De kaart van Bakhuis en De Quant (1930) (kaartbijlage 13)
Historie, technieken en maatschappelijke achtergronden der karteringswerkzaamheden in Suriname sinds 1667
Pagina 122 tot 126
Bakhuis was geen onbekende in Suriname. Men herinnert zich dat hij als leider van de Coppename-expeditie in 1901 optrad en dat hij de opdracht kreeg een handleiding ter bepaling van de afwijking ener boussole en ter bepaling van de tijd aan te passen ten behoeve van de landmeters in Suriname, een en ander verbandhoudende met het feit, dat van toen af aan deze landmeters gebonden waren, de grenzen volgens het ware Noorden te meten. Sinds de tijd van Cateau van Rosevelt en Van Lansberge, was er inmiddels zoals hiervoren besproken met betrekking tot een betere meetkundige grondslag het één en ander ondernomen.
De wetenschappelijke expedities vooral leverden een bijdrage middels de vele astronomische plaatsbepalingen, maar meer nog door het zogenaamde driehoeksnet over het midden van Suriname, dat op enigerlei wijze de Marowijne met de Corantijn verbond. Met een verre van ideaal net, in elk geval met veel te weinig punten aan de oost- en westranden, werd een verband tussen de hoofdrivieren tot stand gebracht.
In het noordelijk deel van het land – de zogenaamde beneden landen – waren als grondslag voor de topografische kartering van dat gebied in 1911/12 door Van Stockum 26 astronomische stations gemeten en middels beton-pilaren verzekerd. De onnauwkeurigheid in de geografische lengtebepalingen vanwege het gebrek aan een goede tijdsbepaling, wordt goeddeels opgeheven door hernieuwde lengtebepaling van het punt aan de “Stenen Trap” te Paramaribo middels radio-tijdseinen door Kolonel Kremer in 1927; aan de hand waarvan de overige astronomische stations werden verbeterd. De korrektie bedroeg 3’16” in oostelijke richting (dat wil zeggen de door Kremer gevonden waarde was 3’16” dichterbij de nul-meridiaan over Greenwich).
Middels de polygoonmeting werd tussen de noordelijke astronomische stations en een tweetal astronomisch bepaalde punten (Voltzberg en Jan Rasi Gado) van de wetenschappelijke expedities een verband gelegd (nota dd. 1 december 1911 G.S. Afdeling II no.5 van de gouverneur aan de Minister van Koloniën, Archief Dienst der Domeinen), waarna beide stelsels als een éénheid werden beschouwd. De opnemingsbrigade onder Spirlet verrichtte tussen 1912 en 1920 de topografische karteringen waarvan 17 bladen 1:10.000 ter beschikking kwamen, alsmede tal van metingen ten behoeve van de goud- en balata-exploitatie, terwijl ook zijdens het boswezen exploratie-metingen werden verricht. Met behulp nu van al deze basisgegevens stelden Bakhuis en De Quant in 1930 een overzichtskaart bestaande uit 16 bladen in de schaal 1:200.000 samen.
Elk blad beslaat een oppervlak van 1°0′ x 1°10′ of ca. 17.000 km², waarbij slechts de hoofdwaterlopen met daarlangs gelegen geografische entiteiten volledig zijn aangegeven en de bergpartijen zo goed mogelijk benaderd, terwijl het gebied tussen de hoofdwaterlopen – het grootste deel van het bladoppervlak beslaande – nog onbekend gebied is. In deze witte plekken zijn zeer globale aantekeningen omtrent bodemgesteldheid en begroeiing aangegeven.
Terwijl het noordelijk deel met de verlaten en nog in kultuur zijnde plantages, de zijrivieren en kreekjes een vollediger beeld vertoont, waarbij de evenwichtiger verdeelde astronomische stations een hogere nauwkeurigheid garanderen, is de verdeling der astronomisch bepaalde punten (ca. 38 stuks) in het zuidelijk deel zeer verscheiden, vaak onvoldoende en biedt weinig garantie voor enige mate van nauwkeurigheid. Een overvloed aan geografische namen maakt deze kaart evenwel bijzonder belangrijk. De naamgeving daarin tot uitdrukking gebracht, geldt voor het overgroot deel (met uitzondering van de nederlandisering) tot op heden.
Ook de stand van zaken met betrekking tot het wegenstelsel rond Paramaribo, het Pad van Wanica, langs de benedenloop van de Surinamerivier en de Commewijnerivier, alsmede de wegverbinding van Moengo tot Albina is weergegeven. In het distrikt Nickerie is de verbindingsweg tussen de Corantijn en de vestiging Paradise getekend en in Coronie de 25 km lange communicatieweg tussen plantage Hope en de Kumakumakreek.
Deze kaart, uitgegeven in opdracht van het Departement van Koloniën, was dringend noodzakelijk geworden in verband met de uitgifte van concessies, aangezien, zoals reeds opgemerkt, bij het balatabedrijf de officiële kaart, die van Cateau van Rosevelt, ontoereikend bleek. Tot heden geldt de Bakhuis-kaart nog als de officiële kaart voor aanvragen en uitgiften van percelen land in concessie voor enig doel.
Anders dan de topografische kaarten van de Opnemingsbrigade uit 1920, waarbij een conforme kegelprojektie werd toegepast, werd de kaart van Bakhuis en De Quant geconstrueerd door middel van de conforme cylinderprojektie, ook wel de Mercator-projektie genoemd.
Voor enkele bladen loont het de moeite iets nader op de kaartinhoud in te gaan, te weten:
6.4.1. Het titelblad
Behalve een stuk van de Corantijn, met het astronomisch-station “Olgaff” tegenover Oreala, is ouder gewoonte een deel van de landstreek Berbice met name de Berbice River, met de Canje en een aantal kreekjes aangegeven. Hoewel hier dwars over het blad “British Guyana” is vermeld, is er geen enkele grensaanduiding te bespeuren, terwijl blijkens het grenscompromis tussen dat land en Suriname sinds 1799 ongewijzigd de Westoever van de Corantijn de landsgrens vormt. Ook is op de desbetreffende kaartbladen de grens met Frans-Guiana nergens aangegeven.
Het titelblad bevat voorts de opdracht, een bescheiden legenda (23 symbolen) en als inzet in de schaal 1:4.000.000 de bladindeling van Suriname. Reeds is een indicatie gegeven van de Zuidgrens, hoewel de grensmeting nog niet heeft plaatsgevonden; dit zal pas van 1935–1938 het geval zijn.
6.4.2. Blad 2 en Blad 3
Zowel Blad 2 als Blad 3 leveren in vergelijking met het overeenkomstig CBL-blad interessante gegevens met betrekking tot afslag en aanwas bij de riviermondingen. Terwijl bij Nickerie (blad 2) een enorme afslag te constateren valt, blijkt bij de Saramaccamonding (blad 3) een opvallende aanwas.
6.4.3. Blad 6 en 7
Op blad 6 en 7 is de polygoon tussen Voltzberg en Jan Basi Gado aangegeven, waarmede het verband tussen de noordelijke astronomische stations en het bij de expeditie samengestelde “driehoeksnet” is gelegd (tevens balata blok grens). De richting van hierbij gepasseerde stroompjes is aangegeven; dit is ook het geval langs andere gemaakte tracé’s.
Op blad zes valt voorts op dat twee vallen, één in de rechter Coppename en één in de Falawatra, naar Cremer genoemd zijn (in 1900 Minister van Koloniën). Behalve de reeds genoemde lijn Voltzberg–Jan Basi Gado, zien we op blad zeven nog vier oost-west lopende lijnen:
- Eén bij de Jan Basi Gadoval,
- Eén aan de monding van de Marowijnekreek naar de spoorweg bij Dam,
- De derde aan de monding van de Gran Parwabakreek naar de Sarakreek,
- En tenslotte één aan de monding van de Sarakreek naar de Tempatikreek (blad 8) (balata blok grenzen).
6.4.4. Blad 8 (Marowijne)
Een groot deel van Frans Guiana inclusief voetpaden langs de Manarivier is mede in kaart gebracht. Ook tal van kreken aan de oost-oever van de Marowijne zijn gekarteerd (inclusief naamgeving). De Marowijnerivier, strekkende op dit kaartblad over een afstand van ca. 110 km, is “opgehangen” aan twee astronomisch bepaalde punten, te weten Mapagado (astronomisch station Van Stockum) en de monding van de Gonini (wetenschappelijke expeditie).
6.4.5. Blad 9
Het stromencomplex van de Corantijn tussen de Lucierivier en de Curuni – Boven Corantijn (New River) diende hier te worden aangegeven. Het enorme aantal eilandjes in de rivier (106 stuks) verhinderden het verkrijgen van een overzicht. Dit lukte eerst door middel van de luchtkartering in 1957.
De Corantijn heeft blijkens Bakhuis ter hoogte van Frederik Willem IV vallen, thans Anoravallen geheten (zoals de naam luidde volgens de oude kaart van Sanders uit 1720), een breedte van ca. 9 km (blijkens de luchtfoto is dit 7,5 km). De breedte van de Boven Corantijn (New River) ter hoogte van de Andiraval en Barrington Brownval is 1600 m (op de luchtfoto gemeten 2000 m) en die van 300 m (blijkens opname Wilhelminagebergte-expeditie in 1926 breedte daar van oever tot oever 191 m).
Opvallend is hier de concentratie van vallen met namen van Indianenstammen zoals Barokotoval, Maopitijanval, Drioval, Pianoghottoval, Zarumaval, Tarumaval, Waiwaisval, allen namen welke door Schomburgk in zijn reisverslagen Reisen in Guina und Orinoko 1835–1839 en Reisen in British Guiana 1840–1844 worden vermeld.
De mogelijkheid moet niet uitgesloten worden geacht dat in dit specifieke areaal een Indianenconcentratie is geweest, gezien het voorkomen van uitgestrekte bamboo-arealen, een begroeiingsvorm waarvan op andere plaatsen in het land met stelligheid is aangetoond te zijn veroorzaakt door bewoning. Ook het grote aantal Indiaanse petroglyphen bij de Anoraval en in de Lucierivier geven aanleiding tot deze veronderstelling.
6.4.6. Blad 12, 13, 14, 15 en 16
Blad 12 bevat van alle bladen de meeste astronomisch bepaalde punten, te weten 11 stuks, weliswaar onregelmatig gespreid. Zo heeft bijvoorbeeld de Wilhelminarivier (westelijk bronrivier van de Gonini) vijf van zulke punten, terwijl de Emmarivier (andere bronrivier van de Gonini) geen één.
Bij het dorp Cottica aan de Lawa (Surinaamse oever) werd een punt bepaald en vlak daartegenover Enfants perdus (Franse oever) eveneens (langs de parallel gemeten 10″ verschil in lengte). Voorts valt het op dat de Ulemaririvier en de grote Loëkreek nog niet zijn opgenomen, terwijl tal van kreken, waarvan kennelijk slechts de vermoedelijke loop (stippellijn) bekend is, van een naam zijn voorzien, bijvoorbeeld Donkervlietkreek, Schreuderkreek, Anjumarakreek, enz.
De Drietabbetjeskreek, een grote kreek bij Asisi, is inmiddels vernoemd met een meer toepasselijke naam, namelijk de Asisikreek.
De bladen 13, 14, 15 en 16 vertonen alle de Braziliaanse grens. In feite is de in kaart aangebrachte lijn niet veel meer dan de vermoedelijke waterscheiding tussen de Surinaamse rivieren en een aantal bronrivieren van de Amazone. De grens tussen Suriname en Brazilië zal pas in de jaren 1935 tot en met 1938 in een drietal expedities worden bepaald, waarbij op vele plaatsen significante verschillen met de door Bakhuis getekende Braziliaanse grens zullen optreden.
Een uitgebreid verslag van deze expeditie is neergelegd in het boek van Van Lynden: Op zoek naar Suriname’s de Zuidgrens. De neerslag der bevindingen, in deelkaartjes, coördinaten en beschrijvingen der 60 grenspunten, alsmede de officiële notulen der grens-vaststelling zijn in een gemeenschappelijk rapport weergegeven. In het archief van het C.B.L. bevindt zich een officiële Portugese versie van dit rapport, Demarcacao de Limites entre o Brazil e Suriname – Belem Para 1939.
Het Nederlandse rapport blijkt, ook bij navraag bij Nederlandse autoriteiten, niet meer te achterhalen. Het vermoeden bestaat, dat dit Rapport tijdens de 2e Wereldoorlog bij het verbranden van bepaalde archieven in Nederland te loor is gegaan. Bij dit Rapport behoort een overzichtskaart in de schaal 1:3.000.000, (Comissao mixta Brasileiro Neerlandeza Demarcadora Cartografica do fronteira entre Brasil e Suriname contendo todos os Trabalhos do comissao mixta Brasileiro – Neerlandesa Demarcadera durente os anos 1935-1938) waarop de vastgestelde grens tussen Suriname en Brazilië is aangegeven alsmede twee insets in de schaal 1:10.000 van de sinds hun oprichting betwiste zogenaamde drielandenpunten.
Een exemplaar van deze kaart met Portugese tekst werd in april 1945 door de Braziliaanse Regering aan de Territoriale Commandant der strijdkrachten in Suriname, Kolonel Van Oosten, ter beschikking gesteld, die dit op zijn beurt weer op 13 maart 1946 aan de Burgerlijke Overheid aanbood.
Deze kaart bevindt zich eveneens in het archief van het C.B.L. en werd gebruikt om de grens met Brazilië op de zogenaamde C.B.L.-bladen aan te geven.
Source:
Link:
Internal Link: