke ochtend een half uur gebriefd
over national security issues door William (Bill) Clark, die binnen de Nsc verantwoordelijk was voor Suriname. De cra zou kunnen rekenen op de steun van
president Reagan voor een plan om met behulp van huurlingen in te grijpen in
Suriname.
In de eerste maanden van 1983 bezochten diverse teams van de Amerikaanse
Delta Force, snel inzetbare anti-terreur-eenheden, onder een toeristische dekmantel meermalen Paramaribo. Deze kleine teams van twee of drie man, voornamelijk
bestaande uit commando’s van de Navy Seals, voerden verkenningen uit op
strategische punten in en rond de hoofdstad om een beperkte invasie voor te
bereiden. In die tijd werd er intensief overleg gevoerd in en tussen de NSC, CIA
en de Amerikaanse militaire top over een operatie tegen Bouterse met behulp van
een invasie in Suriname. De Amerikaanse Joint Chiefs of Staff waren van oordeel
dat een militaire invasie ‘a piece of cake’ zou zijn en binnen enkele uren tot een
goed einde kon worden gebracht.
Waarschijnlijk vooral om politieke en financiële redenen vonden de Amerikanen
die voorstander waren van hard ingrijpen dat ook Nederland, vanuit zijn postkoloniale verantwoordelijkheid, zou moeten deelnemen aan een gewapende actie.4*
De Nederlandse regering voelde er echter niet voor en zij kon daarbij stoelen op
de analyses van de 1pB, die erop wezen dat een aanvaardbaar politiek alternatief
voor Bouterse ontbrak.#3 Wel hielden Nederlandse instanties er rekening mee dat
er een grootschalige evacuatie zou moeten plaatsvinden van Nederlanders uit
Suriname, wanneer de stemming daar grimmiger werd, hetzij in de nasleep van
de decembermoorden, hetzij als gevolg van een Amerikaans optreden. Vooral de
MARID begon analyses te maken van de terreinomstandigheden waaronder zo’n
operatie zou moeten worden uitgevoerd. De LAMID, die Suriname traditioneel
tot zijn gebied rekende, bleek namelijk over verrassend weinig gegevens daarom trent te beschikken. De coördinatie van eventuele operaties kwam te berusten bij
de afdeling Operaties van de Marinestaf. Het was voor insiders in Den Haag een
beangstigende tijd. Op het ministerie van Buitenlandse Zaken lagen de ontwerptelegrammen al gereed om vooral de ambassadeurs op de posten in Latijns-Amerika
in te lichten over de demarche zie zij moesten ondernemen bij de regeringen
waarbij zij geaccrediteerd waren zodra de invasie had plaatsgevonden. Met de
Franse en Britse autoriteiten was al overleg gevoerd over de invasie.
De operatie zou uiteindelijk niet doorgaan. De Amerikaanse ambassade in
Paramaribo wees, net als de 1pB, op het ontbreken van een politiek alternatief
voor Bouterse. Begin maart 1983 tekenden ook de Intelligence Committees van
het Amerikaanse Congres grote bezwaren aan tegen een interventie in Suriname.
Enkele weken later legde de cra aan de Amerikaanse minister van Buitenlandse
Zaken George Shultz een plan voor om een invasie met so tot 175 Koreaanse
huurlingen vanuit Venezuela te organiseren. De Amerikaanse inlichtingendienst
kreeg hiervoor evenwel geen steun van de regering in Washington, mede omdat
de Amerikaanse Joint Chiefs of Staff intussen aanmerkelijk minder optimistisch
waren geworden over de kansen op het welslagen van een invasie. Zo werd het
Nederlandse kabinet de druk van de schouders genomen om mee te doen aan een
gewapend ingrijpen.+4
Op 25 oktober 1983 had wel een Amerikaanse inval op het Midden-Amerikaanse
eiland Grenada plaats, gericht tegen het linkse bewind. Indirect sorteerde deze
inval alsnog het effect dat de cra in Suriname had willen bereiken: Suriname
stuurde nog dezelfde week de Cubaanse adviseurs het land uit.
De volgende jaren bleef het relatief rustig in de Nederlands-Surinaamse betrekkingen. In 1986 werd van Amerikaanse zijde tegenover de Nederlandse regering
opnieuw de mogelijkheid van een invasie geopperd. Er kwam een samenwerkingsverband tot stand van de 1pB, de MARID, de cra en de us Coastguard, District 7,
Florida. In de Julianakazerne in Den Haag werd een plan uitgewerkt voor een
invasie à la Grenada, waarbij Nederlandse mariniers in de voorste linies moesten
opereren, waarna de Amerikanen het leeuwendeel van de operatie voor hun
rekening zouden nemen. De mariniers zouden naar Florida worden overgevlogen
onder het mom van een NAVO-oefening. Een voorbereiding op de Antillen, die
dichterbij Suriname liggen, werd afgewezen, omdat het risico op ontdekking daar
te groot werd geacht. Maar opnieuw onthield de Nederlandse regering wegens
het ontbreken van een alternatief voor Bouterse haar goedkeuring aan de operatie.
Na 1986 zou de Amerikaanse belangstelling voor een invasie verflauwen. De stroom
informatie van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten naar het
CIA-station in Den Haag ging vanaf dat moment de berichtenstroom vanuit de
Amerikaanse ambassade naar de Nederlandse diensten overheersen. Achter de schermen ontplooide de 1pB in die tijd steeds meer activiteiten ten aanzien van Suriname. Begin 1987 ondernam de Nederlandse inlichtingendienst bijvoorbeeld verwoede pogingen om de kanselier van het Surinaamse consulaat in Cayenne R. Ramkhelawan als bron te rekruteren.$ Daarbij werd onder andere gebruik gemaakt van de diensten van kolonel buiten dienst Bas van Tussenbroek,
tot 1983 militair attaché bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo en daarna
woonachtig in Frans-Guyana. Van Tussenbroek, bijgenaamd De Snor, rapporteerde echter aan de 1pB dat de beoogde informant volgens hem absoluut ongeschikt was voor het inlichtingenwerk.
In het voorjaar van 1987 verscheen ook Van Asch, die Meulmeester was opgevolgd
als hoofd Operatiën van de 1pB, in Frans-Guyana. Met behulp van Van Tussenbroek slaagde hij erin naar Stoelmanseiland in Oost-Suriname te reizen, waar hij
een ontmoeting had met de leider van het Junglecommando van Ronnie Brunswijk,
die dat gebied onder zijn controle had gebracht. Bij de in Nederland gevestigde
Raad voor de Bevrijding van Suriname onder voorzitterschap van de naar Nederland uitgeweken Chin A Sen bestond de hoop dat het Junglecommando de basis
zou kunnen vormen van een gewapende actie tegen Bouterse.
Van Asch hield aan zijn ontmoeting waarschijnlijk een positieve indruk over.
Nog geen maand later drukte kapitein Werner van den Berg van het Nederlandse
Korps Commando Troepen Van Asch’ voetsporen op Stoelmanseiland. Hij kwam
de militaire kracht en behoeften van Brunswijks commando peilen. Later zou Van
den Berg zeggen dat hij bij deze gelegenheid slechts ‘op vakantie’ was.
Van den Berg zou de volgende jaren nog veel op vakantie gaan. Zo was hij eind
1988 aanwezig op een bijeenkomst in de woning van de Surinaamse zakenman
Nel Galor in Gainesville, Florida, waar de mogelijkheid van een inval in Suriname
werd besproken door een gezelschap bestaande uit Van Tussenbroek, Paul Somohardjo van de Surinaamse Bevrijdingsraad, de Varkensbaai-veteraan Eulalio
Francisco (‘Frank’) Castro en de Amerikaan van Cubaanse origine Joseph Marcos,
die vermoedelijk voor de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA)
werkte.46 Tevens had de Nederlandse commando een ontmoeting met de aanvankelijke mede- en latere tegenstander van Bouterse Roy Bottse op Curagao en
logeerde hij drie weken op Jamaica bij Johan Kasantaroeno, de gewezen minister
van Landbouw, Veeteelt en Visserij van Suriname, die op het moment van de
staatsgreep in 1980 zijn land was ontvlucht en een belangrijk financier was van
het Surinaamse verzet.47 Alle voornemens voor een ingrijpen in Suriname liepen
evenwel stuk, doordat er uiteindelijk geen Surinamers bereid werden gevonden
om aan de interventiemacht deel te nemen.
Eind 1986, begin 1987 zou de 1pB ook een eerste poging hebben ondernomen
om Bouterse langs vreedzame weg te bewegen zijn land te verlaten en permanent
naar Brazilië te emigreren. Daarbij zou opnieuw kolonel buiten dienst Van
Tussenbroek betrokken zijn geweest. De 1pB zou voor deze operatie de financiële
middelen (enkele miljoenen guldens) ter beschikking stellen. Het geld zou uit de
geheime kas van SAZ komen, die in de jaren vijfug ieder jaar met drie miljoen
dollar aan goud en diamanten zou zijn gespekt.4®
Volgens Frits Hirschland, die als voormalige secretaris van Ronnie Brunswijk
vanuit België en Nederland betrokken was bij het verzet tegen Bouterse, zou hem
in september 1991 gevraagd zijn te bemiddelen bij een tweede poging om Bouterse in ruil voor geld definitief naar het buitenland te laten afreizen. Hirschland stond
in contact met A.G. (Anne) van Leeuwen, die als 1pB’er op de Nederlandse
ambassade in Paramaribo onder de dekmantel van medewerker voor ontwikkelingssamenwerking was gestationeerd en tevens de ambtsberichten voor het ministerie van Buitenlandse Zaken opstelde over de veiligheid van vluchtelingen die
naar Suriname werden teruggezonden.49 Beide pogingen zouden niet zijn geslaagd.
Het ministerie van Algemene Zaken ontkent zelfs dat ze ooit hebben plaatsgevonden.
Delicate pogingen Bouterse naar Brazilië te doen verhuizen zouden tevens de
reden zijn geweest waarom de 1DB in de jaren tachtig er bij de Centrale Recherche
Informatiedienst (cr1) op aandrong het onderzoek naar de betrokkenheid van de
Surinaamse legertop bij drugshandel te staken, omdat deze zaak ‘te gevoelig’ lag.50
Volgens de voormalige undercover-agent van de Amerikaanse Drugs Enforcement
Administration (pra), Michael Levine, zou ook de cra er in de jaren tachtig geen
voorstander van zijn geweest het Bouterse om diens betrokkenheid bij de drugshandel werkelijk lastig te maken!

‘Even competent als mijn schoenzolen’

Aan de vooravond van nieuwe verkiezingen in Suriname in 1991 getuigde de
Nederlandse overheid van toenemende betrokkenheid bij de ontwikkelingen in
Suriname. In de eerste dagen van februari 1991 lekte er uit het Nederlandse kabinet
een opmerkelijk plan een soort Gemenebest te vormen met de Nederlandse Antillen
en Suriname, waarbij er sprake zou zijn van een gemeenschappelijk monetair,
justitieel, buitenlands en defensiebeleid. In Nederland verdween dit voornemen
bijna even snel achter de horizon als het openbaar was geworden. Toch was het
serieuzer dan het daardoor voor de buitenwacht leek. Minister Van den Broek
had het plan uitgebreid besproken met de Organisatie van Amerikaanse Staten
(oas), de vs, Frankrijk, Brazilië en Venezuela. En in Suriname speelde het Gemenebest-plan een rol in de verkiezingen, omdat de nieuwe partij Democratisch
Alternatief ‘9r de gedachte omhelsde.52
Als uitkomst van de Surinaamse verkiezingen trad in september 1991 de regering-Venetiaan aan, die het perspectief opende van een normalisering van de binnenlandse verhoudingen en een herstel van de betrekkingen met Nederland. Het Nederlandse kabinet besloot daarom de banden met de voormalige kolonie weer aan te halen. Dit was dus het tijdstip waarop de tweede poging zou zijn ondernomen om Bouterse zijn domicilie te doen kiezen in Brazilië. Kennelijk besloot premier Lubbers deze keer niet alleen te zwaaien met de geldbuidel, maar tegelijk de legerleider te dreigen met straf. Hij verstrekte de 1pB namelijk de opdracht een onderzoek in te stellen naar de handel in cocaïne uit Suriname wegens de voortdurende stroom geruchten over betrokkenheid van de Surinaamse militaire top bij de verwerking en het transport van dit verdovende middel.53 De opdracht van Lubbers moet de Amerikaanse regering voldoening hebben geschonken, want ook Washington eiste nu van Nederland een hardere houding jegens
de bij de drugshandel betrokken Surinaamse legertop.»4
In het Nederlandse kabinet was in het najaar van ’91 de situatie in Suriname
voortdurend onderwerp van bespreking.5 Zou Bouterse proberen president Ronald Venetiaan af te zetten? En hoe zou de Nederlandse regering reageren op een
eventueel verzoek om bijstand van de Surinaamse president? In een inner circle
van het kabinet kwam de mogelijkheid van Nederlands militair ingrijpen steeds
vaker aan de orde.5é Twee 1pB’ers waren toen inmiddels gestationeerd op de
Nederlandse consulaten in Cayenne (Frans-Guyana) en Caracas (Venezuela) om
zich te verdiepen in deze materie. In Cayenne was vanaf r maart 1991 onder de
cover van vice-consul 1pB-medewerker Hans Hartog gestationeerd.57 In FransGuyana en Suriname bestonden dadelijk vermoedens over de werkelijke taak van
Hartog, want het was wel opvallend dat de zuinige Nederlandse regering het
noodzakelijk achtte in Frans-Guyana, waar slechts enkele tientallen Nederlanders
woonden, naast een consul ook nog een vice-consul te plaatsen. Hartog raakte
bovendien spoedig in conflict met Van Tussenbroek, nadat de kolonel buiten
dienst hem informatie van de Franse geheime dienst had gegeven, die de 1pB’er
volgens Van Tussenbroek vervolgens liet lekken? Korte tijd later bereikte de
Franse inlichtingendienst in Frans-Guyana een verzoek van een ‘zusterdienst’ om
Van Tussenbroek het land uit te zetten. Van Tussenbroek had daarna zijn buik
vol van de 1pB en gaf daar luidkeels uiting aan:
“Wat ik van de Nederlandse inlichtingendiensten heb meegemaakt, daar lusten
de honden geen brood van! In levensgevaar hebben ze mij gebracht. Ze zijn
even competent als mijn schoenzolen. Van Suriname snappen ze niets. Nul,
zero, niks.’59
In de beleving van betrokken 1pB’ers was de rapportage van de 1DB over Suriname echter zo goed dat zowel de directie Westelijk Halfrond (pwH) van Bz als
de top van Algemene Zaken er sterk van afhankelijk werden. Zij meenden nu
eindelijk het terrein te hebben aangeboord waarvan duidelijk was dat diplomatieke
rapportage niet volstond. Bz sprak bijvoorbeeld niet of nauwelijks met het Surinaamse verzet. En áls dat misschien al eens gebeurde, dan zou een vertegenwoordiger van het verzet tegenover een ambtenaar van dat ministerie toch niet het
achterste van zijn tong laten zien.
Een van de belangrijkste bijdragen die de 1pB kon leveren aan de informatievoorziening van de Nederlandse regering over Suriname waren de bewerkingen
van de intercepts van het Technisch InformatieVerwerkingsCentrum (rrvc), zoals
het wKc in 1985 was omgedoopt. Naast de zogeheten algemene groene editie en
de in de loop der jaren in zwang gekomen rode editie met zntercepts van het
Midden-Oosten, bestond er in deze periode een gele editie met onderschept
berichtenverkeer van Suriname en de rest van Latijns-Amerika. Toch hadden de technische hoogstandjes van het Trvc niet langer de betoverende werking op de
man aan de top van Algemene Zaken die zij in het verleden hadden gehad. De
beleidsrelevantie van de informatie was te gering. Bepaalde beleidsmakers hadden
wel eens het gevoel dat ze nu plotseling teveel inlichtingen kregen, een indruk die
in de hand werd gewerkt doordat de ‘analyse’ van de 1pB vaak niet veel meer
inhield dan het plaatsen van kopjes boven de intercepts. Het diplomatieke verkeer
tussen de Surinaamse ambassade in Den Haag en de regering in Paramaribo
bestond voornamelijk uit rapportage over de stemming in Nederland ten aanzien
van het bewind in Suriname. Zoals een van de besluitvormers zei: ‘Het was alsof
ik met die rapportage in elke huiskamer van Monnikendam kon kijken. Maar
wat moet je ermee als je weet dat de wethouder vreemd gaat en de dominee drugs
gebruikt?’ Deze overweging zou echter tot op de dag van vandaag geen beletsel
vormen om het Surinaamse codeverkeer te onderscheppen en mee te lezen.


Pagina 381

Tussen 1980 en 1994 was er zijns inziens een uitstekende relatie met Bz.
Op de vraag waarom dat ministerie dan voorstander was van opheffing, stelde hij
dat Bz wellicht ‘de goede momenten’ erkende maar niet tevreden was over het
totaalbeeld. Niet vergeten mocht worden dat de 1pB een kleine dienst was die
prioriteiten moest stellen. Ten aanzien van een aantal onderwerpen was er, volgens
Meulmeester, een zeer goede prestatie geleverd. Dat Bz niet protesteerde tegen
de opheffing van de 1pB kon volgens hem wellicht worden verklaard doordat de
dienst slechts aanvullende informatie verstrekte en misschien ook door de bezuinigingen. De afnemers was namelijk meegedeeld dat zij moesten gaan betalen
voor het 1DB-materiaal. Daartoe bleek alleen Justitie bereid. Achtergrond van de
opstelling van Bz was, volgens Meulmeester, niet de kwaliteit van de berichtgeving
door de 1pB maar een combinatie van bovengenoemde factoren.36 Een memorandum van de chef van de directie Westelijk Halfrond (pwr) van Buitenlandse
Zaken uit mei 1992 lijkt Meulmeester in elk geval voor het Caribisch gebied in
het gelijk te stellen:
‘De ervaringen die pwn heeft met samenwerking met de inlichtingendiensten
zijn positief. Met enige regelmaat vinden persoonlijke contacten plaats. Daarnaast worden diverse rapporten ontvangen. De rapporten betreffen vrijwel
uitsluitend Suriname, de Nederlandse Anullen en Aruba, met informatie over
politieke aangelegenheden en persoonlijkheden, zomede drugskwesties. De
verkregen informatie is over het algemeen geloofwaardig en nuttig, vooral in
de zin van bevestiging, ondersteuning en/of detaillering van reeds bekende
gegevens of bestaande opvattingen. Daarnaast behelzen de rapporten soms
ook belangrijke nieuwe informatie. Gezien het bovenstaande zal het duidelijk
zijn dat pwn belang blijft hechten aan voortzetting van de werkzaamheden
van de inlichtingendiensten op de voor Nederland zo belangrijke terreinen als
Suriname en de narcotica-aangelegenheden in de West.’37
Minister Relus ter Beek van Defensie had eind 1990 in elk geval geen bezwaren
tegen de opheffing van de 1pB. Zijn ambtgenoot Dales ook niet, als er maar
voldoende scheiding tussen militaire en civiele inlichtingenvergaring zou bestaan.
Voordat minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin had gereageerd op de vragen
van Algemene Zaken in het kader van de GEO-operatie, stond het besluit van
Lubbers al vast.

Pagina 387-388

Na een korte schorsing van de vergadering werd van de zijde van de Bc irritatie
over de leiding van Meulmeester naar voren gebracht. De dienstcommissie van
de 1pB had de indruk dat hij al lang bezig was met de formering van een kerngroep
en de personele invulling daarvan. Het personeel kreeg niet het idee dat er sprake
was van open en reëel overleg. De aanvankelijke bewering van Meulmeester dat
de dienstcom missie in deze materie geen adviesrecht had, had die indruk versterkt.
Hoekstra probeerde de ergernis weg te nemen met de toezegging bereid te zijn
persoonlijk het 1pB-personeel te informeren en als zijn mening naar voren te
brengen dat er een ruimhartig informatiebeleid in deze zaak moest bestaan.!’®
De Bc bleef echter verontwaardigd over de gevolgde procedure en gaf daaraan
lucht in een boze brief aan de vaste Kamercommissie, getekend door de voorzitters
van de drie centrales van ambtenarenorganisaties: J. van der Scheur (acor), A.M.G.
Lohman (ccoop) en R. de Vries (cMHF). Omdat het voornemen ten aanzien van
de 1pB tot een verlies van ten minste 35 arbeidsplaatsen zou leiden, verzocht de
BC de Kamercommissie er bij Lubbers op aan te dringen om zijn besluit in
heroverweging te nemen en te kiezen voor colokatie van de 1pB met de BvD, een
variant die voor de Bc wél bespreekbaar was!
Ook de 1pB-medewerkers waren niet tevreden met Hoekstra’s uitleg en toezeggingen. Na uitvoerig onderling overleg stuurde het voltallige personeel op 1: april
1991 een lange brief aan Lubbers. Daarin wezen zij erop dat de activiteiten met
betrekking tot Centraal- en Oost-Europa de laatste jaren al een zeer beperkt deel
van de 1pB-activiteiten hadden uitgemaakt, namelijk minder dan tien procent.
Zij benadrukten dat de vooruitzichten van sommige landen in die regio verre van
rooskleurig leken. Daardoor en door de veranderde relatie tussen Nederland en
die landen was de belangstelling voor het politieke en economische reilen en zeilen
van die staten bij diverse Nederlandse ministeries alleen maar groter geworden.
Volgens de 1pB’ers bezat de dienst juist ten aanzien van deze landen dankzij
internationale contacten een bijzondere informatiepositie. De 1pB’ers hadden
grote twijfels over de mogelijkheden om voor de 35 medewerkers die de rpB als
gevolg van de reorganisatie zouden moeten verlaten, ‘een adequate plaatsing bij
een van de andere diensten’ te vinden.
De 1pB’ers trokken in twijfel of het kabinetsbesluit de doelmatigheid wel zou
bevorderen. Lubbers had volstaan met de verwerping van een viertal varianten
die inhoudelijk zozeer verschilden, dat volgens de 1pB-medewerkers niet van reële
keuzemogelijkheden kon worden gesproken.
Cynisch merkten zij op dat het enige concrete efficiëntie-bevorderende element
dat zij in de brief van Lubbers konden ontdekken, het onderbrengen van de ene
dienst bij de andere betrof. Kennelijk had die andere dienst — de BvD — door omstandigheden kantoorruimte over, en dat kon tot besparingen leiden. De 1pB’ers
waren er echter van overtuigd dat het werken in één gebouw in Leidschendam
de taken van beide diensten zou bemoeilijken.

Het personeel liet weten ‘hoogst ongelukkig’ te zijn met de door de betrokken
ministers uitgesproken voorkeur. De medewerkers waren van mening dat uit
gebrekkige alternatieven was gekozen voor een weinig werkbare variant, die het
gestelde doel niet diende en slechts nieuwe problemen schiep:
‘Zo dreigt de BvD met taken te gaan worden belast waarvan eerst met recht
kan worden gesteld dat zij zich niet verdragen met de wettelijke scheiding
tussen offensieve (inlichtingen-) en defensieve (veiligheids-) activiteiten”
Ook bij overname van de taken van de 1pB door de MID was niet duidelijk hoe
de efficiëntie zou worden bevorderd. Een positieve noot ontbrak niet in de brief
van de ipB’ers. Zij erkenden dat ook de 1pB een bijdrage kon leveren aan de
efficiëntiebevordering, bijvoorbeeld door aanpassingen binnen de organisatie of
het zoeken naar geschikte inwoning. Het personeel was graag bereid varianten toe
te voegen ‘aan de ten onrechte als limitatief geaccepteerde opsomming’ in Lubbers’
brief en actief mee te denken over veranderingen. Het 1pB-personeel deed dan
ook een dringend beroep op Lubbers en de overige betrokken ministers om terug
te komen op hun standpunt.
Deze actie van het personeel had weinig resultaat. De enige gunstige ontwikkeling
voor de 1pB aan de kant van de regering was de verlate schriftelijke reactie van
Hirsch Ballin aan Lubbers op 14 januari 1991, waarin de minister van Justitie ter
ondersteuning van de CRI aandrong op vijf extra arbeidsplaatsen bovenop de
vijftien die aan de afgeslankte 1pB waren toebedacht. Deze extra capaciteit achtte
hij nodig ten behoeve van kwesties als Suriname, groeiende politiecontacten met
Oost-Europese staten, ontwikkelingen van immigratiestromen en de gevolgen van
politieke gebeurtenissen in bepaalde landen waaruit emigranten naar Nederland
trokken: ‘De 1pB kan immers bij bronnen die voor anderen niet of moeilijk
toegankelijk zijn’ 14
Op 17 april ging de Miciv akkoord met een aanbeveling van het CvIN om de
IDB in te krimpen tot twintig operationeel inzetbare medewerkers en tot colokatie van de 1pB met de Bvp. Mer dit personeelsbestand zou de 1DB zich beperken tot inlichtingenvergaring op technisch-wetenschappelijke gebied, de internationale
drugshandel en de proliferatie van massavernietigingswapens. In de loop van 1993 zou dan worden bezien of de 1pB-activiteiten na 1 januari 94 nog zouden worden voortgezet. 15
Op 22 april bracht Hoekstra het 1pB-personeel persoonlijk van dit besluit op de hoogte. Tevens deelde hij de medewerkers mee dat overleg tussen de hoofden van de IDB, BVD, MID en CRI over herplaatsing van 1DB-personeel weinig concrete
resultaten had opgeleverd. 16
De volgende dag, 23 april 1991, was de vaste Kamercommissie aan de beurt. Lubbers vertelde de fractievoorzitters dat zijn besluit nu vaststond: de 1DB zou uiteindelijk worden opgeheven? 17


Pagina 390-391

De kerngroep

Er kon nu een begin worden gemaakt met de selectie van het IDB-personeel dat
in aanmerking kwam voor de kerngroep, die zich in beperkte mate met verwerving
zou bezighouden. Er zou een viertal leidende functies blijven bestaan: hoofd
Financiën en Algemeen Beheer; hoofd Vertalingen en Automatisering; hoofd Operationele Administratie en hoofd Operaties. Deze laatste functie was ondanks de reductie van taken en personeel beslist geen sinecure, zoals blijkt uit de
taakomschrijving: het geven van leiding aan en het coördineren van operationele activiteiten; het doen uitvoeren van operaties en in bijzondere gevallen in opdracht
van het hoofd rpg zelfstandig uitvoeren van operaties; zorgdragen voor de verzending van de eigen resultaten; het leiding geven aan operaties van menselijke
bronnen, de humint-acties, van het ministerie van Defensie; het adviseren van het hoofd 1DB over operationele aangelegenheden; het waarnemen van de functie van het hoofd 1pg tijdens diens afwezigheid; het leggen en onderhouden van contacten
met alle daarvoor in aanmerking komende personen en instanties, nationaal en internationaal; en het bewaken van het toegewezen operationele budget.27 Volgens het concept-personeelsplaatsingsplan van 12 augustus 1991 zou een drietal afdelingen in de sfeer van de verwerving overblijven, te weten een Tech- nisch- Wetenschappelijk Afdeling (rwa), een Operationeel Economische Afdeling

(ora) en een Justitiële Afdeling (jA).2® Deze laatste twee afdelingen — OEA en JA
— zouden offensieve operaties in het buitenland uitvoeren. Daarbij zou de Justitiële
Afdeling zich op drugsaangelegenheden richten, voornamelijk in Suriname en de
Nederlandse Antillen. Zij zou daartoe operaties uitvoeren vanuit onder meer
Cayenne en Caracas. Voor ora bleven twee formatieplaatsen beschikbaar, voor
de Justitiële Afdeling vijf. De taak van de Technisch-Wertenschappelijke Afdeling,
in de wandeling nog steeds aangeduid als s & T‚ bleef onveranderd gericht op de
vergaring van technisch-wetenschappelijke inlichtingen, waaronder de kennis van
proliferatie van massavernietigingswapens een steeds prominentere rol ging innemen. Er was dus geen afdeling meer voor politieke inlichtingenvergaring. Daarnaast
had de Mrc1v begin 1991 besloten per 1 september 1991 de operationele werkzaamheden van de 1pB in de maritieme sector ten behoeve van de Marine en Defensie
stop te zetten.
In de nieuwe functieomschrijving van alle verwervers stond vermeld dat hun
kon worden opgedragen een station in het buitenland op te zetten en te leiden.
Dit was een aanmerkelijk actievere taakomschrijving dan de oude.
Op 1 september 1991 trad de kernorganisatie van twintig personeelsleden, bijgestaan door een aantal boventallige medewerkers, in werking. Haar was geen rustig
bestaan beschoren.


Conflicten tussen Meulmeester en medewerkers
Kennelijk gestimuleerd door de onrust die de reorganisatie bij het personeel had
teweeggebracht, begonnen berichten daarover hun weg te vinden naar de pers.
De Volkskrant meldde op 6 september 1991 dat Lubbers de 1pB opdracht had
gegeven een onderzoek in te stellen naar de handel in cocaïne vanuit Suriname.
Het onderzoek zou worden uitgevoerd door medewerkers van de dienst, die op
ambassades in de regio zouden worden gestationeerd.3° Een maand later wist het
Limburgs Dagblad te melden dat dertig van de vijfenveertig tot vijftig 1pB-medewerkers zouden moeten afvloeien. Uit de meerjarenramingen voor de personeelslasten bleek dat die zouden dalen van 3,7 miljoen gulden in 1992 naar 2,3 miljoen
in 1994 en latere jaren}! Algemene Zaken zelf schatte intussen de financiële
opbrengst van de reorganisatie van de dienst nog gunstiger in: zij zou in 1994
maar liefst 1,8 miljoen gulden bedragen, een halvering dus van het bestaande
budget?
Ook de geruchten over fraude bij de dienst staken in deze periode weer de kop
op. De medewerkers van de 1pB in het buitenland werden betaald uit de geheime
begroting. Hoe deze betalingen verliepen, was niet duidelijk, maar het vermoeden
bestond dat de Stichting Vrienden van de Biathlon (vriBIa) op de Meppelweg
387 te Den Haag daar alles mee te maken had. Deze stichting was op 18 januari
1983 opgericht door Romijn en 1pB-medewerker NJ. de Vries. Zij had formeel
ten doel het in stand houden van de faciliteiten met betrekking tot de beoefening van de biathlonsport en al hetgeen daarmee samenhangt of daartoe bevorderlijk
kon zijn. Na het vertrek van Romijn bij de dienst was Meulmeester hem als
voorzitter van de stichting opgevolgd. Vanaf 1 juli 1991 was 1DB-administrateur
L. Koelemij het enige andere bestuurslid, en wel als secretaris/ penningmeester en
bewaarder van de boeken en bescheiden.33 1pB-personeel verdacht Meulmeester
ervan uit deze cover-stichting onrechtmatig geld te hebben betrokken.
Tevens zouden hij en andere 1pB’ers ‘snoepreisjes’ per vliegtuig hebben gemaakt
en buitensporig dure tickets hebben gekocht. Daarnaast zou er sprake zijn van
een tweetal met elkaar verweven fraudegevallen in verband met het feit dat
Meulmeester na zijn aanstelling was blijven wonen in Sint Philipsland in Zeeland.%+
Meulmeester zou ‘bedrijfsonkosten’ van 1pB-medewerkers hebben gedeclareerd
waar het in feite onkosten betrof die hij voor de verbouwing van zijn eigen
boerderijwoning ‘de Punthoeve’ in Sint Philipsland had gemaakt. Rekeningen die
Meulmeester indiende zouden altijd vol gaten zitten. Met een schaar werden
herkomst, datum, bestemming en andere relevante gegevens eruit geknipt zodat
niet langer te achterhalen viel voor welk doel of welke missie de onkosten waren
gemaakt. Het werk van de 1pB was immers streng geheim.
Het tweede fraudegeval zou een zogenaamd safehouse betreffen. In werkelijk
heid zou dit safehouse de flat van Meulmeester in Den Haag zijn geweest, waar
hij door de week verbleef. Indien juist, was dit des te opmerkelijker omdat de 1DB
er na 1980 geen safehouses meer op nahield. Als er behoefte was aan een veilige
plaats van samenkomst, werd in de nabijheid een hotelkamer gehuurd. Ondanks
zijn flat in Den Haag zou Meulmeester jarenlang elke dag de reiskosten tussen
Den Haag en Zeeland hebben gedeclareerd.35 Deze vermeende fraude was, zoals
we zagen, al in een eerder stadium door Jongsma aangekaart bij de toenmalige
secretaris-generaal van Algemene Zaken, Ringnalda, maar deze had na een gesprek
met de voorzitter van de Algemene Rekenkamer H. Peschar geen aanleiding gezien
tot ingrijpen.
Nadat op 1 november 1991 een 1DB-medewerker op een tweetal geluidsbanden,
die hem ter beschikking waren gesteld voor hergebruik, opgenomen telefoongesprekken van collega’s had aangetroffen, werd er onder het personeel gefluisterd
dat de dienstleiding stelselmatig telefoongesprekken van medewerkers afluisterde
uit wantrouwen over de politieke betrouwbaarheid en de loyaliteit van het personeel
aan de dienst.3° Sommige medewerkers zagen in de banden zelfs het bewijs van
een reeds lang onder hen levend vermoeden van afluisterpraktijken door de
dienstleiding onder het personeel.37


Pagina

Open en bloot

Enkele dagen na de schriftelijke opdracht aan Van Asch en Romeyn en hun besluit
de zaak aan de ambtenarenrechter voor te leggen had de laatste grote eruptie van
de in het verleden al herhaaldelijk in opspraak gekomen dienst plaats. Op vrijdag
24 januari 1992 verscheen op de voorpagina van Het Financieele Dagblad een artikel waarin werd gerefereerd aan de brieven die in november en december 1991 tussen Hoekstra en het personeel waren gewisseld. Volgens het artikel vermoedde het personeel van de geheime dienst dat Meulmeester onregelmatig gelden betrok uit
de Stichting vriBIA. Bovendien onthulde de auteur van het artikel dat ‘een aanzienlijk deel” van de 1pB-activiteiten tegen de drugscriminaliteit sinds 1991 op het conto stond van twee 1pB’ers die under cover waren ondergebracht op de
consulaire afdelingen van de Nederlandse ambassades in Cayenne en Caracas.
Ten slotte maakte de auteur er melding van dat het hoofd Operatiën enkele dagen eerder op non-actief was gesteld.59 De informatie uit Het Financieele Dagblad
werd door vrijwel de gehele Nederlandse pers overgenomen.€° Ook het in de
internationale inlichtingenwereld veel gelezen blad Intelligence Newsletter, dat in
Parijs verschijnt, berichtte erover.®!
De publicatie in Het Financieele Dagblad veroorzaakte grote consternatie binnen
Maarheeze. Nog op de dag van verschijning van het artikel sprak de dienstcommissie van de 1pB met Hoekstra. Zij betreurde de mogelijke schade voor mensen
en zaken, terwijl enig bewijs voor de vele beschuldigingen ontbrak. Hoekstra
vond het bekend worden van de interne problemen ook buitengewoon ernstig,
evenals het feit dat door deze publicatie ‘een aantal operationele gegevens bekend
zijn geworden’. Vooral dat laatste noemde hij ‘niet alleen schadelijk voor het
functioneren van de dienst, maar … vooral bedreigend voor de veiligheid van de
betrokken medewerkers van de 1pB en de daaraan gerelateerde bronnen’.63
Deze zorg betrof de stationering van de 1pB’ers in Cayenne en Caracas. De
gevolgen lieten niet lang op zich wachten. Al de dag na verschijning van het artikel
in Het Financieele Dagblad deed Frits Hirschland in een schrijven aan het ministerie
van Algemene Zaken zijn beklag over het volgens hem amateuristische optreden
van 1pB’er Hans Hartog in Cayenne.°4 Nog twee dagen later zond Hirschland,
die kennelijk een appeltje te schillen had met de 1pB, een fax aan het ‘Nederlands
Consulaat [in Cayenne), Att: Afd. 1.D.B. UNDERCOVER AGENT ooo “Triple Zero”
De Weledele Heer Hans Hartog, met de uitnodiging bij terugkomst in Nederland
eens een persconferentie te beleggen over de situatie in Suriname.
Naar aanleiding van de publiciteit trad ook Meulmeester zelf uit het schemerduister van zijn geheime dienst. Tegenover verscheidene kranten ontkende hij in
alle toonaarden de jegens hem geuite beschuldigingen en liet hij weten juridische
stappen tegen Het Financieele Dagblad te overwegen. Volgens hem was er een
hetze tegen hem gaande van ‘niet meer dan twee personen’ voortvloeiende uit de
reorganisatie. Naar zijn oordeel was drie jaar geleden slechts door een verkeerde
schakeling opnameapparatuur op de telefoon van een medewerker aangesloten.
Verder was er van een opheffing van de 1pB geen sprake: ‘De 1ps blijft bestaan.’65
In een interview met Max de Bok in De Limburger deed hij er nog een schepje
bovenop door te suggereren dat de achttien 1pB’ers die een brief vol klachten aan
Hoekstra hadden gezonden waren ‘misleid’ door enkele van hun collega’s. Volgens
Meulmeester wisten de meesten niet eens wat in de ‘memorie van grieven’ zou
hebben gestaan. Het gros van de ondertekenaars zou hem intussen excuses hebben aangeboden.ێ Zij waren blind gevaren op de mededelingen van het bekende trio
dat onvoldoende gehoor had gevonden bij Hoekstra. De drie oproerkraaiers
hadden de rest van het personeel voorgehouden dat ze over ernstige bewijzen
tegen Meulmeester beschikten. Zij hadden het voorgesteld alsof iedereen die wilde
dat de 1pB bleef bestaan en dat hij zijn baan behield, moest zorgen dat Meulmeester
van het toneel verdween. Zo had volgens Meulmeester de Bende van Drie de
overige vijftien ondertekenaars achter zich gekregen.€7 Een van de ‘bendeleden’
bestreed deze versie tegenover ons. Volgens hem zouden slechts drie, niet academisch opgeleide, medewerkers ‘onder druk’ op hun mening zijn teruggekomen. °®
Op maandag 27 januari schreef premier Lubbers aan de Tweede Kamer dat er
voor de beschuldigingen over onrechtmatig gebruik van geld geen bewijs bestond.
De ‘zogenaamde afluisterpraktijk’ was slechts een ‘incident’ geweest, waarbij nog
kwam dat niet gebleken was dat Meulmeester erbij betrokken was geweest. De
verantwoordelijke medewerker zou in het kader van de reorganisatie de dienst
verlaten. Verder had Meulmeester op 14 januari met de pc een nieuwe opzet van
het managementberaad besproken; op 23 januari had hij deze ingevoerd om de
interne communicatie te verbeteren. De minister-president liet de Kamer weten
dat de rijksrecherche was verzocht een onderzoek in te stellen naar de lekken naar
Het Financieele Dagblad.°9 Volgens ingewijden zou ook de Criminele Inlichtingendienst van Zuid-Holland-Midden zijn ingeschakeld om de mogelijke verdere
contacten van IDB’ers met vertegenwoordigers van de pers na te gaan.

BK
BND
BNV
BOSS
BRD
BRIOP
BVC
BVD Bijl.
BZ
CAD
le
CCOOP
ccs
CDA
cdt
CDU
CFO
CGS
CHU
CI
CIA
CIO
CMHA
CMHF
CMI
Comecon
Cominform
Conf.
cos
CPC
CPN
CRI
CSIS
CSU
CVD
CVP
CVCS
CVIN
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
Brandkast
Bundesnachrichtendienst
Bureau Nationale Veiligheid
Bureau of State Security
Bondsrepubliek Duitsland
Bureau Registratie en Informatie Ontslagen Personeel
Bijzondere Voorlichtingscommissie
Binnenlandse Veiligheidsdienst
Bijlage
(ministerie van) Buitenlandse Zaken
Centraal Archieven Depôt van het ministerie van Defensie
Commissie van Coördinatie
Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel
Combined Chiefs of Staff
Christen Demokratisch Appèl
commandant
Christlich-Demokratische Union
Christelijke Federatie van Overheidspersoneel
Chef Generale Staf
Christelijk Historische Unie
Counterintelligence
Central Intelligence Agency
Congress of Industrial Organization
Centrale van Middelbare en Hogere Ambtenaren
Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijfsleven en Instellingen
Centrale Militaire Inlichtingendienst
Council for Mutual Economic Assistance
Communistisch Informatiebureau
Confidentieel
Chief of Station
Clandestine Planning Committee; Coördinatie en Planning
Comité
Communistische Partij Nederland
Centrale Recherche Informatiedienst
Canadian Security Intelligence Service
Christlich-Soziale Union
Centrale Veiligheidsdienst
Christelijke Volkspartij
Comité Verenigde Chefs van Staven
Comité Verenigde Inlichtingendiensten Nederland
Soo
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
D66 Democraten ’66
DAV Directie Atlantische Samenwerking en Veiligheid
DAZ Directie Algemene Zaken
DBD Directie Buitenlandse Dienst
DC Dienstcommissie
DDR Duitse Democratische Republiek
DEA Drugs Enforcement Administration
DEU Directie Europa
DGPZ Directeur/Directoraat-Generaal Politieke Zaken
DGSE Direction Générale de la Sécurité Extérieure
DIA Defense Intelligence Agency
Dirvo Directie Verre Oosten
DNW Directie NAVO en WEU-Zaken
DOA Directie Azië en Oceanië
DOBI Dagelijks overzicht van de belangrijkste inlichtingen
doss. dossier
DWH Directie Westelijk Halfrond
EDG Europese Defensie Gemeenschap
EEG Europese Economische Gemeenschap
EGKS Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
EVD Economische Voorlichtngsdienst
EZ (ministerie van) Economische Zaken
FA (ministerie van Algemene Zaken:) Fock archief
FAD firmadossier
FBI Federal Bureau of Investigation
FBIS Foreign Broadcast Information Service
FCR Forsvarets Centralradio
FDP Freie Demokratische Partei
FET Forsvarets Efterretningstjeneste
Firato (Vereniging van) Fabrikanten van Radiotoestellen en Technische Onderdelen
ELN Front de la Libération Nationale
FO Foreign Office
FOIA Freedom of Information Act
FOM Fundamenteel Onderzoek der Materie
FRUS (Papers on the) Foreign Relations of the United States
G.A. Geheim archief
GCHQ Government Communications Headquarters
gen.-maj. generaal-majoor
Gestapo Geheime Staatspolizet
sol
Gestapu
GNV
GRU
GS
HBID
HBS
HBVD
HEK
HF
HIDB
HK
HKA
HKGS
HKKL
HLAMID
HLUID
HMARID
HMID
HOA
HP
HTK
HVK
ICWIV
IDB
IKOT
Indon.
Inf.
INSCOM
inv.nr.
Ien O
ISG
1S-9
IVG
JA
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
Gerakan September Tigahpuluh (Beweging van 30 september)
Gecombineerde Nederlandse Vertegenwoordiging
Glavnoye Razvedyvatel’noye Upravleniye
Geheime Stukken; Generale Staf
Hoofd Buitenlandse Inlichtingendienst
Hogere Burger School
Hoofd Binnenlandse Veiligheidsdienst
Handelingen Eerste Kamer
Hoge Frequentie
Hoofd Inlichtingendienst Buitenland
Hoofdkwartier
Hoofd kabinetsafdeling A van de BvD
Hoofdkwartier van de Generale Staf
Hoofdkwartier Koninklijke Landmacht
Hoofd Landmacht Inlichtingendienst
Hoofd Luchtmacht Inlichtingendienst
Hoofd Marine Inlichtingendienst
Hoofd Militaire Inlichtingendienst
Hoofd Operationele Afdeling
Haagse Post
Handelingen Tweede Kamer
Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon
Interdepartementale Commissie Wetsontwerp Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst
Inlichtingendienst Buitenland
Interne Krijgsmacht Overleg Terreurbestrijding
Indonesië
Infanterie
(us Army) Intelligence and Security Command
inventarisnummer
Inlichtingen en Operatiën
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Intelligence School No. 9
Inlichtingen- en Veiligheidsgroepen
Jusutiêle Afdeling
(Nederlandse) Katholieke Bond van Overheidspersoneel
Koninklijk Besluit
Korps Commando Troepen
Katholiek Documentatiecentrum, Nijmegen
502
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
KGB Komitet Gosudarstvennoy Bezopasnosti
KHA Keesing s Historisch Archief
KIQ’s Key Intelligence Questions
KL Koninklijke landmacht
KLu Koninklijke luchtmacht
KM Koninklijke marine
KMA Koninklijke Militaire Academie
KMP (archief van het) kabinet van de minister-president, 1942-1969
KNIL Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
KPM Koninklijke Paketvaart Maatschappij
KPP Katholieke Politieke Partij
KVP Katholieke Volkspartij
LAMID Landmacht Inlichtingendienst
LO Liaison Officer
Ie. luitenant
le.-kol. luitenant-kolonel
LUID Luchtmacht Inlichtingendienst
M minister van Buitenlandse Zaken
MAK (Raad voor) Militaire Aangelegenheden van het Koninkrijk
Manipol Politiek Manifest
MARID Marine Inlichtingendienst
MAVO Middelbaar Algemeen Voortgezet Onderwijs
MIS Military Intelligence 5
MIG Military Intelligence 6
MI9 Military Intelligence 9
MICIV Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
MID Militaire Inlichtingendienst
mil. militair
MLD Marine Luchtvaartdienst
MRP Mouvement Républicain Populaire
Mulo Meer uitgebreid lager onderwijs
NA National Archives
NATO North Atlantic Treaty Organization
NAVO Noordatlantische Verdragsorganisatie
NEFIS Netherlands Forces Intelligence Service
NERA Nederhorst den Berg Radiostation
NG Nieuw-Guinea
NIB S.L. van der Wal (later: P.J. Drooglever/M.J.B. Schouten) (ed),
503
NIBP
NIGO
NIO
NOI
NSA
NTR
NVB
OAS
OD
O.D.
OE
OEA
OEEC
Ö.v.P.
ONI
OPC
o) u
OPCW
OPEC
OSS
OA
ID Ee @
PB
PD
JAG
PET
PG
PH
PID
PKI
pl.nr.
plv
PLVS
PMC
PNI
PPR
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen
Nationaal Inlichtingen Behoeften Plan
Nederlandsch-Indische Guerilla Organisatie
National Intelligence Officer
Nederlands Oost-Indië
National Security Agency
Nationale Telecommunicatie Raad
Nederlandse Volksbeweging
Organisatie van Amerikaanse Staten; Organisation Armée Secrète
onderwerpsdossier
Orde Dienst
Bureau Oost-Europa
Operationeel Economische Afdeling
Organization for European Economic Co-operation
Österreichische Volkspartei
Office of Naval Intelligence
Office of Policy Coordination
Bureau Oost-Azië en Pacific van DOA
Organization for the Prohibition of Chemical Weapons
Organisatie van Olie Producerende en Exporterende Landen
Office of Strategic Services
Onvoltooid Verleden Tijd (vPro-radioprogramma)
Personeel en Organisatie
Prins Bernhard
persoonsdossier
Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, Verslag houdende
uitkomsten van het onderzoek
Politiets Efterretningstjeneste
procureur-generaal
Afdeling Politieke Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening
DNW
Politie Inlichtingendienst
Partai Kommunist Indonesia
plaatsingsnummer
plaatsvervangend
plaatsvervangend secretaris-generaal
Provinciaal Militair Commando
Partai Nasional Indonesia
Politieke Partij Radikalen
504
PRA
PRC
PRO
PSI
PSP
PTT
Putera
PVDA
Sel
SACLANT
SAM
SAZ
SBP
SBR
SDEGE
SEATO
SG
SHAPE
SIM
SIS
SMG
SOE
SPARE
SPD
SPOT
Stasi
SWAPO
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
Politieke Recherche Afdeling
People’s Republic of China
Public Record Office
Partai Sosialis Indonesia
Pacifistische Socialistische Partij
Post, Telegrafie, Telefonie
Pusat Tenaga Rakjat (Volkskrachtcentrale)
Paruj van de Arbeid
Rijksarchief Noord-Brabant
rapportdossier
reserve
Radio Free Europe
record group
Radio Intelligence Commissie
Republik Maluku Selatan (Republiek der Zuid-Molukken)
Ridder Militaire Willems Orde
Rijks Psychologische Dienst
Ronde Tafel Conferentie
Rijksvoorlichtungsdienst
secretaris-generaal (van het ministerie van Buitenlandse Zaken)
Science and Technology
Supreme Allied Commander Atlantic
surface-to-air missile
Sectie Algemene Zaken
Stafafdeling Buitenlandse Politiek
Suchting BouwResearch
Service de Documentation Extérieure et de Contre-Espionnage
Southeast Asia Treaty Organization
secretaris-generaal
Supreme Headquarters Allied Powers Europe
afkorting voor de Italiaanse inlichtingendienst
Secret Intelligence Service
Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmachtstaf
Special Operations Executive
Soviet Policy Analyzed en Researched
Sozialdemokratische Partei Deutschlands
Système Probatoire d’Observation de la Terre
Ministerium für Staatssicherheit
South-West African People’s Organization
505
TEE
TIVC
TNI
TNO
TROS
nb)
TWA
UK
UCN
UN
UNTSO
Us
USA
USDEK
USIA
vadm
VCS
VN
Vopo
VPRO
VRIBIA
VVD
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
Trans Europa Express
Technisch Informatie VerwerkingsCentrum
Tentara Nasional Indonesia
Centrale Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk
Onderzoek
Televisie Radio Omroep Stichting
Tupolev
Technisch-Wetenschappelijke Afdeling
United Kingdom
Ultracentrifuge Nederland
United Nations
UN Truce Supervision Organization
United States
United States of America
Undang-undang dasar 1945, Sosialisme ala Indonesia, Demokrasi terpimpin, Ekonomie terpimpin, Kepribadian Indonesia
(geloof in de grondwet, een Indonesische vorm van socialisme,
geleide democratie, geleide economie en een Indonesische idenuteit en cultuur)
United States Information Agency
vice-admiraal
Verenigde Chefs van Staven
Verenigde Naties
Volkspolizei
Vrijzinnig-Protestantse Radio Omroep
(Stichting) Vrienden van de Biathlon
Volkspartij voor Vrijheid en Demokratie
West Europese Unie
Wiskundig Centrum
waarnemend
Wet Openbaarheid van Bestuur
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Western Union Clandestine Committee
(ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
Regeringscommissaris voor Indonesische aangelegenheden
zonder datum
zonder jaar
zonder plaats
Zeer Geheim
506
Overzicht van bronnen en gebruikte literatuur
Ongepubliceerde bronnen
Australië
Australian Archives, Dickson
Australian Department of External Affairs, Canberra
Canada
National Archives of Canada, Ottawa
Groot-Brittannië
Public Record Office, Kew, Richmond
FO 371
Nederland
Algemeen Rijksarchief, s-Gravenhage
2.02.05.01 ministerraad
2.02.05.02 Raad voor Oorlogvoering
2.02.05.02 Raad Militaire Aangelegenheden van het Koninkrijk
2.02.05.02 Algemene Verdedigingsraad
2.02.20 Kabinet der Koningin 1945-1975
2.03.01 ministerie voor Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk
2.05.50.02 gezantschap Canberra
2.09.06 ministerie van Justitie Londen
2.10.14.02/03 Algemene Secretarie van Nederlands-Indië
2.10.36.052 geheim verbaalarchief ministerie van Koloniën/Overzeese Gebiedsdelen
2.10.54 dossierarchief ministerie van Overzeese Gebiedsdelen
2.13.13.01 geheim verbaalarchief van het ministerie van Oorlog
2.21.036.01 collectie S.H. Spoor
2.21.036.02 collectie D.C. Buurman van Vreeden
2.21.100 collectie P.J. Koets
2.21.175 collectie Ch.J.I.M. Welter
2.21.183.87 collectie S.H. Visser
$07
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
2.21.231 collectie L. Einthoven
2.21.281.02 collectie A.H.J. Lovink
2.21.281.06 collectie E. Schokker
2.21.285 collectie F.J. Goedhart
2.21.286 collectie W. Drees
2.21.291 collectie H.J. de Koster
Ambtenarengerecht te ‘s-Gravenhage
uitspraak Aw 1985/203
Binnenlandse Veiligheidsdienst, Leidschendam
inzagemap CO 2157584
inzagedossier Fock-archief, nr. 2.240.125-33,
inzagemap BID/IDB, nr. 2.254.140-31
inzagemap BID/IDB, nr. 2.257.961-39
inzagedossier BID/IDB, nr. 2.279.266-a0
inzagedossier nr. 2.302.667-70
Centraal Archieven Depôt van het ministerie van Defensie, Rijswijk
279.110/A
280.352
389.834/Q
BRIOP-dossier J.A. Masselink
BRIOP-dossier IJ.W. Smit
Departement van Oorlog, Londen
Kabinet van de Legercommandant Indonesië, 1945-1950
ministerie van Marine
staf Koninklijke Marechaussee
T-Brigade
Centrale Raad van Beroep, Utrecht
uitspraak Aw 1987/368
Gemeentearchief, Amsterdam
kranten- en weekbladenarchief
Gemeentearchief, Den Haag
archief gemeentepolitie
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam
archief PvDA
archief E. van Thijn
archief J.M. den Uyl
Kamer van Koophandel, Amsterdam
Kamer van Koophandel Haaglanden, ‘s-Gravenhage Katholiek Documentatiecentrum, Nijmegen
collectie P.J.S. de Jong
Letterkundig Museum, ‘s-Gravenhage
collectie S. Tas
508
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
Ministerie van Algemene Zaken
BID/1DB-archief
archief van de Bijzondere Voorlichtingscommissie
commissie van coördinatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
coördinator-archief
Fock-archief
honorering van WOB-verzoeken
kabinet van de minister-president
P&O-dossiers
verslagen van de Bijzondere Commissie
verslagen van de Dienst Commissie van de 1DB
Ministerie van Buitenlandse Zaken
brandkastdossiers
codearchief
inspectiedossiers Buitenlandse Dienst
NEFIS-archief
postenarchieven
privéarchief S.J. baron van Tuyll van Serooskerken
Ministerie van Defensie
MID-archief
archief secretaris-generaal
Ministerie van Financiën
IDB-rapporten
Ministerie van Financiën, Regionale Directie Domeinen West, Leiden
dossier 91/0821, verkoop van het pand Maarheeze te Wassenaar
Ministerie van Justitie
‘Samenvatting Rijksrechercheonderzoek bij de voormalige Inlichtingendienst
Buitenland’
Rijksarchief Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch
049.02 collectie Baars-Kleijn
092.01 collectie J.E. de Quay
Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmachtstaf, ‘s-Gravenhage
Bureau Documentatie en Informatie
nr. 030/1
nr. 559/3
Verenigde Staten
Central Intelligence Agency, Washington D.C.
FOIA requests
Dwight D. Eisenhower Library, Abilene, Kansas
TR-1962 Europe
Federal Bureau of Investigation, Washington D.C.
jog
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
Georgetown University, Lauinger Library, Washington D.C.
oss Veterans Oral History Project
Hoover Institution on War, Revolution and Peace, Stanford, California
collectie Howard P. Jones
collectie Guy Pauker
Lyndon B. Johnson Library, Austin, Texas
Country Files, The Netherlands
John F. Kennedy Library, Boston, Massachusetts
National Security Files, The Netherlands
Library of Congress, Manuscript Division, Washington D.C.
MacArthur Memorial Museum, Archives and Library, Norfolk, Virginia
National Archives, College Park, Maryland
RG 38 Office of us Naval Intelligence
RG 59 State Department diplomatic records
RG 84 Diplomatic Posts — The Hague
RG 165 Modern Military Field Branch
RG 226 Office of Strategic Services
RG 263 CIA: Murphy papers
RG 273 National Security Council
RG 319 US Army Intelligence, G-2
RG 341 US Air Force Intelligence
RG 457 National Security Agency
National Security Archives, Washington D.C.
Harry S. Truman Library, Independence, Missouri
National Security Files, The Netherlands
US Army Intelligence and Security Command, Fort George Meade FOIA requests
US Department of State, Washington D.C.
University of Pennsylvania, Van Pelt Library, Philadelphia
collectie J.T. Farrell
Washington National Records Center, Suitland, Maryland
Geraadpleegde periodieken
Algemeen Dagblad
Algemeen Handelsblad
AMOK
Het Binnenhof
Boekblad
Brabants Nieuwsblad
Bredasche Courant
Commentaar
SIO
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
Commentary
Covert Action
Elsevier
Elseviers Weekblad
Het Financieele Dagblad
Folia
De Gelderlander
Gooi & Eemlander
De Groene Amsterdammer
Haagsche Courant
Haagse Post
HP/De Tijd
Herald Tribune
Hervormd Nederland
HUMO
Independent
Indonesian Affairs
Intelligence Newsletter (Parijs)
International Journal of Intelligence and Counterintelligence
Keesing ‘s Historisch Archief
Het Limburgs Dagblad
De Limburger
New York Times
De Nieuwe Linie
Nieuwe Revue
Nieuwsblad van het Zuiden
Nieuwsgier
De Ochtendpost
Panorama
Parapolitics
Het Parool
Propria Cures
Reformatorisch Dagblad
Rotterdams Dagblad
De Stem
Der Stern
Studies in Intelligence
De Telegraaf
Time
Trouw
Us. News and World Report
Vizier
de Volkskrant
SII
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
Vrij Nederland
Het Vrije Volk
De Waarheid
The Washington Post
Weekkrant Suriname
Jaarboeken en -verslagen
Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken
Jaarboek Parlement en Ktezer
Jaarverslag 199r Binnenlandse Veiligheidsdienst, Den Haag 1992
Jaarverslag 1992 Binnenlandse Veiligheidsdienst, Den Haag 1993
Jaarverslag Koninklijke Marechaussee 1980
Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden
Geraadpleegde literatuur
M. Aarons & J. Loftus, Ratlines. How the Vatican s Nazi Networks Betrayed Western
Intelligence to the Soviets, London 1991
H.R. Abdulgani, The Army and Social Change, paper read before 30 International
Congress of Human Sciences in Asia and North Africa (International Congress of
Orientalists), Mexico 1976
R. Abdulgani, The Bandung Connection. The Asia-Africa Conference in Bandung in
1955, Singapore 1981
H.R. Abdulgani, The Bandung Spirit. Moving on the Tide of History, z.pl. 1964
R. Abdulgani, ‘My Childhood World’, Zndonesta, nr. 17 (April 1974), Pp- 12-135
H.R. Abdulgani, ‘Clarification concerning Manipol-Usdek’, 7he Resounding Voice
of the Indonesian Revolutton, Djakarta 1965, pp. 69-131
H.R. Abdulgani, Heroes Day and the Indonesian Revolution, z.pl. 1964
R. Abdulgani, “Indonesia’s National Council: The First Year’, Far Eastern Survey,
vol. 27 nr. 7 (July 1958), pp. 97-104
R. Abdulgani, ®Manipol” and “USDEK”. The Political Manifesto of the Republic of
Indonesia and its Basic Elements. A Series of Radio Talks, (Jakarta 1960)
H.R. Abdulgani, Nattonalism, Revolution and Guided Democracy in Indonesia. Four
Lectures, Clayton 1973
R. Abdulgani, Pantjasila. The Prime Mover of the Indonesian Revolution, Djakarta Zn
R. Abdulgani, Problems of Neutralization and Regional Cooperation in South East Asia, z.pl. 1972
Administration of justice in Indonesia. An account of the treatment of Netherlands Prisoners and Defense Counsel in Indonesia 1953-1955 published by the Netherlands Ministry of Foreign Affairs, [The Hague] 1955
512
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
Ph. Agee en L. Wolf, Dirty Work. The CIA in Western Europe, Secaucus 1978
Ide Anak Agung Gde Agung, Twenty years Indonesian foreign policy 1945-1965, The
Hague/ Paris 1973
M.S. Alexander, ‘Introduction: Knowing Your Friends, Assessing Your Allies —
Perspectives on Intra-Alliance Intelligence’, Intelligence and National Security,
vol. 13 nr. 1 (Spring 1998), pp. 1-17
D. Alvarez, ‘Vatican Intelligence Capabilities in the Second World War’, Ztelkzgence and National Security, vol. 6 nr. 3 July 1991), pp. 593-607
R. Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer. Uit het dagboek van een politieke teckel,
Leiden 1973
The Asia Who’s Who 1957, Hongkong 1957
Australian Security Intelligence Organization, Report to Parliament 1994-95. Authorized Copy December 1995, Canberra 1995
J. Bamford, The Puzzle Palace. A Report on America’s Most Secret Agency, Harmondsworth 1985
C.D. Barkman, Bestemming Djakarta. Het herstel der Nederlands-Indonestsche
betrekkingen, Amsterdam 1994
R. ter Beek, Manoeuvreren. Herinneringen aan Plein 4, (Amsterdam) 1996
Beheren en beweren. Rapport van de werkgroep Onderzoek archieven van de Inlichtingen-en Veiligheidsdiensten, Kamerstuk 25809, nrs. 4,5 en 6, ‘s-Gravenhage 1998
M. Beschloss, MayDay. Eisenhower, Khrushchev and the U-2 Affair, New York 1986
J.G. de Beus, Morgen bij het aanbreken van de dag. Nederland driemaal aan de
vooravond van oorlog, Rotterdam 1977
H.C. Beynon, Nederland staat terecht in Indonesië. Achtergronden bij de processen
tegen de Nederlanders Jungschlüäger, Schmidt en anderen in Djakarta, Utrecht zj.
1956)
L. Black & B. Morris, Zsrael’s Secret Wars. A History of Israels Intelligence Services,
New York 1992 (1991)
W. Blum, The CIA: A Forgotten History. US Global Interventtons Since World War
2, London/New Jersey 1987”
H. Boerboom en J. Oranje, De 8-december-moorden. Slagschaduw over Suriname,
’s-Gravenhage 1992
O. van Boetzelaer, De drie cirkels, Oegstgeest 1996
J.-M. Bonthous, ‘Understanding Intelligence Across Cultures’, ternational Journal of Intelligence and Counterintelligence, vol. 7 nr. 3 (Fall 1994), pp. 275-311
Ph. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog I, IL, Franeker
1984-1986
A.C. Brackman, The Communist Collapse in Indonesta, New York 1969
H.W. Brand, ‘How the United States Didn’t Topple Sukarno’, Journal of American
History, vol. 76 nr. 3 (December 1989), pp. 785-808
G. Brandsma, Ssst. Vertel het de Russen, Bussum 1975
513
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
J.-F. Brozzu-Gentile, L’Affatre Gladio. Les reseaux secrets Americains au coeur du
terrorisme en Europe, Paris 1994
L. van Bruggen/H. van Seumeren/F. de Blauw, De Chinese affaire, Apeldoorn
(1966)
H. Buitenweg, Krokodillenstad, Katwijk 1980
F.P. Bunnell, The Central Intelligence Agency-Deputy Directorate for Plans 1961
Secret Memorandum on Indonesia: a Study in the Politics of Policy Formulation
in the Kennedy Administration’, Indonesia, nr. 22 (October 1976), pp. 131-169
F.P. Bunnell, 7he Kennedy initiative in Indonesia, 1962-1963 (Ph.D. thesis Cornell
University, September 1969)
A.P.M. Cammaert, Het verborgen front. Een geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog (twee delen) (diss.),
Leeuwarden/Mechelen 1994
O. Cardenas, De revolutie van sergeanten, Nijmegen 1988
R. Chauvel, Nationalists, soldiers and separatists. The Ambonese Islands from colonialism to revolt 1880-1950, Leiden 1990
A. & L. Cockburn, Dangerous Liaison. The Inside Story of the U.S.-Israeli Covert
Relationship, New York 1991
P. Coleman, 7he liberal conspiracy: the Congress for Cultural Freedom and the struggle
for the mind of postwar Europe, New York 1989
J.F. Collins/B.H. Tovar, ‘Sukarno’s Apologists Write Again’, International Journal
of Intelligence and Counterintelligence, vol. 9 nr. 3 (Fall 1996), pp. 337-357
K. Colijn en P. Rusman, Het Nederlandse wapenexportbeleid 1963-1988 (diss.),
s-Gravenhage 1989
[Commissie-Van Rijckevorsel,] De Toekomst van de Nederlandse Defensie. Bevindingen en aanbevelingen van de Commissie van Civiele en Militaire Deskundigen,
‘s-Gravenhage 1972
J. Cooney, The American Pope. The Life and Times of Francis Cardinal Spellman,
New York 1984
L. Cornelissen, ‘Jhr. R.F. Groeninx van Zoelen (1889-1979). Een zonderling
Hagenaar. Pamflectist ter rechterzijde’, H. Foppe (red.), /n Den Haag geschied.
750 jaar in verhalen en beschouwingen, Den Haag 1998, pp. 213-236
H. Crouch, The army and politics in Indonesia, Ithaca, N.Y., 1988 (1978)
H. Crouch, ‘Another look at the Indonesian “coup”, Indonesia, nr. 15 (April 1973), Pp: 1-20
Th.W. Crul, Het huwelijk bij de ethnologische oervolken (diss.), Leiden 1942
Th.W. Crul, Hoe de vrede te winnen. Politiek-geografische beschouwingen over
Duitsland en Europa, Enschede 1945
B. Dahm, History of Indonesia in the Twentieth Century, London etc. 1971
A.C.A. Dake, In the spirit ofthe Red Banteng. Indonesian communists between Moscow and Peking 1959-1965, The Hague/Paris 1973
514
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
R. Deacon, A History of the Chinese Secret Service, London 1974
J. Deshpande, Indonesia. The Impossible Dream. United States and 1958 Rebellion,
New Delhi 1981
E.M. Dew, The Trouble in Suriname, 1975-1993, New York 1994
G. Dogger, De vierkante maan, Amsterdam 1985
Ch.L.J.F. Douw van der Krap, Contra de swastika. De strijd van een onverzettelijke
Nederlandse marineofficier in bezet Europa, 1940-1945, Bussum 1981
W. Drees, Zestig jaar levenservaring, Amsterdam 1963
Th.C. Droogh, De koelie wordt toean, Voorhout 1959
P.J. Drooglever/M.J.B. Schouten (ed), Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen XVI, XX, s-Gravenhage 1991-1996
F.J.F.M. Duynstee, Nieuw-Guinea als schakel tussen Nederland en Indonesië, Amsterdam 1961
F. van Egmond, Wie ts wie in Nederland 1984-1988, Den Haag 1984
H. Ehmke, Mittendrin. Von der Groffen Koalition zur Deutschen Einheit, Hamburg
1996
K. Eichner/A. Dobbert, Headquarters Germany. Die USA-Geheimdienste in Deutschland, Berlin 1997
D. Engelen, Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (diss), ‘s-Gravenhage 1995
D. Engelen, Mlichtingendienst Buitenland. Een institutioneel onderzoek naar de
Buitenlandse Inlichtingendienst/Inlichtingendienst Buitenland (1946-1996), ‘s-Gravenhage 1996
Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, Verslag houdende uitkomsten van het
onderzoek III, IV, VI, VII, s-Gravenhage 1950-1950-1952-1955
G.H. von Faber, Oud Soerabaia. De geschiedenis van Indië ‘s eerste koopstad van de
oudste tijden tot de instelling van den gemeenteraad, Soerabaia 1931
G.H. von Faber, Er werd een stad geboren… De wordingsgeschiedenis van het oudste
Soerabaja, Soerabaja 1953
R. Faligot, Les éminences grises, Paris 1992
R. Faligot & R. Kauffer, The Chinese Secret Service, London 1989
H. Feith, The Decline of Constitutional Democracy in Indonesia, Ithaca, N.Y., 1962
H. Feith, The Wilopo Cabinet, 1952-1953; a Turning Point in Post-Revolutionary
Indonesia, Ithaca, N.Y., 1958
H. Feith/L. Castles (ed.), Indonesian Political Thinking 1945-1965, Ithaca/ London
1970
R.H. Fifield, The Diplomacy of Southeast Asia: 1945-1958, New York 1958
(Papers on the) Foreign Relations of the United States 1948, vol. m, Washington D.C.
1974
(Papers on the) Foreign Relations of the United States 1955-1957, volumes xv1 en xx1,
Washington D.C. 1990
515
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
(Papers on the) Foreign Relations of the United States 1961-1963, volume soan,
Washington D.C. 1994
W.H. Frederick, Visions and Heat: The Making ofthe Indonesian Revolution, Athens,
Ohio, 1989
V. Freijser, ‘Co Brandes en de “Nieuwe Haagsche School”, Jaarboek Die Haghe
1985, pp. 142-191
P. FE. Gardner, Shared Hopes — Separate Fears. U.S.-Indonestan Relations, Boulder,
Colorado, 1997
R. Gase, Misleiding of Zelfbedrog. Het Nederlandse beleid ten aanzien van Nieuw
Guinea, Baarn 1984
P.B.R. de Geus, De Nieuw-Guinea kwestie. Aspecten van buitenlands beleid en
militaire macht (diss), Leiden 1984
B. Ghoshal, Indonesian Politics 1955-59. The Emergence of Guided Democracy,
Calcutta/New Delhi 1981
Gids van het Departement van Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse Dienst,
‘s-Gravenhage, diverse jaargangen
LJ. Giebels en W. Molenaar (red.), Integratie in een multiculturele samenleving,
Breda 1998
À. van der Gouw, Alias Teixeira, Utrecht 1968
B. de Graaff, ‘Bvp-Dossiers. Ns-Dagtochtje naar het nieuwe BVD-gebouw?’, NHGNieuws, jg. 1 nr. 2 (juli 1994), pp. 2-3
B. de Graaff, ‘Dissertatie over BVD een gewoon proefschrift?’ NISA-Nieuwsbrief,
jg 4 nr. 3 (herfst 1995), pp. 14-20
B. de Graaff, ‘Openbaarheid krijg je niet cadeau’, J.R. Creutzberg/J.A. Louwerse
(red.), Proceedings 7e Dag van het Document, 19 mei 1998, Groningen 1998, pp.
63-70
B. de Graaff, Schakels naar de vrijheid. Pilotenhulp in Nederland tijdens de Tweede
Wereldoorlog, ‘s-Gravenhage 1995
B. de Graaff en C. Wiebes, Gladio der Vrije Jongens. Een particuliere geheime dienst
in Koude Oorlogstijd, Den Haag 1992
S. De Gramont, 7he Secret War. The story of international espionage since World
War II, New York 1963
W. Gunnewegh & H. Uilenbroek, Spion van het Koninkrijk, Amsterdam 1974
P.S. van ’t Haaff/M J.C. Klaassen, Gedenkboek Adelborsten-opleiding te Willemsoord
1854-1954, Bussum 1954
A. Haakmart, De revolutie uitgegleden. Politieke herinneringen, Amsterdam 1987 M. Haenen en H. Buddingh’, De Danser. Hoe de drugshandel Nederland veroverde,
Amsterdam/Antwerpen 1994
G. Hagelstein, De parlementaire commissies (diss), Groningen 1991
Handelingen der Staten-Generaal
H.J.A. Hansen, Luns, Drees, De Quay, Marijnen, Cals over Luns, Hilversum 1967
SI6
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
L. Hartog, Officieren achter prikkeldraad 1940-1945. Nederlandse militairen in Duitse
krijgsgevangenschap, Baarn 1983
K.R. Hazenberg e.a. (red.), Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog, Wassenaar 1995
D. Hellema, 1956. De Nederlandse houding ten aanzien van de Hongaarse revolutie
en de Suezcrisis, Amsterdam 1990
M. Herman, Diplomacy and Intelligence, Diplomatic Studies Programme Discussion Paper nr. 39, z.pl. 1998
S.M. Hersh, The Samson Option. Israël, America and the Bomb, London 1991
Ch. Higham, American Swastika, Garden City, N.Y., 1985
FE. Hirschland, Dossier Moengo 290 uur’, s-Gravenhage 1993
M. Hisschemöller, Het Nederlands belang. Denken en handelen op de Ministeries
van Economische Zaken en Financiën met betrekking tot de dekolonisatie van
Indonesië tegen de achtergrond van de industrialisatie van Nederland 1945-1950
(doctoraalscriptie poliucologie, Universiteit van Amsterdam), Haarlem 198r
H.J. Hoffenaar, M.R.H. Calmeyer. Herinneringen. Memotres van een christen, militair en politicus (diss.), Leiden 1997
R.E. van Holst Pellekaan, 1.C. de Regt, J.F. Bastiaans, Patrouilleren voor de Papoea s:
de Koninklijke Marine in Nederlands Nieuw-Guinea (2 delen), Amsterdam 1989-
1990
J. Hughes, Indonestan Upheaval, New York 1967
T. Huys, In opdracht van Hare Majesteit. Diplomaat in crisistijd, Weert 1994
The International Who’s Who 1996-1997, London 1996
E.M.Ch.M. Jansen, Uit de geschiedenis van Wassenaar, Den Haag 1972
E.M.Ch.M. Jansen/R. van Lit, Wassenaar in woord en beeld, Wassenaar 1992
M. Jansen en J.K. de Vree, The Ordeal of Unity. The politics of European integration
1945-1985, Bilthoven 1985
M.W. Jensen en G. Platje, De MARID. De Marine Inlichtingendienst van binnenuit
belicht, Den Haag 1997
L.K. Johnson en A. Freyberg, ‘Ambivalent Bedfellows: German-American Intelligence Relations, 1969-1997’, International Journal of Intelligence and Counterintelligence, vol. ro nr. 2 (Summer 1997), pp- 165-179
H.P. Jones, Indonesia: The Possible Dream, New York 1971
J.J.P. de Jong, Diplomatie of strijd. Het Nederlandse beleid tegenover de Indonesische
revolutie 19451-1947 (diss.), Amsterdam 1988
L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog I, VIT, Xa,
Den Haag 1969-1976-1980
A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie. Anti-democratische stromingen en de
daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland tussen de wereldoorlogen
(diss.), Utrecht 1982
J.W. Jongedijk, De ridderlijke orden in Nederland, Zaltbommel 1965
517
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
L.M.H. Joosten, Katholieken & Fascisme in Nederland 1920-1940 (diss.), Utrecht
1982
T. Kaarstad, De Danske Ministerier 1953-1972, Kabenhavn 1992
J. de Kadt, ‘Sal Tas’, 7rrade, jg. 20 (1976), pp. 412-428
A.R. & G.MecT. Kahin, Subversion as Foreign Policy. The Secret Eisenhower and
Dulles Debacle in Indonesia, New York 1995
G.MeT. Kahin, 7he Asian-African Conference, Bandung, Indonesia, April 1955,
Ithaca, N.Y., 1956
G.MeT. Kahin (ed), Major Governments of Asta, Ithaca, N.Y., 1963”
G.MET. Kahin a.o…, Basic information on Indonesia, Djakarta 1953
K. Kalkman, ‘Het einde van de 1pB’, Buro Jansen & Janssen, Opening van zaken.
Een ander BVD jaarverslag, Amsterdam 1993, pp. 93-107
J.G. Kikkert, De wereld volgens Luns, Utrecht 1991
F.A.C. Kluiters, De Nederlandse inlichtingen-en veiligheidsdiensten, Den Haag 1993
F.A.C. Kluiters, De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Supplement,
Den Haag 1995
Ph. Knightley, The Second Oldest Profession. The Spyas Bureaucrat, Patriot, Fantasist
and Whore, London/Sydney 1986
P. Koedijk, J. Linssen en D. Engelen (red.), Verspieders voor het vaderland.
Nederlandse spionage voor, tijdens en na de Koude Oorlog, Den Haag 1996
M. Kranenburg en K. van der Malen, Het tijdperk Lubbers 1982-1994, Rotterdam 1994
A. Krock, Memoirs. Intimate recollections of twelve American Presidents from Theodore Roosevelt to Richard Nixon, London 1968
J.M. van der Kroef, Indonesia since Sukarno, Singapore 1971
J.M. van der Kroef, ‘Origins of the 1965 Coup in Indonesia: Probabilities and Alternatives’, Journal of Southeast Asian Studies, vol. 3 nr. 2 (September 1972),
PP. 277-298
T. Krogh, Anslag mod Statens Sikkerhed. Efterretningssagerne 1969-71, Kebenhavn 1971
Oey Hong Lee, Indonesian Government and Press during Guided Democracy (diss.), Zug 1971
David Leigh, The Wilson Plot. How the Spycatchers and their American Allies tried to overthrow the British Government, New York 1988 J. van Lieshout, De aal van Oranje. Een biografie van Pater Lodewijk’ Bleijs (1906-1945), Venlo 1988
L. Ligtenberg/B. Polak, Een geschiedenis van Propria Cures 1890-1990, Amsterdam 1990
Hong Liu, ‘Constructing a China Metaphor: Sukarno’s Perception of the PRC and Indonesia’s Political Transformation’, Journal of Southeast Asian Studies, vol. 28, nr. 1 (March 1997), pp. 27-46
sI8
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
P.G.H. Maalderink, De Militaire Willems-Orde sedert 1940, z.pl. 1982
P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973, Den Haag 1982
J.A.C. Mackie, Konfrontasi. The Indonesta-Malaysia Dispute 1963-1966, London etc.
1974 W. Madsen, Data Privacy Matters. A Collection of Papers and Articles by Wayne
Madsen, Arlington 1996
T. Mangold, Cold Warrior. James Jesus Angleton: The CIA’s Master Spy Hunter, New
York 1991
B. May, The Indonesian Tragedy, London etc. 1978
A.-B. Menashe, Profits of War. Inside the Secret U.S.-lsraeli Arms Network, New
York 1992
C.C. Menges, Inside the National Security Council. The True Story of the Making
and Unmaking of Reagan’s Foreign Policy, New York 1988
K.-U. Merz, Kalter Krieg als antikommunistischer Widerstand. Die Kampfgruppe
gegen Unmenschlichkeit 1948-1959, München 1987
L.A.V. Metzemaekers, Alfred Mozer. Hongaar, Duitser, Nederlander, Europeaan,
[s-Gravenhage 1970]
R. van Meurs, De BVD. Samenzweren tegen ambtenaren, studenten, journalisten,
dominees en andere democraten, Amsterdam 1978
H. Meijer, Den Haag-Djakarta. De Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1962,
(diss.) Utrecht 1994
Ministerie van Algemene Zaken, /nventarts van de archieven van de commissie van
coördinatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de subcommissie Buitenland 1949-1955, Den Haag 1995
Ministerie van Binnenlandse Zaken, Ontwikkelingen op het gebied van de binnenlandse veiligheid. Taakstelling en werkwijze van de BVD, Den Haag 1992
Ministerie van Binnenlandse Zaken, Een boekje open over de BVD, Den Haag 1993
Ministry of Foreign Affairs, Republic of Indonesia, Subverstve Activities in Indonesia: The Jungschlager and Schmidt Affair, Djakarta 1957
W.L. Minnick, Sptes and Provocateurs. A Worldwide Encyclopedia of Persons Conducting Espionage and Covert Actton, 1946-1991, Jefferson, N.C./London 1992
R. Mortimer, Indonesian Communism under Sukarno. Ideology and Politics, 1959-
1965, Ithaca/ London 1974
J. Mossman, Rebels in Paradise. Indonesia’s Civil War, London 1961
A. Mozer, ‘Niemandsland 1949. Politiek in Duitsland — Duitse politiek’, Socialisme
en Democratie, jg. 6 nr. 3 (1949), pPp- 145-155
A. Mozer-Ebbinge en R. Cohen (red.), Alfred Mozer. ‘Gastarbeider’ in Europa,
Zutphen 1980
G. Mulder en P. Koedijk, Léés die krant. Geschiedenis van het naoorlogse Parool,
Amsterdam 1996”
H. Mulder, Kunst in crisis en bezetting. Een onderzoek naar de houding van de
Nederlandse kunstenaars in de periode 1930-1945, Utrecht/Antwerpen 1978
519
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
E. Munter, B. Naarden en T. Witte, Voorzichtig en met mate. De betrekkingen van
Nederland met de Sovjetunie (1942-1991), Amsterdam 1992
D.E. Murphy, S.A. Kondrashev and G. Bailey, Battleground Berlin. CIA vs. KGB in
the Cold War, New Haven/London 1997
Nederlands Adelsboek, diverse jaargangen
Nederlands Patriciaat, diverse jaargangen
M. Nishihara, The Japanese and Sukarno’s Indonesia. Tokyo-Jakarta Relations
1951-1966, Honolulu 1970
North Atlantic Treaty Organisation, NATO HANDBOOK, Brussels 1992
N. Notosusanto/l. Saleh, 7he coup attempt of the ‘September 30 Movement’ in
Indonesia, Djakarta 1968
G.J. van Ojen, De Binnenlandse Strijdkrachten (twee delen), ‘s-Gravenhage 1972
W. Oltmans, Liegen tegen Beatrix, Breda 1996
W. Oltmans, Memoires 1953-1957, Baarn 1986
W. Oltmans, Memoires 1957-1959, Baarn 1987
W. Oltmans, Memoires 1959-1961, Baarn 1988
W. Oltmans, Memotres 1961, Baarn 1989
W. Oltmans, Memoires 1961-1963, Baarn 1997
W. Oltmans, Persona Non Grata, Breda 1996? (1994)
W. Oltmans, Den vaderland getrouwe. Uit het dagboek van een journalist, Utrecht 1973
W.L. Oltmans, De verraders, Utrecht 1968
W. Oltmans, Mijn vriend Soekarno, Utrecht 1995
V. Ostrovsky en C. Hoy, By Way of Deception. The Making and Unmaking of a MOSSAD Officer, New York 1990
L. Palmier, Indonesia and the Dutch, London 1962
H.L. van der Pauw, De Actualisten. De kinderjaren van het georganiseerde fascisme in Nederland 1923-1924, Amsterdam 1987
R. Payne, MOSSAD. Israëls most Secret Service, London 1990
F. Peeters, Gezworen vrienden. Het geheime bondgenootschap tussen Nederland en Lsraël, Amsterdam/Antwerpen 1997
C.L.M. Penders, The Life and Times of Sukarno, London 1974 C.L.M. Penders (ed), Milestones on my Journey. The Memoirs of Ali Sastroamidjoyo, Indonesian Patriot and Political Leader, St. Lucia 1979
C.L.M. Penders/U. Sundhausen, Abdul Haris Nasution. A Political Biography, St. Lucia 1985
J. Planchais, De opstand van de weifelaars’, A.F. Manning e.a. (red.), Onze jaren. De wereld na 1945. Deel III, Amsterdam 1975, PP. 1571-1577 M. van der Plas, Luns: ik herinner mij, Leiden 1974 Th. Powers, The Man Who Kept the Secrets, New York 1979
520
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
J. Prados, Presidents’ Secret Wars. CIA and Pentagon covert operations from World
War II through Iranscam, New York 1986
psp, De BVD en de Inlichtingendiensten. Over spionnen en de democratie, Amsterdam
1983
L.A. Puntila, The Political History of Finland 1809-1966, Helsinki 1975
J. Ranelagh, The Agency. The Rise and Decline of the CIA, New York 1987
D. Raviv and Y. Melman, Every Spy a Prince: The Complete History of lsrael’s Intelligence Community, Boston 1990
M. Redfearn (met RJ. Aldrich), The Perfect Cover: British Intelligence, the Soviet
Fleet and Distant Water Trawler Operations, 1963-1974’, Intelligence and National Security, vol. 12 nr. 3 July 1997), pp- 166-177
J.M. Reinhardt, Foreign Policy and National Integration: The Case of Indonesia,
New Haven, CT, 1971
E. Reydon, Spion voor de NAVO, Amsterdam 1967
J.T. Richelson and D. Ball, The Ties That Bind, Boston 1990
M.C. Ricklefs, A History of Modern Indonesia, c. 1300 to the present, London/Basingstoke 1981
Chr. Robbins, Air America, New York 1985
J.E. Rocamora, Nationalism in Search of Ideology: The Indonesian Nationalist Party,
1946-1965, Quezon City 1975
O.G. Roeder/M. Mahmed (comp), Who’s Who in Indonesia, Singapore 1980
P. Rijkens, Handel en wandel. Nagelaten gedenkschriften 1888-1965, Rotterdam 1965
S. Santen, iAdiós Compafieros! Politieke herinneringen, Amsterdam 1974
S. Santen, Dapper zijn omdat het goed is. Brieven uit de cel, Amsterdam 1993
J. Sariman, De Decembermoorden in Suriname: verslag van een ooggetuige, Bussum
1983
J.L. Schippers, Zwart en Nationaal Front. Latijns georiënteerd rechts-radicalisme in
Nederland (1922-1946) (diss.), Amsterdam 1986
E. Schlereth/B.D. Bintang, Indonesien: Analyse eines Massakers, Frankfurt 1979
H.J.C.G. Schmidt, In de greep van Soekarno. Achtergronden van een proces tegen een
Nederlander, Leiden 1961
E. Schmidt-Eenboom, Der Schattenkrieger. Klaus Kinkel under der BND, Düsseldorf
I
E: nne Schnüffler ohne Nase. Der BND: die unheimliche Macht im
Staate, Düsseldorf 1993
B. Schoenmaker/J.A.M.M. Janssen (red), In de schaduw van de Muur. Maatschappij en krijgsmacht rond 1960, Den Haag 1997
L Schöffer, ‘Sal Tas’, J. Charité (red.), Biografisch Woordenboek van Nederland III,
s-Gravenhage 1989, pp- 580-582
C.M. Schulten, Jhr. P.J. Six RMWO (1895-1986). Amsterdammer en Verzetsstrijder,
Nijmegen 1987
s21
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
C. Schuuring, Roeslan Abdulgani. De man die bleef, Breda 1995
P.D. Scott, ‘The two Indonesias and the two Americas’, Lobster, nr. 35 (Summer
1998), pp- 2-7
P.D. Scott, The United States and the Overthrow of Sukarno, 1965-1967’, Pacific
Affairs, vol. 58 nr. 2 (Summer 1985), pp. 239-264
P.D. Scott en J. Marshall, Cocazne Politics. Drugs, Armies, and the CIA in Central
America, Berkeley 1991
S. Shpiro, Guarding the Guards — Parliamentary Control of the Intelligence Services
in Germany and Britain, Sankt Augustin 1997
G.P. Shultz, Twrmoil and Triumph. My Years as Secretary of State, New York 1993
Chr. Simpson, Blowback. America’s Recruitment of Nazis and Its Effects on the Cold
War, London 1988
J.B. Smith, Portrait of a Cold Warrior, New York 1976
H. Speyer, Nederlanders in bezet gebied en in Londen 1940 — 1945, Amstelveen, 1992
R. Steenhorst en F. Huis, Joseph Luns, Amsterdam 1986
R.J.J. Stevens, ‘Manipulatie van informatie? De rol van de Nederlandse militaire
inlichtingendienst in Indonesië ten tijde van het Nederlands-Indonesische
conflict 1945-1949’, Politieke Opstellen, nr. 11-12, Nijmegen 1992, pp. 149-168
P. Stuart, ‘De wereld in 1956 en het Nieuwsblad van het Noorden’, Een gegeven
jaar; verzameling opstellen aangeboden aan Han Baudet ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum, Groningen 1981, pp. 183-196
Suharto, Mijn gedachten, woorden en daden. Autobiografie, Franeker 1991 U. Sundhausen, 7he Road to Power. Indonesian Military Politics 1945-1967, Kuala Lumpur etc. 1982
S. Tas, De Koude Vrede, Amsterdam 1954
S. Tas, Wart mij betreft, Baarn 1970
A. Teeuw, Het conflict met Indonesië als spiegel voor Nederland, Den Haag/Bandung
1956
G. Teitler en C. Homan (red), Het Korps Mariniers, 1942 — heden, Amster- dam/Dieren 1985
GS. Telders e.a, Levensbeschrijving van prof.mr. B.M. Telders, ‘s-Gravenhage 1972 A.G. Theoharis (ed.), A Culture of Secrecy. The government versus the people’s right to know, Lawrence, Kansas, 1998
E. van Thijn, Dagboek van een onderhandelaar, 25 mei — II november 1977, Amster- dam 1978
K. Toornstra, Van onderwijzer tot burgemeester, Apeldoorn 1972 B.H. Tovar, ‘The Indonesian Crisis of 1965-1966: A Retrospective’, International Journal of Intelligence and Counterintelligence, vol. 7 nr. 3 (Fall 1994), PP- 313-338 The Tower Commission Report, New York 1987 J. van Tijn, ‘Ruslan Abdulgani: “De Nederlanders hebben ons altijd verkeerd getaxeerd”, Vrij Nederland, 10/03/73
522
OVERZICHT VAN BRONNEN EN GEBRUIKTE LITERATUUR
J. van Tijn, ‘Ruslan Abdulgani: Indonesië is nu misschien te nuchter’, Vrij
Nederland, 24103173
E. Verhey en G. van Westerloo, Het legergroene Suriname, Amsterdam 1983
D. Verkijk, Van pantservuist tot pantservest. Zestig jaar (on)journalistieke ervaringen,
Nieuwegein 1997
F. Visser, De bezetter bespied 1940-1945. De Nederlandse Geheime Inlichtingendienst
inde Tweede Wereldoorlog, Zutphen 1983
M. Wagenaar, De Rijksvoorlichtingsdienst. Geheimhouden, toedekken en openbaren
(diss), Den Haag 1997
W.F. Wertheim, Indonesian Society in Transition, The Hague 1956
N. West, G.C.H.Q. The Secret Wireless War 1900-86, London 1987
H.B. Westerfield, ‘America and the World of Intelligence Liaison’, Intelligence and
National Security, vol. 11 nr. 3 (July 1996), pp- 523-560
M.E. Westers, Mr. D.U. Stikker en de na-oorlogse reconstructie van het liberalisme
in Nederland, Amsterdam 1988
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (red.), Voor de eenheid van beleid.
Beschouwingen ter gelegenheid van vijftig jaar Ministerie van Algemene Zaken,
‘s-Gravenhage 1987
Who’s Who in the Netherlands 1962/1963
Wie is dat?, diverse uitgaven
C. Wiebes & B. Zeeman (ed), Indonesische dagboeknotities van dr. H.N. Boon
1946-1949, Houten 1986
FE. Wielenga, ‘Alfred Mozer: Europeaan en democraat’, M. Krop e.a. (red.), Het
twaalfde jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam 1991, pp. 135-164
F. Wielenga, ‘Alfred Mozer’, J. Charité en AJ.C.M. Gabriëls, Biografisch Woordenboek van Nederland IV, ‘s-Gravenhage 1994, pp. 343-345
F. Wielenga, ‘Alfred Mozer und die deutsch-niederländischen Beziehungen’, W.
Mühlhausen u.a. (Hrsg.), Grenzgänger. Persönlichkeiten des deutsch-niederlündischen Verhültnisses. Horst Lademacher zum 6s. Geburtstag, München 1998, pp.
215-229
F. Wielenga, ‘Buitenlandse politiek als splijtzwam. PvpA en SPD in de vroege jaren
vijftig’, Socialisme en Democratie, jg. 44 nr. 6 (juni 1987), pp- 193-199
D. Wise/Th.B. Ross, The Invisible Government, New York 1965
B. Woodward, Veil. The Secret Wars of the CIA 1981-1987, New York etc. 1987
P. Wright & P. Greengrass, Spycather. The Candid Autobiography of a Senior
Intelligence Officer, New York 1988
H. van Wijnen, De prins-gemaal. Vogelvrij en gekooid, z.pl. 1992
G.R. Zondergeld, Een kleine troep vervuld van haat. Arnold Meijer & het Nationaal
Front, Houten 1986
J. Zijlstra, Per slot van rekening. Memoires, Amsterdam/Antwerpen 1992
523
, T
gsgthar zite dre à ar
Se nj Gel Bm men A ;
An ern. lll! raare hade: Oe NE
lu i- ì vmrakkauten we ige eros ve „Bi dan KN
d vere Gek
Ne AK |
î dal aen
Mee amd ns ral. abuse Moos velenfk 471
Ï KJ
Î 8
Persoonsindex
Aarden, J.M. 230
Abdulgani, H.R. 129-138, 140, 141, 143-150,
154-158, 168, 169, 170, 175, 177-179, 201-
203, 206-210, 238-240, 242, 446, 448, 452,
453» 463, 464
Adenauer, K. 76, 77, 80-83, 87, 90, 94,
IO2, 104-106, 220, 436
Agt, A.A.M. van 238, 242, 289, 305, 307,
310, 312, 313, 342, 360, 474
Agung, Ide Anak Agung Gde 140, 142, 145,
155
Alkemade, F.H. 353, 354, 362, 389
Allewijn, D. 403, 404
d’Ancona, H. u
Andersen, R.E. 326, 327
Andriessen, J.E. 380
Angleton, J.J. 274, 275, 278, 481
Arafat, Y. 479
Arnold, K. 80, 436
Asch, G. van 357, 369, 393 394» 397, 398,
403, 404, 481
Assad, Hafez-al 256
Asser, J.R. 35
Baal, J. van 128
Baars, J.A. 66-69, 117, 433
Bakker, J.A. 23, 121, 132-134, 137 139, 140,
142, 143, 145, 147, 149-152, 155, 159-161, 170-
173, 175, 177» 179 182, 201, 203, 205-207,
209, 210, 211, 214, 220, 232-238, 240, 242,
291, 412, 415, 446, 468
Bane, H.T. 333-336, 478
Barkman, C.D. 326
Beatrix, Prinses, later: Koningin 153, 239,
351
Beckers-de Bruijn, M.B. 400, 401, 405, 406
Bedell Smith, W. 138
Beek, R. ter 381-383
Beel, L.J.M. 43-46, 69, 96, 100, 102, 103, 166
Beelaerts van Blokland, jhr. E.S.B.Th. 203
Beermann, V. 430
Beernink, H.K.J. 222
Bekker, H.J. 429
Ben Barka, M. 98
Bennett, H.C. 190
Berg, W. van den 369
Bergh, H. van den 308
Bernhard, Prins 35, 100, 174, 210, 211, 237,
240, 275
Beugel, E.H. van der 154, 160
Beyen, J.W. 128
Bieger, K.S. 135
Biesheuvel, B.W. 228, 237, 245, 249, 250,
252, 264, 281
Bishop, M. 364, 366
Blaauw, J.D. 339
Blake, G. 278, 320, 343
Blieck, P.A. de 32, 424
Blom, N.S. 154
Boelganin, N.A. 146
Boer, B.B. de 469
Boer, W.P.L.G. de 265, 266
Boetzelaer, E.O. baron van 209
Boetzelaer, G.L.O. baron van 356, 357
393, 397, 481
Boetzelaer van Oosterhout, C.G.W.H. baron van 427
Bok, M. de 399
Bolkestein, F. 386
Bomers, H. 481
‘Bond, J.” 120, 215, 356
Boon, H.N. 59, 89, 91, 96, 127, 226
Booy, A. de 108
‘Boris’ 119
Borssum Buisman, G.A. van, R.M.W.O.
215, 429
Bos, D. 187
Bos, E. 266
525
PERSOONSINDEX
Bos, H. 119, 200, 219-221, 223-225, 227,
231, 232, 234» 247-250, 255» 331, 469
Bosch van Drakenstein, jhr. H.P.J. ro2
Bottse, R. 369
Bouman, H.A. 124
Bouman-Van den Berg, M.S. 124
Boumendjel, A. 97, 98
Bourguiba, H. 97, 98
Bouterse, D.D. 302, 362-371, 482, 483
Bowe, M.D. 337
Boyd, W.E. 337
Brandes, C. 39
Brandt, W. 259, 260
Branges, K.W.M. 113
Brentano, H. von 82, 104, 146
Bril, J.I. 68, 69
Brink, C.H. van 57, 58, 6o
Brinkman, L.C. 374, 385, 401
Broek, H. van den 357, 362, 370, 380, 382
Bruggeman, J.G. 469
Brugsma, W.L. 138, 148, 443
Bruins, J.W.A. 429
Brunswijk, R. 369
Burgess, G. 343
Bylandt, W.F.L. graaf van 125
Calkoen, A.F. 114, 184
Calmeyer, M.R.H. 172
Cals, J.M.L.Th. 209, 242
Carrell, R. 74
Casey, W. 357, 481
Castro, E.F. 369
Castro, F. 213, 364, 366
Gerrankltnss8
Chin A Sen, H. 363, 369
Christopher, W. 479
Chroestsjov, N.S. 96, 146, 157, 184, 211
Church, F. 333
Clark, W. 367
Cornelissen de Beer, G.D. 54, 55, 197, 215, 430
Coté, K. 258
Cram, C.W. 275, 328, 330, 332
Crul, Th.W. 40, 41, 55, 56, 62, 73, 76, 89-
91, 105, 191, 192, 195-197, 199, 200, 205-
207, 209-211, 213-217, 219-224, 227, 231-
233, 235» 242, 246, 248, 251, 255, 266, 276,
326-328, 330, 331, 341, 412, 415 Cumming Jr, H.S. 453
Daalder, E.J. 22
Dahlem, F. gr
Dales, 1. 378, 380-382, 405
Daniëls, W.A.A.M. 58
Deinum, H. 39
Delseny, R. 274
Dertinger, G. 91
Diepeveen, W.J. 63, 432, 433
Djuanda 155, 178
Docters van Leeuwen, A. 378-380
Doeveren, P.G.H. van 469
Dolman, D. 313, 314
Donker, L.A. 141
Donovan, W. 481
Drankov, V.D. 185
Drees, W. 45, 46, 49, s1, 55, 62, 69, 73, 77,
81-83, 87, 90, 91, 96, 102-104, 106, 122,
139, 141, 148, 226, 259, 462
Driebeek, P.J.M. 43-48, 56, 76, 102, 103,
415, 427, 428
Drost, P.N. so, rsr
Dulles, A.W. 171
Dulles, J.F. 138, 140, 161, 163, 165, 166, 168,
169, 174, 361, 456
Dulm, J.F. van 261
Dusseldorp, P.H. van 63, 64, 432, 444
Dutman, J.W. 312
Duijn, P.J. 382, 485
Dijckmeester, F.Th. 58
Dijkstal, H. 401, 420
Eden, Sir Anthony 156
Einthoven, L. sr, 107, 108, 321, 322, 324, 330, 425, 433
Eisenhower, D.D. 143, 166, 182, 184, 232,
458
Ekker, D. 152, 153, 450
Ekris, J.A.H. van 64
Enders, Th. 366
Endt, F. 443, 460
Engelen, D. 271, 317, 327, 328, 375, 396,
408, 413, 427, 475, 477, 484
Engwirda, M. 373
Erhard, L. 82
Es, A. van 374
Eschauzier, H.F. 6o
Eijkern, W.J. van 283
Faisal II, Koning 332
Farrell, J.T. 98
PERSOONSINDEX
Fendig, Ph.F. 336
Filet, E.C. 447
Flick-Van Tilburg, C. 237
Fock, C.L.W. 12, 32, 34, 35, 37, 40, 42-444
46-51, 53, 57» 62, 65, 73, 84, 86-88, 91, 91,
IO2, 103, I09, 183, 209, 425, 427, 461
Fockema Andreae, W.H. 49, sr, 126, 127
Franco y Bahamonde, F. 95
Freeman Matthews, H. 138
Frinking, A.B.M. 307, 310
Fruin, J.A. 43
Gaay Fortman sr, W.F. de 283
Galor, N. 369
Garnier, J.P. 323
Gasperi, A. de 85
Gast, G. 339
Gaulle, Ch. de 95, 97, 441
‘Geerlings’ 461
Geertsema, W.J. 228-230, 237, 238
Gehlen, R. go, 338, 481
Gerbrands, P.R. 61, 274-278, 324, 331
Goedhart, F. 199, 226
Goes, jkvr. H. van der 6o, 61
Goes van Naters, jhr. M. van der 198
Goloeb, A. 186, 187
Golytsin, A. 274-277, 473
Gomulka, W. 93
Gortzak, H. 46
Goudsmit, A. 230
Gouw, A.F.V. van der 192
Graaf, T. van de 14, 21, 485
‘Groeneweg’ (zie Gunnewegh, W.C.J.)
Gromyko, A. 191, 192
Guillaume, G. 259, 471
Gunnewegh, W.C.J. (‘Groeneweg ) 112,
113, 115, 187, 190, 282, 443
Hagen, C.J. 120, 184, 192, 197, 215, 221,
223, 245, 246, 248, 249, 251, 252, 254-259)
262, 263, 267, 271, 273» 276, 279, 283,
284, 289, 291, 293, 297, 298, 308, 331, 332,
335» 336, 341, 344» 389, 414, 415, 469, 475
Hamel, L.A.R.J. van 57
Hamengku Buwono IX, Sultan 161, 208
Harahap, B. 141, 142, 144, 161
Hartog, H. 371, 399
Harvey, W.K. 278
Hatta, M. 130-132, 239
Hawker, W. 364
Hazelhoff Roelfzema, E., R.M.W.O. 406
Heinrich, H.J.G.P. 314
Helb, H.A. 186, 191
Heldring, J.L. 188, 443, 460
Hennesy, P. 420
Herman, M. 420
Herter, Chr. 169, 456
Heijermans, H. 132
Heyneker, L. 64
Heijst, E. van 331
Hiltermann, G.B.J. 270, 288
Hirsch Ballin, E. 38r, 382, 388
Hirschfeld, H.M. 127
Hirschland, F.R.H. 369, 370, 399
Hitler, A. 76
Hoebé, J.B.P. 429
Hoekstra, R.-J. 361, 377, 378, 380, 382, 386-
390, 393-406, 409, 423, 485, 487, 488
Hof, M.W. van ’t 244
Hofstra, H.J. 150
Hogewind, F.J.E. 263
Holthe, jhr. E.J. van 427
Hooft, H.A. 61
Hoogendoorn, C. 39
Hoop Scheffer, J.G.N. de 284
Hope, Judge 340
Horb, R. 364-366
Horst, Th.A.M. van der 234-237
Horton, J.R. 367
Hulst, S. van 244
Hulst, S.J. van 244
Hussein, S. 382, 383
Isman 155, 170
Italianer, F. 291
Ittersum, G.E. baron van 125, 136
Jager, L. de (Jagers) 1o, 12, 18, 23, 55, 114
US, 184, 187-193, 196, 197, 199, 227, 242,
262, 286, 326, 327, 414, 415, 419, 459, 461
‘Jagers’ (zie Jager, L. de)
‘James, J.” 68
Johannes XXIII, Paus 80, 105
Jones, H.P. 163
Jong, J.de 427
Jong, P.J.S. de 178, 213, 219-221, 223, 224,
228-231, 233-237» 242, 247, 249, 250, 269,
272, 374» 418, 467, 468
Jonge, W.A.H. de 330, 331
Jongsma, L. 291, 293, 298-300, 302, 303,
527
PERSOONSINDEX
305-311, 314-317, 336, 345, 349, 375» 392,
415, 466, 475
Jonkman, J.A. 174
Josephus Jitta, O.W.S. 102
Juan, Don 58
Juan Carlos, Koning 58
Juliana, Koningin 49, 142, 178, 203, 224,
241, 247, 250
Jungschläger, L.N.H. 123, 124, 142, 143, 445
Kadt, J. de 98
Kaminsky, M.I. 190
Kasantaroeno, J. 369
Kaub, O.A. 113
Kekkonen, U. 96
Kennedy, J.F. 174, 175, 178, 184, 203, 207,
451, 469
Kennedy, R.F. 178
Kent, S. 331
Kernkamp, W.J.A. 128
Khadaffi, M. al 366
Khan, A.Q. 352
Kieft, J. van de 141
Kielstra, J.M. 54, 55, 57, 61, 81, 112, 193-195,
197 325, 414, 415, 430
Kimche, D. 120, 347
Kinkel, K. 339
Kist, F.J. 7o, 96, 102, 172, 183, 184, 193-
196, 200, 219, 220
Kist, EA aar
Klaauw, C.A. van der 291
Kleffens, E‚N. van 33-35, 427
Kloos, C. 256
Kloppenburg, R.E. 311, 317, 337
Kluiters, F. 484
Knaap, Th.J. van der 191
Knulst, C. 58
Koedijk, P. 153
Koelemij, F. 392, 394, 395, 406
Koets, P.J. 179,:239,-240
Koeznetsov, P.T. 185
Kohl, H. 339, 420
Kohnstamm, M. 89, 90
Kok, W. 13, 16, 398, 423
Koning, H. 407
Koning, J. de 378
Konijnenburg, Evan ast
Kooij, J.M.J. 118
Koromilas, P.S. 317, 336
Koster, H.J. de 237, 249, 250
Kraemer, H. 174
Krajenbrink, J. 375, 376
Krediet, K.J.F. 108
Krock, A. 174
Kruimink, F.E. (‘Beer’) 252, 255, 257, 260-
273, 278-281, 283, 287, 289, 291, 297-299,
302, 307, 308, 310, 312, 314, 316, 317, 334, 340, 353, 355» 360, 361, 373, 379, 415, 471
Kruls, H.J. 425, 427
Kuipers, A. 216, 219, 249, 268, 269, 275,
276, 331
Kwee Djie Hoo 149-151, 157, 449
Labouchere, C.B. 54, 55, 6o, 61, 66, 69,
172, 173, 175, 193-195, 197, 237, 242, 325- 327, 414, 415, 433
Labouchere, G.Ch. 66
Ladd, W.C. 323, 324
Lak, W. so
Lamping, A.Th. 6o
Lankhorst, H.J. 227, 342
Lankhorst, P. 374, 376
Larive, J.G. 137
Larive, LE. (‘De Vries’) 52-54, 64-69, 107,
HO, 137, 183, 184, 192-195, 197, 200, 237,
238, 414, 430, 461
Larive-Van Aken, C.M. 65, 433
Leenman, Ph. 28r
Leerling, M. 298
Leeuwen, A.G. van 370
Legge, B.R. 133
Leimena, J. 202, 208
Lennep, jhr. E. van 6o
Levine, M. 370
Liao Ho-shu 329
Lie Hok Thay 144, 147, 148, 448
Lieftinck, P.A. 46, 126
Linschoten, van 191
Lohman, A.M.G. 387
Louw, A. van der 306
Lovink, A.H.J. 59, 126, 127, 165-168
Lubbers, R. 360
Lubbers, R.F.M. mr, 12, 16, 238, 242, 310,
313, 315-317, 360-362, 371, 373, 376, 377,
379-383, 385-389, 391, 400-407, 409, 420 Lubbers, R.M. 360
Lubis, M. 147
Ludolph, J.L. 57, 430
Lumumba, P. 324, 333
Luns, J.M.A.H. 80, 82, 83, 121, 122, 138,
PERSOONSINDEX
141-144, 148-150, 153-155, 161-169, 171, 173,
174, 177 179, 182, 189, 191, 192, 201, 205,
227, 232, 233, 237, 240, 242, 250, 291, 433,
445» 451, 458, 469
Luteyn, A.T.P. 74
Luijendijk, J. 67
Lynden, D.W. baron van 6o, 256
Lynden, J.J.L. baron van 54, 6o, 429
Maarseveen, G.J. (Hilterveen’) 288, 289,
291, 298, 316
MacKinnon, M.W. (zie Makinen, M.W.)
Maclean, D. 343
MacMillan, H. 94, 95
Maeda, T. 130, 131
Makinen, M.W. 190, 460
Makmur, S.S. 144
Malik, A. 208, 209
Maloy, KA. 337, 478
Mansholt, S.L. 83, 138
Manteuffel, H. von go, 1o2
Mao Tse-toeng 98, 147
Maramis, M. 149, rsr, 152, 154, 157, 159
Marcos, J. 369
Marselis, J.H. 298, 303, 308
Marshall, G.C. 85, 86
Martinot, H. 169, 239
Marijnen, V.S.M. 196, 200
Mason, G.B. 327, 328
Masselink, J.A. 124, 445
“Mata Hari’ 356
MeCone, J. 481
Mellema, J.T. 228
Melman, Y. 19, 424
Mendès-France, P. 94
Menges, C.C. (constant menace’) 367
Menzies, R.G. 166, 169
Merckelbach, J.P.M.H. 241, 409, 474, 485
‘Mesman’ 188
Meulmeester, K.M. 21, 22, 298, 300-302,
308-312, 316, 317, 349 354» 357» 362 369,
377» 379-381, 383, 385-387, 389, 391-401,
403-409, 414, 415, 485, 486, 533-535
Meijer, H. r21
Meijer, J. 153
Meynen, J. 32-34
Mielke, E. 339
Mierlo, H.A.F.M.O. van 228, 229, 248,
249, 365, 386, 482
Modderman, A.E.J. 193-195
Mollet, G. 83, 98, 437, 441
Molotov, V.M. 91
Montgomery, B.L. 44
Montini, Monseigneur (= Paus Paulus VI)
104
Mook, H.J. van 149
Mossadeg, M. 99
Most van Spijk, jhr. A. van der 68, 434
Moszkowicz, A. 482
‘Mourik, van’ (zie Mourits, B.)
Mourits, B. (‘van Mourik’) 112, 115, 189,
193, 444
Mozer, A. 76, 77, 80-83, 103, 105, 106, 220,
325, 436, 437
Mukarto 138
Mulder, G. 153
Muralt, jhr. A.Th. de 47, 48, so, st, 53, 55,
58-61, 64-66, 68, 70, 73, 75» 76, 86-88, 99,
102, 103, 108, 109, 152, 160, 172, 173, 214
234, 236, 237, 242, 412, 414, 415, 428, 433
Muskens, Monseigneur M. 239
Mussert, A.A. 356
Nadort, P. van de 112, 187, 191, 460
Nasser, G.A. 144, 145, 170, 288
Nasution 83, 144, 145, 147» 157, 158, IÓL,
162, 164, 170, 177, 179, 206, 208, 464
Natsios, N.A. 332
Natsir, M. 161
Navis, C. 64, 65, 433
INEAVEN ANA NA
Nehru, J. 170, 177
Neuman, W. 190
‘Nieboer, H.’ 188
Nispen tot Pannerden, jhr. A.J.M. van
195, 200, 205, 220-223, 234
Nkomo, K. 305
Noordaa, E. van der 67
Noothoorn, P.A. van 6s
North, O.L. 367
Nuboer, J.E.W. gr
Obote, M. 328
O’Donnell, J.E. 324
Oeldrich, A. 199
Oemrawsingh, Bl. 364
Oldfield, M. 171
Oltmans, W.L. 150-153, 174» 239, 240, 451
Oorschot, J.W. van 33, 34
Orlopp, J. 91
$29
PERSOONSINDEX
O’Ryan, J. 324, 325
Oven, G.J.W. van 16
Paulus VI, Paus 104
Perlstein, S. van 67
Peschar, H. 392
Betersenn|mlESsms2s
‘Petrov’ (zie Smirnov, P.)
Peijnenburg, G.H.J.M. 21, 237
Philby, H.A.R. (‘Kim’) 343
Pippel, F. 285, 393
Pius XII, Paus 80, 85, 87, 104, 105
Ploeg, A. 238, 313
Pollard, J.J. 343, 353, 354» 479
Ponomarenko, P.K. 185, 186
Popov, A.D. 186
Post, L. 313
Posthuma, J.F. 428
Powers, G.F. 184
Prajogo, M.J. 147
Prawiranegara, S. 161
Prick, J.I.C.G. 297, 314, 475
Pringgodigdo, A.K. 156
Prins, O. 12
Prinsen, M.J. 44, 45, 48, 427
Profumo, J.D. 168
Projodigoro, W. 148
Pronk, J. 306, 341
Putten, G.A. van 39
“! 149-151, 154-156, 159, 170
Quay, J.E de 30, 45, 46, 56, 64, 83, 94,
102, 104, 173, 182, 183, 193, 195-197, 231,
241, 259, 427
Quelju, P. de 144
Raab, J. 104
Raes, A. 340
Rambocus, S. 364, 365
Ramkhelawan, R. 368
Randwijk, H.M. van 225
Ranitz, jhr. J.A. de 220, 233, 256
Raptis, M. 199
Reagan, R. 364, 367
Rechteren Limpurg, W.C. graaf van 59
Reinink, K.W. 291
Reinking, J.Ch. 469, 470
Reuvers, J.C. so, 63, 64
Reydon, E.B. (‘Reinders’) ro, 12, 18, 23755,
114, HS, 184, 187-193, 196, 197, 199, 227,
242, 262, 286, 326, 327, 414» 415, 419, 459,
461
Rietveld, L.C. 160
Ringnalda, D.M. 238, 249, 251, 262, 264,
271, 273, 284, 298, 299, 302, 306, 309,
310, 312, 361, 362, 392
Roem, M. 134, 135, 145, 147
Römer, R. 91
Roer, R. van der 404
Roethof, H. 283, 374
Rombach, J.J. 128
Romeyn, LAA. 357, 393, 397, 398, 403, 404
Romme, C.P.M. 242
Romijn, A.J. 299-302, 305-308, 310-312,
316, 337, 341, 342, 344» 349, 357-359» 362,
389, 391, 392, 475
Romijn, D.E.D. 299
Rookmaker, J. 128
Rostow, W.W. 174
Roijen, J.H. van 32, 134, 135, 138, 171, 174,
178, 241, 425, 454
Rusk, D. 174, 175
Rutgers, H.W. 119, 263, 283, 284, 289, 295,
297, 298, 300-302, 305-310, 312, 314, 316,
340, 349, 355» 357» 475» 476
Rutten, M.H.J.C. 266, 267, 291
Rijckevorsel, K. van 249, 250
Rije, K.l. van 49, 245
Rijkens, P.C. rso, 151, 174
Rijnink, H.J. 68, 69
Sadat, A. 256
Saleh, Ch. 202, 207, 208
Samkalden, 1. 150
Sandberg, jhr. B. 235
Sandberg, jhr. E. ss, 61
Sanders, E. 61, 432
Sanders, P. 37
Santen, S. 199
Sartono 179
Sassen, E.M.J.A. 149
Sastroamidjojo, A. 125, 140, 143-145, 147,
148, 155, 157
Scheltema, H. 240
Scheltema, M. 470
Scheltema-de Nie, O. 377
Schermerhorn, W. 32, 35, 37, 62, 77
Scheur, J. van der 387
Schiff, E.L.C. 201, 222-225, 265, 266, 267, 340
PERSOONSINDEX
Schip, W.F.H. van het 227
Schmelzer, W.K.N. 228, 229, 234, 250,
372
Schmidt, H.C.J.G. 123, 124, 142, 143, 445
Scholte Ubing, R.H. 470
Scholten, W. 425
Scholten, Y. 231
Scholtens, K. rs1
Schouten, R. 12, 311, 373, 401, 425, 474
Schröder, G. 104
Schulte, A.W. 302, 363, 364, 367
Schuman, M. 81, 97
Selwyn-Lloyd, Baron J.S.B. 166
Seymour, Ch. 320
Sforza, C. 85
Shamir, A. (zie Smit, IJ.)
Shamir, Y. 343, 351, 353, 480
Shultz, G. 368
Siedenburg, H. 69
Simons, D. 231
Sinninghe Damsté, J.S. 199, 200, 216, 275,
328
Sinclair de Rochemont, H.A. 66
Sipkes, L. 407
Six, jhr. PJ, R.M.W.O. s2
Sjahrir, S. 130, 131, 139, 156
Sjepilov, D.T. 146
Sjibajev, S.V. 186
Skubisz, A.S. 68, 69, 183, 184, 193, 200,
227, 414, 434
Slagveer, J. 365
Sleeswijk Visser, Tj. 307
Smirnov, P. Petrov’) 185, 459
Smit, D. 346, 350, 353
Smit, J.G. 233, 237, 468
Smit, IJ. (majoor X?) 345-355» 357» 360,
407, 479, 480
Smulders, H. 444
Sneevliet, H. 199
Soekandro 83
Soekarno 27, 122, 123, 125, 130-132, 135-137,
140, 143, 144, 146, 147 149-151, 155-158,
161, 162, 164, 165, 169, 170, 171, 173 175
177, 178, 182, 201-203, 206-209, 239, 452
Somer, J.M. 29, 31, 34» 39, 40, 53 429
Somohardjo, P. 369
Sonneveld, Th. 312-315
Sonntag, P. 190
Spanjer, E. 199
Speekenbrink, A.H.J.M. 355, 356, 480
531
Spek, F. van der 228
Speyer, H. 31,37, 57
Spoor, S.H. 123, 133
Spijker, T. 430
Staf, C. 69, 160
Stalin, J.W. 84, 88, 91
Stegeren, J.T. van 470
Stemerdink, A. 270
Stikker, D.U. s1, 59, 87, 89, 90
Stoel, M. van der 241, 273, 279, 280
Stoffelen, P. 1, 377
Strauss, F.-J. 77, 82
Struycken, A.A.M. 150
Subandrio 152, 153, 155-157, 170, 177-179,
201-203, 205, 207, 208
Subardjo, A. 155
Subidjo 158
Sucharsjev, G.N. 185
Sudarso, J. 178
Suharto 27, 177, 206-209, 239
Sullivan, W.H. 325, 453
Sunario 125
Supomo 136
Suprapto 147
Sit (Cl mal se
Sytsma, F. 188
Talleyrand-Périgord, Ch.M. 129, 239
Tas, S. 83, 97, 441
Teixeira de Mattos, jhr. E. 58
Tenkink, J.C. 427
Teulings, F.G.C.J.M. 226
Thant, U. 140
Theuerzeit, J.M. 395, 397
Thomas, E. 307
Thomassen, M. 342
Tisserant, kardinaal E. 84, 85, 437
Tito 92, 93, 98, 274, 277, 284, 336
Toom, W. den 222, 230, 233, 247-249
Toorop, H.R. 302
Tricht, A.G. van 132, 133, 182
Tsjang Kai-sjek 98
Tsjernov, Ll. 185
MurnensSneAsr
Tussenbroek, B. van 363, 369, 371
Tuyll van Serooskerken, S.J. baron van
121, 154, 160, 168, 169, 172, 173, 185, 191,
205, 211, 232, 233, 238, 242, 468
Tijn, J. van 240
PERSOONSINDEX
Uilenbroek, H. 112
Ulbricht, W. o1
Ursone, P.A. 149, 150
Uyl, J.M. den 228-230, 241, 242, 248, 257,
259-264, 273, 279-281, 289, 305, 306, 308,
314, 333, 341, 344» 362, 374» 419, 474
Valk, G. u, 16
Venekamp, R.H. 59, 6o, 62, 96, 195-197,
221, 330, 462
Venetiaan, R. 371
‘Verhoeven’ 188
Verkijk, D. 192, 443, 450
Ververs, M. 221, 466
Visser, S.H. 172, 17882
Vogeler, R.A. 61, 432
Vondel, J. van den 132
Voorst tot Voorst, $.G.M. baron van 164
Vorosjilov, K.E. 146
Vorrink, 1. 198
Vorrink, K. 80, 198
Vos van Steenwijk, J.A.G. baron de 326
Vosveld, A.V. 447
Vredeling, H. 259
‘Vries, de’ (zie Larive, L.E.)
Vries, N.J. de 391, 400
Vries, R. de 387
Vries, W. de 284, 285, 311, 357, 474
Wal, S.L. van der 240
Wehner, H. ro4
Welch, R. 334
Welter, Ch.J.I.M.
Werner 190, 460
Wessel-Tuinstra, E. 373, 376
Westerling, R. 123
Westra, H. 356
White, Sir Dick 330
Wiegel, H. 229, 230
Wielenga, F. 80
Wilson, H. 259, 260
Winkelman, V.R.IJ. 128
Witte, H.B.J. 116, 444
Witteveen, H.J. 219, 220
Wöltgens, Th. 386
Wolf, D. 39
Wolff, A.B. 205, 237, 238
Wright, P. 12, 242
532
°X° 149, 157, 170, 177, 179
°X., majoor’ (zie Smit, IJ.)
Yamin, M. 145, 201
Young, Ph. 163-165
ZainsZmIsó
Zenin, W.S. 185
Zwart, J.H. 197-199, 462
Zijlstra, J. 141, 448

Date:
December 1, 1998
Categories:
Tags:
Boxes:
Years:
Meta
Scroll to Top