De periode van de luchtkarterring in Suriname (1943-heden)
Historie, technieken en maatschappelijke achtergronden der karteringswerkzaamheden in Suriname sinds 1667
Pagina 127 tot 144
De kaart ten dienste van de sociaaleconomische ontwikkeiing van Suriname
De spanne tijds tussen het verschijnen van de kaart van Bakhuis en de Quant (1930) en de hierna te behandelen fotogrammetrische kartering is geenszins zonder karteringswerzaamheden geweest.
Weliswaar verschijnen in deze tijd geen nieuwe algemene overzichtskaarten, doch de kaart onder punt 7 bij de beschrijving der Bakhuis-bladen in hoofdstuk 6. genoemd, is het resultaat van drie jaren karteringswerk aan de Braziliaanse grens.
Een drie-tal expedities trekken achtereenvolgens de Curuni, Palumeu en Litani op, waarbij de bronnen van deze rivieren worden opgespoord om zodoende de waterscheiding en daarmede de grens met Brazilië te vinden en middels metingen vast te leggen. Hierbij werden evenals dat destijds bij de wetenschappelijke expedities plaatsvond, op de uitgestrekte Sipaliwinisavanna met zijn vele kale toppen, driehoeksmetingen toegepast en sterswaarnemingen verricht ter bepaling van geografische lengten en breedten van diverse punten langs de gehele grens.
De overige grenspunten werden middels polygoonmetingen – met boussole en meetlint – tussen deze astronomisch bepaalde punten, ingepast. Hoewel bij deze expedities zowel radio’s als telegrafisten werden meegenomen, schijnen deze meer voor onderling kontakt der groepen dan voor het opvangen van tijdseinen te zijn benut; waar dit wel het geval is geweest, zoals blijkbaar bij grenspunt 60 – blijkt het lengteverschil met een in 1968–1972 uitgevoerde aerodistmeting, waarin dit punt werd opgenomen, zeer gering (circa 1”).
Het grenspunt no. 12 echter, op de Sipaliwini-savanna, gaf in vergelijking met de daaraan gekoppelde Doppler Satellite Positioning in 1978 vooral in de geografische lengte, een opvallend groot verschil (enkele minuten).
7.1. De eerste fotogrammetrische karteringen.
7.1.1. Eerste luchtopnames in Suriname
Met de bedoeling een Luchtvaartnavigatiekaart samen te stellen, verrichtte een eenheid van de Amerikaanse Luchtmacht (AAF) in 1943 luchtopnamen in Suriname. De opnamen werden gemaakt volgens het zogenaamde trimetrogon systeem.
De daarbij gebruikte camera is een drievoudige, bestaande uit 3 Fairchild K-17 camera’s. Het objectief heeft een lensopening van 1:6.3, een bfepfpuntafstand van circa 15 cm. en een beeldhoek van 93’23’. In totaal werden 21 runs gevlogen op een gemiddelde vlieghoogte van 20.000 voet (+ 6 km.), hetgeen bij de genoemde brandpuntsafstand van 15 cm. resulteerde in foto’s op de schaal circa 1:40.000.
Het formaat van de foto’s was 9 x 9 inch, waardoor per foto dus een oppervlak van circa 85 km² werd afgebeeld.
In totaal werden 2004 opnamen verricht; hiervoor waren 8 uren fotografie verdeeld over 9 dagen (tussen 11 en 20 september 1943) nodig. In het aangehaalde werk van Simons is de ligging van deze runs aangegeven op zijn kaartbijlage no. 1, waarvoor de Geologische schetskaart van Suriname door R. IJzerman (1931) werd benut.
Opgemerkt dient te worden, dat met uitzondering van 2 stroken aan de Marowijnerivier het deel van Suriname ten noorden van de o-w-lijn ter hoogte van het Nassaugebergte, alsmede de zuid-oostelijke hoek van ons land niet werden gefotografeerd.
Aan de hand van deze luchtopnamen en de beschikbare kaarten (onder andere Bakhuis) werden in september 1947, 2 series luchtvaartnavigatiekaarten samengesteld, te weten:
7.1.1.1. AAF Preliminary Base, schaal 1:500.000
In de Lambert Conformal Conic Projection (Standaard paralellen 7′ en 20′). De bladen 825 D; 826 C en 894 A en B hebben betrekking op Suriname.
Ten aanzien van het blad 825 D, dat in het archief van het C.B.L. aanwezig is, moge het volgende worden opgemerkt:
- Deze in zwart-wit uitgevoerde kaart geeft een minimum aan spothights+ en contourlijnen (interval 1000 feet), terwijl een 12-tal geïdentificeerde punten (waaronder Zanderij, Kabelstation, Stoelmanseiland enz.) (met A.P. in de kaart aangeduid) als aanvulling dienden van aan de kaarten ontleende contrôle punten (blijkens “reliability diagram” op bedoelde kaart).
- Opmerkelijk is dat uit de luchtfoto’s het blijkbaar nog niet mogelijk was (gebrek aan terreinkennis?) moeras (zwamp) gebied van savanna te onderscheiden. Voor beide begroeiingsvormen werd namelijk hetzelfde teken gebruikt.
7.1.1.2. World Aeronautical Chart, schaal 1:1.000.000
Op de bladen 825, 826 en 894 komt het gebiedsdeel Suriname voor. De in kleuren uitgevoerde kaart is een verkleining van de onder 1 genoemde AAF Preliminary Base. De afmetingen zijn 4′ x 6′ (44 x 66 cm binnen kader).
- Een vergelijking van deze kaart met de huidige in omloop zijnde 1:1 miljoen kaart (C.B.L.) van Suriname brengt duidelijk de tekortkomingen van deze beginfase van de fotogrammetrie aan het licht. Zo is bijvoorbeeld het Nassaugebergte te Itlein aangegeven, de Brownsberg helemaal niet, terwijl 2 minder geprononceerde terreinverhogingen ten oosten van de Saramaccarivier en tegenover Jan-Basi Gado wel zijn aangegeven (bij één der toppen, in werkelijkheid 320 m hoog, staat als hoogte vermeld 1542 voet!).
- Naast de reeds gesignaleerde onjuistheid in het aangeven van begroeiingsvormen is in deze kaart het “Kordonpad” als een bestaande communicatieweg aangegeven. Deze kartering tijdens de 2e Wereldoorlog dient evenwel op de eerste plaats gezien te worden als een Amerikaanse c.q. internationale aangelegenheid ten dienste van de luchtvaart. Ondanks de tekortkomingen van deze trimetrogon-luchtfoto’s slaagde Simons erin ook de eerste fotogeologische interpretatie hieruit tot stand te brengen.
7.1.2. De luchtkartering van Noord-Suriname aan het Cartografisch Bedrijf van de K.L.M.
Een zuiver nationale aangelegenheid is de in vele opzichten deugdelijker luchtkartering van Suriname in het kader van het Welvaartsfonds in de jaren 194711948, vele malen aangevuld in respectievelijk het Tienjarenplan, het Vijfjarenplan en laatstelijk in het Meerjaren Ontwikkelingsplan.
In maart 1949 verstrekte het Welvaartsfonds de opdracht tot luchtkartering van Noord-Suriname aan het Cartografisch Bedrijf van de K.L.M. In feite was dit een compromis à posteriori, aangezien dit bedrijf vooruitlopende op de overeenkomst op eigen risico reeds op 27 maart 1947 met de opnamen van start was gegaan.
De laatste van de 10. foto’s in de schaal 1 : 40.000 werd op 7 no- 183) vember 1948 genomen . Als noodzakelijk gevolg van de opdracht tot systematische fotografische opneming, werd het Centraal Bureau Luchtkartering bij resolutie van 7 februari 1948 no. 535 ingesteld.
De taakstelling van deze dienst omvatte:
- het toezicht op de uitvoering van de luchtkartering en de beoordeling van het geleverde materiaal;
- het beheer van luchtkarteringsmateriaal, alsmede het ten nutte maken hiervan op zo breed mogelijke basis;
- verhoging van het nuttig effect der luchtkartering middels onder meer foto-interpretatie, kaartvervaardiging en dergelijke.
Nog voordat de meetkundige grondslag voor de te vervaardigen gecontroleerde fotomozaieken gereed was, werd van de afzonderlijke foto’s gebruikgemaakt met betrekking tot de mogelijkheden van het opnieuw in cultuur brengen van de oude plantages, voor de bosexploitatie, militaire patrouilles en dergelijke.
Zoals reeds opgemerkt, was het noordelijk deel van Suriname tot de 4e breedtegraad gefotografeerd, alsmede een gedeelte van het stroomgebied van de Tapanahoni (inclusief het “de Goejegebergte”) tussen Drietabiki en de samenvloeiing van de Litani en Marowinikreek; aldus een oppervlakte van ca. 80.000 km² omvattende.
Naast de 1:40.000 opnamen, werden ook bepaalde gedeelten van het kustgebied in de schaal 1:20.000 (ca. 7.500 stuks foto’s) gefotografeerd ten behoeve van het verzamelen van detailgegevens omtrent de begroeiingsvormen.
De uitvoerder moest overeenkomstig de opdracht, naast de kontaktafdrukken van alle opnamen, bovendien leveren, als overzichten, fotoplakkaarten met nauwkeurige meetkundige grondslag, zowel op de schaal 1:100.000 als op een schaal van 1:40.000, waaruit in combinatie met de foto’s vermenigvuldigbare werkkaarten konden worden vervaardigd.
De meetkundige grondslag werd gevormd door 26 astronomisch bepaalde punten, waarvoor in principe zoveel mogelijk dezelfde punten werden gekozen als door Van Stockum in 1911/12 ten behoeve van de topografische kartering van Suriname. Deze plaatsbepalingen werden verricht middels de methode van Gauss (simultane lengte- en breedtebepaling), waarbij onder meer het prisma astrolabium werd gebruikt voor de waarnemingen en regelmatig radio-tijdseinen uit Annapolis (N.S.S.5.) werden opgevangen ter bepaling van de correctie en gang van de chronometer. Voor de oriëntering der foto’s werden bovendien basismetingen verricht (poly qtçii), waarbij het azimuth werd bepaald uit sterhoogten (in elongatie). *104
Een overzicht van de astropunten wordt als Tabel I toegevoegd, terwijl tevens de destijds door Van Stockum gevonden waarden worden aangegeven. De verschillen zijn niet alleen een kwestie van waarnemingsnauwkeurigheid, maar ook veroorzaakt omdat niet altijd dezelfde plaats werd gekozen. Ook zijn er de verbeterde waarden opgenomen (naar bevinding van Kolonel Kremer in 1927 te Paramaribo en Albina) zoals die in de kaart van Bakhuis voorkomen.
Omdat alle overige punten (met uitzondering van Albina) afgeleid zijn uit de waarden van Paramaribo, is er een constant verschil van 3’16” in de geografische lengte en 0’4″ in de breedte. Tenslotte zijn in het overzicht eveneens aangegeven de geografische coördinaten uit de naderhand te bespreken aerodistmeting en de bevonden waarden voor de schietloodafwijkingen annex de verschillen tussen de Besselse ellipsoïde (Aerocarto 1947) en die van Hayford (Aerocarto 1968–1972).
Ter verkrijging van de hoogteligging der paspunten (astropunten) werden barometrische waarnemingen verricht ter plaatse en langs de rivieren, een en ander ten opzichte van het zogenaamde Domeinkantoorpeil, een referentievlak, dat op 1,50 meter onder het gemiddelde zeeniveau is aangenomen. (Het later ingevoerd N.S.P. = Normaal Surinaamse Peil, komt overeen met het gemiddelde zeeniveau).
Met deze ruimtelijke coördinaten als basis werd een slotted-templed triangulatie uitgevoerd, waarvan de uitkomsten dienden ter onthoeking ten behoeve van de gecontroleerde mozaïeken en fotoplakkaarten. Over deze mozaïeken werd tenslotte een ruitennet aangebracht in het systeem van de stereografische projectie.
Als centraal punt werd hierbij gekozen het snijpunt van de meridiaan van 55°41′ W.L. en de parallel van 4°07′ N.Br. Alle geografische waarden werden op de Besselse ellipsoïde gerekend, terwijl bij de omzetting naar de stereografische projectie het centrale punt de waarden X = 300.000 m en Y = 775.000 m werden toegekend.
Het duurde evenwel nog tot 1952 voordat een behoorlijke kaart uit de fotoplakkaarten kon worden getekend, wegens onvoldoende ervaring met foto-interpretatie en allerhande beginmoeilijkheden bij dit soort werk (ondersteboven plaatsen van foto’s, niet-evenwijdige ligging van vliegstroken, verwisseling van foto’s etc.).
Ook het afdrukken van luchtfoto’s en plakkaarten bleek niet mogelijk in Suriname, omdat noch het materiaal noch de faciliteiten aanwezig waren. Men behielp zich derhalve met kaartjes uit losse foto’s, via kodatrace op linnen-calques overgedragen.
In maart 1956 volgt de opdracht aan de K.L.M. Aerocarto (vroeger Cartografisch Bedrijf van de K.L.M.) voor de luchtkartering van het gebied ten zuiden van de 4e breedtegraad.
Vanwege de hoge kosten en moeilijke toegankelijkheid van dit gebied werd voor de meetkundige grondslag naar een andere methode gezocht dan die in Noord-Suriname is toegepast.
Op voorstel van Professor Schermerhorn werden vanuit 3 of 4 van de meest zuidelijke astrostations (astronomisch bepaalde punten) van het noordelijke puntenveld, zogenaamde astroruns gevlogen naar een duidelijk te identificeren punt in het zuiden des lands. De coördinaten van elk der aldus bepaalde punten werden door middel van aerotriangulatie berekend. Op deze wijze ontstond ook een puntenveld – weliswaar minder nauwkeurig – maar toch bruikbaar voor een kleinschalige overzichtskaart.
De hoogte werd in dit gebied verkregen door middel van een radarsysteem (Airborn Profile Recorder). De uitwerking der luchtfoto’s van dit gebied tot mozaïeken en plakkaarten vond op gelijke wijze als voor Noord-Suriname plaats.
Voorts werden nog een aantal additionele opnamen gedaan, te weten:
- Kuststrook 1:20.000 ter bestudering van de kust.
- Paramaribo en omgeving 1:6.000 ten behoeve van kartering 1:1.000 (bebouwing en omrastering). Zogenaamde stadskartering.
- Nieuw Nickerie en omgeving 1:20.000.
- Boscomplexen en landbouwarealen 1:10.000.
- Rivierstroken 1:40.000.
Uit deze totale fotografie werden de volgende kaarten samengesteld:
- Een overzichtskaart 1:1.000.000 (kleuren)
- Een overzichtskaart 1:500.000 (2-bladig en 4-bladig) (kleuren)
- Topografische kaarten met hoogtelijnen en zonder hoogtelijnen (zie catalogus C.B.L.)
- Hoogtelijnenkaarten 1:40.000, 1:20.000 en 1:10.000 (zie catalogus C.B.L.)
- Kaarten van Paramaribo
- 1:5.000 (6 bladen)
- 1:12.500 (kleuren)
- 1:1.000 (diverse bladen, niet in druk verschenen)
De samenstelling van de bladen 1:1.000 (zogenaamde stadskartering) vereiste een meetkundige grondslag van hogere nauwkeurigheid dan die waarover werd beschikt. Van 1957 tot 1959 werd daarom een triangulatie van Paramaribo uitgevoerd annex een verdichting middels polygoonmetingen (Toren van Financiën als centrum met coördinaten X = 10.000.000 en Y = 10.000.000).
Met uitzondering van de randgebieden, die vanwege grote uitbuigingen van de polygoon aldaar van geringere nauwkeurigheid waren, werd het net geschikt geacht voor kadastrale doeleinden. Verder dan het aangeven van bebouwing en omrastering van percelen in Paramaribo is men echter nimmer gekomen.
Problemen, zoals het verstoren der Kadasterstenen van naar schatting 10% van het net door werkzaamheden van civiel-technische aard, personeelstekort en dergelijke, waren daar de oorzaak van.
Zoals gezegd, verschenen deze bladen nimmer in druk, doch de na 1970 niet meer bijgehouden moederbladen 1:1.000, evenals de verslagen, betrekking hebbende op deze werkzaamheden, zijn op het C.B.L. aanwezig (Afdeling Tekenzaal en Archief). (Zie bijlage 11.)
7.2. Airborn methodieken ten behoeve van de meetkundiie grondslag.
Hoewel de hierboven omschreven luchtkarteringen vooral bij exploratie-werkzaamheden (Grasshopper-operatie = openlegging binnenland middels aanleg van airstrips ten behoeve van geologische exploratie), wegenaanleg, constructie van vliegplans voor de aeromagnetische opnamen, en ten behoeve van de Geologische Mijnbouwkundige Dienst enz.) bijzondere goede diensten bewezen, bleek al gauw dat, ten gevolge van de ongelijkwaardigheid van het noordelijk en zuidelijk net, de onvolkomenheden van de toegepaste fotogrammetrische methodieken en het verschijnsel van de schietloodafwijking, de meetkundige grondslag voor nauwkeurige karteringen onvoldoende betrouwbaar was.
7.2.1. Aerodistnet. (Overzicht 111)
Aan de K.L.M. Aerocarto werd in 1960 opdracht gegeven een primair driehoeksnet (52 punten) volgens de aerodistmethode over het gehele land te meten, alsmede een primaire waterpassing van ca. 2.900 km in Noord-Suriname annex de verzekering, meting en berekening van een Normaal Surinaams Peil.
Om diverse praktische redenen werd niet voor triangulatie-, maar voor een zgn. line-crossing techniek gekozen.
Ten aanzien van de ligging der punten van dit primaire net werd bepaald dat:
7.2.1.1 deze redelijk bereikbaar dienden te zijn via de rivier of een airstrip;
7.2.1.2 de mogelijkheid bestond torens te plaatsen (ca. 24 m hoog) welke dan boven vegetatie en terreinhoogten komen;
7.2.1.3 aansluiting met zoveel mogelijk astronomisch bepaalde punten en Hiranpunten mogelijk was.
High Range Navigation System (HIRAN)
“Hiran” (High Range Navigation System) berust op hetzelfde meetprincipe als Aerodist. Tussen 1961 en 1963 werd door de U.S. Air Force een trilateratienet (door middel van elektronische afstandsmetingen) gemeten tussen Venezuela en Brazilië via de Noord-Oost kust van Zuid-Amerika, teneinde een verbinding tussen de driehoeksnetten van beide landen tot stand te brengen.
Hiertoe werden onder andere in Suriname 2 punten, te weten: Zanderij en Tebutop, in het Hirannet opgenomen. De verkregen geodetische posities werden gegeven ten opzichte van het Provisional South American Datum 1956 (P.S.A.D.), een voor de zwaartekracht gekorrigeerde positie van het astro-station “Lacanoa” nabij Ciudad Bolivar in Venezuela. Dit horizontaal referentiedatum werd toentertijd in grote delen van Zuid-Amerika benut voor karteringen.
(Inmiddels is deze datum vervangen door S.A.D. 69 (Chua = 19°45’41″6527″ N en 48°06’04.0639″ W.) J.W.)
In het Hirannet werd voor Zanderij (H-14) de volgende positie gegeven: 05°27’09474″ N en 55°12’1111825″ W. (Met deze coördinaten werd zowel in het aerodist-, helidist- als Doppler Satellite Positioning-programma gerekend).
Te Zanderij werd ook een astronomisch azimuth bepaald naar H-13 (Oreala), waarvoor 262°21’1351107 werd gevonden. De geografische coördinaten voor “Tebutop” zijn 03°29’33282″ N en 55°08’15911062″ W.
In dit kader werd tevens een polygoon langs de Corantijn gemeten tussen Atkinson (Demerara) en Oreala, met 2 stations – Mac Cleman en Flett – op de Surinaamse oever. (Verslagen Archief C.B.L.)
In het kader van het Geofysisch Jaar 1957 mat Professor Veldkamp, geassisteerd door de heer Van Boekel, enkele zwaartekrachtprofielen in Suriname, welke later door Van Boekel in de jaren 1958-1960 werden uitgebreid. (Ter zake de zwaartekrachtmetingen wordt onder 7.6 van dit hoofdstuk gerapporteerd.)
Uit deze metingen traden aanzienlijke gravimetrische anomalieën aan de dag, reden waarom bepaald werd de astropunten uit de vorige luchtkartering in het aerodistnet op te nemen (Overzicht 11).
Teneinde dit primaire net te kunnen inpassen in het Zuid-Amerikaanse Hirannet, werden de twee in Suriname gemeten Hiranpunten (Zanderij H-14 en Teboe H-16), alsmede het punt H-15 (Tirios in Brazilië) en H-13 (Oreala, Guyana), eveneens in het aerodistnet opgenomen.
Het aerodistsysteem zelf kan kort als volgt worden samengevat: midden en nagenoeg loodrecht op de richting tussen twee grondstations, i.c. meettorens van circa 24 m hoogte waarop de responders (onderdeel van de elektronische afstandmeters) bewegen, bevindt zich een vliegtuig, voorzien van het “Master”-deel van de elektronische uitrusting, op een hoogte van circa 3 km.
Enige seconden vóór tot enige seconden nadat het vliegtuig de verbindingslijn tussen deze beide punten passeert, worden continu en simultaan de afstanden van het vliegtuig naar de grondstations gemeten. Uit deze gegevens wordt een tijd-afstand-diagram samengesteld, waaruit tezamen met de vlieghoogte de horizontale afstand tussen deze grondstations kan worden berekend.
Op deze wijze werd een driehoeksnet opgebouwd bestaande uit een aaneengesloten reeks quadrilateralen, waarbij ook de diagonalen werden gemeten. In totaal werden op deze wijze in 116 (produktieve) dagen 480 lijnhelften gemeten.
Teneinde de driehoekspunten te kunnen bereiken, werden ter plaatse heliveldjes van 100 x 100 meter in het oerwoud opengekapt. Een betonnen pilaar, 95 cm boven maaiveld, met afmetingen van 60 x 60 cm aan de voet en aan de top 40 x 40 cm, geeft in het terrein het primaire punt aan, dat voorts van drie verklikkers is voorzien.
In het centrum van de kop van de pilaar is een koperen hakkelbout ingemetseld, welke dienst doet als hoogtemerk. Voorts werd het nummer van het primair driehoeksnet middels een ingemetseld plaatje aangegeven. Bij de meeste pilaren staat nog de 24 m hoge, met rode menie geverfde toren.
De oriëntering van het net vond plaats op het Zuid-Amerikaanse Hirannet, terwijl de hoogtegegevens uit waterpassing of barometrische hoogtemetingen werden verkregen.
In januari 1970 en 2 jaren later weer, werden door de Regering aanvullende karteringsopdrachten aan de K.L.M. Aerocarto verleend.
Deze opdrachten hielden in de fotogrammetrische verdichting van het primaire driehoeksnet voor het noordelijk- en zuidwestelijk deel van Suriname, alsmede de herfotografie en herkartering van deze arealen.
Ten behoeve van de verdichting van Noord-Suriname waren in totaal 262 paspunten nodig, te weten:
- 71 punten x, y, z (zogenaamde “33000” punten)
- 92 punten x en y (zogenaamde “22000” punten)
- 99 punten waarvan slechts de hoogtegegevens vereist waren (zogenaamde “11000” punten).
In het zuidwestelijk deel van Suriname waren totaal 66 punten, te weten:
- (22) “11000”
- (32) “22000”
- (12) “133000” punten.
De “22000” en “33000” punten werden regelmatig over het gebied verdeeld met een onderlinge afstand van circa 20 km, aldus 13 à 14 fotomodellen bevattend.
Om deze punten op de luchtfoto zichtbaar te doen zijn, werden zij middels een kruismerk met vier armen van 3 m x 1 m geel plastic in het terrein gemarkeerd. Waar nodig werd in het oerwoud een ruime opening gemaakt waardoor het punt-lucht zichtbaar was. Alle punten werden verzekerd middels een betonnen plaat van 50 x 50 cm, voorzien van een koperen bout, welke tevens als hoogtemerk fungeert. Van deze punten werden aanmeetschetsen gemaakt.
Voor de X- en Y-positiebepaling der paspunten werden diverse methoden toegepast, te weten:
7.2.2.1. Helidistmeting
Een Multiple Range Positioning System (M.R.P.S.) apparaat is ingebouwd in een helikopter, waaronder een roterende antenne is bevestigd. Op vier in coördinaten bekende primaire punten zijn responders geplaatst, die een puls-signaal opvangen en opnieuw uitzenden. Elk 2,5 seconden worden alle vier afstanden (praktisch gelijktijdig) gemeten, zodat na interpolatie de positie van de helikopter op elk tijdstip te berekenen is.
Aan boord van de helikopter is voorts aanwezig apparatuur voor hoogtemeting (barometer, psychrometer) en communicatie-apparatuur.
Om nu de positie van het paspunt te bepalen, worden in dit punt circa 40 horizontale- en verticale hoekmetingen naar de antenne van de helikopter verricht, die op aanwijzing van de grondploeg op posities systematisch verdeeld ten aanzien van het zenith van het paspunt “hovert” (de grondploeg beschikt over een theodoliet, transponder, barometer, psychrometer en radio). Ook wordt middels het M.R.P.S. apparaat de verticale afstand tussen helikopter en paspunt bepaald, terwijl bij de zogenaamde “22000” punten tevens barometermetingen worden verricht ten behoeve van de lijnreductie.
7.2.2.2 .Multidist
In gebieden (zwamp-terrein) waar de theodoliet moeilijk kan worden opgesteld, is gekozen voor een gemodificeerde helidist-methode, welke als multidist-methode wordt aangeduid.
Het meetprincipe is als volgt:
Op het paspunt worden slechts een transponder en meteo-apparatuur geplaatst. De M.R.P.S. bevindt zich aan boord van een helikopter of vliegtuig, waarvan de meetcapaciteit is uitgebreid met een vijfde afstand. Terwijl het meetplatform rond het paspunt cirkelt, wordt voortdurend naar de vier primaire punten gemeten, alsmede de vijfde afstand naar het paspunt.
Een “omnidirectionaal”-antenne is naast de roterende bevestigd ten behoeve van deze vijfde afstand. De positie van het bewegende platform is evenals bij de helidistmethode op elk tijdstip bekend. Nauwkeurige barometermetingen geven het hoogteverschil tussen platform en paspunt aan. Uit testmetingen is gebleken dat met deze methode eenzelfde nauwkeurigheid als met de helidist wordt bereikt.
7.2.2.3. Terrestrische paspuntbepaling
Nog andere problemen deden zich voor bij de paspuntbepaling, met name voor punten aan de kust. De ligging dezer punten was ongunstig, aangezien zich ten noorden hiervan geen primaire punten bevonden en de insnijding vanuit andere primaire punten een slechte figuratie zou opleveren.
Vandaar dat in dit gebied de terrestrische paspuntbepalingsmethode werd toegepast. Een aantal punten werden middels een polygoon ingemeten tussen twee primaire punten, terwijl de oriëntering door middel van zonswaarneming werd verkregen (p.33003, p.33004 en 33005) (aansluitingspunten 101 en 2).
De overige punten langs de kust zijn opgenomen in een trilateratie-ketting, lopende van Coppenamepunt via Paramaribo naar Galibi. De ketting bestaat uit een aantal aaneensluitende vierhoeken, waarbij alle zijden als ook de twee diagonalen werden gemeten.
De vereffening van het primaire driehoeksnet – het aerodistnet – sec, leverde niet in alle opzichten bevredigende resultaten. Met name schijnt een identificatiefout bij één der punten (punt 16) langs de Marowijne hieraan debet te zijn.

Bij de meeste afstanden was de onzekerheid in de lengte van een lijn niet groter dan 1 meter, terwijl 5,3% van het aantal waarnemingen niet voldeed aan de nauwkeurigheidseis.
Teneinde nu dit integraal vereffend net aan te sluiten aan het Hirannet, werden de coördinaten van het punt Zanderij (5 exc.) gelijk gehouden aan die van het Hirannet 14 (Zanderij) zowel in X en Y en de X van het punt Tirios (20) aan de X-coördinaat van Hiran 15 (hetzelfde punt Tirios).
De overige ingemeten Hiranpunten (Boundary 1960, Springlands, Tebu enz.) gaven dermate grote verschillen met de gevonden waarden uit de integrale vereffening, dat zij verder buiten beschouwing worden gelaten. In wezen kan hier dus slechts een schaling van beide systemen mogelijk zijn. Overigens moet hier worden opgemerkt dat naderhand het Hirannet minder betrouwbaar is gebleken (mededeling I.A.G.S.).
De uiteindelijk verkregen geografische coördinaten uit de vereffening en schaling dienden omgerekend te worden in de Universal Transverse Mercator Projektie, gebaseerd op de Internationale Ellipsoïde (Hayford). Hierbij zou Suriname in gridzône 21 terechtkomen (zone tussen 54° en 60° W.) met als centrale meridiaan 57° West.
Het uiterste Oosten, dat wil zeggen Albina – Galibi en het Zuid-Oosten zouden dan in zone 22 vallen.
Om toch het gehele Surinaamse gebiedsdeel in één zone te projecteren en het schaalverloop harmonisch in te delen, is de centrale meridiaan verschoven naar 55°41′ W.L. (hierop ligt ook het centrale punt van de tot nog toe toegepaste stereografische projektie), terwijl als schaalfactor op de centrale meridiaan k = 0,99990 is aangehouden.
Nadat in de onderwerpelijke gebieden van Noord- en Zuid-West-Suriname een luchtfotografie in de schaal 1 : 30.000 werd uitgevoerd, aangevuld met statoscoopregistratie ten behoeve van de blokvereffening, kon op basis van de hiervoren beschreven meetkundige grondslag de aerotriangulatie en blokvereffening plaatsvinden en een aanvang worden gemaakt met de herkartering van dit gebied op de schaal 1 : 25.000 en reproducties 1 : 50.000 (nog in uitvoering).
7.3. Doppler Sateiiite Positioning, (Overzicht IV)
Teneinde het resterende deel van Suriname, te weten de zuid-oostelijke hoek, in kaart te brengen — hetgeen nog nimmer gelukt was vanwege constante bewolking in dat deel van ons land — werd in 1977 aan de K.L.M. Aerocarto de opdracht verleend, nogmaals een poging hiertoe te ondernemen.
Tot nog toe werden de fotovluchten steeds vanuit het vliegveld Zanderij ondernomen. Bij deze opdracht werd bedongen, dat de luchtfotografie vanuit het opnamecentrum i.c. Palumeu-airstrip, zou plaatsvinden. Het projekt omvatte: de verdichting van het primaire driehoeksnet (paspuntbepaling), luchtfotografie (schaal 1 : 55.000), aero-triangulatie en blokvereffening; terwijl voor het verkrijgen van hoogtepunten een le orde waterpassing (circa 1400 km.) werd uitgevoerd door een lokaal landmeters-bureau (Surikarto) en de kartering aan beide uitvoerders (Aerocarto en Surikarto) werd opgedragen.
In het te karteren gebied, groot circa 60.000 km², waren 26 paspunten nodig, waarvan 17 op de hoeken der fotogrammetrische blokken, 6 op de grens van het te karteren gebied, terwijl tevens 3 punten uit het Hirannet (Zanderij H-14), (H-14 Tirios) en één uit H-12 en H-13 afgeleid punt (Nickerie) werden meegenomen.
Als extra aansluitpunt is op het basisstation (Palumeu-airstrip) via een excentriciteitsmeting het in de nabijheid gelegen aerodistpunt 118 meegenomen.
Het principe van de Doppler plaatsbepaling berust op het bepalen van afstandverschillen tussen het station en een satelliet uit gemeten frequentieverschuivingen (Doppler effect).
Zes Navy Navigation Satellieten in polaire banen op ongeveer 1000 km hoogte (omlooptijd circa 100 minuten) zenden continu op een vaste frequentie een gemoduleerd signaal uit, dat iedere 2 minuten een tijdsein annex de bij dat tijdstip behorende baanparameters geeft.
Door het tellen van de ontvangen frequentie op aarde (ten opzichte van een referentiefrequentie en integratie naar tijd) worden afstandsverschillen bepaald. Afstandsverschillen naar twee gegeven ruimtelijke posities levert een hyperbolische meetkundige plaats. Uit snijdingen van drie of meer van deze verzamelingen wordt de positie van de ontvanger bepaald. De baanparameters worden voorspeld door een netwerk van volgstations (TRANET) en door de satelliet na ieder tijdsignaal uitgezonden (Broadcast Ephemeries). (KLM-Aerocarto 1978: Eindverslag paspuntenbepaling Karteringsprojekt Zuid-Oost Suriname, blz. 3.)
Uit de verschillende toepassingsmogelijkheden van de Doppler Surveying Systemen werd met het oog op de vereiste nauwkeurigheid voor de uiteindelijke coördinaatwaarden gekozen voor het Short Arc systeem+, een methode waarbij de onvolkomenheden van de “Broadcast Ephemeries” het best worden gereduceerd en een relatieve nauwkeurigheid van 1 meter kan worden bereikt uit 4 ideale passes, simultaan waargenomen met het basisstation (8 passes van gemiddelde kwaliteit geven in praktijk dezelfde nauwkeurigheid).
Volgens Duane Brown ’05) kan de standaardafwijking van de Broadcast Ephemeries door de volgende waarden gekarakteriseerd worden, te weten:
- In-track circa 24 m.
- Cross-track circa 17 m.
- Radiaal circa 8 m.
Een beter resultaat (3 à 10 maal) is te verkrijgen door het gebruik van de Precise Ephemeries, die evenwel over het algemeen niet voor commerciële doeleinden ter beschikking is.
Voor de opstelling van de antenne van het ontvangapparaat werden in het bos wederom clearings gekapt van 60 x 60 meter; waar nodig — in verband met (multipath) reflecties — werd de antenne op een toren geplaatst.
Van 19 februari 1978 tot en met 28 maart daar opvolgend werden alle paspunten ingemeten, waarbij op het basisstation in totaal 390 passes werden geregistreerd.
Hoewel voor de relatieve nauwkeurigheid van 1 meter een minimum van 8 simultane passes voldoende is, bleek na filtering van het waarnemingsmateriaal dat voor ieder station meer dan 10 goede passes beschikbaar waren.
De uiteindelijk verkregen coördinaten (van de antenne-opstellingen) zijn gegeven in het W.G.S. 72 (World Geodetic System 1972). Zoveel mogelijk is steeds de antenne boven het paspunt opgesteld; waar dit niet mogelijk was werden nauwkeurige excentriciteitsmetingen uitgevoerd.
De standaardafwijkingen van de hieruit verkregen coördinaten van deze stations ten opzichte van het basisstation in X, Y, Z en N (North), E (East) en U (Up) lagen tussen 0,085 meter en 0,604 meter.
Om de Dopplerpunten in het Surinaams systeem te brengen, werden de coördinaten herleid van W.G.S. 72 naar de Hayford Ellipsoïde (datumshift) en aangesloten op de alhier in gebruik zijnde Transversale Mercator Projektie (centrale meridiaan op 55°41′ W. en een vergrotingsfactor k = 0,9999).
De Datumshift is berekend voor 10 aansluitingspunten (uit Hiran- en Aerodistnet), waarvan 8 in het primair waterpasnet waren opgenomen en de hoogteligging der overige punten barometrisch bepaald. In verband met het belang van een goede hoogte bij het bepalen van de Datumshift is alleen gebruik gemaakt van de 8 gewaterpaste hoogten in N.S.P. (Normaal Surinaams Peil) H-14, H-15, Aerodist: 1, 113, 114, 116, 188, 199 en 121.
Voor de drie-dimensionale translatie van alle Dopplerpunten werden de volgende parameters aangehouden (gemiddelde uit genoemde 10 punten): X = 286,83, Y = -113,42, Z = 357,23.
Hierna bleven in het basisnet nog discrepanties, die voor zover systematisch veroorzaakt zijn door een schaalafwijking en een verdraaiing. Om deze systematische verschillen te corrigeren is een overbepaalde gelijkvormigheidstransformatie uitgevoerd op de 10 aansluitingspunten en werden de overige Dopplerpunten mee getransformeerd.
Het grootste verschil tussen coördinaten, verkregen uit de integrale aerodist/helidist vereffening en Dopplercoördinaten, is geconstateerd bij het Hiranpunt 15, te weten: Vₓ = 3,06 m., Vᵧ = 3,14 m. (eerder werd reeds opgemerkt dat de Hiranpunten minder betrouwbaar bleken).
Tenslotte zij opgemerkt dat het punt 16 (160) uit het aerodist/helidist-systeem, waaromtrent twijfels bestonden (identificatieprobleem), in het Dopplernet opnieuw is bepaald. Beter gezegd: het punt 16 uit het aerodistnet komt te vervallen, waarvoor in de plaats een nieuw punt 16 is bepaald.
7.4. Primaire Waterpassingen. (Overzicht V)
Onder de paraaf: “Hydrografische karteringen” werd opgemerkt, dat er reeds vroeg kaarten verschenen van de Surinaamse kust en van de rivieren, waarbij dieptecijfers ten opzichte van het een of ander referentievlak (hoogwater-spring, gewoon hoogwater en dergelijke) in voeten of vadems worden gegeven.
Over peilschaalregistraties vinden wij voor het eerst aanwijzingen in de kaart (schaal 1 : 750.000) uitgegeven in 1887 door het Ministerie van Marine, afdeling Hydrografie – Den Haag (Surinaams Museum no. 50).
De aanwijzing betrof de peilschaal aan de Marinetrap te Paramaribo, welker nulpunt destijds overeenkwam met de laagste waterstand in de Surinamerivier.
Later werden de waarnemingen verricht aan een peilschaal, bevestigd aan een hardstenen sluis te Beekhuizen. Waarnemingen gedurende de jaren 1904 tot en met 1909 toonden aan, dat in juli 1905 de laagste waterstand geregistreerd was tijdens een springtij. De aflezing op die peilschaal was toen -3,50 meter.
De hoogte van het nulpunt van deze peilschaal werd overgebracht middels waterpassing naar een marmeren plaat in een (in 1957 gesloopte) sluis aan de Knuffelsgracht te Paramaribo. Als “Surinaams Peil” (S.P.) werd toen aangeduid: het vlak gelegen 10 m onder de zo juist genoemde marmeren plaat.
In verband met herstelwerkzaamheden aan deze sluis werd in 1912 dit peil overgebracht naar de “Stenentrap”, waarvoor een hoogte gevonden werd van +10,525 S.P. Naast dit Surinaams Peil bestonden nog andere peilen zoals Nickerie Peil, Spoorweg Peil, Peil Havendienst, Marowijne Peil, Coronie Peil enz., die elk een ander referentievlak hadden, waartussen bovendien het verband niet bekend was.
(Waterpassen van Paramaribo naar de andere districten was in vroeger tijden, wegens het ontbreken van communicatiewegen, niet mogelijk en veelal toen ook niet nodig).
Echter deed zich de behoefte gevoelen aan de invoering van een uniform peil toen het Brokopondoplan en andere werken, die de waterhuishouding benedenstrooms zouden beïnvloeden, tot uitvoering kwamen.
Het peil dat bij de Overheidsdiensten het meest in gebruik was, het Surinaams Peil (S.P.), werd daarom door het B.L.O. (Bureau Landelijke Opbouw) in samenwerking met het Domeinkantoor ingaande het jaar 1955 middels nauwkeurigheidswaterpassingen verspreid en verzekerd met blijvende merken, om de 1 à 2 km, langs wegen en paden.
De eerste waterpassingen strekten zich uit naar het Oosten tot Alliance (aan de Commewijne), langs de Surinamerivier tot Paramaribo, langs de spoorbaan tot KM 68 en in westelijke richting tot Totness in Coronie.
In plaats van de marmeren plaat in Paramaribo werd het peil verankerd in de vaste rotsbodem op de Charlemagneheuvel nabij KM 70 van de spoorbaan. (In het primaire waterpasregister, bekend onder no. 301 c.). (Dienst Hogere Geodesie). In Paramaribo gold toen als voorlopig vast merk de ronde bout in het gebouw van Financiën op het Onafhankelijkheidsplein (vroeger Gouvernementsplein) (waterpasregister no. 109).
In september 1957 deed het Bureau Landelijke Opbouw het voorstel een éénduidig peil in te voeren en dit aan te duiden als Normaal Surinaams Peil (N.S.P.). Als vergelijkingsvlak werd hiervoor aangegeven: gemiddelde zeestand bij de monding van de Surinamerivier in het jaar 1956.
In eerste instantie was gepoogd het volzeepeil over te brengen naar de vaste oever; toen dit wegens gebrek aan de nodige hulpmiddelen niet mogelijk bleek, werd het hierbovengenoemde vergelijkingsvlak als zodanig heringevoerd.
Uit de verkregen waarnemingsresultaten aan een peilschaal te Purmerend (monding Surinamerivier), waarvan het nulpunt was aangesloten op het S.P., zou de omzetting van Surinaams Peil naar Normaal Surinaams Peil betekenen, dat +8,08 m S.P. gelijk was aan 0,00 N.S.P. Gemakshalve werd evenwel +8,00 m S.P. gelijkgesteld aan 0,00 N.S.P.
Nadat daarna het peil verder landinwaarts en in de distrikten was verspreid, konden geleidelijk aan de regionale peilen omgezet worden in N.S.P.
Het ondervolgend overzicht geeft een beeld van de peilrelaties:

Steeds verder werd het waterpasnet uitgebreid en allerwege het N.S.P. ingevoerd, zodat toen eindelijk in 1970 uit het V.J.P.-fonds een volzeepeil bepaald kon worden, reeds ruim 2000 km was gewaterpast en verankerd in ca. 800 hoogtemerken.
Zoals reeds eerder vermeld, omvatte de karteringsopdracht aan de K.L.M. Aerocarto in 1968 mede de vaststelling van een “Nieuw” N.S.P. Hiertoe werden vóór de kust van Coroni 2 platforms gebouwd, waarop zelfregistrerende Ott-Peilapparaten werden geplaatst. De platforms lagen 3 km in zee en 12 km uit elkaar. Gedurende 10 maanden werden registraties verricht, en vervolgens met het Zeiss Ni-2 Talubergangs-Gerät peil-overbrengingen uitgevoerd naar de vaste wal.
Uit de metingen, verricht op het westelijk platform, bleek dat het bestaande N.S.P. met +0,018 m gekorrigeerd diende te worden naar het gemiddeld zeeniveau (volzeepeil), terwijl de metingen op het oostelijk platform in een correctie van +0,202 m resulteerde.
Aangezien de waarde, gevonden aan het westelijke platform, zo dichtbij het tot dan toe gebezigde “gemiddeld zeeniveau” lag, werd na ampele overweging besloten het oude N.S.P. (1956) te handhaven en in de register geen veranderingen aan te brengen.
Bij de opeenvolgende karteringen, te weten Noord-Suriname, West-Suriname en Zuid-Oost Suriname, werd het primaire net verder uitgebreid, waarbij steeds als toelaatbaar verschil tussen heen- en terugmeting 2 L mm per sektie als eis werd gesteld, terwijl om de ca. 2 km vaste hoogtemerken (voorzien van een doorlopende nummering) werden geplaatst.
Na beëindiging van de waterpassingen (met uitzondering van de 1400 km van Zuid-Oost Suriname) werden alle sekties (totaal ca. 5000 km) simultaan vereffend.
(Waterpasgegevens beschikbaar bij de Dienst Hogere Geodesie Paramaribo).
7.5. De nieuwe topografische kaart 1 : 50.000 (C.B.L.)
De in de vorige afdelingen van dit hoofdstuk behandelde meetkundige grondslagen hebben alle ten doel, als basis te dienen voor een topografische kaart van Suriname, in de schaal 1 : 50.000. Er wordt hier in herinnering gebracht, dat het bestaande kaartmateriaal gebaseerd is op een minder nauwkeurige grondslag en derhalve dringend behoefte bestaat aan kaarten, die beter voldoen aan de toenemende eisen van nauwkeurigheid.
Ook werd in verband hiermede nodig geoordeeld de fotografie opnieuw uit te voeren, waarbij de paspunten vooraf werden gesignaliseerd. Aangezien de gehele fotografie niet in één seizoen te verwezenlijken was en er zelfs meerdere jaren mee gemoeid waren, werden de van kruismerken voorziene paspunten afzonderlijk ook grootschalig gefotografeerd.
Hierdoor was het mogelijk naderhand, indien deze punten waren overwoekerd en dus in de foto-runs niet meer te zien, middels puntsoverdracht, deze toch te kunnen identificeren.
Teneinde voorts de nieuwe kaart te doen aansluiten aan het stelsel van het Zuid-Amerikaanse Continent, is overgestapt van de Besselse ellipsoïde naar die van Hayford (1924), terwijl als kaartprojectie-systeem gekozen is voor een gemodificeerde U.T.M.
(De reden hiervoor en nadere gegevens daaromtrent werden reeds vermeld in sub 7.4.)
Tenslotte werd afgestapt van de tot nu toe gebruikte schaal 1 : 40.000 om de meer gebruikelijke van 1 : 50.000 te introduceren. (De eerste luchtfotografische opnamen waren in de schaal 1 : 40.000. Teneinde de foto-interpretatie voor lager gekwalificeerd personeel te vergemakkelijken en als compromis voor de divergerende wensen met betrekking tot de schaal voor de verschillende natuurtechnische Overheidsdiensten werden de kaarten ook in schaal 1 : 40.000 vervaardigd.)
De te gebruiken legenda zal heel weinig afwijken van de tot nu toe gebezigde, welke afkomstig is van de Topografische Dienst uit het voormalige Oost-Indië en door Spirlet in Suriname geïntroduceerd.
Ook aan de naamgeving zal bijzondere aandacht worden besteed. Met name zal getracht worden de Surinaamse toponiemen te standaardiseren naar het voorschrift van het Departement van Onderwijs m.b.t. de schrijfwijze van het “Sranan”.
Als voornaamste kenmerken daarvan zijn te noemen:
a. geen enkel letterteken wordt verdubbeld;
b. de letters c, q, v, x, en z komen niet voor;
c. de eind -e in de diphtong -ie wordt niet geschreven.
Voorts wordt voor “riviereiland” de generische term “tabiki” gebruikt in plaats van het woord “tabbetje” (in de Surinamerivier is het gebruikelijk bij de aldaar wonende Saramakaner bosnegers hiervoor de term “dan” (uitspraak “ldang”) te gebruiken).
Door de Surinaamse Cartografische Commissie wordt ook getracht oude plaatsnamen (uit oude kaarten, documenten, verslagen en overleveringen) in ere te herstellen (b.v. Anoravallen in plaats van Frederik Willem IV vallen), terwijl ook nieuwe betekenisvolle namen (bijv. Amotopo: dit betekent in de taal der Caraïben “waar het werk begon”), onder andere in West Suriname (Kabalaboprojekt), aan de kaart worden toegevoegd.
In totaal zullen ongeveer 200 bladen in het formaat 50 x 50 cm in zwart-wit druk verschijnen.
De stereokartering wordt uitgevoerd op de schaal 1 : 25.000, formaat 100 x 100 cm, met hoogtelijnen om de 10 meter, aangevuld met de hoogtelijnen van 25, 75, 125 m, enz. Dit laatste in verband met mogelijke andere schalen, af te leiden uit de minuutkaart 1 : 25.000.
In 1978 is het, na jarenlange (sinds 1958) pogingen, eindelijk gelukt de “ZuidOosthoek” van Suriname volledig (d.w.z. middels aaneengesloten foto-runs over het gehele gebied) luchtfotografisch op te nemen.
Met vereende krachten werken nu het Centraal Bureau Luchtkartering, de K.L.M. Aerocarto en het Surinaamse Landmetersbureau Surikarto aan de totstandkoming van de nieuwe kaart. Reeds zijn de eerste bladen uit deze serie beschikbaar.
7.6. Zwaartekracht surveys in Suriname (Overzicht I)
De geschiedenis van zwaartekracht surveys in Suriname heeft een heel bescheiden begin gehad. Volgens Van Boekel (Pb7) werd door Harding in 1945 op het vliegveld te Zanderij een zwaartekrachtmeting verricht, waaruit de waarde van g = 978050.0 mgal resulteerde.
Voor Zanderij, zo meldt Strang (van ~ees”) ), werd uit de internationale vereffening van het zwaartekrachtsnet I.G.S.N. 71 (International Gravity Standardization Net 1971) aangenomen, de waarde g = 978033.50 mgal (het is niet na te gaan of beide waarnemingen op één en hetzelfde punt werden gedaan).
Vervolgens deed Vening Meinesz aan boord van H.M.S. “024” te Paramaribo (steiger gasfabriek) met een slingerapparaat een zwaartekrachtmeting en bevond aldaar de waarde g = 978080.5 mgal. Ook vóór onze kust en die van Frans Guiana deed Vening Meinesz zwaartekrachtmetingen.
Een ruimere survey werd in het kader van het International Geofysisch Jaar 1957 – 1958 door Veldkamp verricht en wel langs de spoorbaan van Paramaribo tot Dam (10 stations) en langs de Marowijnerivier tussen Albina en Stoelmanseiland (9 stations).
Hiervoor werd een Askania gravimeter gebruikt. Uit de waarnemingen van Veldkamp bleek, dat op eenzelfde breedte de zwaartekracht langs de Marowijne een hogere waarde vertoont dan langs de spoorbaan. Uitgaande van het gegeven, dat de diepte van het moedergesteente onder de kustsedimenten in westelijke richting tot 2 km toeneemt, veronderstelde Van Boekel (noot 107), dat verder westwaarts van de Surinamerivier dezelfde tendentie van afnemende waarde aangetoond kan worden.
Om dit te onderzoeken werd in 1958 een nog uitgebreidere survey (115 stations) verricht, waarbij zowel langs de “binnendoor” vaarroute van Paramaribo naar de Corantijnrivier als langs het Garnizoenspad en het weggedeelte tussen de Coppenamerivier en Coronie waarnemingen werden verricht. Ook werden langs de Corantijn tot Apura metingen gedaan.
Het vermoeden dat het zwaartekrachtsveld van Suriname verstoord is, bleek uit deze waarnemingen juist te zijn en reeds werd een duidelijk minimum van de zwaartekracht in het Coppename-stroomgebied aangetoond. Het meest gestoorde gebied bleek te liggen tussen de Coppenamerivier (-63 mgal) en het gebied tussen de Corantijn en de Nickerie (+33 mgal). Met de resultaten uit 1957 en 1958 werd een voorlopige kaart met betrekking tot het zwaartekrachtveld van Suriname samengesteld.
De veelbelovende resultaten uit genoemde surveys leidden ertoe dat in 1960, wederom door Van Boekel, een regionale zwaartekracht survey werd georganiseerd teneinde een meer verantwoord net van zwaartekrachtstations te meten. Het gebied dat toen werd onderzocht ligt tussen de breedten van 4′ en 6′ Noord en 54′ en 58′ W.L. De eerste profielen werden langs de Saramacca gemeten, waarbij in het gebied van de Mamadamvallen grotere negatieve anomaliën (-85 mgal) werden geregistreerd dan in het Coppename-stroomgebied. Vervolgens werd langs de grotere stromen tussen Saramacca en Corantijn gemeten en langs de inmiddels gereedgekomen weg van Paranam naar Afobaka (Van Blommesteinmeer).
Hierna werden de rivieren in de oostelijke sektor (Commewijne met zijrivieren) met de inmiddels ingeschakelde en beter draagbare Worden gravimeter gemeten. Voorts werd nog een tocht ondernomen naar de Tafelberg (ten zuiden dus van 4′ N.Br.), alwaar de zwaartekracht ook een aanzienlijke negatieve anomalie vertoont. Tenslotte werd de survey van de kustzone, te weten langs de Cottica en de Cusewijne, gecompleteerd. In totaal werden 319 stations gemeten.
Het Zanderij basisstation, waarvoor Harding de waarde g = 978050.0 mgal gaf, werd aangehouden als basis voor de regionale survey, terwijl ook alle zwaartekrachtstations ten opzichte van deze waarde werden berekend. Met Zanderij als 1e orde basisstation werd te Paramaribo een 2e orde basistation (Geologisch Mijnbouwkundige Dienst), Kleine Waterstraat: Station 1, vastgesteld waarvoor de waarde g = 978080.0 mgal werd gevonden. Vanuit dit punt (kamer 122) werden in 1960 alle expedities ondernomen, terwijl begin- en eindwaarnemingen daar geschiedden, zodat alle metingen ten opzichte van Station 1 beschouwd kunnen worden.

Noord Suriname met intervallen van 5 mgal.
Een uitbreiding van deze kaart in noordelijke richting vond plaats in 1966 en 1969, toen op het continentale plateau van Suriname door Marine-vaartuigen middels Askania zee-gravimeters zwaartekrachtmetingen werden verricht.
Deze zwaartekrachtmetingen zijn gekoppeld aan het zwaartekracht-basisstation te Paramaribo, waarvan de waarde g = 978080.5 mgal van Vening Meinesz (1949) werd gekozen (dus niet het station G.M.D.).
De iso-anomaliënkaart werd geconstrueerd door interpolatie van de gemeten profielen langs de op zee uitgezette tracks, welker posities middels een Deccaketen 165 kan worden vastgesteld. Landwaarts werd deze kaart aan de waarnemingen van Van Boekel aangesloten.
Een kaart in de schaal 1 : 750.000, aangevende het zwaartekrachtsveld van Suriname vanaf 4°30′ N.Br. tot 7°30′ N.Br. (continentaal plateau) tussen de meridiaan van 54′ en 57′, is daar onder meer het resultaat van (Geodetisch Instituut Delft).
Een plaatselijke uitbreiding van het net van zwaartekrachtstations in Suriname vond plaats in het toekomstig Kabalabostuwmeergebied.
Door de heren Strang van Hees en Koole werden 11 stations (eind 1975) tussen de Avanavero-, Amotopo- en Curuni-airstrips gemeten en berekend ten opzichte van de primaire basis Zanderij g = 978033,50 mgal (I.G.S.N. 71).
Het meest zuidelijke punt – Curuni, punt 33111 – kreeg hieruit de waarde van g = 977983.11 mgal.
Tenslotte werd in het kader van het M.O.P.-projekt Kartering Zuid-Oost Suriname in 1978, in zuidelijke richting een uitbreiding van het zwaartekrachtnet bewerkstelligd. Gebruikmakende van de helicopter-transportfaciliteiten door K.L.M. Aerocarto ter beschikking gesteld tijdens de Dopplermeting, werden in 20 (Doppler)punte tevens zwaartekrachtmetingen verricht met behulp van twee Worden gravimeters.
Als referentiebasis fungeerde in eerste instantie het basisstation Palumeu-airstrip. Op een later tijdstip werd het verschil tussen Palumeu en Zanderij bepaald, in I.G.S.N. 71, waardoor ook de overige punten in dat systeem berekend konden worden.
Voor Palumeu (118B) werd aldus gevonden g = 978008.24 mgal (van alle gemeten punten bestaan meetschetsen). (Zie verslag KLM-Aerocarto 1978: Zwaartekrachtopnamen in Zuid-Oost Suriname, januari-maart.)
Vervolgens werden langs een deel van het primair gewaterpast trajekt tussen een aantal der middels het Doppler Satellite Positioning System gemeten paspunten, op alle hoogtemerken (om de 2 km) zwaartekrachtmetingen verricht. De trajekten lagen langs de Tapanahoni en de Boven-Tapanahoni tussen de Dopplerpunten 404, 401 en 113 en voorts langs de Lawa, Litani en Ulemari tussen Stoelmanseiland en de Dopplerpunten 16, 403 en 406.
Deze metingen geschiedden door de heer Herinkx (Geodetisch student) onder leiding van de Technische Hogeschool Delft (afdeling Geodesie) en Koole (Universiteit van Suriname, Faculteit der Natuurtechnische Wetenschappen). (Voor nadere gegevens omtrent de Doppler- en zwaartekracht surveys in Zuid-Oost Suriname zie Ingenieursscriptie van L. Herinkx: Geodetisch profiel van Suriname, T.H. Delft 1980.)
Referenties
- Lynden, A.J.H. Van, 1939: Op zoek naar Suriname’s Zuidgrens. K.N.A.G. Tweede Reeks, Deel LVI, no. 6.
- Simons, A.L. 1947: Aantekeningen bij een collectie luchtfoto’s van Suriname. K.N.A.G. 2e serie, Deel LXIV no. 5, blz. 577 e.v.
- Simons, A.L.: op. cit. blz. 582
- Wekker, J.B.: 25 jaar C.B.L. (1973). C.B.L. publikatie no. 25, blz. 4 e.v.
- Koeman, C. et al.: op. cit. blz. 116, (zie noot 54).
- Brown, Duane C. 1975: Technical Note 75-001, blz. 2. “A primer on satellite Doppler Surveying”.
- Ridder, W. de, 1957: Het Surinaams Peil: Verslagen en Rapporten van het Ministerie van L.V.V., afd. B.L.O.
- Boekel, J. van, 1968: Gravitational and geomagnetic Investigation in Suriname and their structural implications. Academisch proefschrift Amsterdam 1968, blz. 24.
- Strang van Hees, G.L. ir. 1976: Verslag zwaartekrachtmetingen in het Kabalebogebied. T.H. Delft, Lab. voor Geodesie.
- Strang van Hees, G.L., 1971: Hydrographic Newsletter Special Publication Number 6, blz. 11 e.v.
Source:
Link:
Internal Link: