Vonnis Bouterse

DE KRIJGSRAAD
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK
Parketnummer : 3975
Vonnisnummer : 46
Datum uitspraak : 29 november 2019
Verstek
Raadsman : I.D. Kanhai, BSc., advocaat,
VONNIS
van de Krijgsraad, zitting houdende te Paramaribo, in zaak van de auditeur-militair tegen:
BOUTERSE, DESIRÉ DELANO,
geboren op [datum] in [district],
voorheen van beroep militair in de rang van Luitenant-Kolonel, thans President van de
Republiek Suriname,
wonende aan [adres] te [woonplaats],
verdachte,
en defaillant.

  1. Het onderzoek van de zaak
    Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de diverse data gehouden
    terechtzittingen en gerechtelijke plaatswaarnemingen.
    De Krijgsraad heeft kennis genomen van de vordering van de auditeur-militair, hierna afgekort
    AM en van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.
    De AM heeft het volgende gevorderd:
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren voor het
    tenlastegelegde feit onder A, te weten medeplegen aan moord, welk feit de AM wettig en
    overtuigend bewezen acht op grond van de door hem in zijn requisitoir opgesomde
    bewijsmiddelen.
    De verdediging heeft onder meer gevorderd:
    A.primair: integrale vrijspraak. Daartoe heeft hij betoogd dat de getuigenverklaringen die de
    vervolging als bewijsmiddel heeft gebezigd onbetrouwbaar zijn. Volgens het betoog van de
    verdediging is in deze strafzaak vanaf het begin via de media veel campagne gevoerd,
    waardoor de Krijgsraad is beïnvloed en kan de Krijgsraad dus niet onbevangen over deze
    strafzaak oordelen;
    B.subsidiair: niet – ontvankelijkheid van de AM op basis van de Amnestiewet;
    C.meer subsidiair: onbevoegdverklaring van de Krijgsraad eveneens op basis van de
    Amnestiewet.
    2
  1. De tenlastelegging
    Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de
    inleidende dagvaarding bij de Krijgsraad, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht
    moet worden hier te zijn overgenomen.
    Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De
    verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
  2. De geldigheid van de dagvaarding
    Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen
    voldoet en dus geldig is.
  3. De bevoegdheid van de Krijgsraad
    De Krijgsraad verwerpt het meer subsidiair opgeworpen (onbevoegdheids)-verweer van de
    verdediging inhoudende dat de Krijgsraad zich onbevoegd dient te verklaren in de onderhavige
    strafzaak, en wel op grond van de hierna volgende overweging.
    Onbevoegdverklaring heeft betrekking op de plaats alwaar het misdrijf is gepleegd. Indien een
    strafbaar feit op Surinaams grondgebied heeft plaatsgevonden, dan is de Surinaamse rechter,
    in casu de Krijgsraad, bevoegd van de onderhavige strafzaak kennis te nemen. In casu heeft
    het strafbaar feit, zoals hierna uit de bewijsmiddelen blijkt, op Surinaams grondgebied
    plaatsgevonden. Mitsdien is de Krijgsraad bevoegd van de onderhavige strafzaak kennis te
    nemen.
  4. De ontvankelijkheid van de vervolging
    De Krijgsraad volhardt bij al hetgeen zij terzake de gewijzigde Amnestiewet in het door haar
    gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 09 juni 2016 heeft overwogen, in welk vonnis de
    Krijgsraad heel breedvoerig is ingegaan op de standpunten van partijen met betrekking tot de
    gewijzigde Amnestiewet van 05 april 2012 (S.B. 2012, no. 49) en bij welk vonnis de Krijgsraad
    het bepaalde in artikel 1 van de gewijzigde Amnestiewet wegens strijdigheid met één der in
    hoofdstuk V van de Grondwet Republiek Suriname genoemde grondrechten, als ongeoorloofd
    en buiten toepassing heeft verklaard. Op grond hiervan verwerpt de Krijgsraad het subsidiair
    verweer dat de verdediging heeft opgeworpen, inhoudende het niet – ontvankelijk verklaren van
    de AM.
    Bovendien zijn bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken die
    aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.
  5. Schorsing der vervolging
    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
    7.De gebezigde bewijsmiddelen
    De Krijgsraad acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder
    A heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de
    hierna opgesomde bewijsmiddelen, in onderling samenhang beschouwd.
    3
    Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen
    verklaarde feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
    A. Ten aanzien van het DRAAIBOEK
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte Bouterse, Desiré Delano,
    afgenomen door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO d.d. 28 juni 2001,
    (ordner I, blz. 342-349), hetwelk de verdachte heeft gelezen en getekend en waarin voor
    zover van belang het volgende is vermeld:
    “(…) Op 25 februari 1980 vond er een staatsgreep plaats, welke door mijn persoon en vijftien
    anderen werd gepleegd. De TRIS onderging een naamsverandering in Nationaal Leger. De
    groep werd later bekend als de groep van zestien. Ook na de staatsgreep bleef ik de leiding
    behouden van deze groep.
    (…) Als u mij vraagt een begrenzing te maken van personen van de groep van zestien die zich
    duidelijk politiek profileerden, kan ik beamen dat dit de persoon van HORB en mijn persoon
    betrof. Het is juist dat de rest van de groep van zestien erbij gehaald werd, wanneer zich in die
    periode bepaalde zaken voordeden.
    (…) Op uw vraag een toelichting te geven op de militaire operatie in 1982 kan ik u alsvolgt
    antwoorden. In die periode was het bekend en hadden wij de harde informatie dat subversieve
    krachten doende waren een omwenteling teweeg te brengen. Met wij bedoel ik het leger. De
    informaties hadden wij vóór december 1982.(…) De omwenteling zou in ieder geval gewapender
    hand worden uitgevoerd.
    Op uw vraag of er een bepaalde strategie was uiteengezet om de operatie uit te voeren,
    antwoord ik u bevestigend. Nadrukkelijk wil ik verklaren dat deze strategie een aangelegenheid
    was van militairen. Burgers zijn er als zodanig niet bij betrokken geweest.
    (…) Op uw vraag of er bij het uitvoeren van de strategie gewerkt is met een bepaald draaiboek
    moet ik u bevestigend beantwoorden. Het draaiboek was bij mij in ieder geval bekend.
    Als u mij vraagt wie de samenstellers waren van dit draaiboek verklaar ik u de militaire top en
    de militaire deskundigen.
    Als u mij specifiek vraagt naar namen van de militaire top en de deskundigen die ik bedoel,
    antwoord ik u, dat ik dat niet zo direct weet, doch namen van mijn persoon, HORB en
    BHAGWANDAS zijn zo een beetje bekend.
    (…) Ik wil u verklaren dat er in feite drie diensten opereerden n.l. de inlichtingendienst, een
    contra-inlichtingendienst en een burgerinlichtingendienst.(ordner I, blz.344)
    Ik geef u te kennen dat het draaiboek zoals het militair past zorgvuldig is voorbereid. Wij zijn
    niet over één nacht ijs gegaan om het zo uit te drukken.(ordner I, blz.345)
    Op uw vraag of de persoon in kwestie wordt geëlimineerd of een kopje kleiner wordt gemaakt,
    geef ik u te kennen dat dit geheel afhankelijk is van de fase waarin de operatie zich bevindt. Op
    een vraag waar de bijeenkomsten van de militaire top plaatsvonden geef ik u te kennen, dat
    deze plaatsvonden in het gebouw naast de VOS aan de Gemenelandsweg, bekend als het
    gebouw van de Chef Staf.
    (…) Over de werkwijze van de vergaderingen en/of bijeenkomsten met betrekking tot de
    operatie, kan ik u verklaren dat de besluitvorming plaatsvond op basis van consensus. Ik leidde
    veelal de vergaderingen en bij mijn afwezigheid deed mijn vervanger dat. Er werd weliswaar
    niet gestemd. Het was meer een vorm van overeenstemming bereiken. Het is juist dat de
    uitkomsten van deze vergaderingen en/of bijeenkomsten bekend waren bij een zeer beperkt
    aantal mensen dat tot strikte geheimhouding verplicht waren. Ook de Minister van Leger en
    Politie werd niet geïnformeerd.
    De Minister moet meer gezien worden als de persoon die de administratieve en logistieke zaken
    moet bewaken. Combatieve taken zijn meer toebedeeld aan de Opperbevelhebber en de
    Bevelhebber van het Leger. (ordner I, blz.346)
    (…) U vraagt mij naar een uiteenzetting voorafgaande aan 7,8 en 9 december 1982.
    4
    Met betrekking tot het voorgaande kan ik u zeggen dat het draaiboek verder is afgewerkt en dat
    op 7 op 8 december 1982 verschillende mensen zijn opgehaald. Met het ophalen werd beoogd
    verdere militaire stappen van de tegenpartij blind te maken, zoals ik eerder heb uiteengezet.
    De verdere bedoeling was om deze mensen het land uit te zetten om te voorkomen dat zij
    verder zouden gaan met hun subversieve activiteiten.
    U moet weten dat er meer mensen op de lijst stonden dan de zestien die zijn opgehaald. Ik
    denk dat een stuk of zeven niet zijn gevonden.
    (…) U vraagt mij waarom de mensen persé naar het Fort Zeelandia moesten worden gebracht
    en verklaar ik u, dat de zaak technisch goed voorbereid moest worden omdat het de bedoeling
    was de mensen ‘persona non grata’ te verklaren en het land uit te zetten. U vraagt mij welke
    procedure is gevolgd bij het ophalen en overbrengen van de mensen naar het Fort Zeelandia en
    geef ik u te kennen dat de mensen zijn overgedragen aan de commandanten van de operaties,
    waarna ze in hechtenis zijn genomen.
    Op uw vraag of de mensen ook bij mij zijn voorgeleid verklaar ik u dat ofschoon ik mij daarmee
    niet bezig hield heb ik wel gesproken met de heer DERBY. U moet weten dat ik mij niet
    permanent in het Fort Zeelandia heb opgehouden op 7 en 8 december 1982. Ik verplaatste mij
    n.l. naar verschillende locaties. Ik meen mij te herinneren dat ik mij op 8 december 1982
    overdag voor het grootste gedeelte in het Fort Zeelandia bevond. U moet weten dat ik de
    persoon van DERBY die een belangrijke informant was, heb heengezonden.
    (…) Ik wil verduidelijken dat ik mij verantwoordelijk voel voor deze levensberovingen en alles
    wat daaromheen heeft plaatsgevonden, doch ik wil benadrukken dat ik daarmee bedoel
    politieke verantwoordelijkheid. (ordner I, blz. 347)
    Het is juist dat ik op de televisie kort na het gebeurde in het Fort Zeelandia verklaard heb dat de
    vijftien personen die in het Fort Zeelandia waren tijdens een vluchtpoging waren
    doodgeschoten. Ik heb dit gedaan naar aanleiding van de rapportage welke ik ontvangen had.
    De rapportage had ik gekregen van de heer BHAGWANDAS. Ik geloofde dit inderdaad ook niet
    en heb ik ook aan de autoriteiten gevraagd of zij ook een onderzoek zouden instellen. Ik heb
    zelf geen opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen omdat de situatie in het leger erg
    gevaarlijk was.
    (…) U vraagt mij op welke wijze de vijftien personen het land zouden worden uitgezet en waar
    ze naartoe gebracht zouden worden. Hierop verklaar ik u dat dit gedeelte nog niet helemaal was
    verwerkt. Er was geen enkel verzoek ingediend bij één of ander land om de mensen op te
    vangen”.(ordner I, blz.. 348).
    2) Proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte Bouterse, Desiré
    Delano, afgenomen door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO
    d.d. 30 november 2004, (ordner I, blz.. 349-353), welke proces-verbaal de verdachte heeft
    gelezen en getekend enwaarin voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “(…) Uit informaties die ons bereikten uit de inlichtingendienst wisten wij dat personen, althans
    een groep van personen doende waren een coup voor te bereiden. Aangezien de heer DERBY
    de vertrouwensman was van de militairen kreeg hij van ons de opdracht in de groep te
    infiltreren. DERBY heeft gevolg gegeven aan deze opdracht en kregen wij van hem de
    informaties door, zoals de plaatsen waar er vergaderd werd en de plannen die allemaal werden
    uitgewerkt.DERBY noemde daarbij ook namen. Ik kan mij nu geen concrete namen herinneren.
    U zult begrijpen dat deze rol van DERBY enige maanden heeft voortgeduurd. Het was
    overigens bekend dat DERBY vanaf de staatsgreep één van de belangrijkste adviseurs van de
    militairen was.
    Het is verder ook juist dat DERBY tot twee malen toe bij mij werd gebracht. U moet de hele
    entourage omtrent het binnenkomen van BHAGWANDAS en HORB in de kamer zien als een
    scenario welke wij opgezet hadden. Er werd zodanig gesproken dat dit hoorbaar was voor de
    andere personen die zich in de door DERBY bedoelde ruimte bevonden. Op uw vraag wat wij
    5
    hiermee hebben beoogd geef ik u te kennen dat wij wilden voorkomen wie de “mol” zou zijn.
    Met “mol” bedoel ik infiltrant.(ordner I, blz.349)
    (…) Op uw vraag of er helemaal geen sprake is geweest van het bijhouden van lijsten moet ik
    zeggen dat er inderdaad lijsten met namen werden opgemaakt en ook verslagen van de groep
    die bezig was met het voorbereiden van een coup.(ordner I, blz. 349)
    (…) Het is juist dat ik indertijd een schrijven heb gericht naar het Openbaar Ministerie met het
    verzoek om onderzoek. Ik sta nog altijd hier achter, omdat ik van oordeel ben dat er politiek te
    pas en te onpas gebruik wordt gemaakt van hetgeen heeft plaatsgevonden in december 1982.
    Antwoord gevend op de vraagstelling wat de reden was dat RAMBOCUS en SHEOMBAR, die
    intussen door de Krijgsraad, vanwege de zogenaamde RAMBOCUS-coup waren veroordeeld,
    wederom moesten worden opgehaald, dat kennelijk uit informatie uit die periode deze personen
    hoewel niet lijfelijk, maar in ieder geval op een andere wijze betrokken waren bij de plannen
    voor een coup. Ik wil nog de opmerking maken dat deze coupplannen door ons in die tijd
    werden bestempeld als CIA-coup. Dit zeg ik omdat het ons bekend was dat er buitenlandse
    krachten hier achter zaten. U vraagt mij een nadere precisering van wat bedoeld wordt met
    buitenlandse krachten. Voor het moment kan ik daarop niet gedetailleerd op ingaan, doch ik ben
    wel bereid te zijner tijd daarop nadere bijzonderheden te geven.(ordner I, blz.. 351).
    (…) Het is inderdaad juist dat ik indertijd de mededeling heb gedaan via de televisie dat de
    mensen die waren opgebracht in het Fort Zeelandia in een vluchtpoging waren neergeschoten.
    Het is naderhand gebleken dat deze informatie die mij ter hand was gesteld niet juist was. Ik
    had ook mijn twijfels vandaar dat ik gevraagd had naar een onderzoek. Dat onderzoek heeft
    inderdaad plaatsgevonden en ik meen te weten dat de resultaten indertijd ter bewaring zijn
    afgegeven aan de Surinaamsche Bank.(ordner I, blz.. 352)
    3) De verklaring van [getuige 1] afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 08 juli
    2011, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard:
    “(…)Tegenover mevrouw Rozenblad heb ik een schriftelijke verklaring afgelegd. In de jaren
    2000 of eerder had ze mij opgeroepen. Ze vroeg me om de inhoud van een gesprek op papier
    te zetten. Dat heb ik ook gedaan. Ze heeft mij daarna gebeld en gezegd dat ze tevreden is. Ze
    was destijds PG.Neen, ik heb nooit een gesprek met Reeder gehad. Van Inspecteur Doorson
    heb ik stukken in bewaring gehad. Ik was bankdirecteur. Ik vroeg of ik de stukken in officiële
    bewaring moest nemen. Hij zei van niet. Het was alleen een vriendendienst. (…) Het was geen
    officiële bewaring.
    (…) Het enige gesprek met een officieel orgaan was met mevrouw Rozenblad, toenmalig PG. Ik
    moest de kwestie dat Doorson bij mij was geweest schriftelijk vastleggen. Ik moest dus
    vastleggen dat Doorson mij gevraagd heeft om het dossier in bewaring te nemen en dat ik niets
    afwist van de verdwijning.”
    4) De verklaring van [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 08 juli
    2011, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard:
    “(…)Ja, het was in opdracht van de PG. Ik was toegevoegd aan de PG. Ik kreeg de opdracht
    van de PG om alle relevante informatie te verzamelen.
    (…) Ik heb de PG zijn exemplaar gegeven en hij zei doe met de jouwe wat jij wil. Het dossier
    was verzegeld. Ik heb wel gezien dat meneer Brahim het dossier zelf in de kluis heeft gezet.
    Voor mij was het veilig in de kluis van de DSB.
    (…)Ja, mijn bron was Horb. Neen, ik heb Derby niet geconfronteerd met de informatie die ik
    had, omdat ik geen opdracht had om te onderzoeken. Ik had mijn informatie van een bron, een
    militair. Ik heb ook in mijn aantekeningen gesteld, dat wat Horb mij verteld heeft had hij van
    horen zeggen.”
    6
    5) Verklaring van [getuige 3], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad
    d.d. 14 augustus 2009, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
    “(…) Ik stond rechtstreeks onder leiding van de Bataljonscommandant. Ik moest hem
    rapporteren over de veiligheid van het object. In die tijd was het bij de inlichtingendienst niet het
    geval dat het meer werk inhield. Ik heb geen instructies gehad om onderzoek te doen naar te
    plegen coups. Ik heb ook geen initiatief genomen om te onderzoeken of er coups zouden
    worden gepleegd. We hadden ook geen infrastructuur om dat te doen. Wij moesten inlichtingen
    verzamelen met betrekking tot personeelsveiligheid, brandveiligheid, antecedentenonderzoek.
    Ik ben niet op de hoogte van een derde inlichtingendienst, die inlichtingen verzamelde voor de
    Legerleiding.
    (…) Op 8 december 1982 waren wij in de Memre Boekoekazerne. We hebben ons verzameld.
    We waren toen geconsigneerd door de Bataljonscommandant Kolonel Boerenveen. De
    Bevelhebber had in de ochtenduren, rond 8.00 uur – 09.00 uur een vergadering met de
    Officieren. Het gezag kwam enige uitleg geven over hetgeen zich had voltrokken. Vanwege de
    hiërarchie wilden zij de officieren informeren. Bouterse en Horb waren er. Bouterse en Horb
    verklaarden dat er moeilijkheden waren in het land en dat men de macht omver wilde werpen.
    Er waren activiteiten van personen die door buitenlandse mogendheden werden ondersteund.
    Ze waren opgebracht en gevangen gehouden te Fort Zeelandia. Tijdens een vluchtpoging zijn
    deze mensen doodgeschoten. De Officieren waren zeer verontwaardigd. Collega’s barstten in
    tranen uit.
    (…) Niemand heeft mij verteld waarom wij geconsigneerd waren. Er waren activiteiten die te
    maken hadden met de Staatsveiligheid en dat we geconsigneerd waren.
    (…) u noemt het spionagewerkzaamheden, maar in ieder geval was daar geen sprake van toen
    ik hoofd van de S2 was. Het was een kleine dienst. Het betrof de veiligheid van het object. Vaak
    genoeg nam de Legerleiding zelf de touwtjes in handen. Ik had het gevoel dat je daar zat, maar
    dat je niet veel kon verrichten. De structuur en infrastructuur hadden we niet. Aan mij werd niets
    gemeld. Er waren heel wat onduidelijkheden. Van een deel van de groep van zestien vroeg ik
    mij wel af of zij de verhevenen waren in het Leger. ‘(…) De groep van zestien had veel meer
    contact met de Legerleiding. Ik had wel contact met de Bataljonscommandant, maar niet zozeer
    met de Legerleiding. We konden niet bevroeden dat zoiets zou gebeuren.
    Vanuit mijn positie was het geen militaire actie. Een militaire actie zou in een breder kader
    moeten zijn; de hoofdlijnen van de consignes waren niet aanwezig. Er is zo vaak vergaderd.
    Maar waarover er werd vergaderd, weten wij niet. Ik weet niet wat er zich precies heeft
    voltrokken en wie opgebracht werd. Ik denk niet dat dit past in een militair plan of in een militair
    draaiboek. Als bepaalde zaken zich voltrekken, dan moeten instituten in place worden gebracht
    om de zaken te onderzoeken. Het zou eventueel in een militair plan moeten passen, maar dan
    zou het moeten worden aangegeven. Ik weet niet wie welke persoon heeft opgehaald.
    (…) Ik was er niet van op de hoogte dat er een contra Inlichtingendienst was, een
    Burgerinlichtingendienst en een Inlichtingendienst.
    (…) De Inlichtingendienst moest zorgen dat de veiligheid van het Nationaal Leger gewaarborgd
    was.”
    B. Ten aanzien van de militaire top en de ingezette diensten
    1) De verklaring van [getuige 4], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23
    maart 2012, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft verklaard:
    “(…)Op 7 december 1982 na de schietoefening moesten wij naar Pad van Wanica om te eten.
    Daarna gingen wij rond half 7 naar het Fort. We zijn toen samen gekomen en er is aan ons
    gezegd dat er een coup op komst is. Daarna zijn wij uit elkaar gegaan. Ik moest dan in opdracht
    van Bhagwandas, Derby en Kamperveen ophalen.
    Bij Kamperveen aangekomen vroeg hij mij of hij zich kon verkleden. Er was geen vrees. Hij ging
    7
    naar binnen om zich te verkleden. Er kwam toen een groep aan en die vroegen “waar gaat die
    man”. Er waren meer dan 12 man. Kamperveen liet de honden los. De 2 honden zijn toen
    neergeschoten. Ik zei toen: “wat doen jullie?”. Ik hoorde een knal en zag ruiten sneuvelen.
    Kamperveen vroeg wat er aan de hand was. Het was vòòr of na 12 uur ’s avonds.
    Ik heb hem toen afgeleverd aan Bhagwandas. Ik deed toen mijn beklag bij hen. Hij zei tegen
    mij: “maak je niet druk, ik zorg ervoor dat er geen heibel komt.”.
    Ik ging toen naar Derby en hij vroeg aan mij of hij zich kon verkleden. Ik wist niet dat er nog
    meer mensen werden opgehaald.
    Ik had de vrije toegang. In die kamer zaten Horb, Naarendorp, Alibux, Graanoogst. Ik moest
    toen achter de deur wachten. Ik hoorde dat Bouterse zei dat de werkende klasse rustig moest
    worden gehouden. Derby is ongeveer 20 minuten binnen gebleven. (…) Ik kreeg hierna de
    opdracht om Radika, ABC en Vrije Stem te controleren. De opdracht om Moederbond op te
    blazen kreeg ik van Bhagwandas. Ik ben zeker dat hij de opdracht had gehad van Bouterse. Hij
    zat niet in de leiding, hij moest ook opdrachten uitvoeren. Na Bouterse en Horb was hij de
    oudste.
    “(…) Bij de Moederbond was ik met Esajas en Dijksteel. Ik heb met een bazooka de
    Moederbond opgeblazen. Ik ben toen controle gaan uitoefenen op de andere plaatsen. Ik
    probeerde toen Bhagwandas te bereiken en het lukte niet. Ik besloot mij toen terug te trekken.
    Ik ging naar het Fort. Toen ik daar aankwam zei een officier aan mij “ga boven kijken.”. Boven
    aangekomen zag ik lijken verspreid liggen. Ik weet niet precies om hoeveel lijken het ging. Op
    uw vraag wijs ik u op een plattegrond aan dat het gaat om de driehoek Middelburg. Ik heb Horb
    en Dendoe gezien. Het was niet helder, het was schemerig. Leeflang was er ook. Het zijn
    dingen die snel zijn gebeurd. Ik moest het verwerken. Ik ging zitten en er werd fluisterend
    gesproken. Op een bepaald moment zijn wij geconsigneerd. Ik moest nog naar het mortuarium.
    Ik moest daar de mensen op een afstand houden. Er waren een aantal mensen daar. Ik kende
    alleen Johnny Kamperveen als zoon van Kamperveen. De legerleiding gaf toen de opdrachten.
    Bouterse was bevelhebber, regeringsleider.(…) Bij de schietoefening was een groot deel van de
    groep aanwezig, nl. Tolud, Leeflang, Brondenstein, Mohammedsaiden er waren jongens van de
    Echo Compagnie. De aanvulling was meer van de jongens van de beveiliging.
    (…) Bouterse maakte deel uit van het militair gezag. De groep van 16 werd misbruikt. Zij wisten
    van een draaiboek. Er is ons voorgelogen dat er een coup naderde. (…) Het militair gezag
    bestond uit Bouterse, Horb en Graanoogst.
    (…)De leiding was bezig in de kamer, Bouterse en Horb. Bhagwandas ging op en neer.
    Bouterse was aanwezig in het Fort. Ik ben als eerste weggestuurd om mensen op te halen. Na
    2 tot 3 uren ben ik geroepen en ben ik vertrokken met Dijksteel en Esajas.”
    2) Verklaring van [getuige 5], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad
    d.d. 07 maart 2011, op welke terechtzitting hij voor zover relevant hij het volgende heeft
    verklaard:
    “(…) In 1982 was ik minister van Leger en Politie. Ik was ook verbindingsman. (…) In 1982 werd
    het beleid mede door de Legerleiding uitgemaakt. Het was de Legerleiding die het beleid
    uitmaakte en de Regering voerde uit.
    Na het gebeuren van 8 december 1982 had de Bevelhebber de Raad van Ministers
    geïnformeerd. We hebben toen onze portefeuille ter beschikking gesteld, omdat we ons niet
    konden verenigen met de dood van die vijftien mensen. De vijftien mensen waren bezig met
    ondermijnende activiteiten werd ons medegedeeld.
    (…) Vóór december 1982 was er de Legerleiding. Bouterse was toen de hoogste man en
    daarnaast Horb en Fernandes.
    (…) Het bevel voorziet nergens dat je zonder een vorm van proces mensen van het leven kan
    beroven. Als commandant moet je ervoor zorgen dat wet en recht prevaleren. De legerleiding
    had een dubbele functie. Aan de ene kant was er de Bevelhebber en de leden en aan de
    8
    andere kant de dienst die uitmaakte waar het land naartoe ging. Sommige Inlichtingendiensten
    waren niet op de hoogte van bepaalde informaties. Bouterse had wel zijn diensten die hem die
    informatie verschaften. Hij heeft een groep mensen verzameld waarin hij het vertrouwen had
    om een operatiebevel uit te voeren als zaken niet liepen. De reden waarom Derby de plaats nog
    heeft kunnen verlaten is, omdat Bouterse als hoogste man er een stokje voor heeft kunnen
    steken.”
    3) Verklaring van [getuige 6], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad
    d.d. 19 november 2010, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende heeft
    verklaard:
    “(…) Op 8 en 9 december 1982 was ik niet in het Fort. Ik was op de boot. Bouterse heeft mij
    geen wapens gegeven om strafbare feiten te plegen.
    Ik was de tweede man na de kapitein op de Marine. Vóór of op 8 december 1982 is er geen
    schot afgelegd. Ik was met werkzaamheden bezig, waaronder het uitvaren. Ik heb verder
    aangegeven dat ik in mijn kajuit was. Mijn opdracht was het uitvaren.
    (…) Bij ’s Lands veiligheden was ik er niet bij. Indien er een opdracht is, dan wordt het
    uitgevoerd. Als lid van de groep van 16, kreeg ik een opdracht. Ik was militair en tevens lid van
    de groep van 16. Bepaalde zaken werden alleen binnen de legertop besproken. Op 6,7, 8
    december 1982 behoorde ik niet tot die groep. Ik heb gehoord dat mensen zijn opgepakt.”
    4) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de ex-directeur van Telesur [persoon 1],
    welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 17 maart 2001 door de onder
    inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (ordner VII, blz. 221-224), in welk procesverbaal voor zover van belang (m.b.t. faciliterende rol die Telesur de militaire
    machthebbers had toebedeeld waarbij deze de mogelijkheid hadden tot het plegen van
    telefooninterceptie) het volgende is vermeld:
    “(…) Met betrekking tot de aanwezigheid van de militairen in de centrale moet ik u verklaren, dat
    bij mij bekend is dat slechts een militair, die SIMSON heet op elk moment van de dag en nacht
    te zien was in de telefooncentrale en andere afdelingen van Telesur. In het heel bedrijf was het
    bekend dat hij binnen het heel bedrijf telefonische gesprekken mocht afluisteren, hetgeen echt
    niet leuk was voor de personeelsleden van het telecommunicatiebedrijf.
    (…) Vlak naast de afdeling Transmissiedienst, was de afdeling die belast was met de service
    voor het voeren van buitenlandse gesprekken. (…)Vanuit de afdeling Transmissiedienst, alwaar
    ik werkzaam was kon ik via de glazendeur naar binnen kijken en zien wat daar gaande was.
    Interne regels verboden het overige personeel, dat niet op deze service afdeling werkzaam was,
    dit gedeelte te betreden. Voor SIMSON was deze regel echter uitzondering, omdat hij op elk
    moment deze ruimte mocht betreden.
    (…) Simson was vrijwel dagelijks op deze afdeling, waar verbindingen met buitenlandse
    abonnee’s totstand werden gebracht. Ik zag ook, dat op momenten, waarop SIMSON op de
    afdeling was hij aandachtig met een koptelefoon aan zijn oor zat. Overigens moet ik verklaren,
    dat indien de medewerkster op de service-afdeling tussen het gesprek van abonnee’s kwam,
    een tweede persoon ook de mogelijkheid had om samen met deze medewerker het gesprek te
    volgen.
    Op andere momenten zag ik hem tussen de opgemaakte documenten ten behoeve van
    aangevraagde telefonische gesprekken tussen personen, graaien. (ordner VII, blz. 222).
    (…) Ik kan mij nog heugen, dat in de ochtend van 7 of 8 december 1982 ik na opdracht te
    hebben ontvangen van de directeur van het telecommunicatiebedrijf, ingenieur Neede, ik
    omstreeks vier uur in de ochtend naar het telecommunicatiebedrijf liep, om alle buitenlandse
    inkomende en uitgaande verbindingen te blokkeren. Het was toen een vrij woelige periode. Ik
    neem aan, dat de directeur NEEDE de opdracht daartoe had gehad van de Legerleiding. In een
    9
    normale situatie, zou hij de opdracht gehad hebben van de Procureur Generaal, of een andere
    justitiële autoriteit.
    Bij de hoofdingang bij het bedrijf aangekomen trof ik een groot aantal militairen op het terrein
    aan, die mij toen begeleidden naar mijn werklocatie en erop toezagen, dat de inkomende en
    uitgaande telefonische verbinding met het buitenland geblokkeerd werd.” (ordner VII, blz. 223)
    5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de ex-directeur van Telesur [persoon 2],
    welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 15 maart 2001 door de onder
    inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (ordner VII, blz. 225-229), in welk procesverbaal voor zover van belang (m.b.t. faciliterende rol die Telesur de militaire
    machthebbers had toebedeeld waarbij deze de mogelijkheid hadden tot het plegen van
    telefooninterceptie) het volgende is vermeld:
    “ (…) Vanaf Sergeant SIMSON deze aanstelling kreeg, was hij elk moment van de dag en nacht,
    in het gebouw van het bedrijf Telesur. Een belangrijk deel van de aanwezigheid van Sergeant
    SIMSON binnen het telecommunicatiebedrijf was, dat hij vanaf de directeur tot de eenvoudigste
    medewerker in de gaten moest houden.Verder was het belangrijk om vooral de centrale in de
    gaten te houden en erop toe te zien, dat de telefoonlijnen van het [lees: de]Militaire Kazerne niet
    werden afgeluisterd. Hij, Sergeant Simson had ongevraagd toegang tot alle vertrekken op elk
    moment van de dag en nacht en kon door niemand tegengehouden worden. Nogmaals verklaar
    ik, dat ik niet weet van wie deze Simson persoonlijk opdrachten kreeg en aan wie hij persoonlijk
    bijzonderheden rapporteerde. Ik kreeg de mededeling met betrekking tot zijn aanwezigheid in
    het bedrijf te horen bij een meeting met de Nationale Militaire Raad, waarvan de militair Horb de
    woordvoerder was.(ordner VII, blz.. 227)
    (…) Ten aanzien van de handelingen van Simson, die betrekking hebben gehad op het aftappen
    van telefonische gesprekken verklaar ik, dat zijn aanwezigheid ook te maken had met de
    veiligheid van de staat in het algemeen. Alszodanig moest hij binnen het bedrijf functioneren en
    er op toezien dat vanuit het bedrijf Telesur en stukje garantie was voor de veiligheid in
    Suriname. Alszodanig ben ik nimmer in verzet gekomen toen ik begreep dat er gesprekken door
    hem werden afgeluisterd.”(ordner VII, blz. 228).
    6) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 7], welk proces-verbaal op
    ambtseed is opgemaakt d.d. 22 mei 2001 door de eerste luitenant der Militaire Politie,
    Ristie Tjark Eugene (ordner VII, blz. 205-209), in welk proces-verbaal voor zover van
    belanghet volgende is vermeld:
    “ (…) Op 7 december 1982 beëindigde ik mijn werkzaamheden binnen het bedrijf om 15.00 uur.
    (…) Het bedrijf had toen al een rondombeveiliging van militairen. Deze militairen kwamen echter
    niet in het gebouw. Het moet op 8 of 9 december 1982 zijn geweest, de exacte dag kan ik mij
    thans niet meer heugen, dat ik naar de Kazerne belde om te informeren wat er was gebeurd. Ik
    kreeg van iemand wiens naam mij niet meer te binnen kan schieten te horen dat er zich wat
    calamiteiten hadden voorgedaan in het land. (ordner VII, blz. 208).”
    C. Ten aanzien van handelingen vlak vóór het ophalen van de latere slachtoffers
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 3], d.d. 24 oktober 2002, welk
    proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste
    klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner II, blz. 130-136), waarin voor zover van belang het
    volgende is vermeld:
    “ (…)Vanwege vrees waren wij beneden in de woning gebleven en hoorden salvo’s uit zware
    wapens. Ik moet U zeggen dat men ontelbare schoten heeft gelost op het
    Moederbondsgebouw. Toen deze schoten gelost zijn kan het tussen 02.00 en 03.00 uur van 08
    december 1982 zijn geweest. Ik moet U wel zeggen dat men behoorlijk lang heeft geschoten op
    10
    het Moederbondsgebouw. Men moet zeker meer dan een uur bezig zijn geweest. Het gebouw
    was totaal vernield. Je zag duidelijk gaten in de wand, shutterglazen en ramen waren totaal
    vernield door de schoten die gelost waren op het gebouw.
    (…) Op dit moment hadden zich veel mensen verzameld op de Openbare weg alsook op het
    terrein van de Moederbond. Er waren veel hulzen hier en daar verspreid op het terrein die men
    niet mocht oprapen. De militairen waren op dat moment niet op het terrein. (…) Naderhand zijn
    er een paar militairen ter plaatse verschenen om een kijkje te nemen. Ik denk dat zij waren
    komen controleren of dat gebouw al afgebrand was. Met dezelfde gele auto waarmee zij DAAL
    thuis bij mij waren komen opzoeken, waren de militairen ter plaatse gekomen. Toen zij zagen
    dat het gebouw niet afgebrand was of niet in brand stond werd een gele jerrycan vermoedelijk
    met brandstof, gesjouwd vanuit de auto naar het Moederbondsgebouw. De Militair die de
    jerrycan sjouwde naar het gebouw heb ik herkend als ROZENDAAL. Hij was vergezeld van nog
    andere militairen die ik niet herkend heb. In elk geval moesten de mensen die zich op het terrein
    bevonden zich verwijderen. Nadat de mensen die zich op het terrein bevonden zich verwijderd
    hadden, werd het gebouw overgoten met vermoedelijk de brandstof die in de jerrycan was
    meegenomen. Vervolgens is het gebouw in brand gestoken door ROZENDAAL zelf.
    (…) De Brandweer werd ook door hun tegengehouden om dat vuur van het
    Moederbondsgebouw te blussen. De bestuurder van de brandweer auto moest de auto in een
    inham parkeren en mocht geen actie ondernemen. Er waren ook Politieauto’s verschenen.
    Deze zijn ook teruggestuurd door de Militairen.”
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de brandweerman [persoon 4], welk
    proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 03 november 2000 door de onder
    inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (ordner VII, blz. 231-234), in welk procesverbaal voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “In de vroege ochtenduren van 8 december 1982 kreeg de hoofd kazerne aan de
    Gemenelandsweg de melding binnen van een uitgebroken brand in het pand van radio “Radika”
    aan de Indira Ghandiweg. (…) Ik moet u verklaren, dat gezien de situatie van die tijd, de in
    dienst zijnde brandweermannen alert waren en standby waren voor het moment, waarop
    plotseling het brandalarm zou overgaan, om uit te rukken. De centrale van de politie was
    parallel aangesloten met de centrale van de brandweer, waardoor het in dienst zijnde personeel
    de berichten van de politie kon volgen. Zo kon ik de communicatie tussen de prowagen van
    post Latour en het politie bureau van Latour volgen. Ik had al begrepen, dat er ergens wat
    gaande was en dat de politie naar die locatie was uitgereden om na te gaan wat er gaande was.
    (ordner VII, blz. 231) Niet lang daarna hoorde ik weer de politieman Linkers via de zender
    zeggen: “ER WORDT HIER GESCHOTEN. IK GA ER ALS EEN HAAS ER VANDOOR.”
    (…) Op het moment, waarop de brandmelding van radio “Radika” binnenkwam via de politie
    centrale “Pro I”, was de hele groep al paraat om uit te rukken. Van de politie van Latour zou de
    nodige bescherming geboden worden bij het blussen van deze brand, hetgeen echter vanwege
    onverklaarbare redenen niet is geschied.
    Ter plaatse aangekomen, onder leiding van de toentertijd Hoofd Brandwacht, Breeveld, bleek
    dat het geheel pand al in lichter laaie stond. (ordner VII, blz. 232)
    Alles werd in stelling gebracht door de brandweermannen en terwijl wij al ongeveer een half uur
    bezig waren met de bluswerkzaamheden, zag ik een blauwgelakte drie ton pick-up van het
    merk Isuzu, voor de inrit van radio Radika stoppen. Uit dit voertuig zag ik de militairen
    ROZENDAAL EN ESAJAS uitstappen en het terrein opkomen. Er was nog een derde militair
    erbij, een dogla type man, die ik niet bij name ken. Dit drietal dat met de pick-up was gekomen,
    was in burgerkleding gekleed. Ik kan mij niet heugen of Rozendaal en Esajas gewapend waren.
    Van de dogla type man weet ik zeker, dat die een uzi in zijn hand vasthield. Hiermee had hij
    namelijk op een ander moment mijn collega PINAS, die ook bezig was met bluswerkzaamheden
    achter zijn hoofd geduwd.
    11
    Nadat dit drietal op het terrein stond, gaf de dogla type man aan ons te kennen dat wij in
    opdracht van hogere hand moesten stoppen met het blussen van de brand. Hij voegde eraan
    toe of wij niet wisten dat wij dood konden gaan, omdat er mortieren in het gebouw waren, die
    nog niet tot ontploffing waren overgegaan. Op een gegeven ogenblik was hij naar enkele
    omgevallen zinkplaten gelopen en van daaronder een mortier vandaan gehaald. Dit stopte hij
    vervolgens onder een hoop schelpzand en plaatste zand daarop.
    Mijn collega Pinas, was toen druk bezig met blussen aan de achterkant van het pand en had
    kennelijk niet in de gaten dat de drie militairen ons verboden om verder te blussen. Dit viel de
    dogla type man op, waardoor hij naar hem, Pinas, toeliep en hem de loop van de Uzi tegen zijn
    achterhoofd of rug duwde. Pinas reageerde hierop terstond en nadat hij aan de dogla man
    verbaasd vroeg wat er aan de hand was, kreeg Pinas van die te horen, dat de brand vanwege
    hoger hand niet verder geblust mocht worden en terstond naar de straat moest gaan.
    Nadat het gebouw in haar geheel was ingestort, kregen wij toen de opdracht dat wij toen weer
    mochten voortgaan met het blussen, hetgeen echter niet meer van belang was.” (ordner VII, blz.
    232)
    3) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 5], welk proces-verbaal op
    ambtseed is opgemaakt d.d. 31 oktober 2000 door de onder inspecteur van politie,
    Fernand, Glenn Gustaaf (ordner VII, blz.. 220-221), in welk proces-verbaal voor zover van
    belang het volgende is vermeld:
    “ (…) Vervolgens werd er naar de vermelde locatie gereden en bleek dat er inderdaad brand
    was uitgebroken bij vermeld radio station (Radika), in ieder geval stond het pand in brand. Op
    uw vraag moet ik u verklaren dat toen ik samen met mijn collega’s op de plaats van de brand
    arriveerde ik geen in uniform geklede militairen ter plaatse zag dan wel militaire voertuigen. Er
    waren wel omstanders aanwezig. Ter plaatse aangekomen werd er een aanvang gemaakt met
    het blussen van de brand. Na ongeveer een uur blussen was het station, althans het vuur
    geblust. Ik bedoel hiermede dat uitbreiding vanuit het radiostation niet meer mogelijk was. Wel
    stond het huis, in deze een huis op neuten nog in brand. Op een gegeven moment verschenen
    de militairen ESAJAS, ROY; ROZENDAAL en MAHADEW op de plaats van de brand. Zij
    vervoegden zich bij mij en mijn collega’s. ESAJAS en ROZENDAAL vroegen toen aan mij en
    mijn collega wie de opdracht tot blussen had gegeven. Wij kregen toen de opdracht om alles te
    laten liggen en moesten wij ons op straat begeven. Er werd nog gezegd dat alles plat moest
    branden. Ik gaf samen met mijn collega’s gehoor.
    (…) Ik moet erbij verklaren dat toen de militairen ter plaatse waren verschenen ik op een
    zinkplaat stond. Toen ik mij op straat had begeven zag ik dat de militair ESAJAS de zinkplaat
    verschoof en haalde hij een mortier te voorschijn welke naar zijn zeggen niet was afgegaan. Hij
    maakte het onschadelijk door het met de neus in een ter plaatse aanwezige berg(hoop) zand te
    stoppen. Hij zei dat ook dat er zich nog twee mortieren in het pand(huis) achter het radiostation
    bevonden welke ook niet waren afgegaan.(ordner VII, blz.221)
    4) Referte proces-verbaal inhoudende het beluisteren en vervolgens in geschrifte stellen
    van een cassettebandje, beschikbaar gesteld door het Hoofd van het Documentatieteam
    van het Korps Politie Suriname, Hoofd Inspecteur van politie GAYADHAR, R. en
    gecoördineerd door de Commissaris van politie SANTOKHI, Ch. in opdracht van de
    Rechter-Commissaris, mr. A. Ramnewash, d.d. 10 juni 2001, welk proces-verbaal op
    ambtseed is opgemaakt door de Brigadier vanPolitie, Jacott, Orlando Ernest en agent
    van politie eerste klasse, Kolf, Guno Delano (Ordner VIII, XI, XII, blz. 209 – 215), met daarin
    vermeld onder andere de volgende berichten:
    “(…) Centralist: Kunt U dit bericht voor mij doorgeven aan de Brandweer die naar ABC zijn
    gegaan dat ze de brand daar niet moeten blussen namens de Bevelhebber, Over..
    (…) Centralist: Het Moederbondsgebouw staat weer in brand.
    12
    BW-Kazerne: Dat is correct ontvangen, maar hetzelfde wat voor ABC geldt, geldt ook voor het
    Moederbondsgebouw “niet blussen”. (blz.. 210)
    (…) De brandweercommandant herhaalt dat blussen nog steeds niet mogelijk is, omdat
    militairen dat beletten. De Brandweer te Radika waar inmiddels ook brand is meldt zich.”(blz..
    214.)
    D. Ten aanzien van schietoefeningen op 7 december 1982
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 8], in het bijzijn van mr. A.
    Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van
    Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van
    de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 16 september 2002 in Nederland in het
    kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door mr. F.Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier,
    (Ordner IV, blz. 204 -206),waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “(…) Op 7 december 1982 heb ik van 06.30 tot ongeveer 10.30 uur getraind met de atleten.
    Toen kwam de chauffeur ons ophalen, omdat wij ons moesten melden. Ik heb mij in de kazerne
    gemeld bij mijn directe baas, Bhagwandas. Hij zei dat de toestand in het land alarmerend was.
    Overigens merkte ik niet veel onrust in de kazerne. Wij hielden in die tijd voortdurend rekening
    met een dreigende inval van vreemde mogendheden. Het bleek dat er een schietoefening werd
    gehouden op de schietbaan achter Zanderij. Ik ben met Bhagwandas en anderen in mijn
    Volkswagen Kever daarheen gereden. We zijn er ongeveer twee uur gebleven. Bij de
    schietoefening was nagenoeg de hele groep van 16 aanwezig en ook lijfwachten, en mensen
    van de inlichtingendiensten. Zo’n schietoefening was niet ongebruikelijk. Er waren nu nieuwe
    wapens. Het was wel voor het eerst dat ik zo’n bijeenkomst had waar ook de groep van 16 bij
    was.
    (…) Na de schietoefening is iedereen naar het Fort Zeelandia gegaan. Onderweg zijn nog een
    paar mensen gestopt bij de woning van Bouterse, waar Rozendaal verbleef”
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 9] in het bijzijn van mr. A.
    Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van
    Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van
    de laatst genoemde rechter-commissaris en mr. J.S. Mohammedamin, Hoofdofficier van
    justitie verbonden aan het Parket van de Procureur-Generaal te Paramaribo,
    respectievelijk d.d. 2 en 10 september 2002 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, rechter-commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV,
    blz. 170-183). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover van belang – bij de
    rechter-commissaris het volgende verklaard:
    “ (…) Op de ochtend van de 30e
    zat ik aan mijn speech voor Daal te werken voor op de meeting.
    Er werd toen op het raam getikt door Atta Mungra. (…) Hij zei me dat er iets vreemds was
    gebeurd. Er was namelijk buiten alle regels om, in het geheim, in een civiel vliegtuig, van de
    SLM, een hoeveelheid wapens van Miami naar Paramaribo gebracht. Daar zaten ook
    nachtkijkers bij. Hij zei, dat ik uit moest kijken. Hij noemde geen namen. Hij zei dat hij was
    gebeld door de gezagvoerder. Het transport zou plaatsvinden in opdracht van de militaire
    leiding. Officieel waren dat Bouterse en Horb en ook Boerenveen. Die wapens zijn
    daadwerkelijk naar Suriname gekomen.
    Zo was ik binnen korte tijd twee keer gewaarschuwd dat er iets geweldigs te gebeuren
    stond.(ordner IV, blz.. 175)
    (…) De gezagvoerder van het vliegtuig waarin de wapens naar Suriname werden vervoerd,
    belde de directeur van de SLM, Atta Mungra, toen de wapens al waren ingeladen. Hij dacht dat
    13
    het niet mogelijk was om zich tegen dat transport te verzetten. Het was echter verboden om
    wapens per burgervliegtuig te vervoeren. Atta Mungra waarschuwde me, omdat er ook
    nachtkijkers bij zaten. Het was toen oktober 1982. Ik had toen geen officiële functie, maar
    iedereen kwam op mijn terras.
    Het was niet mogelijk om de Amerikaanse ambassade over dit transport in te lichten, omdat wij
    als vakbond zoveel mogelijk afstand wilden van de Amerikaanse, en ook overigens van de
    Nederlandse ambassade. (ordner IV, blz. 182).”
    E. Ten aanzien van het ophalen van de latere slachtoffers
    Het ophalen van het slachtoffer Baboeram, John
    1) Verklaring van [getuige 10] (weduwe van het slachtoffer Baboeram, John), afgelegd bij
    haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke
    terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard:
    (…)Toen men hem (lees Baboeram) is komen halen, sliepen wij. Hij is als eerste opgestaan. Ik
    had twee honden.
    Alleen met een lange broek aan, is hij weggegaan. We hadden een baby van acht maanden
    oud.
    De militair heeft de deur opengedaan. Er werd geschoten en ik was binnen. Ik hoorde de hond
    niet meer, dus dacht ik dat hij dood was. De volgende dag zag ik dat hij nog in leven was. Ik heb
    wel kogelinslagen in de muur gezien.”
    Het ophalen van het slachtoffer Behr, Abraham ( verder te noemen Bram)
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 6], (zwageres van de overleden
    Behr, Bram) d.d. 14 augustus 2002, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door
    de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner III, blz. 150-153),
    waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Op woensdag 08 december 1982 werd ik omstreeks 04.00 uur door een geklop aan de
    shutterglazen van mijn slaapkamer gewekt. Toen ik mijn slaapkamer verliet zag ik dat Bram en
    mijn zus Asha inmiddels ook door het aanhoudend geklop waren gewekt en de voordeur voor
    twee mannen die in het uniform van de militaire politie gekleed waren hadden geopend. Zij
    vroegen naar Bram Behr en de andere bewoners die op dat moment thuis waren. Op dat
    moment waren Bram, zijn vrouw, hun twee kinderen en mijn persoon thuis. Zij gaven aan ons
    door dat Bram voor zijn eigen veiligheid met hun mee moest. Alvorens hij door beide militairen
    in een crème gelakte bus werd afgevoerd lieten zij twee andere militairen in het huis achter. Dit
    ter voorkoming dat wij het huis verlieten. Omstreeks 06.00 uur stopte dezelfde bus voor de deur
    waarna de twee achter gebleven militairen vertrokken.”
    3) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (weduwe van het slachtoffer
    Behr, Bram) d.d. 22 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit
    Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal
    op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van
    politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz.. 456 – 460), en waarin voor zover relevant het
    volgende is opgenomen:
    “(…) In het blad Mokro werd kritiek geuit op de regering. Bram Behr kon niet tegen onrecht en
    tegen de heersende vriendjespolitiek. Hij nam het altijd op voor de arbeiders. Hij zat zelf niet
    actief in de politiek.
    (…)U vraagt mij of Bram Behr andere slachtoffers persoonlijk kende.
    Volgens mij was de enige die hij persoonlijk kende Lesly Rahman. Lesly was ook een journalist
    en Bram Behr was getrouwd met de zus van Lesly, genaamd Rita Rahman.
    Dat was zijn eerste huwelijk.”(Ordner IV blz.. 457)
    14
    (…) Op dinsdagmiddag 7 december 1982 zijn we naar een begrafenis van zijn tante gegaan. Hij
    is met de brommer ik ben met de bus gegaan. Na de begrafenis hebben wij elkaar nog even
    gesproken en ik ben naar huis gegaan. Bram is doorgegaan naar zijn werk. Hij kwam ’s avonds
    laat thuis. Hij heeft nog wat gegeten en is naar bed gegaan.
    (…) Ik denk dat tussen drie en vier uur ’s nachts (het was inmiddels 8 december) werd er
    geklopt op de luiken. Ik ben het bed uitgegaan en keek door de gordijnen. Ik zag twee
    bewapende militairen staan. Ik heb opengedaan en de militairen vroegen of Bram Behr thuis
    was.
    Ik vertelde dat hij sliep. Zij vroegen of ik hem wakker wilde maken, wat ik ook heb gedaan.
    De militairen waren meegelopen, Bram werd wakker heeft zich aangekleed en zijn gezicht
    gewassen. Terwijl hij bezig was zei Bram dat ik de anderen moest waarschuwen. Met die
    anderen bedoelde hij zijn familie en vriendenkring.
    Vervolgens namen twee militairen Bram mee naar een gereedstaand militair voertuig. Een
    groen busje. Alles ging eigenlijk heel rustig, Bram liep gewoon met ze mee.
    Ondertussen waren mijn dochter en mijn broer ook wakker geworden. Er waren twee andere
    militairen de woning in gekomen en wij werden verzocht niet weg te gaan. Ook vroeg één van
    hen of wij telefoon hadden. Dat hadden wij niet. Het idee was dat wij niemand konden
    waarschuwen. Zelfs als mijn broer naar het toilet moest liepen zij mee. We hebben de militairen
    nog gevraagd wat er aan de hand was. Maar ze zeiden dat ze de opdracht hadden gekregen
    Behr mee te nemen en wisten er verder ook niet wat er aan de hand was.
    Omstreeks zes uur in de ochtend, het werd al licht, werden de militairen opgeroepen via de
    radio dat ze weg konden. Ze hebben hierop de woning verlaten en hebben niks aan mij
    medegedeeld.”(Ordner IV blz.. 458)
    4) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (was gehuwd met het
    slachtoffer Behr, Bram) bij de Rechter-Commissaris d.d. 2 september 2002 in het kader
    van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de
    Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV, blz. 188-189). De hiervoor genoemde
    getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard:
    “(…) In augustus 1982 is hij (lees Behr, Abraham) weer opgepakt. Ik ben hem toen kleren gaan
    brengen op het Fort Zeelandia. Ik heb die kleren afgegeven bij de balie. Dat was in het gebouw
    naar de rivier toe. Ik was daar nooit eerder geweest. Daar was toen ook Marcel Zeeuw. Hij zei
    tegen mij dat Bram moest stoppen met zo kritisch te schrijven, want dat hij hem anders zou
    doodschieten. Letterlijk zei hij: “Horeng anders mi o soetem”. Hij zei dus dat hij hem zou
    doodschieten. Ik moest dat aan Bram doorgeven. Ik zei dat hij niet naar mij zou luisteren. Ik heb
    het doorgegeven, maar Bram luisterde niet en reageerde koel.
    (…) Toen Bram werd opgehaald was ik thuis met mijn twee kleine kinderen. Mijn broertje was
    ook thuis. Hij woonde al 7 jaar bij ons in huis. Hij werkte bij de Vrije Stem, bij Lionarons. Wij
    woonden toen aan [adres]. Bram en ik sliepen toen er geklopt werd. Ik ging opendoen. Er stond
    een meneer in een uniform. Die vroeg naar Bram. Er stonden twee mannen in uniform bij de
    voordeur en één bij de achterdeur. Ik weet niet hoeveel mensen er zaten in het busje dat voor
    de deur stond. Het was daar donker. Het was in de vroege ochtend van 8 december 1982. De
    bovenbuurvrouw, een oude vrouw die nu is overleden, heeft uit het raam gekeken, maar is niet
    naar beneden gekomen. Verder hadden wij geen buren. Toen Bram was meegenomen, zijn
    twee mannen in uniform bij mij thuis gebleven. Zij waren rustig. Ik heb gevraagd wat er aan de
    hand was. Ze zeiden dat er niks aan de hand was. In die tijd bleef ook een man in uniform bij de
    achterdeur staan.”
    Het ophalen van het slachtoffer Daal, Cyril
    5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 7] d.d. 19 oktober 2000, welk
    proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de Onder Inspecteur van Politie,
    15
    Fernand, Glenn Gustaaf (Ordner II, blz. 123-126), waarin voor zover relevant het volgende is
    vermeld:
    “(…) In de ochtend van zeven op acht december 1982 werd ik omstreeks 01.00uur wakker door
    een geklop aan de glazen ruiten van mijn slaapkamer. (…) Toen ik de shutters had opengedaan
    zei TOLUD tegen mij “OPO A KA DORO”. Ik zei toen tegen mijn vrouw VENLO, MAUREEN om
    de deur open te doen. Ik trok toen een broek aan en begaf mij naar buiten. Ik vroeg toen aan
    TOLUD of ik in de gelegenheid kon worden gesteld om een overhemd aan te trekken. Hij zei
    toen tegen mij “JONGOE GO SIDONG INIE A KA OTO”. Aangezien ik bang was begaf ik mij in
    de personen auto (…) Ik mocht nieteens mijn slipper aantrekken en moest blootvoets meegaan.
    Op het moment toen ik samen met de mannen in de auto zat vroeg TOLUD aan mij waar mijn
    vader DAAL, CYRIL was.
    (…) TOLUD bracht mij op dat moment weer met de achterzijde van de kolf van het vuurwapen
    waarmede hij gewapend was, opzettelijk en met kracht meerdere slagen toe aan mijn
    borststreek tengevolge waarvan ik veel pijn heb gevoeld en deed hij de uitlating ORIE JOE KA
    BEK. De mannen namen toen weer plaats in de auto en zei JEFFERY tegen mij “WIE E GO
    SOETOE JOE MARS TROWE DALIK’. TOLUD zie toen “IF A KA OTO NO DE MORO NA
    MOEDERBOND JOE E GO SIE FA OENOE E GO SOETOE JOE TROWE”.
    6) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 8] d.d. 19 oktober 2000, welk
    proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse,
    Vermeer, Letitia Marlene (Ordner II, blz. 116-122), waarin voor zover relevant het volgende is
    vermeld:
    “(…) In de nacht van 07 op 08 december 1982, omstreeks 04.00 uur begon het probleem.
    Omstreeks 03.00 uur werd ik wakker, door het aankloppen van meneer Hermelijn, bestuurslid
    van de Luchtverkeersleiders bond waar Cyril voorzitter van was. Op zijn vraag waar Cyril is gaf
    ik als antwoord: “ik weet het niet”. Toen ik hem vroeg wat er aan de hand was antwoordde hij
    dat hij het niet precies wist, maar dat men naar Cyril zocht. Op mijn vraag wie hij met men
    bedoelde antwoordde hij, volgens mij Bouterse. Hij uitte verder het vermoeden dat het
    vermoedelijk met de acties te maken had aangezien zij Derby en Kamperveen reeds hadden
    opgepakt.
    (…) Ongeveer een kwartier na het vertrek van meneer Hermelijn, was ik in mijn huis toen ik
    buiten mannenstemmen hoorde. Er was één stem die zei: “Jij daar, jij daar, etc.”. Toen ik dat
    hoorde liep ik naar mijn keukenraam dat aan de straatzijde is. Op het moment dat ik het gordijn
    op een kiertje openmaakte, zag ik een loop van een geweer tegen mijn shutterglazen en die
    persoon zei tegen mij: “OPO A KAOLO GARDENG DA JE WAKA LANGA LANGA NA A DORO
    DA JE OPO A KAOLO DORO. IF JU WIJK AF WIE E SUTU JU KAOLO’”. Op dat moment was
    ik haast dolgedraaid van angst en had geen andere keus dan regelrecht naar de deur te lopen
    en die te openen. Op dat moment kwamen vier zwaar gewapende militairen in mijn woning.
    Twee van hun kende ik heel goed en dat waren Tolud en Jeffrey.
    (…) Mijn echtgenote Margo, die inmiddels eveneens wakker was geworden en zich beneden
    bevond, hield de militairen voor dat zij slapende kinderen boven had. Als antwoord kreeg zij van
    de militair: “WIJ HEBBEN GEEN KAOLO DAARMEE TE MAKEN EN ALS JE TEVEEL LULT
    GAAN WIJ JOU IN JE KAOLO SCHOPPEN.”Op een gegeven moment zei Jeffrey dat zij op
    zoek waren naar mijn broer Cyril. Toen ik hem zei dat ik niet wist waar hij zich op dat moment
    bevond zeiden zij dat zij mij dan in de plaats zouden meenemen naar de autoriteiten. Margo die
    dit niet rechtvaardig vond en informeerde om welke autoriteiten het ging kreeg als antwoord te
    horen: “JE HEBT DAAR GEEN KAOLO MEE TE MAKEN.”. Ik moest tegen mijn wil instappen in
    een personenauto die door Tolud bestuurd werd en naast hem zitten terwijl Jeffrey en de
    boslandcreoolse man achter ons plaatsnamen. Op mijn vraag waar ik naartoe gebracht werd zei
    Tolud dat de opdracht luidt dat ik hun moest brengen waar Cyril was. Van angst rookte ik een
    sigaret. Tolud die dat constateerde vroeg: “SUMA E SMOKO A SIGARET DRAPE?”, waarop
    16
    één als antwoord gaf: Na DAAL E SMOKO”. TOLUD op zijn beurt vroeg: “SUMA TEIGIE JU
    DAT IE MAG SMOKO? Hij pakte de sigaret uit mijn hand en zei: “OPO JU KAOLO MOFO”
    waarop hij de brandende sigaret opzettelijk op mijn tong uitdoofde.
    (…) Kort hierna reden zij naar de [straat] te Paramaribo, naar de woning van drs. Chin A Sen de
    toenmalige president, die de woning aan Andre Haakmat had verhuurd. Ter plaatse
    aangekomen moest ik uitstappen en mij eveneens naar eerder vermelde woning begeven.
    Gekomen aan de voorzijde van de woning moest ik samen met de twee militairen op de stoep
    wachten waarna Tolud en Jeffrey de voordeur terstond intrapten. Kort daarna kwamen zij weer
    buiten met de woorden: “A MAN HAR A DANG KBA”. Wij moesten weer instappen en reden zij
    naar het Fort Zeelandia. Daar aangekomen zag ik zalig HORB, Roy met beide handen op zijn
    hoofd op en neer lopen. De vier militairen brachten mij naar het kantoor van de mij welbekende
    GORRE, Artie die mij zei: “JA, DAAL JE BENT HIER, MAAR IK WEET VAN NIKS AF. IK ZIT
    HIER, MAAR IK VOER OPDRACHTEN UIT.” Op een gegeven moment stapte Paul Bagwandas
    binnen met de woorden: “ZO, NA JU NANGA JU BRADA E VERSTOOR A REVOLUTIE. Met
    die woorden begon hij mij opzettelijk en met kracht te schoppen. Vervolgens klapte hij mij
    opzettelijk en met kracht met beide handen tegelijk aan mijn linker en rechteroor tengevolge
    waarvan ik erge pijn heb geleden. Thans heb ik nog steeds last van mijn linkeroor. Toen zei hij
    aan de militairen:”TJAR A KAOLO MANG GWE, MEK A MAN GO SUKU DAAL WANT NA
    DAAL OENG AB FANODO.” Zij namen mij weer mee en onderweg in de auto zei Jeffrey: “IE
    JERE SANG A MAN TAKI TOCH, WIE E GO SUKU JU BRADA EN TE JU NO SOR UNU PE A
    MAN DE DANG JU O KA.” We reden weer in de richting van de [straat] en gekomen ter hoogte
    van [peuterschool] zei Jeffrey: “EI STOP A WAGI A NO A OTO FU ANDRE HAAKMAT DJA?
    Op dat moment doelde hij op de woning aan [adres], alwaar Cyril woonde. (…)
    Tolud haalde een zakboekje uit zijn hemdzak en vergeleek het volgnummer dat op de
    kentekenplaat was met dat van zijn zakboekje en zei: “JA NA A OTO FU HAAKMAT DJA.”.
    Tolud en Jeffrey stapten uit de auto en klopten aan. De Stiefdochter van Cyril, genaamd Lucia
    die antwoordde, werd gevraagd of Cyril zich daar bevond. Toen zij bevestigend antwoordde,
    zeiden, zij, militairen, laat Cyril komen want wij hebben hem nodig. Ongeveer tien minuten
    daarna kwam hij, Cyril buiten waarna hij tegen zijn wil door Tolud en Jeffrey naar de auto waarin
    ik zat werd gesleept. Zijn laatste woorden aan mij waren: “ ZO EDDY MIE KA.”.
    Vervolgens lieten Tolud en Jeffrey mij uitstappen met de woorden: “ZO DAN JU KAN SAKA FU
    A WAGI, DAN JU E LONG GEWE LANGA LANGA SONDRO FU DRAI LUKU NA BAKA, NOSO
    MIE E SUTU JU MARS TROWE.” Gelijk hierna voerde ik hun opdracht uit en rende al
    schreeuwend naar mijn woning.”
    7) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 12] d.d. 02 september 2002 in
    Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de
    onder inspecteur van politie te Suriname, Ruben B. Dijks, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagenten/rechercheurs van
    politie, Jerome Oscar Linger,(Ordner IV), en waarin voor zover relevant het volgende is
    opgenomen:
    “(…)Op 7 december 1982 werd er een stille tocht door de studenten georganiseerd. De
    studenten wilden een petitie aan het Militair Gezag aanbieden. Aan deze stille tocht namen ook
    andere groeperingen deel. De petitie werd aan de poort van Fort Zeelandia aan Etienne
    Boerenveen afgegeven. Na deze stille tocht ben ik naar huis gegaan. Toen ik thuis kwam zag ik
    dat Cyril ook al thuis was. Cyril lag reeds te slapen daar het al in de avond was. Cyril werd
    wakker en vertelde mij dat hij een vergadering had bijgewoond waar onder andere Fred Derby
    aanwezig was. Tijdens deze vergadering werd Derby weggeroepen omdat hij zich bij Bouterse
    moest melden.
    Ik ben toen ook gaan slapen. In de vroege ochtenduren werd ik wakker van geweerschoten. Ik
    maakte Cyril wakker en vertelde dat ik schoten hoorde. Ik merkte dat Cyril niet erg onder de
    17
    indruk was van de schoten. Ik hoorde dat de geweerschoten steeds dichterbij kwamen. Ik
    maakte Cyril wederom wakker. Hij zei mij dat ik moest gaan slapen want er kan niets tegen hem
    zijn. Ik hoorde dat de schoten vanuit de buurt van het gebouw van de Moederbond kwamen. Wij
    woonden namelijk vlak bij het gebouw van de Moederbond. Op dat moment hoorde ik auto’s
    voor het huis stoppen. Ik ben toen naar het raam gelopen. Op dat moment hoorde ik één van
    hen zeggen: “ Loekoe a wagie foe Haakmat dja.”.
    (…) Ik hoorde militairen vragen of Daal in het huis was. Ik zei hen dat dit klopte en ben
    vervolgens naar Cyril gelopen en heb hem gezegd dat de militairen naar hem vroegen. Cyril is
    vervolgens naar het raam gelopen en groette de militairen en vroeg hen of ze hem moesten
    hebben. Ik hoorde de militairen zeggen dat dit klopte. Cyril heeft zich aangekleed en wij zijn
    toen met de familie naar beneden gelopen. Vervolgens heeft Cyril zijn ringen, ketting en
    polshorloge afgedaan en mij overhandigd. Cyril is vervolgens in de auto bij de militairen gestapt.
    Op het moment dat de militairen met Cyril wegreden zag ik dat het gebouw van de Moederbond
    in brand stond.
    Omstreeks 08.00 uur kwam mijn zus Vera langs. Vera woont aan de overkant van het gebouw
    van de Moederbond. Vera woonde aan de [straat]. Vera vertelde mij dat zij de militairen die bij
    haar thuis geweest waren, deze waren op zoek naar Cyril geweest. Vera herkende enkele
    militairen. Zij herkende de militairen Tolud en Burke en Swedo van de volksmilitie. ”
    8) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 12] (partner van het slachtoffer
    Daal, Cyril) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst- genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 17
    september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname,
    welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk, RechterCommissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz.. 207-206). De hiervoor
    genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende
    verklaard:
    “ (…) Op 7 december 1982 lag Cyril te slapen toen ik thuis kwam. Mijn dochter en schoonzoon
    waren ook thuis.
    (…) Cyril werd thuis in de ochtend opgehaald. Ik weet niet door wie. Ik kende hen niet. Ik
    hoorde van mijn zusje, Vera, dat erbij waren Swedo, Tolud en een donkere boslandcreool,
    volgens mijn zusje bodyguard van Bouterse. Het huis was omsingeld. Het erf was vol militairen.
    Ze hadden machinegeweren. Cyril toonde zich verbaasd dat er militairen voor de deur stonden
    en dat die voor hem kwamen. Hij heeft zich aangekleed. Hij heeft zijn ring, horloge en ketting
    uitgedaan en hij is meegegaan.”
    Deze verklaring van [getuige 12] die bij de Rechter-Commissaris is afgelegd is op de
    terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 09 juni 2010 als voorgelezen beschouwd.
    9) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 3] d.d. 24 oktober 2002, welk
    proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste
    klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner II, blz. 130-136), waarin voor zover relevant het
    volgende is vermeld:
    “(…)In de avonduren van 07-08 december 1982 kwamen drie mannen gekleed in militair
    uniform thuis bij mij aan. Ik was al naar bed geweest doch sliep niet. Bij aankomst bij mijn
    woning werd op de ijzeren poort van mijn schutting geslagen middels een hard voorwerp. Via
    een raam keek ik naar buiten en zag drie mannen gekleed in Militair tenue.
    (…) Toen ik zag dat het om militairen ging heb ik gevraagd wat zij nodig hadden. Eén van hun
    beantwoordde mijn vraag door te zeggen dat zij op zoek waren naar meneer DAAL en dat zij
    hem zijn komen halen. Hierop reagerend vroeg ik aan hun, hoe zij erbij komen om meneer
    DAAL bij mij te komen zoeken. Ik heb geen reactie van hun gehad. Eén van de Militairen liep
    18
    toen terug naar de auto en zei in het Surinaams “MOPO MOPO UIT A WAGIE’. (…) Op een
    daarop volgend moment zag ik de zoon van meneer DAAL die MAIKEL is genaamd uit de auto
    komen. Hij was slechts gekleed in een zwarte short en zei aan mij dat hij door de Militairen
    vanuit zijn bed is gehaald en dat hij hun moest brengen naar plaatsen waar DAAL zich mogelijk
    zou kunnen ophouden. Ik zei aan hem dat zijn vader dus DAAL niet in de nachtelijke uren bij mij
    op bezoek komt en dat hij niet bij mij was. Eén van de Militairen zei vervolgens dat hij zelf wilde
    gaan onderzoeken in de woning. Ik ben vervolgens op de benedenverdieping gekomen en heb
    vervolgens de deur voor hun opengemaakt.
    (…) Aangezien DAAL niet in mijn woning was heeft hij hem ook niet aangetroffen. Na dit
    onderzoek hebben zij mijn woning verlaten. Na ongeveer anderhalf uur hebben zij MAIKEL bij
    mijn woning laten uitstappen en zijn zij weggereden. Toen zij van mijn woning waren vertrokken
    ben ik niet meer naar bed geweest. Ik bleef op en keek via mijn raam naar de straat. Bij deze
    gelegenheid heb heel wat Militairen op straat alsook op het terrein van het
    Moederbondsgebouw gezien. Al deze militairen hadden wapens in hun bezit en waren ook in
    uniform gestoken. Toen MAIKEL bij mijn woning werd afgezet heeft hij mijn schoonzoon
    gevraagd om hem naar huis te droppen aangezien hij slechts in een zwarte short gekleed was.
    Mijn schoonzoon heeft hem vervolgens thuis afgezet en is gelijk teruggekeerd. Ik heb het idee
    dat mijn schoonzoon achtervolgd was door de Militairen want op het moment dat hij binnen de
    woning was gestapt heb ik gelijk schoten gehoord. Vanwege vrees waren wij beneden in de
    woning gebleven en hoorden salvo’s uit zware wapens. Ik moet U zegen dat men ontelbare
    schoten heeft gelost op het Moederbondsgebouw. Toen deze schoten gelost zijn kan het tussen
    02.00 en 03.0 uur van 08 december 1982 zijn geweest. Ik moet U wel zeggen dat men
    behoorlijk lang heeft geschoten op het Moederbondsgebouw. Men moet zeker meer dan een
    uur bezig zijn geweest. Het gebouw was totaal vernield. Je zag duidelijk gaten in de wand,
    shutterglazen en ramen waren totaal vernield door de schoten die gelost waren op het gebouw.
    Toen het daglicht begon te worden waren de militairen reeds vertrokken en zag ik dat slechts de
    gordijnen van het gebouw in vlammen waren.
    (…) Nadat de Militairen vertrokken waren liep ik naar de woning van mijn zus JOHANNA om te
    weten of de Militairen ook bij hun waren geweest om DAAL te zoeken. Mijn telefoonverbinding
    was doorgesneden door de Militairen waardoor ik niet naar buiten kon bellen dus was ik
    genoodzaakt om naar de woning van mijn zus te lopen.
    Bij Johanna aangekomen heb ik van haar vernomen dat DAAL door de militairen opgehaald
    was. Zij zei dat aan mij dat de Militairen op aanwijzing van een jongere broer van DAAL haar
    woning hebben bereikt.”.
    10) Verklaring van [getuige 13] (weduwe van het slachtoffer Daal, Cyril), afgelegd bij haar
    verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke
    terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard:
    “Mijn relatie met Cyril is in het jaar 1970 begonnen.
    (…) In de nacht van 7 op 8 december zijn de mannen thuis bij ons gekomen. Eén van ze sprak
    met een boze stem. Ik heb Roy Tolud herkend. Hij had een uzi-achtig wapen bij zich. Ik
    weigerde de deur open te doen. Hij heeft het wapen in mijn neus gestoken. Ik stond bij de
    shutters in de keuken. Daar heeft hij de loop van het wapen in mijn neus gedaan. Ik heb de
    onbekende man nooit kunnen plaatsen. Die vroeg: “a mang no de?” en Tolud antwoordde
    bevestigend.
    (…) Horb had ons voorgehouden dat het plan om de Moederbond op te blazen al lang bestond.”
    11) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 14] (een stiefdochter van het
    slachtoffer Daal, Cyril) d.d. 02 september 2002 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de eerste luitenant van de militaire
    politie te Suriname, Tjark Ristie, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door
    19
    laatstgenoemde en de hoofdagent van politie, Lambertus Henzen,(Ordner IV, blz. 382 –
    386), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen:
    “ (…) Ik woonde destijds 8 december 1982 in Paramaribo enwel in de [straat]. Ik woonde samen
    met mijn man dhr. Kapel, mijn moeder en stiefvader. Mijn vader, genaamd Cyril Daal was
    vakbondsleider van de vakbond genaamd de Moederbond in Suriname. Het hoofdkantoor van
    deze vakbond was gevestigd aan de Coppenamestraat, dit was ongeveer 200 meter van ons
    huis.
    (…) Ik wil nu memoreren aan de avond van 07 december 1982. Mijn stiefvader was vroeger dan
    normaal thuis. Hij was rond 19.00 uur à 19.30 uur thuis. Er was een studenten- bijeenkomst
    waar hij soms wel sprak alleen deze avond niet. Mijn moeder was er wel naar toe. Mijn vader
    heeft eenmaal thuis aangekomen gedoucht en we hebben een bokswedstrijd zitten kijken. Met
    wij bedoel ik, ik en mijn man. Mijn moeder is thuisgekomen. We hebben nog even met zijn
    vieren bij elkaar gezeten en zijn toen naar bed gegaan. (Ordner IV blz. 384)
    Omstreeks 2 uur in de ochtend hoorde ik schoten en heb ik mijn man wakker gemaakt. Het
    klonk heel dichtbij en we zijn uit bed gestapt en voor de ramen gaan kijken. We keken aan de
    achterkant van het huis en van hieruit hadden we zicht op de Moederbond. We zagen lichtflitsen
    en het gebouw van Lallarookh stond in brand. We hebben toen mijn moeder en stiefvader
    wakker gemaakt. We hebben toen samen, met zijn vieren, naar buiten gekeken. (…)
    Vrij kort nadat we stonden te kijken, na ongeveer een kwartiertje, hoorden we een auto de straat
    inrijden met piepende remmen. Het was een vrij grote auto van een Amerikaans model. Ik weet
    geen merk of iets dergelijks meer. Er was geen straatverlichting en waar wij woonden was een
    smalle straat. Er kwamen vijf militairen met geweren.
    Ze waren gekleed in gevechtsuniform. (…) Ze riepen allemaal de naam van mijn stiefvader. Ze
    riepen letterlijk “Is meneer Daal hier, we weten dat hij er is”. Mijn stiefvader reed destijds in de
    auto van André Haakmat en deze stond in de garage. Dit konden de militairen wel zien. (Ordner
    IV blz.. 384)
    Toen heeft mijn stiefvader zich rustig aangekleed en ik riep naar beneden dat hij eraan kwam.
    Ze zijn blijven wachten en zijn niet in het huis geweest. Mijn stiefvader heeft al zijn sieraden
    afgedaan. Dat was vreemd want hij deed nooit zijn ringen of kettingen af. Hij is rustig naar
    beneden gelopen en zei “Mijn God ik ben erbij”. Het was op dat moment of die voelde dat hij
    niet terug zou komen. We zijn toen met hem mee naar beneden gelopen om aan de militairen te
    laten zien dat wij wisten dat ze hem zouden nemen.
    Mijn stiefvader werd, beneden aangekomen, door de twee genoemde militairen meegenomen
    naar de auto en achterin deze auto gezet. Naast hem links en rechts zijn deze militairen gaan
    zitten. Op dat moment stonden er nog twee militairen buiten die hun wapen op ons richtten. Wij
    stonden binnen voor het raam te kijken. Toen hoorden en zagen we dat ze hun wapen
    doorlaadden.”
    Het ophalen van het slachtoffer Gonçalves, Kenneth
    12) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 15] (weduwe van het slachtoffer
    Gonçalves, Kenneth) d.d. 19 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner III, blz. 31-
    38), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    (…) Tevens was wijlen mijn man ook deken van de Orde van Advocaten in Suriname.
    (…) Op 7 december 1982 viel de telefoonverbinding op ons Advocatenkantoor aan de
    Heerenstraat nummer 48 te Paramaribo, plotseling uit. Wij konden daardoor niet optimaal
    werken en zijn wij eerder dan normaal naar huis gegaan, nadat het Advocatenkantoor werd
    afgesloten. In de nacht van 7- op 8 december 1982, omstreeks twee uur in de ochtend hoorde
    ik iemand, een mannenstem, luidop roepen aan de voordeur van ons huis, dat opengemaakt
    20
    moest worden. Ik had al begrepen, dat er al iemand op het erf was, die vlak voor de voordeur
    stond. Wij hadden een wachter, die de persoon die riep dus ook al voorbij was gelopen.
    Aangezien ik al eerder dan mijn man wakker werd, liep ik naar het venster om te zien wie daar
    riep. Ik hoorde tegelijkertijd voetstappen op het erf, waardoor ik begreep, dat er meerdere
    personen waren. Ik deed de shutters open en vroeg toen wie daar was. Een mannenstem zei
    toen: “MILITAIRE POLITIE. DOE METEEN DE DEUR OPEN.”. Ik begaf mij naar beneden en
    daar aangekomen zag ik drie personen vlak voor een venster van de benedenverdieping staan.
    Nog voordat ik de deur opendeed, vroeg ik of zij zich konden legitimeren.(…) Terwijl ik enige
    moeite maakte om na te gaan of het inderdaad om een Militaire-Politie legitimatiebewijs ging en
    welke naam erop stond, werd aan mij op groffe toon medegedeeld, dat meneer Goncalves
    direct met hun mee moest. (…) Op zeer bedreigende toon zei de man, die mij het pasje had
    gegeven, dat indien ik moeilijk zou doen, hij andere maatregelen zou treffen.
    (…)Nadat ik met mijn man en dit drietal naar een gereedstaande auto langs de straat liep,
    bemerkte ik toen, dat deze drie mannen zwaar gewapend waren met grote wapens.(…) Bij het
    verlaten van mijn woning met medeneming van mijn man, zei de Hindoestaanse man tegen mij,
    dat ik huisarrest had en dat ik het huis niet mocht verlaten. Om hieraan kracht bij te zetten, werd
    een Militair, gekleed in uniform en gewapend met een groot verweer thuis op het erf bij mij
    achtergelaten.
    (…) In huis gekomen probeerde ik te bellen, doch bleek, dat de telefoonverbinding was
    verbroken. Later op de dag, toen ik mij buiten op het erf bevond, zag ik, dat de telefoonkabel,
    die naar binnen leidde, was doorgeknipt. Ik kon ook duidelijk zien, dat schoenafdrukken in het
    zand waren, hetgeen erop duidde, dat iemand daar had gestaan om deze snoer door te snijden.
    Die nacht hoorde ik geluiden van vermoedelijk schoten die werden afgevuurd door vuurwapens,
    doch kon ik mij niet oriënteren vanwaar die afkomstig waren.
    Naar aanleiding hiervan begaf ik mij naar buiten en vroeg ik aan de Militair die thuis bij mij op
    post was, wat er gaande was. Het enige wat hij mij toen zei: “MEVROUW GAAT U NAAR
    BINNEN.”. Later op de morgen zag ik bij de poort één van onze secretaresses staan. Ik ben
    toen toch naar beneden gegaan bij de poort bij haar, omdat zij de sleutels van het kantoor wilde
    hebben om dit te openen. Omstreeks datzelfde ogenblik zag ik een Militair voertuig komen
    aanrijden en bij de poort stoppen. Ik herkende hem als de vermoedelijke MP man, die in de
    vroege ochtend al thuis bij mij was geweest om mijn man op te halen. Hij sprak en gaf mij te
    kennen, dat ik het huis niet uit mocht en wilde weten waarom ik toch buiten was gekomen.
    (…) gebruikmakend van deze gelegenheid vroeg ik aan hem waar mijn man was, waarop hij
    aan mij zei: “IN FORT ZEELANDIA”. Hierop vroeg ik aan hem, waarom hij hem had
    meegenomen, waarop hij mij als antwoord gaf: “HET IS VOOR ZIJN EIGEN VEILIGHEID.”. In
    de loop van deze dag en wel op een ander moment werd de militair die daar op post was
    opgehaald en denk ik dat aan mij de mededeling werd gedaan, dat mijn huisarrest was
    opgeheven.”
    13) Verklaring van [getuige 15] (weduwe van het slachtoffer Gonçalves, Kenneth,
    afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 15 februari 2010, op
    welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard:
    “ (…) Op 7 december 1982 heel vroeg in de middag rond 1 uur viel de telefoon uit. Ik vond het
    niet vreemd, in het heel kantoor was het uitgevallen. Naderhand heb ik begrepen dat de hele
    toevoer naar ons kantoor van buitenaf was afgesneden. Alleen ons kantoor was afgesneden.
    (…)Er werd niet vriendelijk gezegd dat de deur open moest worden gemaakt. Het was een
    gebiedende toon. Er werd gezegd “doe onmiddellijk de deur open”. Ik kon de naam niet lezen
    op het pasje dat werd getoond. Op dat moment heb ik geen van de personen die aan de deur
    waren herkend. Het was een verschrikking de hele nacht. De telefoon was afgesloten en ik was
    alleen in huis met mijn 3½ jaar oude dochter. De wachter kon ik niet naar toe. Ik mocht de
    deuren niet open doen. De volgende dag herkende ik die militair omdat ik even naar buiten
    21
    gelopen was naar een medewerkster van het kantoor, die langs kwam om te vragen naar de
    sleutel. We waren er niet dus kon ze het kantoor niet binnen. Ik liep naar de bewaking toe en zei
    dat ik even moest uitleggen dat ik niets kan doen. Ik liep naar de deur en er ging een grote
    wagen voorbij. Daarop meen ik de man die in de nacht geweest was te herkennen. Ik kende de
    militairen niet, maar er was een boek met grote foto’s met de groep van 16 en die ging ik
    bekijken en denk ik dat het Mahadew was.”.
    Het ophalen van het slachtoffer Hoost, Edmund Alexander
    14) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 16] (weduwe van het slachtoffer
    Hoost, Edmund) d.d. 23 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit
    Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal
    op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van
    politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz.. 480 – 484), en waarin voor zover relevant het
    volgende is opgenomen:
    “(…)Kunt u ons vertellen over 07 december 1982.
    Die dag was mijn dochter Owinje 20 jaar geworden.
    Wij hadden die dag geen feestje gegeven. (…) Eddy deed zijn normale bezigheden die dag.
    (Ordner IV blz. 482)
    Eddy was die avond thuis. Ik sliep en op een gegeven moment kwam mijn dochter Owinje mij
    wakker maken. Zij vertelde mij dat er militairen in het huis waren. Ik ben opgestaan en zag ik
    dat er een aantal militairen in het huis stonden. Eddy lag in bed. Ik riep Eddy en zei dat er
    militairen in het huis stonden. Eddy is opgestaan, plots stonden er militairen in de slaapkamer,
    ik weet echter niet hoeveel dat waren.
    Ik stond aan de grond genageld en heb niets aan de militairen gevraagd. Eddy vroeg nog of hij
    zich mocht opfrissen. De militairen hebben Eddy meegenomen. Ik zag nog dat Eddy in een luxe
    auto die voor de poort stond werd meegenomen. Eddy riep mij toen, ik ben naar beneden
    gelopen en Eddy vroeg mij een zakdoek te brengen. Ik werd door de militairen in de
    gelegenheid gesteld. Toen ik de zakdoek bracht zag ik dat zijn handen voor zijn buik geboeid
    waren.
    Ik zag dat Eddy toen in de auto weggevoerd werd. In de woning bemerkte ik dat de telefoonlijn
    was doorgesneden. Ik zag dat één van de militairen bij mijn huis achterbleef. Dit duurde voor
    mijn gevoel tot 07.00 uur. De militair is toen vertrokken.”(Ordner IV blz. 483)
    15) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 17], (dochter van het slachtoffer
    Hoost) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en J.S.
    Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de ProcureurGeneraal te Paramaribo, d.d. 29 augustus 2002 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV,
    blz.161-162). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard:
    “ (…) Op 7 december 1982, mijn verjaardag, is hij (lees mijn vader) wel thuis geweest, maar hij
    is ook weg geweest. Ik hoorde ’s nachts op een gegeven moment zijn auto thuiskomen. Daarna
    ben ik ingedompeld. Een tijdje later hoorde ik een andere auto aankomen. Mijn vader sliep vast.
    Hij hoorde niet dat er hard op de deur werd gebonkt. Ik was te bang om de deur open te maken.
    Zodoende weet ik zeker dat mijn moeder het heeft open gedaan. Ik hoorde vanaf buiten roepen:
    “Ik ben sergeant Nelom; de bevelhebber wil de heer Hoost spreken.” Hij zei dat toen hij op het
    balkon stond. Ik blijf erbij dat ik dat zo heb gehoord. Mijn slaapkamer is aan de straatzijde van
    het huis.
    22
    (…)Er waren drie militairen in uniform. Ik heb geen idee wat voor soort militairen. Een had een
    baret. Hij had de leiding. Dat was Nelom: een korte man, een Creool. Ik heb er niet op gelet of
    de militairen onderscheidingen hadden of de letters MP. Ze waren alle drie gewapend met een
    groot kort wapen. Ik weet dat niet meer zeker door verloop van tijd.
    (…)Hem werd gezegd: “De bevelhebber wil de heer Hoost spreken.” Ik kan me die woorden
    heel goed herinneren. Hij heeft dat op het balkon gezegd en later nog een keer binnen.
    (…) Toen mijn vader de auto inging, had hij de handen op zijn rug. Ik dacht dat hij geboeid was,
    maar ik weet het niet zeker. Een militair bleef achter.
    Het was nooit eerder voorgekomen dat mijn vader van huis was gehaald.”
    16) Verklaring van [getuige 17], (dochter van het slachtoffer Hoost, Edmund), afgelegd bij
    zijn verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 15 februari 2010, bij welk verhoor zij
    het volgende heeft verklaard:
    “ In 1982 was ik 20 jaar oud. (…) Het was voor december 1982 toen er een hond van ons werd
    vergiftigd. Op een gegeven moment is de hond overleden. De dierenarts zei dat de hond was
    vergiftigd. We hadden geen vijanden in de buurt. Mijn vader had contact met familie in
    Nederland.
    (…) Mijn vader ging vòòr middernacht wel even weg. Ik kon zonder reden niet goed slapen. Ze
    gingen met hun beiden naar boven, ik hoorde toen voetstappen naar boven gaan op de trap. Bij
    de deur begon men heel hard te bonken. Ik hoorde de woorden “doe nu open anders breken wij
    de deur open”. Ik ben nu wel zeker dat hij Nelom zei. Ik ben naar mijn ouderlijk huis gegaan. De
    herinneringen zijn gewoon terug. We hadden een poort en er was een trap naar boven. Er was
    een balkon aan de voorkant. Als je dus het balkon opliepen doorliep kwam je bij een
    slaapkamerdeur. Dat was een houten deur. Aan de rechterkant waren er schuifdeuren daar
    werd er gebonsd. Mijn kamer was tegenover van mijn ouders. Ik ben door de woonkamer
    gelopen. In de woonkamer waren er aan weerszijden deuren. Ze liepen meteen de slaapkamer
    in. Ik ken de onderscheidingstekens niet. Nelom had wel heel wat onderscheidingen.
    (…) Eén van de militairen was ook thuis gebleven.
    (…) Mijn vader had een shirt aan en hij mocht zijn lange broek aandoen. Hij vroeg om zijn
    tanden te poetsen dat kon nog even, maar hij moest heel snel meegaan. Hij had slippers aan.
    Nelom zei dat de bevelhebber mijn vader moest spreken. Mijn vader zei dat ik Baboeram moest
    bellen om te vragen wat er aan de hand was. Mijn vader wilde weten wat er aan de hand was
    en niet om hem te waarschuwen. Mijn vader had die bril wel nodig om te lezen. Hij heeft niet de
    kans gehad om te groeten. “Haal niets in je hoofd want ik schiet je neer” waren de woorden die
    de militair uitte toen ik langs het wapen liep. Het gaat om Nelom, ze hadden een foto van hem
    laten zien. Ik weet zeker dat het Nelom was.
    (…) Op 7 december 1982 was mijn verjaardag.”
    Het ophalen van het slachtoffer Kamperveen, André
    17) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 18] (weduwe van het slachtoffer
    Kamperveen, André) respectievelijk d.d. 14 mei 2002 en d.d. 21 mei 2002 in Nederland in
    het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de Commissaris van
    politie, C. Santhoki, inspecteur van politie, Pierau en de 1e
    luitenant van de militaire
    politie te Suriname, Ristie, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door
    laatstgenoemden en de brigadier-rechercheur van politie, Patrick René Marcel
    Bol,(Ordner IV, blz. 440 – 448), en waarin voor zover relevant het volgende is opgenomen:
    “Ik ben getrouwd geweest met André KAMPERVEEN, wij zijn op 10 juni 1980 getrouwd in New
    York.(Ordner IV blz.(Ordner IV blz. 440)
    (…) Op de 7e december 1982 was Andre naar een bijeenkomst van de Moederbond. Daar
    waren veel mensen, de bijeenkomst was georganiseerd door DAAL. Omstreeks 22.00/23.00 uur
    komt André thuis. Ik had een vriendin Irmgard SCHUSTER op bezoek. Toen André binnen
    23
    kwam zou Irmgard net weg gaan. Irmgard vroeg nog naar de meeting, André zei dat het
    geweldig was, het was heel druk en het ging er heftig aan toe. Verder is er niet veel over
    gezegd. Irmgard is toen weggegaan. Ik heb vervolgens samen met André nog wat gedronken
    en toen zijn we naar bed gegaan.
    Omstreeks 02.00 uur, het was inmiddels 8 december 1982, kwam vervolgens het telefoontje
    van Chin A Sen vanuit Amerika. Dit heb ik net ook al verteld. Chin A Sen vroeg aan André of hij
    terug kon komen. André zei toen dat hij dat beter niet kon doen omdat het te onrustig was. Het
    gesprek was volgens mij heel kort. Er is niet gesproken over de meeting slechts over het wel of
    niet terugkomen van Chin A Sen. (Ordner IV blz. 442)
    (…) Kort daarop,misschien een half uur of drie kwartier maar het kan ook twee uur later zijn,
    hoorden we iemand roepen achter de heg rondom ons huis. Wij hadden toentertijd ongeveer
    zeven honden rondom het huis lopen. De man achter de heg riep “meneer Kamperveen”. André
    sprong toen op en trok een short aan. André zei toen iets in de trant van: “er is iets met Johnnie,
    ik had nog gezegd dat hij rustig aan moeten doen”. Ik zal eerst even uitleggen wie Johnnie is.
    Johnnie is een zoon van André uit zijn eerste huwelijk. Hij woonde zelfstandig maar hij werkte
    ook bij ABC en hij was heel erg kritisch tegen het regime.
    Andre is vervolgens naar buiten gelopen, we sliepen op de 1e
    verdieping, en ik liep naar het
    balkon. Ik riep toen naar André dat ik twee mannen zag staan achter een pilaar. André ging toch
    naar buiten en zag dat hij vastgepakt werd. Ik hoorde één van de mannen zeggen: “U moet nu
    meekomen”. Ik zag dat André vastgepakt werd en zich vervolgens losrukte.
    Hierop viel één van onze honden, een Fila Brasiliero, één van de twee mannen aan. Eén van de
    mannen heeft vervolgens de hond geschoten, ik weet niet meer wie van de twee gebeten werd
    en wie geschoten heeft. Ik hoorde twee knallen van een vuurwapen, ik kan me niet meer
    herinneren hoe het vuurwapen eruit zag.
    De hond is vervolgens jankend weggerend, het bos in of ergens tussen de huizen, deze hond
    hebben we later met schotwonden dood gevonden. André heeft vervolgens van de situatie
    gebruik gemaakt om de woning weer in te gaan. De mannen die André vast hadden gepakt
    durfden vervolgens niet naar binnen te gaan, ik denk omdat de mannen de andere honden
    hadden gezien.
    Nadat André de woning binnen was gegaan zijn de mannen begonnen om het huis van ons te
    bestoken met zwaar geschut. Het huis werd beschoten met bazooka’s. Vrijwel meteen is er
    geschoten met bazooka’s heel veel knallen. Ik weet niet meer hoeveel maar het was voor mij
    een oorlogsgevoel. Ik ben op de grond in de gang boven aan de trap gaan liggen en Andre
    heeft zich over mij heen geworpen. Ik heb gegild en geschreeuwd. André is toen uiteindelijk
    opgestaan en heeft zich overgegeven. André liep de trap af naar beneden en toen hield het
    schieten op. Ik heb vervolgens gezien dat André wederom werd vastgepakt en mee werd
    genomen door vier mannen. De vier mannen vertrokken met André in een personenauto, het
    was in ieder geval geen legervoertuig. André was nog steeds in zijn short gekleed.
    Nadat André weg was zijn er twee mannen in mijn woning achter gebleven. Dit waren beiden
    militairen. Ze waren in een groen uniform gekleed. De mannen hadden geen hoofddeksel op,
    beiden hadden geen strepen of sterren op hun schouders, ze hadden beiden een kort dik
    wapen aan een schouderband, ik geloof dat het wapen een UZI genoemd wordt.
    De mannen hebben vervolgens de telefoonlijnen in huis kapot getrokken en zeiden dat ik het
    huis niet uitmocht. Ze zeiden dat André bezig was met een coup tegen het militaire regime.
    Ik vroeg toen waarom ze dan het huis aan flarden schoten en waarom ze geen huiszoeking
    deden. Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik
    24
    hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man
    zou vinden. (Ordner IV blz. 443)
    (…) Buiten hoorde ik op dat moment knallen van explosieven, dit geluid kwam uit de omgeving.
    Toen ik er naar vroeg zeiden ze dat “men” bezig was met een tegencoup.
    Omstreeks 5 uur reed een werknemer van ABC genaamd Roue HUPSEL langs het huis en
    gilde dat ABC was plat geschoten. Ik kon er niet op reageren want de militairen waren in huis.
    De militairen zeiden niets op dat moment, ik probeerde Hupsel vanaf het balkon een wenk te
    geven maar Hupsel zag het niet en is uiteindelijk weggegaan.
    Omstreeks zes uur, het werd net licht, zijn de twee mannen opgehaald door een militair die ik
    ken als MAHADEW. Mahadew is één van de zestien militairen die de coup gepleegd hadden. Ik
    heb toen aan Mahadew, hij was sergeant, gevraagd of ik weg mocht van het huis. Het huis was
    namelijk helemaal stuk, de ramen waren kapot, het dak was stuk en het water spoot uit de
    leidingen. Mahadew gaf mij toen toestemming om weg te gaan, Mahadew was in burgerkleding
    gekleed.
    Ik heb thuis nog foto’s van de inslagen van de projectielen in de woning en het kantoor van
    ABC. Ik zal jullie later deze foto’s geven.”(Ordner IV blz. 444)
    18) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 18] (weduwe van het slachtoffer
    Kamperveen, André), in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast
    met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de
    Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde RechterCommissaris, d.d. 25 september 2003 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en M.A.C. Boudewijn, griffier, (Ordner IV,
    blz. 298 -300),waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Toen Ampi werd opgepakt sliepen wij niet omdat Chin A Sen net had gebeld. Eerst werd
    hij buiten geroepen: “Meneer Kamperveen!”. Ampi liep naar de auto die buiten stond. Hij dacht
    eerst dat er iets was met Johnny, zijn zoon. Het was geen legervoertuig. Ik weet niet meer hoe
    die auto eruit zag. Hij is alleen in zijn short gekleed naar buiten gegaan. Er waren twee mannen
    bij de auto en twee, die naast het huis zijn komen roepen. Ik heb niemand herkend. De naam
    Rozendaal zegt mij niets. Ze zeiden dat hij moest worden meegenomen. Ampi wilde naar
    binnen om kleren aan te trekken. Daarom rukte hij zich los. Hij ging naar binnen. Eén van de
    honden viel de mannen aan. Ze hebben op die hond geschoten. Ze schoten ook op het huis
    met zwaar geschut. Het was oorlog. Ik heb later nog foto’s gemaakt van de gaten in het huis en
    van de achtergebleven munitie. Ik heb de negatieven van die foto’s aan de Nederlandse politie
    afgestaan. Ik gilde dat hij eraan kwam om ze te laten stoppen met schieten. Toen Ampi naar
    buiten kwam stopten ze ermee. Hij ging in de auto achterin zitten met twee mannen naast hem.
    Twee andere mannen bleven bij het huis. Zij waren in uniform en gewapend.
    (…) Toen Ampi werd meegenomen had hij alleen een short aan. Ik heb de videoband gezien
    waarop de verklaring die Ampi heeft voorgelezen staat. Hij had die kleren die hij toen droeg niet
    aan toen hij wegging. Mogelijk heeft hij ze zelf meegenomen. Hij had soortgelijke kleren aan. Ik
    heb hem die kleren gebracht.
    Toen hij werd afgevoerd stond ik op het balkon. ”(Ordner IV blz. 300)
    19) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2002 afkomstig van, mr. F. Hoogendijk,
    de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de
    25
    arrondissementsrechtbank te Amsterdam(ordner IX, blz.43). Die heeft in het proces-verbaal
    voor zover relevant het volgende vermeld:
    “Heden heb ik uit handen van A.C.H.von Wintersdorf, inspecteur van politie AmsterdamAmstelland, foto’s ontvangen. Hij verklaarde mij dat het afdrukken waren van de negatieven,
    welke mevrouw E.C. Kamperveen-Van Leuvenum hem ter hand heeft gesteld, met de
    mededeling dat het foto’s betrof die zij van haar woning te Suriname heeft gemaakt nadat haar
    man in december 1982 was opgehaald, alsmede foto’s die zij in december 1982 van het
    radiostation ABC te Suriname heeft gemaakt.
    De foto’s zijn aan het proces-verbaal aangehecht (ordner IX blz.44 tot en met 60: een 27 tal
    foto’s)”
    Het ophalen van het slachtoffer Leckie, Glenn
    20) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 19] (weduwe van het slachtoffer
    Leckie) d.d. 15 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit
    Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal
    op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van
    politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz. 449 – 455), en waarin voor zover relevant het
    volgende is opgenomen:
    “(…) Op 7 december 1982 kwam mijn man omstreeks 14.00 uur 14.30 uur thuis van de
    universiteit. Ik kan mij niet herinneren dat mijn man het huis was uitgeweest. Omstreeks 23.00
    uur ben ik naar bed gegaan. Mijn man, mijn dochters en ik waren de enigen in het huis.
    Op 8 december 1982 omstreeks 02.30 uur hoorde ik de honden luid blaffen. Op dat zelfde
    moment hoorde ik de bel van de buitenpoort rinkelen. Mijn man en ik zijn opgestaan en zagen
    dat aan de poort van het huis een militair staan.(lees: stond)
    (…) Ik heb vervolgens de honden geroepen. Ik zag dat er rondom het huis overal militairen
    stonden.
    De militair die aan de poort stond en vervolgens het terras opkwam, zei dat mijn man
    meemoest. Mijn man en ik, vroegen hem waarom. Ik hoorde de militair zeggen dat het een
    opdracht was. Wij vroegen hem van wie deze opdracht kwam. Dat wilde de militair niet zeggen.
    Dit heeft hij meerdere malen herhaald. Vervolgens zag ik dat er meerdere militairen
    binnenkwamen. Ik zag dat de militairen gewapend waren. Ik wilde ook meegaan, dat werd mij
    verboden door de militair. Mijn man heeft zich toen aangekleed en is onder begeleiding van een
    aantal militairen in een militair voertuig gestapt. Dit voertuig stond voor de poort geparkeerd.
    In mijn woning zijn er vervolgens een aantal militairen achtergebleven. Ik zag dat er drie
    militairen in de woning waren achtergebleven. Eén van de militairen zat in de woonkamer,één
    op het balkon en één bevond zich aan de eettafel. Ik heb hen wederom gevraagd waarom mijn
    man meemoest. Dat wilden of konden zij niet vertellen. Ook mocht ik de telefoon, welke
    constant rinkelde niet opnemen. Op een gegeven moment mocht ik van de militair aan de
    eettafel de telefoon opnemen, het was mijn broer. Ik zei tegen mijn broer dat Gerard was
    meegenomen. Ik kon nog net zeggen dat hij een advocaat moest bellen. Toen werd het toestel
    door deze militair uit mijn hand getrokken. (Ordner IV blz. 452)
    De militair zei dat ik niet weg mocht of telefoneren. Vervolgens heeft hij de stekker van de
    telefoon uit de muur getrokken. Ik heb nog een aantal maal aan de militair gevraagd van wie
    deze opdracht kwam en waarom mijn man mee moest. De militair zei wederom dat hij dat niet
    wist. Ik heb mij toen teruggetrokken bij mijn kinderen. Ik moest van de militair de deur
    openhouden zodat hij ons kon zien. (Ordner IV blz.453)
    (…) U vraagt mij naar de gebeurtenissen op 8 december.
    Ik kan mij herinneren dat er tussen 06.00 uur en 07.30 uur een militair voertuig aan de poort
    verscheen. De 3 militairen die in de woning waren zijn zonder wat te zeggen ingestapt en
    weggereden. Ik ben toen met mijn kinderen in de auto gestapt en ben naar een vriendin
    gereden. Ik heb de kinderen bij mijn vriendin achtergelaten en ben met Dhr. Veira naar fort
    26
    Zeelandia gereden. Aan de militair die aan de poort stond heb ik gevraagd waar mijn man was.
    De militair wist dat niet” (Ordner IV blz.454)
    21) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 19] (was gehuwd met het
    slachtoffer Leckie) bij de Rechter-Commissaris d.d.
    3 september 2002 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een
    proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV, blz. 193-194). De
    hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover van belang – bij de Rechter-commissaris
    het volgende verklaard:
    “(…) Over 7 december 1982 kan ik het volgende zeggen. Wij lagen in bed toen om 03.00 uur de
    honden begonnen te blaffen. Ik stond op en mijn man ook. De kinderen werden wakker. Er
    stonden militairen om het huis. Wij woonden toen op Uitvlucht 44 A. Het was een huis op
    neuten, op palen. Ik heb de honden opgesloten. Er kwamen toen militairen binnen. Ik kan niet
    zeggen of zij MP waren. Ik zag alleen uniformen. Eén militair voerde het woord. Het was een
    jonge man, in uniform, langer dan ik. Hij zei dat meneer Leckie mee moest. Ik vroeg steeds
    waarom, maar dat zei hij niet. Mijn man zei dat hij wel mee zou gaan en dat het niet lang zou
    duren. Die militair zei dat het een opdracht was. Hij zei niet van wie. Hij heeft ook niet gezegd
    waarheen mijn man werd gebracht. Mijn man ging de auto in. Hij was niet geboeid. Hij werd niet
    geboeid. Een aantal militairen bleven in huis achter. Ik mocht niet telefoneren. Ik heb uiteindelijk
    wel één keer de telefoon mogen opnemen, omdat die bleef rinkelen. Het was mijn broer. Ik heb
    alleen gezegd dat ze Gerard hadden meegenomen. Daarna werd de telefoon afgesloten.
    (…) Toen op 8 december 1982 rond 07.00 uur de militairen waren vertrokken, ben ik met Neville
    Veira naar het Fort Zeelandia gegaan. Voorin stond een militair, die zei dat hij niet wist of mijn
    man daar was.”
    Het ophalen van het slachtoffer Oemrawsingh, Sugrim,
    22) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 20] (weduwe van de het
    slachtoffer Oemrawsingh, Sugrim) d.d. 07 februari 2002, welk proces-verbaalop
    ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia
    Marlene (Ordner II, blz. 108-110), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) In de vroege ochtend van 08 december 1982, dat was omstreeks 01.30 uur, werd er heel
    hard op de schuifdeuren aangeklopt. Sugrim en ik stonden op om te kijken wie zo hard
    aanklopte. Voor zover ik mij nog kan herinneren stonden drie militairen voor de deur. De
    militairen waren mij van gezicht niet bekend en zij stelden zich niet voor.
    Eén van hen zei dat mijn man mee moest. Ik vroeg nog waarom en de militair zei dat hij een
    opdracht uitvoerde. Ik heb verder geen vragen gesteld maar uit ervaring begrepen Sugrim en ik
    dat hij een opdracht van het Nationaal Leger uitvoerde. Sugrim werd in de gelegenheid gesteld
    om zich om te kleden waarna hij door twee van de militairen in een Jeep werd meegenomen
    terwijl de derde achterbleef. Ter voorkoming dat ik vermoedelijk alarm sloeg werd onder andere
    mijn telefoon onklaar gemaakt en bleef hij( lees: toevoegen de militair)tot het daglicht werd en
    werd toen opgehaald. Kort na het vertrek reed ik naar de woning van de advocaat van Sugrim.
    Ter plaatse aangekomen bleek dat de advocaat genaamd Baboeram, John in de ochtenduren
    met geweld was meegenomen door de militairen. ”
    23) Verklaring van [getuige 20] (weduwe van hetslachtoffer Oemrawsingh, Sugrim),
    afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d.
    01 december 2009, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft
    verklaard:
    27
    “(…) Mijn man heeft van maart tot oktober 1982 in de gevangenis gezeten. Hij werd verdacht
    van medeplichtigheid aan de coup van Rambocus.
    (…) Dat geklop in de nacht waarop hij is opgepakt, was een absolute schok. De uitspraak zou
    op 08 december 1982 plaatsvinden.
    (…) De militairen zijn naar binnen gekomen en ze moesten Sugrim meenemen. Ik heb gevraagd
    waarom. Ze zeiden dat het een opdracht van hoger hand is. Ik wilde onze advocaat bellen,
    maar dat mocht niet. Ze hebben onze telefoonkabel doorgesneden. Hij is zich gaan aankleden
    en hij heeft mij gegroet. We hadden geen honden. Ik protesteerde en zei hij: “laat maar, ik ga
    mee.”.
    Toen ik bij het huis van John aankwam, zag ik kogelinslagen in het huis. Mijn zus zat apathisch
    daar. John was hardhandig meegepakt. Hij had geen gelegenheid gekregen zich aan te
    kleden.”
    Het ophalen van het slachtoffer Rahman, Leslie
    24)Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 21], (moeder van de het
    slachtoffer Rahman, Leslie) d.d. 16 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van
    Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland
    door Peter van den Wijngaard, hoofdagent-rechercheur van politie, de Hoofd
    Commissaris Justitiële Dienst, Santoki en de eerste Luitenant der Militaire Politie van
    Paramaribo, Ristie (Ordner III, blz. 119-123), waarin voor zover relevant het volgende is
    vermeld:
    “ (…) Op maandagavond 6 of 7 december 1982 ging mijn zoon naar de mensen van C-47. Ik
    was zelf niet thuis maar hoorde dat van mijn dochter Joyce. Ik kwam thuis die avond en Lesly
    was er nog niet. De enige die thuis was, was mijn dochter Joyce. Zij was toen ongeveer 24 jaar.
    Ik ben naar bed gegaan en omstreeks 2 uur s’ nachts werd ik wakker door een hoop lawaai. Er
    werd op alle vensters geslagen. Ik ben naar de buitendeur gelopen om te vragen wat er is. Ik
    zag dat er een groep militairen buiten stond. Ik denk ongeveer vijf mannen. Ze hadden een
    legergroen busje bij zich. De militairen waren bewapend met Uzi’s. Nadat ik de deur opendeed,
    drongen de militairen zich naar binnen en vroegen of Lesly ( lees: Leslie)thuis was.
    Ik had hem nog niet gezien en zei dat hij niet thuis was. De militairen reageerden daar niet op
    en liepen verder. Ze kwamen bij de kamer van Lesly en Lesly zat half aangekleed op bed wat te
    eten. Vervolgens moest Lesly meelopen met ze naar het busje. Hij keerde zich nog om naar me
    en zei dat ik me geen zorgen hoefde te maken, hij had niets gedaan en zou de volgende dag
    weer thuis zijn.
    Ik heb gevraagd aan de militairen waarom Lesly mee moest. Ze vertelden mij dat het in
    opdracht was van de luitenant en voor een verhoor.
    (…) Nadat de militairen met Lesly verdwenen waren bleven er twee militairen bij ons in huis.
    Eén bleef voor mijn deur en de ander bleef voor Joyce haar deur zitten. De twee militairen
    hebben niets gezegd of gedaan en werden omstreeks half zeven in de ochtend weer
    opgehaald.”
    25) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 21], (moeder van het slachtoffer
    Rahman) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst- genoemde Rechter-Commissaris en J.S.
    Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de ProcureurGeneraal te Paramaribo, d.d. 29 augustus 2002 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV,
    28
    blz. 161-162). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard:
    “Ik volhard bij de verklaring die ik op 16 mei 2002 heb afgelegd tegenover de politie.
    (…) De militairen kwamen in een legergroen busje, zoals ik op 16 mei 2002 heb verklaard. Vijf
    militairen kwamen binnen. Eén stond in de deuropening met een Uzi in de aanslag, de anderen
    hadden ook wapens, maar die hadden zij op de schouder of in het holster. Eén van hen was in
    pyamabroek met daarboven een legerhemd, de anderen waren in uniform. Ik heb niet
    verschillende soorten uniform onderscheiden.
    (…) Ik vroeg waarom mijn zoon Lesley Rahman mee moest. Mij werd gezegd dat het een
    opdracht van de luitenant was. Daar werd geen naam bij genoemd. Mij werd gezegd dat het
    was voor ondervraging.
    Ik geloof niet dat Lesley iets tegen de militairen had gezegd. Ik vroeg hem waarom hij mee
    moest. Hij zei dat ik mij niet ongerust moest maken.
    Hij is zonder verzet meegegaan. Hij was gekleed, want hij was net thuis gekomen. Hij is niet
    geboeid. Alleen een beetje omringd. Die ene militair had wel zijn Uzi in de aanslag.”
    26) Verklaring van [getuige 21], (moeder van het slachtoffer Rahman, Leslie), afgelegd bij
    haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 29 oktober 2009, op welke
    terechtzitting zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard:
    “ (…) De avond waarop hij is opgehaald, was ik reeds in bed. Ik ga normaliter 23.00 uur naar
    bed. Op een gegeven moment ben ik wakker geworden. Er was een busje voor de deur met
    een vijftal militairen. Eén van ze was zelfs gekleed in een pyamabroek met een militair jasje. Die
    militair was van het gemengd type. De andere vier waren volledig geüniformeerd. Het leken
    creolen. Toen ik de deur opendeed heeft één van ze, mij opzij gestoten. Ze zijn direct binnen
    gekomen. Lesley was nog in de slaapkamer. Ze zeiden dat ze mijn zoon zijn komen halen. Ik
    dacht dat hij nog niet thuis was. Hij zat in zijn kamer op bed.
    (…) Hij was waarschijnlijk niet lang terug thuis aangekomen. Ik weet niet precies wat ze tegen
    hem gezegd hebben. Hij heeft zijn schoenen en een jasje aangetrokken. Ik heb het op een
    gegeven moment wel gevraagd waarom hij mee moest en ze hebben gezegd dat de luitenant
    hem wil verhoren. Ze hebben geen naam genoemd. Lesley heeft mij nog gerustgesteld. Hij zei
    nog: “ik heb niets verkeerds gedaan.”
    Alle militairen waren jonge mannen. Ze zijn op stoelen voor onze slaapkamerdeuren blijven
    zitten. De volgende dag zijn ze opgehaald door andere militairen in een groengelakt busje.”
    27) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 22], (jongere zus van de
    overleden Rahman, Leslie) d.d. 15 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van
    Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland
    door Oscar Jerome Linger, hoofdagent-rechercheur van politie, de Inspecteur van politie,
    I. Pierau (Ordner III, blz. 124-129), waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “ (…) Toen ik op 08 december 1982 omstreeks 00:10 uur thuis kwam, zag ik Leslie (lees:
    Lesley) zijn auto net voor de deur staan.
    Ik denk dat Leslie omstreeks 02.00 uur thuiskwam. Ik zag dat Leslie op zijn bed zat. Niet lang
    nadat hij was thuis gekomen, hoorde ik een luid gebons op de shutters. Mijn moeder heeft de
    deur opengedaan. Ik zag dat mijn moeder aan de kant werd geduwd door ongeveer 8 militairen.
    Ik zag twee in burger geklede mannen buiten staan. De mannen die binnen waren gestormd
    liepen Leslie zijn kamer binnen. Degene die vermoedelijk de leiding had zei tegen mijn broer dat
    hij zich moest aankleden. De leidinggevende zei dat hij mee moest naar het Fort naar de
    bevelhebber. Ik heb hem gevraagd wat de bedoeling hiervan was. Mijn broer stelde ons gerust
    en zei ons dat hij zo weer thuis zou zijn. Ik ben naar de telefoon gerend maar wist eigenlijk niet
    wie ik moest bellen. Ik hoorde de leidinggevende de opdracht geven om de telefoonkabel door
    29
    te snijden. Mijn broer stelde hem echter gerust en toen werd dit niet gedaan. Vervolgens is mijn
    broer door een aantal militairen afgevoerd. Dit gebeurde met een militair voertuig. In ons huis
    bleven 2 gewapende militairen achter. De militairen hadden in de woning postgevat.
    Ongeveer 30 a 40 minuten later hoorde ik beschietingen, ik dacht dat het omstreeks 03.00 uur
    en 03.30 uur was.”
    28) Verklaring van [getuige 22], (jongere zus van het slachtoffer Rahman, Lesley),
    afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 29 oktober 2009, op
    welke terechtzitting zij het volgende heeft verklaard:
    “ (…) Ten aanzien van de avond waarop hij is opgehaald kan ik u het volgende verklaren.
    Ik ben die avond uit geweest met een paar mensen die op vakantie in Suriname waren. De
    sfeer was op dat moment heel grimmig in Suriname. Ik ben rond 12.05 uur naar huis gegaan.
    Lesley was er toen nog niet. Hij is tegen 02.00 uur thuis aangekomen. Iets over 02.00 uur werd
    er gebonkt op alle deuren en ramen van het huis. Mijn moeder heeft toen opengedaan. Vijf
    mannen zijn naar binnen gestormd in legeruniform. Twee van ze waren buiten op wacht en één
    was in burger. Eén van ze vroeg waar Lesley was. Mijn moeder dacht dat hij nog niet thuis was.
    Ik wist wel dat hij thuis was, omdat ik hem op het bed heb zien zitten. Hij was bezig iets te eten.
    Ze zeiden dat hij naar de luitenant of de bevelhebber moest. Beide titels zijn gebruikt.
    Ik heb later één van de soldaten gesproken. Deze hield mij voor dat hij niets wist, omdat zij ook
    zelf opgetrommeld waren. Een andere soldaat zei tegen hem om zijn mond te houden. Ze zijn
    gelijk doorgelopen naar de kamer. Mijn moeder heeft het licht uitgedaan, maar Lesley heeft het
    weer aangedaan. Ik rende naar de telefoon. De soldaten wilden de draad toen doorknippen,
    maar Lesley heeft het kunnen voorkomen door aan te geven dat hij vrijwillig zou meegaan. Hij
    stelde ons gerust. Hij zei: “ik ben mij van geen kwaad bewust. Ik ben zo terug.”. Ze zijn
    gekomen in een groen militair busje. Twee militairen zijn met uzi’s in ons huis gebleven voor
    onze deuren. Ik wilde nog even in Lesleys kamer gaan kijken, maar dat mocht niet. De soldaten
    zijn tot 05.45 uur gebleven. Toen is het busje ze weer komen ophalen. Lesley was er toen niet
    bij.”
    Het ophalen van het slachtoffer Riedewald, Cornelis Harold
    29) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 23] (levenspartner van het
    slachtoffer Riedewald, Harold) d.d. 01 november 2000, welk proces-verbaal op ambtseed
    is opgemaakt door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner III, blz.
    108-112), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…)Toen ik Riedewald leerde kennen, was hij Advocaat, strafpleiter. Hij had zijn eigen kantoor.
    (…) In de nacht van zeven op acht december 1982, terwijl Riedewald lag te slapen, was ik bezig
    mijn baby te voeden. Zoals ik al eerder verklaarde, woonden wij aan [adres] te Combe. Het was
    tussen twee uur of half drie in de ochtend, toen ik plotseling voetstappen op het erf hoorde. Mijn
    erf had namelijk schelpen, die kraakten tijdens het lopen daarop. Ik sloeg echter geen acht
    hierop, maar op een gegeven ogenblik hoorde ik een zwaar gebons op de voordeur. Van schrik
    vroeg ik wie daar was, waarop ik een mannenstem hoorde zeggen: “MILITAIREN –
    MILITAIREN DOE OPEN.”. Ik ging niet direct hierop in, maar wekte Riedewald eerst en zei
    tegen hem, dat er militairen aan de voordeur stonden te bonzen en te schreeuwen, dat ik de
    deur moet openen.
    Samen gingen wij de trap af en deden toen het raam open. (…) Wij vroegen toen wat er was,
    waarop de mulatachtige, die naderhand LEEFLAND bleek te zijn vroeg: “BENT U MEESTER
    HAROLD RIEDEWALD. IN OPDRACHT VAN DE BEVELHEBBER MOET U MEE.”. Terwijl
    Harold aan hem vroeg of hij dit mocht verifiëren, werd hij opgedragen de deur meteen te
    openen, omdat die anders ingetrapt zou worden.
    30
    Op het moment, waarop de voordeur open was, stormde de militair MAHADEW het huis binnen
    en begon net een gek tekeer te gaan. Ik zag, dat hij al de deuren opende en de kamers
    doorzocht, terwijl al de telefoonkabels door hem doorgesneden werden.
    (…)Intussen waren mijn familieleden, die vlak naast mij op het ander perceel wonen,
    gealarmeerd, omdat zij het gestommel in het huis hadden gehoord. Terwijl Riedewald de trap
    afging, keerde hij zich nog eenmaal om, keek naar mij en zei toen: “JENNY – JENNY, ZORG
    GOED VOOR JEZELF.”. Toen hij zijn gezicht van mij had afgewend en weer vooruit keek, zei
    hij op een vrij rustige toon aan de militairen, dat de personen, die uit het venster van het huis
    naast het onze stonden te kijken, familieleden waren. Terwijl er naar de straat werd gelopen,
    zag ik een witte Toyota stationauto langzaam aankomen rijden.(…) Riedewald kreeg de
    opdracht voorin in de auto plaats te nemen naast de bestuurder. Ik hoorde LEEFLAND nog aan
    hem zeggen: “MEESTER U KUNT VOORIN ZITTEN.” Ik denk, dat LEEFLAND achter in de auto
    had plaatsgenomen, waarna zij wegreden.
    (…) Ik begreep korte tijd later, dat een militair, met name SIMSON, die samen met LEEFLAND
    en MAHADEW Riedewald waren komen ophalen, was achtergebleven. Van hem kreeg ik de
    opdracht, dat ik met niemand mocht praten, ook niet met mijn eigen moeder, die vlak naast mij
    woonde. Dat ik de hond, die alsmaar bleef blaffen in huis moest houden en dat ik in elk geval
    nergens mocht gaan. Dit betekende voor mij huisarrest.
    (…) De volgende morgen, het was dus 8 december 1982, ik meen tussen zes en zeven uur in
    de morgen, stopte een bruine Toyota station auto voor mijn huis en zag ik een lange slanke
    man met een lichtbruine huidskleur uitstappen. Deze man had een bruine hemd met opgerolde
    mouwen aan, en droeg ook een machinegeweer dat hij op zijn borst vasthield.
    Tijdens het gesprek met de militair SIMSON, die op post bij mijn huis had gestaan, hoorde ik
    deze aan de man, die uit de auto was gestapt zeggen, dat de mevrouw wilde weten waar haar
    man was. Ik hoorde de man toen zeggen, “GA IN DE AUTO ZITTEN EN LAAT DE REST VOOR
    MIJ.”. Toen hij op de brug kwam staan, keek hij mij recht in de ogen en zei toen tegen mij:
    “MEVROUW DE OPDRACHT LUIDT. U MAG ZICH NIET VERPLAATSEN. UW MAN IS
    OPGEBRACHT VOOR VERHOOR IN HET FORT. Hierna maakte hij rechtsomkeer, nam plaats
    in de auto en reed toen weg.”
    Het ophalen vanhet slachtoffer Sheombar, Djiewansing
    30) De verklaring van [getuige 24], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23
    februari 2011, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft
    verklaard:
    “(…) in 1982 was ik directeur maar ook directeur van de Strafinrichting Santo Boma. Ik was
    uitgeleend aan het Ministerie van Justitie en Politie om de functie van Directeur van Santo
    Boma te vervullen. Ik viel onder de Militaire hiërarchie. Ik meen mij te herinneren dat
    Bhagwandas en ik gelijk waren in rang. Ik kreeg de opdracht van Bhagwandas om mensen uit
    de strafinrichting te halen. Zijn woorden waren als volgt: “Stolk wil je ene Sheombar afhalen van
    de strafinrichting en afgeven te Fort Zeelandia. Ik ben tezamen met de twee Militaire Polities
    gereden naar Santo Boma. Bij de grote poort die toegang biedt tot het Fort Zeelandia heb ik
    Sheombar afgestaan aan een militair. Bij aankomst aan de poort, kwam een militair naar buiten.
    Ik zei dat ik Sheombar bij mij heb en dat ik hem moest afleveren. Ik dacht dat het Tolud was die
    hem naar binnen sleurde. Sheombar was veroordeeld wegens het omverwerpen van het wettig
    gezag.”
    31) Proces-verbaal d.d. 05 september 2002, betreffende het nader verhoor van [persoon
    9] door de Rogatoire Commissie in het kader van het GVO (ordner I, blz.. 468 – 470),
    waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Ik ben met Stolk en Carbièrre iemand gaan ophalen in Santo Boma in de nacht van 7 op 8
    december 1982. Wij hebben toen Mahadew opgehaald. (ordner I, blz. 468) (…) Toen wij naar
    31
    Santo Boma gingen, was ik in militaire uitrusting, Carbièrre ook. We waren allemaal gewapend.
    Ik weet niet meer wie wat deed of zei toen wij in Santo Boma waren.
    (…)Ik geloof wel dat Sheombar geboeid was, maar ik weet niet door wie. Hij was gekleed, maar
    ik weet niet meer of het burgerkleding of een uniform betrof.
    (…) Toen wij weer bij het Fort Zeelandia kwamen, is hij via de poort naar binnen gebracht. Ik
    weet niet aan wie hij is overgedragen. Het ging heel snel. De deur ging open en meteen weer
    dicht. Ik kon maar een klein blikje opvangen. Ik zag dat hij een trap kreeg van iemand van wie ik
    alleen een legerboots kon zien.”
    32) De verklaring van de [getuige 25], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 20
    februari 2009, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft
    verklaard:
    “(…)In de vooravond van 7 december 1982 was ik in dienst te Fort Zeelandia. Ik was er van
    19.00 uur tot de volgende dag. Ik heb de opdracht van de persoon gehad. (…) Ik kreeg de
    opdracht om tezamen met Heidanus en Stolk, Sheombar op te halen. In mijn bijzijn heeft
    Sheombar geen uitspraak gedaan. Volgens mij zat ik naast Stolk en Sheombar naast Heidanus.
    (…) Nadat we de man hebben opgehaald, zijn we naar het Fort Zeelandia complex gereden,
    alwaar de MP was.”.
    33) De verklaring van [getuige 26], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 23
    januari 2009, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft
    verklaard:
    “(…)Rond 8 december 1982 was ik penitentiair ambtenaar. Ik was in de nachtdienst. Ik had op
    die avond de leiding. Stolk was directeur van de inrichting.Hij zei dat hij de gedetineerde
    Sheombar nodig had en is met hem weggegaan.”.
    Het ophalen van het slachtoffer Slagveer, Jozef Hubertus
    34) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 27] (weduwe van het slachtoffer
    Slagveer, Jozef) d.d. 22 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit
    Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal
    op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van
    politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz. 468 – 475), en waarin voor zover relevant het
    volgende is opgenomen:
    “(…) U vraagt mij wat er op 07 december 1982 is voorgevallen.
    Ik herinner mij dat Jozef in de vooravond het huis had verlaten. Dat was een normale gang van
    zaken voor Jozef. Ik weet echter niet waar hij heen is gegaan.
    Ik was die avond alleen thuis. Op een zeker moment hoorde ik dat er op de deur werd gebonsd.
    Ik vond dit vreemd. Nadat er voor de tweede keer gebonsd werd, ben ik vanachter het gordijn
    gaan kijken. Dit gebeurde na 24.00 uur daar de televisie -uitzending voor die dag afgelopen
    was. Ik wilde toen naar bed gaan.
    Ik zag 4 militairen voor de deur staan. Ik zag dat 3 van de militairen gewapend met karabijnen
    waren. Ik hoorde de militair welke niet gewapend was, aan mij vragen of de heer Slagveer thuis
    was. Ik zei dat Slagveer niet thuis was. Ik zag en hoorde dat de militairen met elkaar begonnen
    te overleggen. Vervolgens zei de niet gewapende militair op een dwingende toon dat zij binnen
    wilden komen. Ik heb vervolgens de deur voor hen geopend. Eén van de militairen kwam
    vervolgens binnen, deze zei dat ik niet de telefoon mocht gebruiken. Ik kreeg de indruk dat ik
    mij niet vrij in mijn huis kon bewegen. Eén van de militairen ging voor mij zitten. Ik weet niet
    waar de andere twee militairen waren gebleven. Wel hoorde ik kort daarop een auto wegrijden.
    Eén van de twee militairen welke in mijn woning waren achtergebleven, liep met mij mee naar
    elke ruimte in het huis, waaronder het toilet. Ik moest ook de deur van het toilet openlaten. Op
    32
    mijn vraag wat zij hier deden antwoordden zij dat zij de opdracht hadden gehad om op Slagveer
    te wachten.
    Ruim een uur nadat de militairen zich in mijn woning bevonden, kwam Jozef thuis.(Ordner IV
    blz. 472)
    Op het moment dat ik de auto van Jozef het erf hoorde oprijden, zag ik dat één van de militairen
    direct naar beneden liep. Na enkele ogenblikken zag ik dat Jozef en de militair het huis
    binnenkwamen. Jozef moest naast mij op de bank plaatsnemen. Ik zag dat één van de
    militairen vanaf een briefje een telefoonnummer probeerde te bellen. Dit was hem echter niet
    gelukt.
    Ik ben op een gegeven moment gaan liggen. Ik denk dat het omstreeks 04.00 uur was geweest.
    Na 10 à 15 minuten hoorde ik in de nabije omgeving van ons huis geweerschoten. Ik hoorde uit
    de kant van de Prinsessenstraat mensen gillen. Plots zag en hoorde ik Jozef de kamer binnen
    rennen. Ik zag dat Jozef door de slaapkamer naar achter rende. Ik hoorde Jozef van het balkon
    springen. Ik hoorde namelijk het omvallen van lege blikken verf. Zo wist ik dat Jozef van het
    balkon was gesprongen. Direct daarop rende één van de militairen door de slaapkamer achter
    Jozef aan. Ik hoorde dat er uit de richting van het erf werd geschoten. Ik hoorde direct daarop
    iemand roepen: “Blijf staan” of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde op een gegeven
    moment Jozef zeggen: “Waarom slaat u mij”. Ik kon echter niet horen of zien tegen wie Jozef dit
    heeft gezegd.Ik zag dat de militair die achter Jozef was aangerend weer binnenkwam en naar
    de voorkamer liep.
    Ik wilde naar de woonkamer lopen maar hoorde plots gestommel in het huis. Ik had het idee dat
    er meerdere mensen in het huis waren. Toen ik niets meer hoorde ben ik naar de woonkamer
    gelopen. Ik zag dat de buitendeur openstond. Ik zag dat er 2 personenauto’s voor de poort
    stonden. Ook zag ik een aantal militairen en 2 mannen in burgerkleding staan. Deze twee
    mannen in burgerkleding waren ook gewapend met lange geweren. Ik zag ook dat er in de auto
    zich nog mensen bevonden.
    Ik zag dat Jozef geboeid op zijn buik op straat lag. Ik zag dat Jozef op een gegeven moment
    werd opgetild en in de kofferbak van één van de auto’s werd gesmeten. Vervolgens zijn alle
    aanwezigen in de twee auto’s gestapt. Ik zag dat de auto’s vervolgens wegreden.
    Ik ben vervolgens gaan zitten, ik was als verdoofd.”
    35) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 27] (weduwe van het slachtoffer
    Slagveer, Jozef), in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, rechter-commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde rechter-commissaris, d.d. 23
    mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk
    proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door MR. F. Hoogendijk, rechter-commissaris
    en G.V. van der Vlucht, griffier, (Ordner IV, blz. 306- 308), waarbij zij hetzelfde als hiervoor
    heeft verklaard.
    Het ophalen van het slachtoffer Sohansingh, Somradj Robby
    36) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 28] (een jongere broer van het
    slachtoffer Sohansingh, Somradj Robby) d.d. 21 oktober 2000, welk proces-verbaalop
    ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul,
    Dewanand (Ordner III, blz. 198-202), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “ (…) In de nacht van 7 december 1982, omstreeks half drie – drie uur in de ochtend terwijl wij
    allen lagen te slapen, werd ik plotseling wakker van de schel die thuis afging. Ik werd wakker en
    ben toen de deur gaan open doen om te zien wie op dat tijdstip op bezoek was gekomen. Ik zag
    toen op een paar meters op de oprit op het erf een militair voertuig. Ik herkende één van de vele
    militairen die daar waren als de sergeant CLIFF GANPAT, die mij vroeg of Robby daar woonde.
    33
    Nog voordat ik hem het antwoord gaf zei hij, GANPAT op vrij ruwe toon: “WIJ ZIJN OP ZOEK
    NAAR ROBBY.”
    Niet bewust van enig kwaad gaf ik aan sergeant CLIFF GANPAT te kennen, dat Robby, niet op
    dat adres woonachtig was, maar aan de [straat]. Nog voordat de militairen vertrokken, gaf
    Ganpat met een vingerwijzing de opdracht aan mij en mijn vader, dat niet gebeld mocht worden
    naar Robby om hem ervan te verwittigen, dat hij gezocht werd door de Militaire-Politie.
    Mijn vader, die ook even dit bezoek van de militairen had meegemaakt, pakte toch de telefoon
    en belde naar Robby aan wie hij toen voorhield, dat de militairen naar hem zoeken en dat zij nu
    naar hem toegingen.”
    37) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 29] (een broer van het
    slachtoffer Sohansingh,Somradj Robby) d.d. 05 September 2002 in Nederland in het
    kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de onder inspecteur van
    het Korps Politie te Suriname, Ruben B. Dijks en eerste luitenant van de militaire politie
    te Suriname, Ristie, Tjark , welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door
    laatstgenoemden, de hoofdagent-rechercheur van politie, Oscar Jerome Linger en de
    rechercheur van politie, L. Henzen, (Ordner IV, blz. 429 – 433), en waarin voor zover
    relevant het volgende is opgenomen:
    “(…) In de nacht van 7 op 8 december 1982 was ik thuis bij mijn ouderlijk huis.
    Rond middernacht stonden er plots een aantal militairen aan de poort. De militairen waren met
    een jeep gekomen en het huis was omsingeld. Wederom herkende ik de militair Ganpat. Deze
    vroeg of Robby thuis was. Wij zeiden dat Robby in zijn eigen woning in de [straat] was. Ik zag
    dat één van de militairen dit direct middels een portofoon doorgaf. Ik heb deze en de andere
    militairen die samen met Ganpat waren niet herkend. Zij waren allen in uniform gekleed en
    waren gewapend met uzi’s en karabijnen. De militairen zijn vervolgens weggegaan. Ik heb toen
    direct Robby gebeld en hem verteld dat de militairen hem zochten.(Ordner IV blz.431)
    Robby zei dat hij niet wist waarom zij hem zochten. Mijn vader heeft ook nog met Robby
    gesproken en hem gevraagd of hij wat had gedaan. Robby zei dat hij niets gedaan had en hij
    zou zich gaan aankleden in afwachting van de militairen.
    (…)Op 8 december 1982 zijn mijn familie en ik de gehele dag in het ongewisse gebleven over
    het lot van Robby.”
    38) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 30] (weduwe van het slachtoffer,
    Sohansingh, Somradj Robby) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris
    belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de
    Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde RechterCommissaris, d.d. 23 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek
    vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. F. Hoogendijk,
    Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz. 309-310). De hiervoor
    genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende
    verklaard:
    “(…) Robby is in de vroege ochtend van 8 december 1982 opgehaald. Hij werd rond 02.00 uur
    uit bed gebeld door zijn vader, die vertelde dat hij werd gezocht. Robby was niet ongerust. Hij
    dacht dat het met de zaak te maken had, anders was hij wel gevlucht. Toen kwamen er
    militairen aan de deur. Het ging heel snel. Ik kan me geen gezichten herinneren. Ik weet niet of
    Cliff Ganpat erbij was. Ik kende hem niet. Ik hoor u zeggen dat hij medeverdachte is in deze
    zaak. Mij wordt voorgehouden dat de broer van mijn man, Denny, bij de politie verklaard heeft
    dat Cliff Ganpat samen met andere militairen bij hem aan de deur is geweest in de nacht van 7
    op 8 december 1982 en daarbij gezegd heeft dat hij op zoek was naar Robby. Volgens Denny
    heeft hij, zich niet van enig kwaad bewust, Ganpat verwezen naar ons adres in de [straat]. Zij
    34
    kwamen tussen 02.00 en 02.30 uur. Ik stond hen te woord. Het waren 5 of 6 militairen in
    uniform, ik weet niet wat voor uniform, met Uzi’s. Twee kwamen er binnen. Ze zeiden dat ze
    mijn man kwamen ophalen, dat het een opdracht was, en dat er (lees “geen”) vragen gesteld
    moesten worden. Ik heb mijn man zich eerst laten aankleden. Hij is rustig meegegaan. Ze
    waren niet ruw. Een militair, een Hindoestaan, is mij bijgebleven. Ik mocht geen contact maken
    met de buitenwereld. Nadat hij ’s ochtends was vertrokken, is mijn vader mij en de kinderen
    komen ophalen. Ik weet niet hoe hij wist wat er gebeurd was.”
    39) Verklaring van [getuige 30] (weduwe van het slachtoffer Sohansingh), afgelegd bij
    haar verhoor ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 02 december 2009, bij welk verhoor
    zij voor zover relevant het volgende heeft verklaard:
    “(…) Mijn man werkte in 1982 voor het bedrijf van mijn schoonvader. Het was een
    Transport/constructiebedrijf.
    (…)In de nacht van 07 op 08 december 1982 zijn ze hem komen halen.
    Robby deed zijn eigen zaken. Hij vertrok rond 08.00 uur en hij kwam weer thuis rond 17.00 of
    18.00 uur. Die bewuste dag was hij naar een feest gegaan. Ik ben niet meegegaan. Ik had
    gewoon geen zin. Hij kwam tegen middernacht thuis.
    Mijn man is dus middernacht thuis aangekomen en is naast mij komen liggen in bed. Mijn
    schoonvader belde hem rond 02.00 uur op en zei: “de militairen zijn hier. Ze zoeken naar jou. Ik
    heb je adres aan hun doorgegeven.”. Ik luisterde mee naar het gesprek.
    (…) Nadat Robby had neergelegd vroeg ik aan hem waarom er naar hem werd gezocht en hij
    zei dat het waarschijnlijk met de uitspraak te maken had. Hij hield mij nog voor, mij geen zorgen
    te maken. Zijn vader had hem gewaarschuwd. Hij had dus kunnen onderduiken. Als wij het
    hadden geweten, was dit nooit gebeurd. Na de vraag waren de militairen gelijk thuis bij ons. Ze
    schoten met losse flodders, ze sloegen op de poort, ze waren heel ruw. Ik zei tegen Robby ga
    je aankleden, ze zijn je komen halen. Twee van ze zijn op het erf gekomen. Ik vroeg wat er is en
    ze zeiden: “mevrouw we zijn meneer Sohansingh komen halen om hem te verhoren.”. Ze
    kwamen in het huis en wilden de telefoonkabels doorsnijden. Ik heb ze beloofd dat ik niet zou
    bellen. Ze hebben de kabels niet doorgesneden en ik heb ook niet gebeld. Hij heeft zich netjes
    omgekleed en hij is niets vermoedend meegegaan. Er zijn twee militairen achtergebleven. Eén
    boven en één beneden. Mijn dochter hoorde geschreeuw beneden. Ze hebben de wachter
    beneden flink geschopt.
    Robby is dus meegegaan met de militairen. In de ochtend zijn de twee weggegaan, die waren
    achtergebleven. Ik heb toen meerdere malen naar het Fort gebeld. Aan mij werd gezegd dat
    Robby niet daar was en dat ik later zou horen. Ik wilde kleding voor hem brengen.
    Mijn vader is mij en de kinderen komen halen in de ochtenduren. Ik ben naar mijn ouders toe
    gegaan en ben daar gebleven aan de [laan]. Dat was in de ochtend van 08 op 09 december
    1982.”
    F. Ten aanzien van de handelingen in Fort Zeelandia
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 31], welk proces-verbaal op
    ambtseed is opgemaakt d.d. 28 oktober 2000 door de inspecteur van politie 2e klasse,
    Pierau, Irving Edward (ordner VII, blz. 167-177), in welk proces-verbaal voor zover
    relevant het volgende is vermeld:
    “ (…)In de ochtend van 7 op 8 december 1982 ging ik naar bed. Op/of omstreeks 02.30 uur
    werd mijn slaap ruw onderbroken door iemand die aan de poort ramde. Ik overtuigde me en zag
    iemand bij de poort staan die kort daarop het erf opliep. Deze persoon herkende ik als de
    militair RUBEN ROZENDAAL. Ik stond hem vanuit het balkon te woord en vroeg naar de reden
    van zijn aanwezigheid ter plaatse op dat moment. Zijn reactie was dat de Bevelhebber,
    BOUTERSE, mij wilde spreken. Ik maakte hem duidelijk dat het moment zeer ongelegen en
    35
    ongebruikelijk was en ik niet van plan was daaraan gevolg te geven. Hoewel beleefd, maar zeer
    nadrukkelijk, liet hij mij merken dat ik weinig keus had dan mee te gaan. Ik merkte dat andere
    militairen zich met zware wapens in hun bezit, op mijn terrein bevonden. Eén hunner zag ik
    duidelijk de telefoonkabels doorknippen. Mij werd geen toestemming gegeven mij behoorlijk te
    kleden.
    Gegeven de dreiging op dat moment, ben ik mee gelopen naar ROZENDAAL naar de auto die
    daar geparkeerd stond. Van vrijwillig meegaan is er absoluut geen sprake geweest. In de auto
    trof ik verder aan, de mij eveneens bekende militairen ROY ESAJAS en DIJKSTEEL, terwijl een
    lichtkleurige militair thuis bij mijn gezin achterbleef. (ordner IIV, blz. 170)
    In het voertuig was de spanning te snijden. DIJKSTEEL die mij bekend is, zat naast mij en
    hijgde.
    Elke poging van mij om te achterhalen wat er gaande was, werd afgedaan met een verwijzing
    naar hun opdrachtgever BOUTERSE. Ik probeerde bij herhaling de inzittenden aan de praat te
    krijgen, maar kreeg steeds nul op het request. In het Fort Zeelandia gekomen, trof ik de
    militairen BHAGWANDAS en BRONDENSTEIN in uniform gekleed. BHAGWANDAS droeg mij
    op met uitzondering van mijn ondergoed, mijn kledingstukken uit te doen. Ik werd geleid naar
    een ruimte, open van boven niet voorzien van banken en/of bedden, die mij niet de indruk gaf
    een cel te zijn. Ik trof verder daar aan de vier advocaten te weten: RIEDEWALD, HOOST,
    BABOERAM en GONCALVES alsmede de heer KAMPERVEEN. Uitwendig bekeken op dat
    moment, leek het mij niet dat deze heren waren mishandeld. Wij kregen vanuit het balkon
    boven, waar er zich een behoorlijk aantal militairen bevond, dat achteraf lijfwachten van
    BOUTERSE bleek te zijn, op vrij agressieve manier te horen op welke manier wij ons dienden te
    gedragen, bijvoorbeeld het verbod tot onderlinge communicatie; niet leunen tegen de muur; niet
    zitten. Naarmate de tijd vorderde, kwamen erbij: CYRIL DAAL, RAMBOCUS, SHEOMBAR,
    SLAGVEER en later op de middag WIJNGAARDE. Het gelukte mij op een bepaald moment, te
    fluisteren met CYRIL DAAL die zeer bang was. Dat deden wij door tegen de muur aan voorover
    gebogen te leunen. Van hem kreeg ik op fluisterende toon het relaas van de wijze waarop hij
    werd opgehaald en binnengebracht. Hij had deze ervaring nooit eerder opgedaan, hetgeen mij
    reden gaf hem steeds weer moed in te spreken en hem aan te moedigen tot bidden. Hij voorzag
    dat wij zouden worden vermoord. Op een gegeven moment werd RAMBOCUS letterlijk naar
    binnen gegooid. Door zijn aanwezigheid werd het zwijgen verbroken. Hij gaf ons instructies hoe
    te handelen indien er hand- danwel luchtdruk granaten naar binnen zouden worden
    gegooid.(ordner VII, blz.. 171). Hij noemde BOUTERSE een lafaard die hij in staat achtte op
    een laffe manier ons te vermoorden. Hij communiceerde met enkele van de militairen
    (lijfwachten van BOUTERSE) en maakte de opmerking bereid te zijn het op te nemen tegen
    BOUTERSE, indien hij, BOUTERSE de moed kon opbrengen om hem een wapen ter hand te
    stellen en hij zelf er één kon hebben, terwijl de onschuldige burgers naar huis konden worden
    gestuurd. Een soort tweegevecht met gelijke bewapening. In de loop van de vroege ochtend
    van 8 december 1982 was het mogelijk BOUTERSE te zien vanuit de ruimte waarin wij ons
    bevonden. Hij zat namelijk achter zijn bureau met zijn rug naar ons toegekeerd. Omstreeks
    06.00 uur hoorde ik een trompet signaal, ik begreep daardoor dat men bezig was de vlag te
    hijsen. De dag hebben wij in die ruimte zonder voeding en in grote onzekerheid doorgebracht.
    Een poos na het hijsen van de vlag, werd de deur met kracht opengegooid, waarna enkele
    zwaargewapende militairen op een hardhandige wijze ertoe overgingen, vijf personenmee te
    nemen te weten: RAMBOCUS, SHEOMBAR, DAAL, KAMPERVEEN en SLAGVEER.
    Deze mensen werden gebracht naar de ruimte waar BOUTERSE zich ophield. Wat zich daar
    voordeed weet ik niet, maar niet lang nadat ze waren meegenomen, hoorde ik duidelijk van
    dichtbij meerdere repeteer- wapens overgaan. Er werd dus van dichtbij geschoten. (…) De
    situatie die ontstond, in de ruimte waarin ik mij met de andere overgeblevenen nog steeds
    bevond, is niet te beschrijven. Het gevoel dat ik kreeg en waarschijnlijk ook de anderen, was te
    zoeken naar een veilig heenkomen. Niemand had tijd voor een ander. Iedereen gilde en rende
    36
    in wanhoop. Ik heb wel kunnen registreren, dat BABOERAM met zijn hoofd bonste tot bloedens
    toe, in een situatie van devotie en bad. Op een gegeven moment werd ik alleen meegenomen
    naar boven door twee militairen. Dat gebeurde via de binnen trap die leidt naar het vertrek van
    BOUTERSE, op dezelfde manier waarop (ordner VII, blz. 172) de anderen eerder waren
    meegenomen. Ik kwam boven aan en trof BOUTERSE aan achter zijn bureau. Hij stond op en
    ontving mij met de woorden “ZIE JE WAT ER GEBEURT IN HET LAND, RADIOSTATIONS;
    GEBOUWEN WORDEN IN BRAND GESTOKEN”. Ik had daar niet bepaald aandacht voor en
    vroeg hem naar het waarom van mijn aanwezigheid ter plaatse onder deze erbarmelijke
    omstandigheden. Terwijl wij over en weer spraken, hoorde ik iemand de trap op rennen. Dat
    bleek naderhand BHAGWANDAS te zijn. De discussie had te maken met een afspraak volgens
    BHAGWANDAS, dat alle aangehoudenen, DERBY inbegrepen, afgemaakt zouden worden.
    BOUTERSE liet op dat moment zijn gezag gelden en zond BHAGWANDAS resoluut terug naar
    zijn post. Ik verzocht BOUTERSE mij duidelijk te maken wat ik had misdaan. Een duidelijk
    antwoord bleef hij mij schuldig. Gedurende dit onderhoud verscheen ROY HORB vanuit een
    kamer pal tegenover die van BOUTERSE. Ik rende op hem af in een poging om hulp te zoeken.
    Zijn houding was meer één van verwijten alsof ik om deze behandeling gevraagd had. Van
    BOUTERSE moesten wij gaan zitten in zijn werkkamer waarbij hij ondermeer duidelijk maakte
    dat de totale situatie uit de hand was gelopen, radiostations werden in brand gestoken terwijl de
    brandweer niet mocht optreden. Na enkele andere mededelingen over de totale situatie, werd ik
    via HORB door twee van zijn medewerkers weer naar beneden gebracht naar de ruimte waar ik
    vandaan kwam. Op weg naar deze ruimte, zag ik mevr. GEER die toen secretaresse was van
    BOUTERSE en DICK DE BIE aan de voet van de trap staan. In de loop van de ochtend
    verdween BOUTERSE uit ons gezichtsveld. Hoe de dag zich verder ontwikkelde in detail is
    moeilijk aan te geven, maar ik kan mij goed herinneren dat HOOST, die last had van droge
    lippen naar boven toe riep en vroeg om wat water om zijn dorst te lessen. De reactie die van
    boven kwam was “WIJ GEVEN GEEN WATER AAN MENSEN DIE WIJ STRAKS DOOD GAAN
    SCHIETEN, DAT IS VERMORSEN VAN HET WATER.” (ordner VII, blz.. 173).
    (…) Later op de dag merkten wij dat BOUTERSE terug was in het Fort en plaats nam achter zijn
    bureau. Dat viel direct op, omdat hij langs de ruimte moest gaan waarin wij ons bevonden. Na
    terugkeer van BOUTERSE werden BABOERAM en GONCALVES meegenomen en keerden
    niet terug. Daarna werd HOOST gehaald, maar die keerde wel terug. Hij kon mij influisteren dat
    hij had aangevoerd bij BOUTERSE plannen te hebben om op heel kort termijn naar het
    buitenland te gaan, bij zijn zoon die zou afstuderen en des gewenst zijn vertrek kon
    bespoedigen. Hij had geen bezwaar om zich blijvend in het buitenland te vestigen.
    (…) In de middag uren, omstreeks 15.00 uur, werd WIJNGAARDE naar binnen gebracht.
    Daarna, het was in elk geval donker, werd ik weer naar boven gehaald en moest wederom
    verschijnen voor BOUTERSE. Na, omstreeks 20.00 uur, wederom te zijn geleid voor
    BOUTERSE gaf hij opdracht om HORB erbij te halen, die zich ook in het Fort bevond. Toen
    HORB erbij kwam, maakte BOUTERSE hem duidelijk dat hij besloten had om DERBY weg te
    sturen. Hij vroeg mij naar mijn kledingstukken, waarop ik als antwoord gaf dat ik ze eerder had
    afgestaan in opdracht van BHAGWANDAS. Hij, BOUTERSE, wees mij een balkon aan achter
    zijn werkkamer, waar mijn kleding stukken zich zouden bevinden. Op het balkon zag ik de
    figuren van KAMPERVEEN en SLAGVEER tegen een muur half zittend en half liggend. Ik weet
    u niet te verklaren of ze in leven waren toen, wij hebben geen woorden met mekaar gewisseld.
    De situatie was er één van zo gauw mogelijk mijn kleding stukken pakken en vertrekken. Na
    mijn kleding stukken te hebben gepakt, moest ik terug naar BOUTERSE die met HORB zat. Ik
    vroeg aan BOUTERSE wat er te doen was met de heren KAMPERVEEN en SLAGVEER.
    (ordner VII, blz.. 174) Ik wilde weten of ze dood waren. Zijn reactie was dat ik daar geen vragen
    moest stellen. Hij herhaalde het eerder verhaal, met betrekking tot het gedrag van burgers en
    de reactie van de militairen. Ik veroorloofde mij om op de valreep nog het verzoek te doen
    waarbij ik ondermeer aanvoerde dat ik vanwege mijn achtergrond geen mensen in de steek
    37
    moest laten op kritieke momenten. Ik bedoelde voor vrijlating van het drietal WIJNGAARDE,
    HOOST en RIEDEWALD, te pleiten dat zich nog in de veel door mij besproken ruimte bevond.
    BOUTERSE haalde uit zijn borstzak een papiertje waarop kennelijk zich enkele namen
    bevonden. Hij reageerde door te zeggen “JE BEDOELT WAARSCHIJNLIJK HOOST.” en nog
    voordat BOUTERSE verder kon lezen, onderbrak HORB hem door de naam HOOST heel
    nadrukkelijk te herhalen, waaraan hij toevoegde “HOOST, DIE HEBBEN WIJ TOCHAL
    AFGEWERKT”. BOUTERSE reageerde hierop door het verhaal van HOOST summierlijk aan
    HORB te vertellen. Daarna werd na onderling overleg tussen het tweetal besloten, dat
    veiligheidsmannen van HORB, mij thuis zouden afzetten. Nabij de hoofduitgang, kwamen wij
    tegen DIJKSTEEL, die eerder betrokken was bij mijn aanhouding en LEWIS, beide heel nauwe
    medewerkers van BOUTERSE. Tegelijkertijd kwamen de heren KROLIS en ALIBUX het Fort
    binnen. Hun reactie tegenover mij was, dat zij gebeden hadden voor mijn vrijlating en daarover
    met BOUTERSE hadden gesproken. Het drietal veiligheidsmannen, van Javaanse komaf, dat
    hoorde bij HORB, vergezelde mij naar huis. In de auto werd er geen woord gewisseld. Thuis
    aangekomen, omstreeks 21.00 uur, werd ik opgevangen door mijn gezin. (ordner VII, blz. 175)”
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 31], bij de Rechter-Commissaris
    d.d. 20 december 2000 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk
    verhoor een proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV
    pag.4). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard:
    “(…) Zoals ook uit mijn verklaring blijkt ben ik op een goed moment en wel op 7 december 1982
    thuis opgehaald. Ik heb gedetailleerd bij de politie aangegeven hoe het één en ander zich heeft
    afgespeeld. Om precies te zijn ben ik in de vroege ochtend van 8 december 1982 opgehaald
    geworden.
    (…) In de auto heb ik weinig vragen kunnen stellen en de enkele vragen die ik wel gesteld heb
    kreeg ik kort en bondig te horen dat ik deze moest voorleggen aan de bevelhebber.
    In het Fort Zeelandia aangekomen werd ik opgehaald door BHAGWANDAS en
    BRONDENSTEIN. In opdracht van BHAGWANDAS moest ik mijn kleren uittrekken met
    uitzondering van mijn jocky. Hierna werd ik geleid naar een ruimte. Om U een beeld te geven
    van hetgeen plaatsvond verklaar ik U dat de auto waarin ik zat naar binnen is gereden en
    stilgehouden werd in de ruimte binnen het Fort. Aldaar werd ik overgedragen aan
    BHAGWANDAS en BRONDENSTEIN.
    (…) Ik denk dat ik tussen drie uur in de ochtend en half vier mij in de ruimte aldaar bevond. Na
    enige tijd heb ik kunnen merken dat er meerdere personen daar waren. Ik noem U de namen
    van RIEDEWALD, HOOST, BABOERAM, GONCALVES en KAMPERVEEN. Die waren ook
    allemaal schaars gekleed. Er werd niet gesproken omdat het verboden was.
    (…) Na mij zijn er nog vijf mensen binnengebracht. Ik noem U de namen van CYRIL DAAL,
    SLAGVEER, RAMBOCUS, SHEOMBAR, later op de middag werd de persoon van
    WIJNGAARDE binnengebracht. Naderhand heb ik begrepen dat er nog vijf andere personen
    elders waren ingesloten.
    Ik noem U de namen van RAHMAN, BEHR, OEMRAWSINGH, SOHANSINGH en LECKIE.
    Deze mensen heb ik niet in het Fort gezien.
    Naarmate het daglicht werd op 8 december kon ik vanuit de positie waar ik mij bevond de
    persoon van BOUTERSE, die ik overigens goed kende waarnemen. Hij zat boven en wel met
    zijn rug naar de richting waar ik mij bevond. Af en toe stond hij op van zijn stoel en kon ik hem
    ook beter zien.
    (…) In mijn verklaring bij de politie heb ik aangegeven dat op een goed moment vijf personen
    hardhandig werden meegenomen naar de ruimte waar BOUTERSE zich bevond. Ik heb zelf
    kunnen waarnemen op welke wijze dit heeft plaatsgevonden, waarbij ik de mannen hoorde
    schreeuwen, gillen en huilen.
    38
    Op Uw uitdrukkelijke vraag of de schoten, die ik hoorde onmiddellijk na het brengen van de vijf
    mannen naar BOUTERSE toe gehoord heb, wil ik U verklaren dat ik deze schoten gehoord heb
    na ongeveer een half uur.
    Op uw vraag hoeveel keren ik naar boven ben gebracht naar de heer BOUTERSE, antwoord ik
    tweemaal. Op Uw verdere vraag of ik behalve de mannen ook vrouwen ter plaatse heb gezien,
    antwoord ik U dat ik naar mijn weten mevrouw GEER ter plaatse heb gezien samen met de
    heer DE BIE. Beide personen waren mij toen ook bekend.
    Op Uw vraag hoelaat ik op 8 december 1982 voor de eerste keer bij de heer BOUTERSE werd
    gebracht verklaar ik U zo omstreeks negen of half tien in de morgen. Door BOUTERSE werd mij
    voorgehouden wat er allemaal gebeurde namelijk dat branden werden gesticht en dat burgers
    militairen bedreigden.
    (…) U zult uit mijn verklaring bij de politie hebben gemerkt dat op een goed moment de persoon
    van BHAGWANDAS in de kamer verscheen en dat hij en BOUTERSE het kennelijk niet eens
    waren met de procedure die gevolgd moest worden. In ieder geval begreep ik dat afgesproken
    was, dat iedereen die daar gebracht was afgemaakt zou worden. Nadat BHAGWANDAS uit de
    kamer was gegaan kwam de persoon van HORB binnen. Ik zocht smekend mijn toevlucht tot de
    persoon van HORB. Door hem werd ik afgesnauwd.
    (…) Op Uw vraag of ik heb kunnen merken, dat er in de kamer bij BOUTERSE sprake zou
    kunnen zijn van een soort raad of tribunaal moet ik U ontkennend antwoorden. Voor mij stond
    vast dat BOUTERSE de persoon was, die beslissingen nam. Trouwens dit heb ik naderhand
    ook zelf meegemaakt toen ik voor de tweede keer bij hem moest verschijnen en hij aan HORB
    die hij liet komen de mededeling deed, dat hij beslist had dat ik wegkon gaan. Ik heb niet
    gemerkt dat HORB zich verzet heeft tegen deze beslissing. (…) In feite mocht dat niet, doch
    heb ik toch kenbaar gemaakt dat ik afkomstig ben van plantage Berlijn en dat ik in de ruimte
    waar ik mij bevond onder andere de persoon van HOOST had achtergelaten. Bij het horen van
    de naam HOOST maakte HORB de opmerking, dat naar zijn weten HOOST reeds was
    afgewerkt. In feite vroeg hij of HOOST niet reeds was afgewerkt. Waarop BOUTERSE een stuk
    papier uit zijn hemdzak tevoorschijn haalde, waarbij hij de opmerking maakte dat hij HOOST
    had teruggestuurd. Hieruit heb ik aangenomen dat er sprake moet zijn van een lijst waarop
    verschillende namen stonden opgeschreven.
    Voor een juist beeld moet U begrijpen dat ik de ene keer ’s morgens bij BOUTERSE ben
    gebracht en de tweede keer zo omstreeks acht uur half negen ’s avonds. Na zijn mededeling
    dat ik weg kon gaan, mocht ik van hem ook mijn kleren halen, welke op de gang voor de kamer
    van BOUTERSE zouden zijn. Tijdens het zoeken van mijn kleren ontdekte ik twee personen die
    ik herkende als KAMPERVEEN en SLAGVEER. Uit de wijze waarop ik ze daar zag had ik niet
    de indruk dat zij in leven waren. (…) Ze bevonden zich in ieder geval niet ver van de plaats
    waar BOUTERSE zat. Ik heb niet horen kermen en nog minder heb ik ze een geluid horen
    voortbrengen. Nadat ik mijn kleren had gevonden ging ik terug naar de kamer van de heer
    BOUTERSE, waarbij ik hem de vraag stelde of de twee personen die ik gezien had dood waren.
    De reactie van BOUTERSE was: je moet geen vragen stellen.
    Op Uw vraag hoe ik de persoon van BOUTERSE ervaren heb op 8 december 1982, moet ik U
    zeggen dat hij beheerst en koelbloedig was. Ik kende hem en heb dus niet kunnen merken dat
    hij onder invloed van alcohol verkeerde.
    Wat ik wel heb meegemaakt is dat toen ik voor de tweede keer bij hem was en ik weg mocht
    gaan er whisky is gebracht waarbij hij mij vroeg om iets te drinken. Ik heb kenbaar gemaakt dat
    ik onder die omstandigheden absoluut geen trek heb ik drank. Hij heeftvoor zichzelf en HORB
    ingeschonken. Bij het verlaten van het Fort ben ik de personen van KROLIS en ALIBUX
    tegengekomen nabij de ingang
    (..) Toen ik het Fort verliet in de avond van 8 december 1982 heb ik de personen van HOOST,
    RIEDEWALD en WIJNGAARDE achtergelaten.
    39
    (…) Voordat ik voor de tweede keer naar boven werd gebracht waren BABOERAM en
    GONCALVES afgevoerd en hoorde ik na enige tijd soortgelijke schoten als wat ik eerder had
    gehoord.
    (…) Ik heb absoluut niet meegemaakt dat door de mensen die daar opgesloten waren pogingen
    ondernomen werden om te vluchten. Alles dat daar gebeurde bestond uit het huilen, jammeren,
    smeken en bidden.”.
    3) Verklaring van [getuige 32], afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 13 mei 2010, op welke terechtzitting zij voor zover relevant het volgende
    heeft verklaard:
    “(…) Ik was ongeveer 17 jaar oud, omstreeks de 8 december gebeurtenissen.
    Ik kan mij bepaalde details nog heugen. Ik zat destijds in een examenklas.
    (…) Ik zat omstreeks 01.00 uur in de nacht te studeren toen mijn vader thuis kwam. Ik heb de
    deur voor hem opengedaan. Hij zou warm eten. Voor de hele dag was hij nu pas thuis. Mijn
    moeder is omstreeks 22.30-23.00 uur gaan slapen. Plotseling hoorde ik dat iemand met de
    handle van de poort hard sloeg erop. Ik heb toen het gordijn op een kiertje gedaan en zei: “ja!”.
    Iemand vroeg of meneer Derby er was. Ik zei: “Hij slaapt” Het was een creoolse man, niet al te
    donker, lichter dan mij, robuust en in burger gekleed. Ik zag ook een donker groene militaire
    jeep. Ik heb zelf gehoord toen de man zei: “Oom Fred, na mie Rozie; Bevelhebber ab ie
    fanodoe.”. Er was nog een andere man aanwezig, maar ik kan hem niet beschrijven. Hij was in
    militair tenue. Zijn uiterlijk kan ik niet beschrijven, maar hij was degene die de telefoonkabel
    doorknipte. De naam Rozendaal had ik voor het eerst gehoord. Mijn vader had toen
    geprotesteerd. Hij vond het niet gepast. Die man Rozendaal noemde mijn vader oom Fred. Mijn
    vader vroeg hem nog waarom het op zo een tijdstip moest en of het niet de volgende dag kon.
    Rozendaal zei dat het een bevel was.
    Mijn vader had een bruine broek en een bruine trui aan. Ik zocht de slipper van mijn vader.
    Rozendaal zei dat mijn vader op blote voeten mee kon gaan. Ik gooide op een gegeven
    moment mijn badslippers voor mijn vader. Ik weet nog dat het groene badslippers waren. Mijn
    vader had maat 41 en ik maat 39. Mijn vader had grote voeten. Die twee andere militairen heb
    ik wel gezien, maar hun uiterlijk kan ik niet beschrijven. Mijn vader heeft helemaal niets meer
    tegen ons gezegd. De militair die bij ons gebleven was, was van een gemengd type. Onze
    telefoon was onbruikbaar. Mijn moeder werd op een ruwe manier door die militair
    aangesproken. We moesten in de woonkamer in het donker blijven. Op een gegeven moment
    kwam Eddy Daal bij ons thuis. De militair zei nog tegen hem: “je bent zeker gekomen om Derby
    een tip te geven, maar hij is al weg.”. Wij mochten niet naar het toilet. Mijn moeder had een
    aantal keren gevraagd, maar de militair heeft steeds geweigerd. Ook meneer Adema was aan
    de poort, maar hij werd gesommeerd weg te gaan.
    (…) Via de televisie werd militaire marsmuziek vertoond. Op de STVS werd dat vertoond.
    Op een gegeven ogenblik verscheen het bericht dat Bouterse een verklaring zou afleggen met
    betrekking tot hetgeen had plaatsgevonden in de avonduren met de aangehouden personen.
    Mijn vader hoorde daar ook bij. Bouterse had verklaard dat de aangehouden personen een
    vluchtpoging hadden ondernomen en dat zij bij die gelegenheid waren neergeschoten en dat ze
    waren overleden. Toen wij als familieleden dat hoorden ontstond er paniek. Mijn moeder begon
    te gillen, alsook mijn zusjes. Kort hierna hoorden wij een auto stoppen. Mijn vader kwam op
    blote voeten terug. Hierna was mijn vader totaal veranderd. Kapot en gebroken zat hij op de
    vloer naar ons te staren. Het leek alsof hij dwars door iedereen keek. Hij was in een shock
    toestand. Het was de eerste keer dat ik mijn vader heb zien huilen. Het klopt, hij zei: “ze hebben
    mensen dood geschoten en ik heb gevraagd om mensen die ik daar heb achtergelaten,
    waaronder Hoost, vrij te laten.”.
    40
    4) Proces-verbaal d.d. 07 augustus 2001, betreffende het nader verhoor van [persoon 10]
    door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO (ordner I, blz. 412 – 415), waarin
    voor zover relevant het volgende is vermeld:
    (…)Op 8 december 1982 omstreeks 11.00 uur in de morgen kregen wij het bericht om ons te
    begeven naar het Fort Zeelandia met een cameraploeg. Ik weet niet precies van wie de
    opdracht gekomen is. Ik vermoed wel dat deze opdracht van BOUTERSE afkomstig moet zijn.
    Nadat ik contact had gemaakt met de heer PINAS, die ook bij de NVD werkte, zijn wij samen
    met een televisieploeg naar het Fort Zeelandia gegaan.
    In het Fort aangekomen hebben wij enige tijd op het pleintje staan wachten. Naderhand werd ik
    door de secretaresse van de heer BOUTERSE, mevrouw GEER naar binnen geroepen en zat ik
    enige tijd bij het bureau van mevrouw GEER.
    Ik wist dat het kantoor van de heer BOUTERSE zich boven bevond, omdat zoals eerder
    verklaard ik uit hoofde van mijn functie vaker daar kwam. Op een goed moment zag ik de heer
    DERBY gekleed in een onderbroek de trap afkomen.
    In de kamer van BOUTERSE aangekomen kan ik mij thans niet herinneren of de heer
    BOUTERSE in de kamer was. Wat ik wel zeker weet is dat zowel HORB als BOUTERSE zich
    op een goed moment in de ruimte bevonden.
    Voorzover ik mij kan herinneren zijn de heer BOUTERSE, HORB, KAMPERVEEN en
    SLAGVEER één voor één de kamer binnengekomen. Ik weet niet of de heer BOUTERSE en de
    heer HORB één voor één binnen zijn gekomen. Ik heb aan de kleding van KAMPERVEEN en
    SLAGVEER niets bijzonders kunnen merken.”
    5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 11] d.d. 04 juni 2001, welk
    proces-verbaalop ambtseed is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse,
    Vermeer, Letitia Marlene (Ordner III, blz. 77-80), waarin voor zover relevant het volgende is
    vermeld:
    “(…)Ik kan mij nog heel goed herinneren dat mijn directe chef, meneer Blik, op 08 december
    1982, omstreeks 08.00 uur, telefonisch de opdracht kreeg om een filmploeg naar het kantoor
    van meneer Bouterse in het Fort Zeelandia te dirigeren. Mijn chef, meneer Blik en ik gingen ter
    plaatse.
    Op Fort Zeelandia aangekomen meldden wij ons bij de wacht aan, die een militair aanwees om
    ons naar het kantoor van de bevelhebber Desi Bouterse te begeleiden. Wie de militair was,
    weet ik thans niet meer. Wij werden gebracht naar een kantoorruimte, die zich bevond in het
    eerste gebouw aan de rechterkant bekeken vanuit de richting van de hoofdingang naast de
    Militaire Politie. De kantoorruimte bevond zich op de bovenverdieping van dit gebouw. Wij
    moesten via de stenentrap naar boven lopen.
    Terwijl wij de camera’s op de door Bouterse aangewezen plaats opstelden, liep Bouterse heen
    en weer. Op een gegeven moment stapte majoor Horb binnen en kreeg hij van Bouterse de
    opdracht: “HAAL DE MAN”. Na een poosje kwam majoor Horb terug met meneer Kamperveen
    die op een sofa moest plaatsnemen. Vervolgens pakte majoor Horb een vel papier van het
    bureau van meneer Bouterse en terwijl hij het woord “lees” zei gaf hij het vel papier aan meneer
    Kamperveen. Hierna zei Horb: “S.T.V.S. filmen.”. Nadat meneer Blik, meneer Kamperveen de
    juiste leeshouding had laten aannemen, moest ik de filmopname maken. Nadat meneer
    Kamperveen de verklaring had voorgelezen vroeg Horb aan ons of wij een goede filmopname
    hadden gemaakt. Ondanks onze positieve reactie, gaf Horb het stuk wederom aan meneer
    Kamperveen om het opnieuw te lezen zodat ik de filmopname opnieuw moest maken. Na afloop
    zei Bouterse aan majoor Horb, dat hij meneer Kamperveen moest afvoeren en die andere man
    moest halen. Ook toen duurde het geruime tijd voordat hij met de andere man terugkwam die
    de journalist Slagveer bleek te zijn. Ook hij moest deze zelfde verklaring voorlezen waarin hij
    verklaarde, dat hij samen met anderen van plan was om een tegencoup tegen de militaire
    machthebbers te plegen. Zijn verklaring werd een keer opgenomen en hoefde niet opnieuw
    41
    gefilmd te worden, omdat hij vlotter was dan meneer Kamperveen en vermoedde ik dat
    Bouterse en Horb tevreden waren met de manier waarop Slagveer de verklaring had
    voorgelezen.
    Op uw vraag verklaar ik, dat Bouterse aan Horb de opdracht gaf om Kamperveen en Slagveer
    naar zijn kantoor te brengen, terwijl Horb aan hun de opdracht gaf om de verklaring te lezen
    terwijl wij ons met de filmopname moesten bezighouden. Deze opnamen werden op een tijdstip
    tussen 08.30 uur en 10.00 uur opgenomen.”
    6) Verklaring van [getuige 33], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 01 december 2009, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het
    volgende heeft verklaard:
    “Ik herken dit beeldmateriaal. Ik was samen met Kioe A Sen, een geluidsman genaamd Robby
    Kanhai en een andere man van wie ik mij de naam niet kan herinneren.
    (…) De Bie is met de opdracht gekomen. Hij zei: “Blik, de bevelhebber vraagt naar een ploeg
    om naar het Fort te gaan.”.
    Ik ben zelf meegegaan, want ik had een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ik had een heel
    benauwd gevoel. Ik vond dat ik zelf de verantwoordelijkheid moest nemen.
    De opname is tussen 08.00 en 12.00 uur geweest. Het was op 08 december 1982, de dag
    nadat de mensen waren opgepakt. Je hoorde ervan op straat, in het nieuws etcetera.
    Ik ben er geweest met Kioe A Sen en twee assistenten. Bhagwandas heeft de poort
    opengedaan. We waren op het kantoor van Bouterse. Tijdens het opstellen van de camera’s
    bespraken Bouterse en Horb iets met elkaar. Er was een tweezitsbankstel in de kamer, geloof
    ik. Ik heb het zelf meegemaakt dat Horb met Kamperveen kwam. We hebben onze camera’s
    gefixeerd op de sofa. Er waren meerdere mensen daar, maar ik weet niet wie dat waren. Ik
    weet ook niet of ze gewapend waren.
    Bouterse gaf de brief aan Kamperveen en zei: “lees”.”
    7) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de (mede)verdachte [getuige 34], d.d. 13
    november 2000, van welk verhoor het proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door
    de eerste luitenant der Militaire Politie, Ristie Tjark Eugene (Ordner I, blz. 218-224), waarin
    voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “(…) In het jaar 1982 was ik ingedeeld bij de Veiligheidsdienst en was mijn functie chef van de
    veiligheidsunit van de heer Bouterse, die toen bevelhebber van het Nationaal Leger was. Mijn
    werkzaamheden bestonden eruit dat ik belast was met de coördinatie van de beveiliging van de
    heer Bouterse.
    In de maand december 1982, de juiste dag en datum kan ik mij thans niet meer heugen, in ieder
    geval moet het voor 7 december 1982 zijn geweest werd het leger in staat van paraatheid
    gebracht. Dit geschiedde naar aanleiding van de situatie in het land. Mijn unit werd toen
    tezamen met andere diensten ondergebracht in het Fort Zeelandia. Wij werden toen
    geconsigneerd, hetgeen betekent dat iedereen binnensliep. Niemand mocht meer naar huis.
    De totale legerleiding had ook zijn intrek genomen in het Fort Zeelandia van waaruit het heel
    leger toen werd geredigeerd. Als algemeen commandant van de Veiligheidsdienst fungeerde
    toen de luitenant Bhagwandas. De opdrachten die in die periode werden gegeven kwamen van
    Bhagwandas. Hij gaf zijn opdrachten aan de onderofficieren van de veiligheidsdienst waaronder
    de heer Rozendaal, hij was toen militair. (..)
    (…)De opdrachten die werden uitgevoerd kwamen van de militaire leiding. Nagenoeg iedereen
    uit de groep van zestien bevond zich in deze periode in het Fort Zeelandia.
    In de nacht van 8 december 1982 bevond ik mij in het Fort Zeelandia. Om precies te zijn
    bevond ik mij in één van de ruimtes op de begane grond. Ik lag daar tezamen met anderen te
    slapen. Ik kan u thans geen exacte tijdstippen doorgeven doch plotseling schrok ik wakker
    omdat er in het Fort werd geschoten. Het betrof in deze automatische wapens. Aan de hand
    42
    van mijn ervaring kon ik opmaken dat er met Uzi’s werd geschoten. Ik hoorde ook mensen
    gillen. De schoten en het gegil kwamen van één van de kamers op de bovenste verdieping
    bastions, open ruimtes, zijn en als ik het goed heb kwamen de schoten vandaar. (…)
    Samen met de andere militairen ben ik beneden gebleven. Het schieten duurde met
    tussenpozen ongeveer een uur. Wat er exact daarboven gebeurde wist ik niet.(…)
    In de vroege ochtend, de zon kwam al op, begaf ik mij vergezeld van enkele andere militairen
    naar boven en op de grond van één van de bastions zag ik enkele personen dwars door elkaar
    liggen. Deze mensen vertoonden op dat moment geen tekenen meer van leven. Dit was het
    moment dat ik mij ontstemd voelde omdat het geen leuk gezicht is om mensen zo dood te zien
    liggen.
    De lijken van deze personen vertoonden schotverwondingen. Zij lagen over elkaar. Ik heb niet
    veel bloed op de grond zien liggen. De meeste van de mensen die daar lagen kende ik niet. Op
    de grond zag ik ook heel wat hulzen liggen van het kaliber 9mm. Tentijde ik daar boven was,
    was er niemand van de Legerleiding daar boven. (…)
    Voorheen droeg ik er geen kennis van dat deze mensen in koelen bloede zouden worden
    neergeschoten. Als ik dit had geweten had ik misschien niet geparticipeerd in deze actie. Ik kan
    niet zeggen dat ik niet was meegegaan omdat mijn leven dan misschien in gevaar was
    gekomen. De Legerleiding van toen accepteerde geen weigering van dienstbevelen.
    Later op de dag werden de lijken in lijkzakken geplaatst en uit het Fort gereden. De personen
    die hiermee belast werden waren van de Militaire Geneeskundige Dienst.”
    8) Proces-verbaal d.d. 12 juni 2001, betreffende het verhoor van de (mede)verdachte
    [getuige 34], door de Rechter-Commissaris in het kader van het GVO (ordner I, blz.. 319-
    323),waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “Mijn taak bestond specifiek in het beschermen van de persoon van BOUTERSE. Vanwege mijn
    functie is het begrijpelijk dat ik zijn vertrouwensman was. Op uw vraag wie ik aanduid als
    legerleiding van toen noem ik u de namen van BOUTERSE, HORB, BHAGWANDAS, SITAL en
    nog anderen van wie ik de namen niet meer weet. Het is mij inderdaad bekend dat in het jaar
    1982 er sprake was van sociale onrust in het land. Er waren duidelijke spanningen binnen
    bepaalde maatschappelijke groeperingen. Het is begrijpelijk dat de toenmalige legerleiding zich
    voorbereidde op een aantal mogelijke gebeurtenissen. (ordner I, blz. 320)
    (…) Ik weet niet wat de reden is geweest van het ophalen van bepaalde personen. Op uw vraag
    of de heer KAMPERVEEN nog vragen gesteld heeft toen hij in de auto plaatsgenomen heeft,
    moet ik antwoorden dat hij wel wilde weten wat het allemaal te betekenen had. In het Fort
    Zeelandia aangekomen zijn wij naar binnen gereden en is de heer KAMPERVEEN
    overgedragen aan de heer BHAGWANDAS. Ik kan u niet exact aangeven op welk tijdstip en op
    welke dag de heer KAMPERVEEN is opgehaald. Wat ik wel weet is dat hij door de heer
    BHAGWANDAS naar boven is geleid, alwaar vrijwel de totale legerleiding zich bevond. Nadat
    de heren KAMPERVEEN en DERBY waren binnengebracht heb ik het Fort Zeelandia niet meer
    verlaten.
    Op uw vraag wat ik allemaal heb meegemaakt verklaar ik dat ik gezien heb dat de heer
    KAMPERVEEN en DERBY na enige tijd naar beneden zijn gebracht en in een cel zijn
    opgesloten. Deze procedure heeft ook plaatsgevonden bij andere personen die binnen werden
    gebracht.
    Op uw vraag wat ik verder heb meegemaakt terwijl ik mij daar bevond. Ten aanzien hiervan kan
    ik u verklaren dat ik mij op een goed moment ter ruste heb begeven en wakker ben
    geschrokken van schoten die ik hoorde. De schoten waren van boven afkomstig. Een collega
    van mij die ter plaatse was deelde mij mede dat ik niet naar boven moest gaan omdat BAKKI
    doelende op BHAGWANDAS bezig zou zijn op de mensen die binnen waren gebracht te
    schieten. (…) Het schieten heeft geduurd tot de ochtend. Weliswaar met tussenpozen.
    43
    Voorzover ik heb kunnen uitmaken werd er uit automatische vuurwapens geschoten.(ordner I,
    blz.. 321).
    Op uw vraag wat ik nog meer heb meegemaakt, behalve de schoten, verklaar ik u, dat ik
    duidelijk kon uitmaken dat er meerdere personen boven waren en hoorde ik o.a. “ Joengo me
    begi, oen no keri mi”. Ik heb de stem niet kunnen herkennen. In feite hoorde ik de mensen
    steeds jammeren en verzoeken.
    U vraagt mij wie allemaal in het Fort Zeelandia van de groep van 16 in die periode aanwezig
    waren. Hierop verklaar ik u dat naar mijn weten de hele groep van 16 daar aanwezig was.
    Ik weet vrijwel zeker dat DENDOE er ook bij was, evenals BRONDENSTEIN,
    HARDJOPRAJITNO en GEFFERIE. Het was in feite een komen en gaan van leden van de
    groep van 16. Ze onderhielden zich respectievelijk met BHAGWANDAS en BOUTERSE.
    (…) Op uw vraag of ik na het schieten nog contact heb gehad met de heer BOUTERSE
    antwoord ik bevestigend, doch heb ik hem echter niets gevraagd. Ik heb ook geen andere
    instructies gehad.
    Zoals in mijn verklaring bij de militaire politie tot uitdrukking is gebracht heb ik de lijken
    gezien.(ordner I, blz. 322)
    (…) Ik moet beamen dat ik ook heb deelgenomen aan het ophalen van personen die naderhand
    van het leven zijn beroofd.
    Ik wil wel eraantoevoegen dat ook al zou ik niet hebben meegedaan, zij toch zouden worden
    opgehaald.(ordner I, blz. 323)
    9) Verklaring van [getuige 34], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 19 november 2010, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
    “(…) De mensen werden twee aan twee begeleid naar boven. Ik denk dat ze voor Bhagwandas,
    Bouterse of Majoor Horb moesten verschijnen. Ja, Bouterse was overdag wel in het Fort.
    Kamperveen en Derby werden naar boven gebracht. Ik dacht wel dat Bouterse toen in het Fort
    was.
    (…) Ik ben wel verplicht te gaan en opdrachten uit te voeren voor degenen voor wie ik werkte,
    namelijk Bouterse.
    (…) Ik heb die drie personen die trap zien opgaan. Ze gingen via het kantoor van Geer naar
    boven. De Bevelhebber hield kantoor daarboven. Op die bewuste dag waren ze samen,
    namelijk Bouterse, Bhagwandas en Horb. Uiteindelijk heb ik de lijken gezien op 15 tot 20 meters
    afstand van het kantoor van de Bevelhebber. Indien de Bevelhebber op die dag op kantoor zou
    zijn, zou hij zeker de schoten gehoord moeten hebben.
    (…) Ik moest in het Fort zijn, dat was de opdracht. Mijn baas ging naar het Fort en ik moest hem
    begeleiden. Daarna was er alarm. Alarm hield in dat we standby moesten zijn voor wat er
    komen moest. Ik was in het Fort Zeelandia standby. Ik heb hem vrijwel de hele dag gezien, van
    ’s morgens tot de vooravond 19.00 uur. Overdag was de taak ondermeer object en subject
    beveiligen. In die tijd kon Bhagwandas zelf opdrachten geven en naderhand hoorde de
    Bevelhebber dat.
    (…) Ik was de coördinator van de veiligheidsmannen en ook veiligheidsman van Bouterse zelf.
    Op 7 en 8 december 1982 was de hele groep in het Fort. De Echo Compagnie, de Beveiliging
    en de Wapenkamer waren geconsigneerd.
    (…) Rozendaal wees aan wie mee moest. Er waren meerdere militairen die de burgers gingen
    ophalen. Ik denk dat het op 7 december 1982 moet zijn geweest omstreeks 18.00 uur of 19.00
    uur. Ik heb gegrepen dat er andere groepen waren die andere mensen moesten ophalen. Toen
    we aankwamen waren er nog geen andere burgers in het Fort. We hebben Kamperveen en
    Derby overgedragen aan Bhagwandas op de begane grond in de buurt waar de secretaresse
    mevrouw Geer zat. Ik zat in dat gedeelte waar de beveiligingswerkzaamheden plaatsvonden.
    44
    (…) Op 9 december 1982 was Bouterse overdag wel in het Fort. Op 9 december 1982 heb ik
    contact gehad met Bouterse. Die lijken heb ik op 9 december 1982 omstreeks 07.00 – 07.30 uur
    in de morgen gezien. Ik had Bouterse toen niet gezien. Ik was coördinator van de Beveiliging.
    (…) Ik heb ‘s morgens lijken zien afvoeren. Het was toen nog schemerig. Ik vroeg mij af wat de
    drijfveer was. Ik heb een pick-up gezien. De lijken waren in bodybags. Een tenthelft is een
    dekzeil voor iemand. Dat gebruiken wij in de jungle. Bodybags hebben een rits. Ik heb niet
    gezien wie de pick-up heeft weggereden.”
    10) Verklaring van [getuige 35] afgelegd bij de Rechter-Commissaris d.d.
    15 december 2002, van welke verklaring een proces-verbaal is opgemaakt. Daarin staat
    voor zover relevant het volgende vermeld:
    “ (…) Zoals ik heb verklaard ben ik op 8 december 1982 normaal aan het werk gegaan.
    Op een goed moment op 8 december 1982 in de morgenuren moest ik mij in opdracht van
    Rozendaal aanmelden bij Bhagwandas.
    Ik vond dat iedereen een agressieve houding uitstraalde. Zoals ik in mijn verklaring heb
    aangegeven had ik tegen 9.30 uur in de ochtend toen ik mij samen met anderen bij de put van
    het Fort Zeelandia bevond schoten gehoord. Ik ben niet lang gebleven in het kantoor van
    Bouterse. Ik moest mij van Horb begeven naar de zolder.
    De getuige geeft een beschrijving van de houten verhoging.
    (..) Ik heb in mijn verklaring gezegd dat het ging om lijken van Rambocus en Sheombar. Beide
    lagen met hun hoofd naar de rivierzijde. De twee mensen lagen op hun rug. De lijken waren
    bebloed.
    (…) Voor zover ik weet heeft iedereen geschoten. Van de zestien personen die zich daar
    bevonden hebben allemaal geschoten op de twee personen. Ik maakte deel uit van de staande
    groep. …”.
    11) Verklaring van [getuige 35] afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 23 januari 2009, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het
    volgende heeft verklaard:
    “(…)Ik was op 8 december 1982 wel aanwezig in het Fort Zeelandia en wel van 07.00 uur ’s
    morgens tot 18.00 uur. Ik was de veiligheidsagent van Majoor Horb. Bij het ochtendappel was ik
    er niet. Ik was werkzaam bij het Garnizoenscommando. Ik moest me aanmelden bij majoor
    Horb. Op die bewuste dag gaf Rozendaal mij door dat ik mij moest aanmelden bij Bhagwandas.
    Bhagwandas verwees mij door naar de zolder.
    (…) Bouterse was in zijn kabinet. Op dat moment waren er leden van de groep van 16 in die
    ruimte. De namen waren: Bouterse, Horb, Dendoe, Geffery, Bhagwandas, Rozendaal, Zeeuw,
    Sital, Hardjoprajitno. Die negen mensen waren in die ruimte. Tegen 09.30 uur hoorde ik schoten
    aan de rivierzijde. Ik vroeg aan de commandant Naim wat er gaande was. Hij zei toen: “Hou je
    rustig”. Ik kan mij eigenlijk niet meer herinneren of de hele groep van 16 er was. (…) Ik maakte
    het venster open, omdat het te donker was op die zolder. Ik zag toen twee lijken. Het waren die
    van Sheombar en Rambocus. Ik zag schotverwondingen aan de onderbenen. Horb en
    Kamperveen kwamen naar boven. Kamperveen moest een verklaring afleggen. Hij was
    bevreesd. Hij huilde en maakte een gebroken indruk. Kamperveen had geen bril op. Hij had een
    korte broek aan en had een bloot bovenlijf. Horb zei: “begin te schrijven.”. Hij schreef iets over
    een coup vanuit de Franse kant. Hierna zijn wij samen naar beneden gegaan. Ik kreeg de
    opdracht van Bhagwandas om buiten te wachten. Daarna zag ik Baboeram. Maar het moest
    Hoost of Riedewald zijn die ik ook zag. Bhagwandas zei: “ding man disie ow njang ai.”. Soema
    no soetoe ow ka”. Derby was er toen ook bij. Baboeram en Riedewald of Hoost zijn ook
    geëxecuteerd.
    (…) Alle 16 mannen hebben geschoten op Riedewald en Baboeram. Ik heb de opdracht om te
    schieten van Bhagwandas gehad.
    45
    Goedhart was de veiligheidsman van Bouterse.
    Hij alleen heeft op Daal geschoten.
    Bouterse was de bevelhebber. De opdrachten kwamen toen van hem.
    (…)Over periode 8 december 1982 kan ik het volgende zeggen. Horb woonde op het complex
    dichtbij het park. Ik ben gearriveerd in die morgen op mijn bromfiets. Ik moest mij aanmelden.
    Dat was de procedure. Horb was reeds in het Fort. Ik ben naar het Fort gereden. Er waren
    alleen militairen van de Echo Compagnie. Ik moest mij aanmelden bij de wacht. Ik ging direct
    naar binnen. Ik kreeg die morgen het idee alsof er iets niet in orde was. Collega’s hebben mij
    gezegd wat er zoal gaande was. We hoorden schoten. Iedereen vroeg mekaar “san psa”. We
    moesten ons rustig houden. Ik heb leden van de groep van 16 gezien. Er was geen andere
    kamer waar Bouterse en Bhagwandas waren. Dat was het kabinet. Het was vòòr half tien ’s
    morgens. Ik kreeg de opdracht van Bhagwandas. Ik mocht opdrachten krijgen van Bhagwandas
    alhoewel Horb mijn chef was. Bouterse, Horb en Bhagwandas waren verspreid in die kamer.
    Het was het kantoor van Bouterse. Ik heb Bouterse ook daar gezien. Ik heb Bouterse,
    Bhagwandas en Horb niet samen gezien na die schoten. Toen Bhagwandas mij zei dat ik mij
    moest opstellen, was Bouterse nog in zijn kabinet. Die twee lijken lagen nog daar op de grond.
    We waren met zestien personen opgesteld. Hierna moesten wij terug naar het huis van Horb.
    Het was in opdracht van Horb. We moesten wachten op zijn orders tot voor zes uur. We
    moesten toen terug naar het Fort. Ik was samen met Chotkan en Tanoesemito. We moesten
    Derby terug naar huis brengen. Ik hoorde Derby praten. Hij was blij. Hij wilde ons een drankje
    aanbieden, maar wij hebben het niet aangenomen. We waren toen geconsigneerd, dus
    moesten we teug naar het Fort. We moesten onze wapens inleveren. Ons werd gezegd dat er
    een oefening gehouden zou worden in de nachtelijke uren. Er zouden schoten gelost worden.
    We wisten niet of de oefeningen met scherp waren of als het losse flodders waren. Hij zei dat
    we moesten blijven liggen op de grond uit veiligheid, we mochten niet op de bedden liggen.
    Tegen 02.00 uur hoorden we schoten. (…) Ik hoorde omstreeks 02.00 uur ’s nachts een half uur
    lang schoten vanuit de richting van het Fort. Er werd geschoten in het Fort. Het waren angstige
    momenten.
    ’s Morgens zag ik een Isuzu pick-up met een dekzeil.
    (…) Ik maakte op zolder het raam open en ik zag de twee lijken. Horb is toen met Kamperveen
    naar boven gekomen. Daarna ben ik naar beneden gegaan. Bouterse was er toen nog. Ik heb
    toen meegedaan aan de executies van Riedewald en Baboeram. Ik had het over Daal. Toen
    waren het vijf mensen die om het leven werden gebracht. Toen ik wegging naar het huis van
    Horb was Bouterse nog in het Fort. (…) Ik was in het Fort tussen 09.30 uur en 18.00 uur.
    Tussen 09.15 en 15.00 uur was Bouterse wel daar. Tegen 15.00 of 16.00 uur ben ik
    weggegaan. Toen was Bouterse nog daar. Toen zijn vijf personen om het leven gebracht. Die
    vijftien mannen die waren opgesloten in een driehoek. Er moest een deur zijn geweest in die
    driehoek. Bij de trap moest er een deur zijn geweest naar kamer no. 4 en via de trap kon je naar
    boven. Ik zag toen dat Daal van de zuilen trap naar boven kwam. Uit de kamer van Bouterse
    heb ik ze niet zien gaan naar het bastion.
    Toen Bhagwandas de opdracht gaf om te schieten was er een vuurpeleton. Iedereen moest
    tegelijk vuren.
    Toen de opdracht van vuren kwam, was Bouterse in zijn kamer. De afstand tussen
    Bhagwandas en die kamer was 10 tot 15 meters.”
    12) Proces-verbaal van de gerechtelijke plaatswaarneming in het Fort Zeelandia d.d. 23
    maart 2012, waarbij [getuige 35], ter plekke de volgende verklaring heeft afgelegd:
    “Ik kwam op die ochtend van 8 december 1982 in het fort aan. Ik ging naar de ruimte waar de
    telefooncentrale van de Echo compagnie was. De militair Rozendaal kwam naar beneden via de
    46
    trap en gaf aan dat ik mij moest aanmelden. (…) Toen ik naar boven ging trof ik Kamperveen
    aan in de ruimte.
    Hij zat hier met Horb. Ik maakte het raam open en ging op de balustrade zitten. Toen ik naar
    buiten keek had ik een overzicht op Bastion Veere en zag daar 2 lijken. Het waren de lijken van
    Sheombar en Rambocus ( [getuige 35] wijst de plek aan waar Kamperveen op zijn buik lag.) Hij
    was bezig te schrijven. Het schrijven ging moeizaam omdat hij zijn bril niet bij zich had.
    Toen ik boven kwam in de ruimte en de lijken zag, had ik al de schoten gehoord. Het was op 8
    december 1982 in de ochtend uren. Ik moest toen niet schieten. De lijken lagen met kogelgaten
    en bloed op Bastion Veere. Ik was bij de waterput beneden toen ik de schoten hoorde. Er is met
    een uzi geschoten.
    Toen ik in het vuurpeleton was toen heb ik wel geschoten. Bhagwandas en Dendoe waren
    buiten voor het vuurpeleton. Dendoe stond achter het vuurpeleton. Langs de muur van het Fort
    was er een talud waarop de wacht kon lopen. De mensen zaten op de talud toen ze werden
    beschoten. Ik moest op Baboeram schieten. Dijksteel stond achter mij. Goedhart schoot op
    Daal. Daal liep om te gaan zitten en voordat hij ging zitten werd er op hem geschoten.
    (…) De mensen zaten met hun rug naar de rivier op de talud. Ik dacht aan mezelf, als ik het niet
    doe ga ik eraan. Ik heb geschoten op Baboeram en Riedewald. De rest van de personen is
    waarschijnlijk in de nacht doodgeschoten. Toen er werd geschoten hebben de anderen gegild.
    Ik was boven en Horb ook. Ik moest mij aanmelden bij Bhagwandas. Bouterse was er ook bij.
    Hij zat nog in zijn kabinet.
    (…) Het schieten heeft ongeveer 5 minuten geduurd. Het was ongeveer tussen half 10 en 10
    uur.
    (…) Bij het afschieten gaan de hulzen omhoog. Ik heb mij niet vergist. Hij was erbij.
    (…)Ik heb die pick up op 9 december 1982 gezien.”
    [getuige 35] wijst aan waar de uitgang is en waar hij de pick-up heeft gezien.
    [getuige 35] wijst aan de driehoek waar hij Derby en anderen heeft gezien bij Bastion
    Zierikzee.
    12) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 36] d.d. 06 september 2002 in
    Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de 1e
    luitenant van de Militaire Politie te Suriname, Tjark Ristie, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de rechercheurs van politie, Oscar
    Jerome Linger en Lambertus Henzen, (Ordner IV, blz.. 415 – 419), en waarin voor zover
    relevant het volgende is opgenomen:
    “(…)Onno FLOHR kwam toen in de ochtend bij mij en huilde. Hij vertelde mij dat hij iemand
    heeft moeten schieten. Ik had de indruk dat het absoluut niet vrijwillig was. Hij was nogal
    overstuur. Hij vertelde mij dat de man wie hij had neergeschoten om zijn leven had gesmeekt.
    Hij heeft hem neergeschoten met een UZI. Een Israëlisch pistoolmitrailleur. Hij wist dat de man
    die hij neergeschoten heeft een Hindoestaan was. Het wapen, de UZI, was van één van de
    mensen van Bouterse. Verder heeft hij niets verteld, ook niet in wiens opdracht.
    (…) Horb heeft mij toen uitgelegd dat alle opgepakte mensen zijn doodgeschoten. Hij heeft
    geen namen genoemd en heeft verder niet verteld waarom. Hij vertelde me wel dat hij het er
    niet mee eens was, hij was boos op Bouterse. Hij gaf duidelijk aan dat Bouterse de opdracht
    had gegeven om de mensen dood te schieten. Hij wilde wel dat de mensen opgepakt werden
    maar niet dat ze doodgeschoten werden. Ik ben ’s avonds 8 december 1982 bij Horb gebleven.
    Ik was geconsigneerd. Ik weet me te herinneren dat Horb de hele avond is thuis gebleven. Horb
    47
    vertelde me ook dat hij niets had kunnen zeggen tegen Bouterse omdat hij anders ook was
    doodgeschoten. (Ordner IV blz. 417)
    (…) U toont mij nu de foto’s van een aantal lijfwachten van Bouterse. Ik herken hiervan de
    volgende personen:
    LEWIS
    DIJKSTEEL
    KEMPES
    Hofmeester MOESLIKHAN (Ordner IV blz.417)
    (…) Van de mannen die ik u net genoemd heb weet ik zeker dat ik ze ten tijde van de 8e
    december 1982 in en rondom het Fort Zeelandia heb gezien. (Ordner IV blz. 418)”(Ordner IV
    blz. 418)
    13) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 37] d.d. 10 september 2002 in
    Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de
    onder inspecteur van politie te Suriname, Ruben B. Dijks, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagenten/rechercheurs van
    politie, Lambertus Henzen en Jerome Oscar Linger,(Ordner IV, blz. 421 – 425), en waarin
    voor zover relevant het volgende is opgenomen:
    “(…) In de periode voor december 1982 merkte ik wel dat er spanningen waren in Suriname. De
    sfeer was gespannen. Op een gegeven moment, ik weet geen datum meer, was ik aan het werk
    in de woning van Horb. De woning van Horb lag tegen het Fort Zeelandia aan. Op een gegeven
    moment werd Horb gebeld door Bouterse, dit zal in de ochtend voor twaalf uur, zijn geweest. Ik
    stond op dat moment vlak bij Horb in de buurt en ik kon merken dat het Bouterse moet zijn
    geweest. Ik hoorde dat aan de manier van praten van Horb. Er werd gesproken dat Horb zich
    meteen moest melden bij Bouterse. Ik kon merken dat Horb kwaad was, hij was aan het
    schelden. Na dit gesprek zei Horb ons dat we ons klaar moesten maken om naar het Fort te
    gaan.
    Dit hebben we gedaan en we zijn met iedereen die aanwezig was naar het Fort Zeelandia
    gegaan. Daar aangekomen zag ik dat er, voor mij onbekenden, in een put zaten. Deze put zat
    in het Fort zelf. Je kon er vanaf boven in kijken, het was een open ruimte. Op dat moment zaten
    er ongeveer zes a zeven mensen opgesloten. Ze waren allemaal in hun ondergoed gekleed en
    vertoonden geen sporen van mishandeling en anderzins. Ze waren op dat moment gaaf. De
    gevangenen waren op dat moment bang maar verder waren ze rustig en gelaten. Er was geen
    paniek of zo. De enige die ik van deze mensen herkende was Derby. (Ornder IV, blz.. 421)
    Horb ging vervolgens een kamer naar binnen om met “de baas” te praten. Hiermee bedoelde hij
    Bouterse. Ik hield buiten de wacht. Dit duurde ongeveer 15 à 20 minuten. Ik zag op dat moment
    dat er veel militairen van Bouterse rondliepen. Deze mannen liepen zwaar bewapend heen en
    weer. De wapens waren onder andere: AK 47, Uzi, FAL en karabijnen. Alle mannen van de
    groep van 16 waren er ook. De namen van de mannen die ik heb gezien waren:
    BHAGWANDAS
    LEEFLANG
    TOLUD
    BRONDENDSTEIN
    NELOM
    MAHADEW
    GORRE
    ROZENDAAL
    JEFFRY
    48
    HARDJOPRAJITNO
    Verder schieten me geen namen te binnen. Maar ik weet wel dat iedereen van Bouterse zijn
    groep compleet was.
    U toont mij nu een aantal foto’s waarvan ik de volgende herken:
    KEMPES
    DIJKSTEEL.
    Dit waren de mensen die de leiding gaven aan de groep van Bouterse. Verder ken ik er niet
    één.
    Op een gegeven moment zag ik de gevangen mensen zitten. Dit waren er drie. Ik ken ze niet bij
    naam. U toont mij de foto’s van de slachtoffers. Er was een lichtgetinte man met een dikke bril.
    (hierbij wijst getuige de foto van BEHR aan)
    Er was een Hindoestaan bij (waarbij getuige de foto’s van Rambocus en Sohansingh aanwijst)
    En er was een zwarte magere man bij. (waarbij getuige de foto van Rahman aanwijst).
    (…)Deze mensen zaten op een soort verhoging. Dit is op de eerste verdieping links gezien. De
    rivier loopt erachter. Op een gegeven moment werd er gewoon geschoten. Er werd niet
    gewaarschuwd. Er werd gewoon, als het ware, gemaaid met alle soorten wapens, op deze
    mensen. Ik zag dat de mensen dodelijk werden getroffen. Het moet ergens in de middag zijn
    geweest. Ik weet niet meer hoe laat.
    Ik weet nog dat Leeflang en Bhagwandas een UZI hadden. Ze hebben beiden geschoten.
    (ordner IV, blz. 422)
    Vlak hierna kwam Horb naar buiten. Hij was kwaad en zei tegen mij dat ik de mannen moest
    verzamelen.
    Hierna gingen we naar een kamer waar Horb alleen naar binnen ging. Ik moest buiten op wacht
    staan. Vervolgens werd Slagveer naar binnen gebracht door de militairen van Fort Zeelandia.
    Horb (lees Slagveer) was gekleed in zijn ondergoed. Het moet ongeveer tussen 14.00 en 15.00
    uur zijn geweest. Het verhoor ging op een normale manier,niet ruw. Ik weet niet meer wie dit
    geweest zijn. Ik kreeg toen van Horb de opdracht om mee naar binnen te gaan. Horb
    ondervroeg Slagveer over een op handen zijnde coup. Hij las Slagveer een verklaring voor en
    vroeg hem of dit allemaal klopte. Het was een verklaring die al klaar was en alleen nog
    getekend moest worden. Slagveer antwoordde overal ja op, maar je kon merken dat hij bang
    was. Horb praatte normaal tegen Slagveer, hij zette hem niet onder druk. Hierna moest
    Slagveer zijn verklaring tekenen en werd die afgevoerd door de militairen van het Fort. Tijdens
    het verhoor hoorde ik trouwens dat er nog steeds geschoten werd, op dezelfde plek als waar ik
    daarvoor had gestaan in de buurt van de executies.
    (…) Nadat Slagveer was verhoord en afgevoerd gingen Horb en ik ook weg. Horb gaf mij toen
    de opdracht om alle mannen te verzamelen en ik moest samen met TANOSEMITO dhr. Derby
    naar huis brengen.
    (…) Nadat we Derby hadden afgezet gingen we terug naar het huis van Horb. Nadat we ons
    met zijn allen hadden aangemeld bij Horb, althans degenen die dienst hadden, hebben we de
    nacht doorgebracht bij Horb.
    (…)Ik hoorde zelfs punt 50 schieten. Er werd in het wilde weg geschoten. Er werd gedaan alsof
    er een aanval van buitenaf plaatsvond. Dit duurde zeker tot elf uur in de avond.”(ordner IV, blz.
    423)
    49
    14) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 37] (destijds beveiligingsman
    van Horb) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en mr.
    J.S. Mohammedamin, Hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de
    Procureur-Generaal te Paramaribo, d.d. 10 september 2002 in Nederland in het kader van
    een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en E. de Jong, griffier (ordner IV, blz.. 195-
    197). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard:
    “(…)Bij de decembermoorden waren wij eerst thuis, in het huis van Horb. Hij werd gebeld door
    Bouterse. Ik hoorde Bouterse aan de andere kant van de lijn tekeer gaan. Horb was kwaad. Hij
    gebruikte vulgaire termen. Wij zijn toen met ons allen naar de overkant gegaan, naar het Fort
    Zeelandia. Daar is Horb naar Bouterse gegaan. Hij zei tegen mij dat hij naar Bouterse ging. Ik
    heb Bouterse zelf niet gezien. Daar waar hij zich moest aanmelden waren alleen militairen. Er
    waren overal erg veel militairen. Ik heb geen burgers gezien. Ik heb ook geen dames gezien. De
    hofmeester van Bouterse ken ik niet. Ik weet niet of hij er was.
    Ik stond buiten terwijl Horb bij Bouterse binnen was. Ik zag toen op een afstand van ongeveer
    10 meter het platform met daarop Bhagwandas, Mahadew en Ewoud Leefland. Zij schoten alle
    drie met uzi’s op drie burgers die met hun rug tegen de wand zaten. De drie schutters keken in
    de richting van de rivier. (ordner IV, blz.. 196). De drie anderen keken in mijn richting. Ik zag en
    hoorde dat zij schoten. Zij maaiden met hun uzi’s heen en weer. Ik zag de drie burgers
    schokken en voorover hangen. Nog toen wij thuis waren had ik horen schieten. Daarom denk ik
    dat de executies al waren begonnen toen wij op het Fort kwamen. Dit gebeurde allemaal
    overdag. Ik weet niet meer op welke dag van de week en op welke datum het was. Het schieten
    is tot in de avonduren doorgegaan.
    (…) Toen wij naar boven gingen, gebruikten wij de buitentrap. Ik zag toen in een diepe put
    burgers in ondergoed. Dat was heel ongewoon. Ik heb daar in elk geval Derby herkend.
    Toen Horb na 15 a 20 minuten uit het kantoor van Bouterse kwam was hij ook kwaad. Hij zei
    toen: ik kan niet meer met deze man. “mie no mangnangamang dies moro; a mang dies e
    weriemieede.”. Hij gebruikte ook vulgaire termen. Hij had een brief of een verklaring in zijn
    hand. Toen ging hij in een ander vertrek. Slagveer kwam. Hij werd gebracht door militairen.
    Horb heeft hem ondervraagd. Ik stond erbij.
    (…) Ik heb eerder geen verklaringen over de decembermoorden afgelegd omdat ik daarvoor te
    bang was.” (ordner IV, blz.. 197).
    Deze verklaring van [getuige 37] bij de RC is als voorgelezen beschouwd op de
    terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 09 juni 2010
    15) Proces-verbaal van [getuige 38], inhoudende de verklaring die hij bij de RechterCommissaris onder ede heeft afgelegd d.d. 15 juni 2001, waarbij hij – voor zover relevant,
    het volgende heeft verklaard:
    “(…) Ik behoorde in feite tot de Echo- Compagnie waarvan Gorré de commandant was. Op die
    bewuste dag viel het mij op dat er een verhoogde staat van paraatheid binnen het Fort te
    bespeuren was. Vrijwel iedereen was zwaar bewapend. U moet weten dat het kantoor waar ik
    mijn werkzaamheden verrichtte rechts boven was.
    Ik ben gewoon achter mijn bureau gaan zitten totdat ene soldaat Sabajo bij mij kwam. Zijn
    voornamen zijn mij thans ontgaan.
    (…) U moet weten dat ik schoten had gehoord voordat Sabajo bij mij kwam in de kamer. Ik denk
    dat het zo omstreeks negen of tien uur in de morgen kon zijn. Sabajo deed de uitlating zoals in
    mijn verklaring bij de M.P. opgenomen en vroeg mij of ik niet wilde gaan kijken.
    50
    Ik gaf hem te kennen dat ik nog bezig was en later zou gaan kijken. Op uw vraag vanuit welke
    richting ik de schoten hoorde verklaar ik u van achteren. In feite van de rivierzijde. Ik zat n.l. aan
    de voorkant van het gebouw. Eigenlijk zijn Sabajo en ik niet normaal gaan kijken, doch wij
    hebben vanuit de barakken naar buiten gepiept en zag ik drie personen, die volgens mij dood
    waren. De mannen waren gekleed in een korte onderbroek, met bloot bovenlijf en ongeschoeid.
    Ze lagen allemaal op hun rug en was het duidelijk te zien dat zij niet meer leefden.
    U moet begrijpen dat ik vanuit een afstand heb gekeken.
    Ik heb van ongeveer 7 tot 8 meter afstand mannen die daar lagen waargenomen. Ik heb
    duidelijk schotwonden kunnen waarnemen. De schotwonden waren voornamelijk te zien op het
    bovenlichaam.
    De mannen lagen met hun hoofd naar de rivierzijde.
    (…) Zoals uit mijn verklaring bij de M.P blijkt zat ik tegen één uur ’s middags samen met de
    anderen in de keuken te eten en hoorde ik weer schoten.
    De schoten die ik hoorde typeer ik als vuurschoten en wel kort na elkaar. De schoten hebben
    slechts enkele seconden geduurd. Het is juist dat de keukenruimte zich bevond op de begane
    grond en wel schuin tegenover de plaats waar ik de drie mannen zag liggen.
    (…) Tegen één uur in de nacht van 8 op 9 december 1982 moest ik de wacht kloppen op de
    plaats waar ik eerder de mannen had zien liggen. Het bleek mij toen dat er 8 lichamen aldaar
    waren die in groene bodybags waren geplaatst. In feite heb ik 8 bodybags gezien en heb ik
    aangenomen dat daarin lijken waren verpakt.
    Op uw vraag wat ik nog meer heb waargenomen tijdens het kloppen van de wacht moet ik u
    zeggen dat ik op een afstand vier tot vijf meters van de bodybags in de gang een manspersoon
    zag zitten. Ik kende de man niet.(…) Voorzover ik weet was de man gekleed in een shirt jack en
    had schoenen aan. De man zat op de vloer. Na ongeveer een uur op wacht te hebben gestaan
    mochten wij de plaats verlaten. Ik zag de manspersoon nog altijd daar zitten.
    (…) Het is wel juist dat de personen van Gorré, Mohammedsaid, Djojoatmo en Burger op die
    bewuste nacht de leiding hadden.
    Na één uur in de nacht hoorde ik wederom schoten. U moet weten dat ook bij de ingang van het
    Fort geschoten werd.
    Om duidelijk te zijn hoorde ik schoten vanuit de achterzijde en tegelijkertijd aan de voorzijde van
    het Fort. Naar mijn mening waren de schoten bij de ingang meer een afleidingsmanoeuvre. De
    schoten hoorde ik in feite tussen één uur en twee uur in de nacht.
    Ik heb mij daarna te ruste begeven. Bij daglicht zag ik dat een blauwe pick-up de binnenplaats
    van het Fort werd opgereden tot naar achteren, waarna de groene bodybags in de laadbak
    werden geplaatst. Ik heb hieraan niet deelgenomen. Ik weet niet hoeveel bodybags zijn
    ingeladen.”
    16) Verklaring van [getuige 38], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 25 juli 2008, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het volgende
    heeft verklaard:
    “Ik persisteer bij de verklaring afgelegd bij de Rechter- Commissaris. Ik was op 8 december
    1982 wel aanwezig in het Fort. Ik hoorde tegen 9.30 uur in de morgen schoten en ik dacht dat
    men bezig was met het uittesten van wapens. Er was gewoonlijk appel om 07.00 uur ‘s
    morgens. Op 8 december 1982 was er alarm geslagen. Er was geen appel. Alarm was
    geslagen, dus de mannen waren paraat. (…) Ik was administrateur in het Fort. Op die dag
    waren mannen in hun gevechtstenue. Normaal waren zij zonder een wapen. Op die bewuste
    dag waren zij zwaar gewapend.
    Mijn kantoor was rechtsboven. Op de plattegrond van het Fort is dat te zien boven op de kaart
    halverwege nummer 1.
    51
    Sabajo was degene die zei: “Ding man klaar wan toe man drape”. Na een half uur ben ik samen
    met hem gaan kijken, achterop bij de rivierzijde. Ik zag drie lijken in een onderbroek. Ze lagen
    op hun rug. Ik had die personen voor het eerst gezien. Ik had Sheombar herkend. Die andere
    twee mensen waren licht van kleur en van het gemengd ras. Ze hadden schotwonden in de
    buikstreek. Ik heb geen bloed gezien. Ik heb geen vragen gesteld, ondanks we dat gezien
    hadden. Ik heb gewoon niets gevraagd. Tegen 13.00 uur heb ik weer schoten gehoord.
    Daartussen heb ik niets gemerkt. Ik wilde niet meer kijken. In de ochtenduren wilde ik wederom
    gaan kijken, maar Sabajo zei dat liever niet te doen. (…) Gorré was in het Fort. We waren
    geconsigneerd door één van de kaderleden. Van 8 op 9 december 1982 moest ik tegen 01.00
    uur in de nacht wacht houden. Ik zag 8 licht groen/blauwe bodybags. Vermoedelijk waren er
    lijken daarin. De bodybags waren niet besmeurd met bloed.
    Ik zag op 4 of 5 meter afstand Kamperveen zitten. Kamperveen zat in de gang aan de oostelijke
    zijde op een afstand van ongeveer 3 m. Hij zag er bleek uit. Hij zat op de vloer. Plat, met zijn
    voeten op de vloer. Ik heb Kamperveen af en toe op en neer in de gang zien lopen. Hij heeft mij
    niets gezegd. Ik heb niet met Kamperveen gesproken. De Onder-officieren, waaronder
    Mohamedsaid, die daar aanwezig waren hadden de leiding. Voorts waren in het Fort aanwezig:
    Sabajo, Kabalafodi, Tjaitsingh, De Graav, Boldewijn, Thym, Van Ravenswaay, Ansoe,
    Jankipersadsingh, Jagmohan en nog een paar anderen. Ik hoorde schoten zowel aan de
    achterzijde als aan de voorzijde van het Fort. Die mannen waren achter bezig te schieten, dus
    de schoten voorin waren volgens mij een afleidingsmanoeuvre. Ik ben gaan slapen in 1 van de
    barakken in de linkervleugel, boven op de kaart met nummertje 4 vermeld. In een barak sliepen
    er ongeveer 18 tot 20 mannen, namelijk de jongens die ik eerder noemde. Pas na een poos ben
    ik in slaap gevallen. Bij daglicht heb ik een blauwe pick-up waargenomen. Een paar jongens,
    waaronder Kabalafodi, waren bezig met inladen van de bodybags.
    Pas nadat ik de lijken had gezien, begreep ik dat er op mensen geschoten werd. Ik was wel
    heel erg somber hieromtrent.
    (…) Ik mocht alleen in de voorvleugel zijn. Op de plattegrond was dat het gebied genummerd
    met het gedeelte voor 4,5 en 1. Tot de trap bij nummer 1 mocht ik zijn. Ik bevond mij bij de
    hoofdingang. Bij de hoofdingang heb je Bastion Veere. De lijken waren op de grond bij Bastion
    Veere.”
    17) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 8], in het bijzijn van mr. A.
    Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van
    Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van
    de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 16 september 2002 in Nederland in het
    kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door mr. F.Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier,
    (Ordner IV, blz.. 204 -206),waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:
    “(…) Op 7 december 1982 heb ik van 06.30 tot ongeveer 10.30 uur getraind met de atleten.
    Toen kwam de chauffeur ons ophalen, omdat wij ons moesten aanmelden. Ik heb mij in de
    kazerne gemeld bij mijn directe baas, Bhagwandas. Hij zei dat de toestand in het land
    alarmerend was. (…)Op het Fort Zeelandia werd ons medegedeeld dat er een verhoogde staat
    van paraatheid was. Ik heb daar toen geen abnormale bewegingen waargenomen. Ik wist dat
    de Echo-Compagnie daar ook was gehuisvest. Ik heb Bouterse daarbinnen gezien.
    (…) Er werd een briefing gehouden voor de groep van 16. Ik weet niet meer wie dat deed. Ik
    meen Bhagwandas. Gewoonlijk had Bouterse eerst het woord en droeg hij het woord over aan
    Bhagwandas voor de uitvoering van een operatie. Nu werden ons namen genoemd van mensen
    die gearresteerd moesten worden.
    Daartoe werden wij in groepen verdeeld. Ik heb met Dindoe(lees verder: Dendoe) en nog een
    soldaat, en een burger (dogla type) eenman van Hindoestaanse afkomst opgehaald. Hij was
    jong en slank. Hij woonde in Paramaribo-Noord. (…) Ik denk dat het Baboeram was. Dindoe
    52
    ( Lees: Dendoe)had de leiding. De burger had de woning aangewezen. Wij waren naar het huis
    gereden, in mijn Volkswagen-kever. De soldaat heeft direct de hond doodgeschoten toen die
    blafte. Ik heb hem verder uit de woning gehouden. Dindoe is de man uit zijn kamer gaan halen.
    Ik bleef in de woonkamer. De vrouw vroeg waarom dit allemaal was. Dindoe zei dat ze dat wel
    zou horen. Ik heb niets gezegd. Het was niet nodig. De man is rustig meegegaan. Ons was
    gezegd dat de mensen die gearresteerd moesten worden, gevaarlijk waren, maar ik dacht niet
    dat deze persoon enig gevaar voor ons betekende.
    (…) Het klopt dat de telefoon onklaar is gemaakt. Dat heeft die soldaat gedaan. Het kan
    inderdaad kloppen dat hij in de woning is achtergelaten.
    (…) De arrestaties vonden plaats na middernacht, voorzover mij bekend. Wij hebben de
    arrestanten overgedragen in het Fort. Ik weet niet aan wie. Daarna had ik niets meer te doen. Ik
    ben met anderen op het pleintje gebleven om te zien wie er binnen kwamen.
    Ik kan me herinneren dat de lijfwachten van Bouterse van beneden naar boven heen en weer
    liepen. Ik heb in elk geval Lewis gezien en Roozendaal, en Dijksteel. (…) Bouterse was boven.
    Bhagwandas was daar ook. De verdachten waren ook aan die kant.
    Ik verkeerde in de veronderstelling dat na de arrestaties een proces zou volgen en dat dan zou
    blijken hoezeer die personen de samenleving aan het ontwrichten waren geweest.
    Op een gegeven moment hoorde ik mensen gillen. Ik hoorde ook geweer- en pistoolsalvo’s. Ik
    weet niet hoe laat het was. Het was nog nacht. Iedereen vroeg zich af wat er aan de hand was.
    Wij dachten: “dit is een zwaar verkorte procedure.” Wij konden ons zoiets niet voorstellen. Gorré
    kwam naar mij toe en zei: “Dit is toch zinloos!”. Ik was verbaasd,omdat ik dacht dat hij als één
    van de hoogste bazen op de hoogte was. Als tweede kwam Tolud naar mij toe, die precies
    hetzelfde zei. Ook daarover was ik verbaasd, omdat ik dacht dat als er zoiets gebeurde, hij er
    welbij betrokken zou zijn. Hij stond namelijk bekend als dom en wreed. Voor mij stond wel vast
    dat ze bezig waren de gearresteerde personen om te brengen. Ik weet dat Bouterse daar op het
    Fort aanwezig was. Zijn lijfwachten waren er en ik heb hem zelf minstens één keer van beneden
    naar boven zien gaan.
    (…) De volgende dag zijn de lijken in vrachtwagens naar het mortuarium gebracht. Ik was op
    één van de vrachtwagens. Ik weet niet wie de leiding had. Ruimveld was erbij.”
    18) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 39] (in december 1982
    verbindingsman bij de Echo-Compagnie) Rechter-Commissaris d.d.19 augustus 2002 in
    het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door
    de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV). De hiervoor genoemde getuige heeft –
    voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard:
    “(…) Ik kan mij herinneren dat op 7 december 1982 ik na een oproep gemeld heb in het Fort
    Zeelandia. Vanaf die dag tot 9 december 1982 bevond ik mij in het Fort Zeelandia. In feite
    waren wij als militair in die periode geconsigneerd. Het viel mij op dat er een ongewone situatie
    heerste. Binnen het Fort zelf viel het mij op dat er meer beweging was dan normaal.
    (…) Als ik mij niet vergis heb ik de persoon van FRANK WIJNGAARDE, die naderhand om het
    leven is gebracht op het binnenplein van het Fort Zeelandia gezien. (…) Aan de toon van
    BHAGWANDAS kon ik uitmaken dat WIJNGAARDE niet vrijwillig daar stond.
    (…) In de nacht van 7 naar 8 december 1982 heb ik wel horen schieten. Schoten bleken
    afkomstig te zijn uit de omgeving van het Fort Zeelandia. Op wie en waarop er geschoten werd
    kon ik niet uitmaken. Op dat moment was wel een beetje bekend geworden dat bepaalde
    burgers waren opgehaald en binnengebracht in het Fort Zeelandia.
    (…) Ik heb gezien dat lijken in tentzeilzakken naar beneden werden gebracht. Dit vond plaats in
    de ochtenduren. Ik kan mij nog herinneren dat de persoon van ASEDOEBA daar ook bezig was.
    Wat hij precies deed kan ik mij niet meer herinneren.
    53
    (…) De lijken werden getransporteerd in een blauwe pick-up. Ik heb ook bloed waargenomen
    aan de verschillende tentzeilzakken. Alleen de persoon van GORRE was toen aanwezig als één
    van de groep van zestien.”
    19) Verklaring van [getuige 40], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 20 maart 2009, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het
    volgende heeft verklaard:
    “(…) In juni 1982 was ik ingedeeld bij de Echo- Compagnie.
    (…) De Bermuda driehoek is op de plattegrond aangegeven met nummer D. Dat gedeelte met
    nummer 3 aangegeven, daar zou de secretaresse van de Bevelhebber zitten. Ik ben nooit in het
    kantoor van de secretaresse geweest. Ik was niet bevoegd om daar te zijn. Dat had Gorré ons
    medegedeeld. Gorré was niet van de marine. De boot S402 was onder operationeel bevel van
    de Echo- Compagnie van Luitenant Gorré. De boot was ter plaatse. De twee commandanten,
    Gorré en Brondenstein spraken af. Ik heb gezegd dat de Echo Compagnie niet bij betrokken
    was, omdat we daarvoor geen waarschuwingsbevel en er geen operatiebevel was. Ik zou niet
    weten of bepaalde leden van de Echo Compagnie ook betrokken waren bij het gebeuren op 8
    december 1982.
    (…) Na 8-9 december 1982 heb ik begrepen via de media dat er mensen waren omgebracht.
    Op 8 december 1982 was ik omstreeks 6.30 – 6.15 uur in het Fort. Ik zag mensen op hun post.
    Normaliter werd het Fort binnen beveiligd. Je had voor de ingang van het Fort een post. Bij de
    Marinetrap, buiten het Fort, was fase 2. De collega’s waren buiten. De eerste fase was binnen
    het Fort. Bhagwandas kwam er wel, maar het tijdstip, zo vroeg ’s morgens was vreemd. Waar
    de ingang was zag ik Bhagwandas op en neer lopen van het kantoor van Bouterse naar het
    kantoor van Gorrè.
    (..) Bhagwandas of de wachtcommandant had de mededeling gedaan dat wapens zouden
    worden uitgetest. Bhagwandas had de mededeling gedaan. De lijfwachten hielden zich achter in
    het Fort bezig. Het klopt, in de nacht van 8 december 1982 was het stiller dan normaal. Normaal
    was er een ontspannen sfeer. Het leek van wel dat er een spanning was die nacht.
    (…) De Echo-Compagnie werd ingezet om nutsbedrijven te beveiligen. Normaliter moet er een
    operatiebevel zijn. Eerst moet er een waarschuwingsbevel zijn. Het is onmogelijk eerst te
    opereren en daarna achteraf een waarschuwingsbevel en operatiebevel op te maken. Vóór 8
    december 1982 heb ik nooit een operatiebevel noch een waarschuwingsbevel gehad. Zo’n een
    bevel gaat uit van de Commandant. De Commandant geeft een waarschuwingsbevel aan de
    manschappen. Ik heb geen waarschuwingsbevel van Bhagwandas of Gorrè gehad. Op 8
    december 1982 was ik geconsigneerd. Op 7 december 1982 was alles normaal op het werk(…)
    Vóór 8 december 1982 waren we van niets op de hoogte. Er was geen waarschuwingsbevel. Je
    hoort dat je bent geconsigneerd. Later hoor je dat burgers zijn binnengebracht. Ik weet van
    niets. Een alarmsituatie wil zeggen dat er geen normale situatie was. Er is een dreiging naar
    ons toe, dus moest er extra beveiliging zijn. Het is logisch dat tijdens een alarmsituatie wapens
    worden uitgetest. Normaal kon je misschien een persoon van de groep van 16 zien, maar voor
    het eerst waren er zoveel tegelijk daar aanwezig. Daarom is het mij bijgebleven. Op 8 december
    1982 kon je bepaalde plaatsen niet betreden. Overal, behalve de ruimte van de Bevelhebber,
    kon je voor 8 december 1982 betreden. Als lid van de Echo-Compagnie kon je voor of na 8
    december 1982 de kantoorruimte van Bouterse niet betreden.”
    20) Verklaring van [getuige 40], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 19 maart 2010, op welke terechtzitting hij voor zover relevant het
    volgende heeft verklaard:
    “De Echo- Compagnie was gehuisvest in het Fort Zeelandia. (…) Er waren instructies waar wij
    niet mochten gaan. We mochten niet bij het kantoor van de bevelhebber. We mochten vanaf het
    begin niet bij het kantoor van de bevelhebber.
    54
    (…) Op 8 december 1982 heb ik Bhagwandas in het Fort gezien. Het Fort was niet zijn
    werkplek. Ik kan mij herinneren dat ik Mahadew heb gezien in het Fort op 8 december 1982.
    (…) Bhagwandas was op dat moment, dus op 8 december 1982, mijn militaire meerdere. Hij kon
    mij dus de opdracht geven om bepaalde delen van het Fort niet te betreden ongeacht het feit
    dat het Fort niet zijn werkplek was. Op 8 december 1982 mocht ik links boven, rechts boven en
    rechts onder van het Fort niet betreden. Die instructie had ik op 8 december 1982 van
    Bhagwandas gehad. Voor 8 december was het normaal om de plekken te betreden. Bij het
    kantoor van de bevelhebber mochten wij niet gaan. Ik was de persoon aan wie de instructie was
    gegeven.
    Er was een mededeling gedaan dat er wapens zouden worden uitgetest. Ik weet niet wie de
    mededeling aan ons had doorgegeven. Wij waren voorin en er werd ons gezegd dat wij niet
    moesten schrikken als wij schoten hoorden. ”
    21) Verklaring van [getuige 41] afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 07 januari 2010, op welke terechtzitting hij voor zover relevanthet
    volgende heeft verklaard:
    “Bij de Echo- Compagnie kwam ik rond 1981. (…)Op 8 december 1982 kwam ik omstreeks
    07.00 uur ’s morgens binnen. Ik heb mij aangemeld bij Martowidjojo. Ik kreeg gelijk de instructie
    om te checken hoe het zit met de wapens. De mensen gingen op posten met hun wapens. De
    alarmsituatie destijds kan ik mij niet meer herinneren. Ik heb Commandant Gorré zelf gezien die
    dag. We waren geconsigneerd. Ik heb Bhagwandas, Mahadew en Horb ook gezien die dag. Ik
    kan mij niet heugen hoeveel burgers ik gezien heb die dag in het Fort.
    (…) Ik was soms in de wapenkamer. Ik hielp Jagmohan ook. We waren beiden geconsigneerd in
    de wapenkamer. Ik moest af en toe checken of de wapens in het complex niet in een
    gespannen toestand waren achtergelaten. We moesten paraat zijn want we zouden
    aangevallen worden. Als de informatie kwam dan moest je paraat zijn. Je wist niet wie de
    mensen waren. Door wie de burgers werden binnengebracht, kan ik mij niet meer heugen. Om
    19.00 uur zou ik verzameld zijn door commandant Gorré.
    Ik moest naar de barakken. Ik was geconsigneerd. (…) Als je in confrontatie kwam met
    Bhagwandas had je problemen. Bhagwandas was een heel fanatieke jongeman. Hij was heel
    moeilijk. Hij was belast met het binnenbrengen van mensen. Ik heb Bouterse op die dag niet
    gezien. Ik zag mensen wel naar zijn kamer gaan.
    (…) Ik weet niet wie geschoten heeft. Als de opdracht is gegeven dat jij je niet mag verplaatsen,
    moet jij je eraan houden. Ik wijs u aan dat de barakken bij 2e waren. Het was de ruimte links
    achter op de bovenverdieping boven Bastion Veere.
    Het gedeelte bij Bastion Veere was gebarricadeerd. Aan alle deuren waren er grote sloten. Ik
    bedoel een aantal uren daarna. Ik kan mij niet heugen. Ik zag bloedsporen. Het gaat niet om
    meters. De oppervlakten kan ik mij niet heugen. Het was een situatie waarbij ik dacht dat er
    mensen verongelukt waren.
    (…)Tijdens mijn periode heb ik niet meegemaakt dat het Fort Zeelandia werd aangevallen door
    derden.”
    22) Verklaring van [getuige 42], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 17 april 2009, op welke terechtzitting hij – voor zover relevant – het
    volgende heeft verklaard:
    “(…) De ruimte van het kabinet van de Bevelhebber is op de plattegrond aangeven met het
    nummer 3 en daarboven was zijn kantoor. Het klopt. De verdachte kwam naar binnen. Hij ging
    naar het kabinet. Hij was in zijn uniform gekleed. Ik kan mij niet herinneren of ik door de dag
    heen schoten heb gehoord. Ik hoorde schoten voorin, waar de vlaggenmast is. Voorbij de wacht
    was er een punt vijftig. Bij de vlaggenmast was er een vierling. Ik bevond mij in kamer 2 toen ik
    de schoten hoorde. Daar was de Legeringskamer. Ik hoorde de schoten aan de voorkant en
    55
    waar de vlaggenmast was. Martowidjojo was buiten. Hij schreeuwde van buiten naar ons
    binnen, dat we niet naar buiten moeten gaan. Ik was geconsigneerd op 7 december 1982 vanaf
    06.15 uur. Ik denk dat Luitenant Gorré ons had geconsigneerd. Bouterse, Gorré en
    Bhagwandas waren er wel ook. We moesten binnen zijn en mochten het Fort niet verlaten. Ik
    ben met de bus naar het Fort gegaan en binnen aangekomen kreeg ik te horen dat ik
    geconsigneerd was.
    (…) Nadat ik Bouterse heb zien lopen naar zijn kabinet, heb ik hem niet meer gezien. Op die
    dag was het licht uit tijdens het alarm.
    (…) Ik was in de ruimte van de Echo Compagnie. In de ruimte was de legering van de soldaten.
    Er waren wel ramen, maar ze waren dichtgemaakt. Het waren houten ramen, die normaal wel
    open stonden. Op die dag van 8 december 1982 stonden de ramen wel open, maar die nacht
    waren ze gesloten. Onderling spraken we niet met elkaar. Die avond na 02.00 uur in de ochtend
    hoorde ik schoten. We zijn in dekking gegaan in de kamer.
    Als soldaat moet je “ja en amen” zeggen (…) We hebben op die bewuste dag van 8 december
    1982 geen informatie gehad. Als soldaat moet je wachten op instructies, namelijk totdat de
    Sergeant aangeeft dat je moet verzamelen, anders krijg je straf.
    (…) Ik heb ruim een kwartier constant schoten gehoord met een punt 50 en met de vierling. Ik
    heb geen mitrailleur gehoord. Een uzi zou ik wel kunnen herkennen.
    (…) Ik heb geen opdrachten van Gorré gehad. Indien er een aanval gepleegd wordt op een
    militair object, is het normaal dat de lichten worden uitgeschakeld. Om 02.00 uur in de nacht
    waren de lichten uit. Het was normaal. Ik heb Bouterse omstreeks 06.15 uur gezien. Daarna
    heb ik hem niet meer gezien.”
    23) Proces-verbaal van [getuige 43], inhoudende de verklaring die hij bij de RechterCommissaris onder ede heeft afgelegd d.d. 22 januari 2002, waarbij hij – voor zover
    relevant, het volgende heeft verklaard:
    “(…)Toen ik op 8 december omstreeks 7 uur ’s morgens in dienst kwam, viel het mij op dat een
    aantal burgers opgesloten stonden op de binnenplaats van het Fort Zeelandia. In de
    onmiddellijke nabijheid zag ik de lijfwachten van de toenmalige bevelhebber Bouterse. Op uw
    vraag of ik mij de namen nog kan herinneren, geef ik u te kennen dat Lewis en Clydesdaal op
    dat moment deel uitmaakten van de groep lijfwachten.
    (…) Op uw vraag of de lijfwachten, die in de onmiddellijke nabijheid van de burgers stonden
    gewapend waren, moet ik u verklaren dat enkele wel wapens bij zich hadden. Enkele hadden
    uzi’s en andere pistolen bij zich. De situatie die ik had waargenomen was in ieder geval een
    grimmige. Bij de overname van de dienst op 8 december, d.w.z. bij het voortzetten de dienst op
    8 december heb ik begrepen, dat de commandant Gorré de instructie had gegeven, dat er geen
    familieleden van de burgers en/of andere burgers en de pers toegelaten moeten worden in het
    Fort. Uitgaande van mijn waarneming, dat de lijfwachten van Bouterse daar aanwezig waren
    moet worden aangenomen dat de persoon van Bouterse zich in zijn kantoor zou moeten
    bevinden, althans in het Fort. Ik heb hem echter niet gezien. U moet weten dat wij geen toegang
    hadden tot dat gedeelte van het Fort Zeelandia waar het kantoor van de heer Bouterse was
    ondergebracht.
    (…) Op een goed moment toen ik mij weer op het binnenplein van het Fort bevond, merkte ik op
    dat de burgers door de lijfwachten werden gedirigeerd naar de richting van het kantoor van de
    heer Bouterse. U moet weten, dat er door de commandant Gorré alsook door de lijfwachten was
    doorgegeven, dat wapens zouden worden uitgetest en dat wij niet in paniek moesten raken.
    Inderdaad werd er de hele dag door met tussenpozen geschoten. De schoten waren meer
    afkomstig van de achterzijde van het Fort zeelandia, d.w.z. de zijde van de Surinamerivier. Op
    uw vraag of ik daarbij mensen heb horen schreeuwen of gillen moet ik u ontkennend
    antwoorden. Wel was het zo, dat andere burgers in en uit kwamen. Ik meen te weten dat deze
    burgers bij de bevelhebber gingen.
    56
    Ook in de avonduren is er geschoten.
    (…) In de nacht van 8 op 9 december 1982 waren de lichten van het Fort Zeelandia uitgemaakt.
    Dit was overigens normaal wanneer er alarm was.
    Voorzover ik mij kan herinneren is er alleen binnen het Fort geschoten. Op uw uitdrukkelijke
    vraag of manschappen van de Echo compagnie aanwezig waren in het Fort op 8- en 9
    december, moet ik u bevestigend beantwoorden. Van de personen van Rozendaal en Zeeuw
    weet ik ook zeker dat zij in die periode ook aanwezig waren in het Fort Zeelandia. Van anderen
    weet ik dat niet zo zeker.”
    24) Verklaring van [getuige 43], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 20 februari 2009, op welke terechtzitting hij – voor zover relevant – hij
    onder meer het volgende heeft verklaard:
    “(…) Op 8 december 1982 kwam ik om 07.00 uur aan in het Fort. Ik zag burgers opgesteld. Ik
    zag de lijfwachten van Bouterse in de onmiddellijke nabijheid. Dat waren onder andere,
    Dijksteel, Kempers, Lewis misschien ook. Klopt, Clydesdaal ook. De burgers heb ik gezien. Het
    waren meer dan tien burgers. Bekenden waren: Kamperveen en Slagveer. De rest kende ik
    niet. (…). Mijn kantoor was pal tegenover het kantoor van Bouterse. Op de plattegrond is dat
    aangeduid met nummer 7, waar ook Gorré zijn kantoor had. (…) Het was een open ruimte met
    drie bureau’s. In geval Martowidjojo er niet was, volgde ik in rang. Ik heb geen vragen gesteld
    over de burgers die ik gezien had. Ik kon de Commandant niet vragen over het gebeurde.
    Iedereen was gewapend. Anderen droegen een uzi, anderen een vuistvuurwapen. De situatie
    was grimmig. Als mens en een militair voelde je aan dat het geen normale situatie was. Er was
    een alarmplan. Dat hield in dat bij calamiteiten in opdracht van de Commandant, het plan in
    werking trad. Dat was op die dag gedaan door mijn voorganger. Je komt, neemt over en aan de
    hand van de bijzonderheden is gebleken dat het alarm in werking was. Er waren meer militairen
    op de been dan normaal. De militairen waren geconsigneerd. We praten in militaire termen over
    graden van paraatheid.Bij consignatie en een alarmwerkschema is iedereen aanwezig. Dat was
    toen het geval. Het was tot nader orde. Ik heb de dienst van iemand anders overgenomen. Ik
    was belast met de beveiliging van het Fort. Gorré had instructies gegeven aan Martowidjojo en
    Martowidjojo aan mij. Ik heb geen familieleden van de burgers in het Fort Zeelandia gezien. Ik
    heb Bouterse op 8 december 1982 niet zelf gezien in het Fort. Zijn lijfwachten waren er wel. In
    die tijd was Geer secretaresse van Bouterse. Ze was iemand die niet tolereerde dat militairen
    op haar kantoor kwamen, laat staan bij Bouterse. Bouterse kwam niet altijd via dezelfde ingang.
    Hij woonde naast het Fort. Als hij er eerder was, zag je hem niet. Als je aankomt, neem je de
    bijzonderheden van de dag door.
    Voor die dag moest ik de wacht overnemen en instructies geven. Op een goed moment was ik
    op het binnenplein van het Fort. Burgers werden gedirigeerd naar het kantoor van Bouterse. De
    instructies dat er wapens getest zouden worden in de vooravond van 8 december 1982 kwamen
    van Martowidjojo. Een paar keer in de avond, namelijk drie tot vier keer zijn er schoten gehoord.
    Ik dacht dat er met uzi’s geschoten werd. In ieder geval semi-automatische wapens. Het waren
    geen schoten na elkaar, maar met tussenpozen van seconden. Vanuit de achterzijde bij Bastion
    Veere hoorde ik schoten. Ik heb niemand horen schreeuwen en gillen. Ik heb burgers in en uit
    zien gaan naar het kantoor van Bouterse. Overdag is er 1 of 2 keer geschoten. In de late
    middag waren er weer schoten, nadat de instructies waren gegeven dat er wapens uitgetest
    zouden worden. Ik dacht dat zaken niet normaal waren. Het probleem was dat je bij niemand
    terecht kon. Je had wel je vragen, maar daarover kon je niet uitwijden. Er waren instructies die
    hoorden bij de intreding van alarm. De lichten werden bijvoorbeeld uitgemaakt. Rozendaal en
    Zeeuw waren er ook.
    (…) Ik heb een blauwgelakte pick-up rond 06.30-07.00 uur gezien. Ik zag voorwerpen die met
    witte lakens bedekt waren. We mochten daar niet komen. Ik heb die lakens en het voertuig
    gezien.
    57
    Er is een keuken en dan een weggetje langs de rivier, daar zag ik de pick-up.
    (…) Je komt binnen, ziet mensen staan, ik richting kantoor. Gorré bevond zich op kantoor. De
    woning van Bouterse was rechts van het Fort. Er waren twee gebouwen. De ene was pal naar
    het Fort Zeelandia in de richting van Bastion Zierikzee. Hij woonde daar met zijn vrouw en
    kinderen. Er was een boot aangemeerd bij de Marinetrap of achter het Fort Zeelandia op 8
    december 1982. De vierling was in de garage aan de achterzijde van het Fort. De echte reden
    waarom het daar opgesteld was, weet ik niet. Op 8 december 1982 was de vierling niet meer op
    het pleintje zoals gewoonlijk. Ik meen te weten dat Bhagwandas op 8 december 1982 in het Fort
    was. Het was niet gebruikelijk dat hij daar was. Dat hij de machtigste man was toen, misschien
    niet. In elk geval was Bouterse toen voor ons de machtigste man. De macht was toen in handen
    van de militairen.
    (…) De open ruimte is de kleine driehoek op de plattegrond aangegeven met D. Op een
    gegeven moment zijn alle mensen begeleid naar dat deel door de lijfwachten van Bouterse en
    Horb. Of er lijfwachten van Bhagwandas waren, weet ik niet. Die ruimte werd “Devil” genoemd.
    In die periode kwamen de pers, fotografen en mensen met camera’s richting het Fort. Dat was
    in de late middag van 8 december 1982, na 15.00 uur. Rondom het Fort was afgezet in
    opdracht van de Commandant. Rondom de Marinetrap voorin en waar de Militaire Politie was,
    werd afgezet. Het doodschieten van de burgers heb ik persoonlijk niet meegemaakt.
    De volgende dag ben ik zo snel mogelijk naar huis gegaan. Ik heb Martowidjojo gebeld. Hij zei:
    “we kunnen ons liever erbuiten houden, het gaat ons niets aan.”.
    (…) De groep van 16 was te herleiden naar de coupplegers van 1980.
    De meesten waren in het Fort aanwezig. Ze kwamen niet vaker vergaderen in het Fort. Het
    klopt. Geer had niet graag dat militairen daar kwamen. De groep van 16 had wel vrije toegang.
    Geer was geen militair. Militairen van de Echo-Compagnie mochten niet bij Geer op kantoor.
    Voor ons was het verboden terrein. Leden van de groep van 16 gingen wel vrijelijk bij Geer.
    Militairen konden niet naar dat gedeelte, dat wilde ze niet. Mevrouw Geer was op de begane
    grond. Bouterse was op de bovenverdieping.
    (…) Op dat moment was Bouterse de Bevelhebber. Bij de groep van 16 had Bouterse de leiding,
    ook bij de NMR. De heer Bouterse zat al die instituten voor. Een militaire actie zou niet
    ondernomen kunnen worden, zonder dat de machtigste man dat wist.
    (…) Bij militaire acties wordt alles tot in de details uitgewerkt.
    Hetgeen gebeurd was, was geen normale actie. Het was ook geen militaire actie.
    Militaire acties zijn omschreven. We kennen geen draaiboek, maar een operatiebevel. Het is
    dan helemaal omschreven. Een draaiboek komt niet voor bij de militairen. Er waren drie
    inlichtingendiensten. In het leger zijn er stafunctionarissen belast met bepaalde werkzaamheden
    en verantwoordelijkheden. Er was de Sectie 2, S2, Sedney had toen de leiding. De infodienst
    viel onder Linscheer en wijlen Christopher. Die rapporteerden rechtstreeks aan de Bevelhebber.
    De burgerinlichtingendienst was niet bekend bij ons.
    (…) Ik was wachtcommandant op die dag. (…) Op een gegeven moment heb ik Lewis, Dijksteel
    en Kempes gezien. Althans, die heb ik herkend. Ik neem aan dat zoals ze daar stonden, dat ze
    een taak hadden.
    (…) Ik weet niets van voorbereidingen van een coup. De lichten waren reeds uit toen ik het Fort
    binnenkwam. In de nacht van 8 december 1982, het kan tegen 22.00 uur ‘savonds, heb ik
    schoten gehoord. Om 15.00 uur ’s middags heb ik ook schoten gehoord. Die burgers waren op
    kantoor bij Bouterse. Ik heb Bouterse op die dag niet gezien. Ik had sterk het vermoeden dat
    Bouterse er was. Tussen 15.00 en 22.00 uur ’s avonds heb ik de gearresteerden niet meer
    gezien. Ik weet niet of de mensen na 22.00 uur nog leefden. Na 22.00 uur heb ik ook schoten
    gehoord. (…)
    58
    De machtigste man in de militaire hiërarchie was de Bevelhebber Bouterse. Hij was de hoogste
    man in de organisatie. Alles draaide om het Bataljon. “
    25) Verklaring van [getuige 43], afgelegd bij zijn verhoor bij de gerechtelijke
    plaatswaarneming in het Fort Zeelandia van de Krijgsraad d.d. 15 november 2010, bij
    welke gerechtelijke plaatswaarneming hij – voor zover relevant – het volgende heeft
    verklaard:
    “Op 8 december 1982 kwam ik rond 7.00 uur ’s morgens aan in het Fort Zeelandia. Je
    passeerde de wacht. De wacht was voorin en bestond uit één of twee mannen. Binnen, voorin,
    was de wachtcommandant. Aan de linkerkant was de ruimte van Commandant Gorré. De
    Plaatsvervangend Commandant was Martowidjojo en de derde man was ik. Het was een open
    ruimte met drie bureaus. Het viel mij op dat er mensen stonden op de binnenplaats. Ze waren
    opgepakt. Het waren 13 of 14 mensen, in ieder geval meer dan tien burgers. De burgers
    werden door de veiligheidsmannen geleid naar het kantoor van Bouterse. Martowidjojo ging aan
    de overkant, bij de officiersmess. Aldaar werden de bijzonderheden doorgegeven. De schoten
    kwamen vanuit de kant van Bastion Veere. Ik heb een paar keer burgers in en uit het kantoor
    van Bouterse zien komen.
    Wij hielden ons bezig met de beveiliging in het Fort. De beveiliging van de Bevelhebber hield
    zich met dat andere bezig. Een deel van de burgers werd gebracht naar de ruimte van de
    secretaresse, de kleine driehoek. Deze ruimte werd Devil genoemd.
    Waar de trap naar boven leidt, is Bastion Middelburg.
    (…) Ik was er om 07.00 uur ’s morgens. Ik heb mij bij Gorré aangemeld. Ik heb hem toen gezien
    en hij was er tot laat in de avond. In de vooravond of laat in de avond heb ik schoten gehoord.
    (…) Op die dag vond ik het vreemd dat er burgers op het binnenplein waren. Je doet vervolgens
    je werk vanuit je kantoor. Het complex heeft drie gebouwen. Wij waren naar de Bevelhebber. Ik
    was in de Bevelslijn. De Bevelhebber is de hoogste militaire autoriteit. Ik zat met mijn directe
    Commandant Gorré. Het was niet normaal om vragen te stellen over wat er gaande was. Ik
    concludeerde dat het een aangelegenheid van de Bevelhebber was. Mensen kwamen constant
    binnen.
    (…)Op die dag waren er extra veiligheidsmannen in het Fort. Commandant Gorré heeft
    instructies aan mij gegeven.
    Er was geen operatiebevel. Op die bewuste ochtend was het een verrassing. Dat bleek reeds
    voorin, bij de ingang. De wacht was verdubbeld. Ik weet niet of de actie goed voorbereid was of
    gepland was. Het was een actie van de Bevelhebber.”
    26) Verklaring van [getuige 44], afgelegd bij zijn verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 22 juni 2009, op welke terechtzitting hij – voor zover relevant – het
    volgende heeft verklaard:
    “ (…) Op uw vraag waarom ik de situatie op 8 december 1982 abnormaal vond, moet ik u
    zeggen dat de heren met geweren liepen. Normaliter waren de heren bezig met
    werkzaamheden. Er waren op 8 december extra lijfwachten. De hele groep van zestien met
    uitzondering van Hawker, was aanwezig. De Echo Compagnie was meer een familie. Er werd
    onder andere onderling verteld: “ding mang tja wan toe mang iensey”. Ik was er bij daglicht
    omstreeks 06.30 uur. Die ochtend was er geen appel. Als je in consignatie bent, wil dat zeggen
    dat er een verhoogde staat van paraatheid is.
    (…) Het was tegen 07.00 uur – 07.30 uur toen ik genoemde personen zag. Het was bij Bastion
    Zierikzee op de kaart te zien als de driehoek tussen 3 en 4. Ze keken af en toe naar boven en
    spraken mopperend tegen elkaar. Ze fluisterden links en rechts. De groep van lijfwachten van
    59
    de Bevelhebber Bouterse bestond onder andere uit Dijksteel, Lewis, Kempis. Bij de Echo
    Compagnie zag ik jongens als Kopro, Menig, Pika, van Ommeren. De leiding van de Echo
    Compagnie was in handen van Luitenant Gorré.
    Martowidjojo was Compagnies Sergeant Majoor. Er werd gepatrouilleerd. Er was niet persé
    wacht bij die driehoek. Er was geen klauter of houvast in die ruimte, vooral gelet op de hoogte
    van die muren. Er was geen mogelijkheid om van daaruit te vluchten. Praktisch konden die
    mensen niet uit de ruimte. Er is een gevel opgetrokken van baksteen. De andere gevel was ook
    opgetrokken. Het was een hoge wand. Twee gebouwen die verbonden zijn middels een lang
    looppad. De muren waren ongeveer 3,5 tot 4m. De muren van de driehoek waren ongeveer
    3,5m. Twee wanden hadden een kant van 4 m. De korte zijde was ongeveer 2,5 tot 3m.
    Het was in ieder geval een situatie waarbij je heel voorzichtig moet zijn. Nadat er geschoten
    was ben ik even gaan kijken. Je mocht niet opvallen. Je doet alsof je langs loopt en je keert
    gelijk daar. Ik heb gelopen met al mijn tijd. Ik heb goed gekeken, maar niet opvallend.
    Sheombar heeft mij met gebogen hoofd gezegd: “Ken, ik zou je een glas water vragen, maar ik
    weet dat je me het niet gaat kunnen geven en als ik er niet meer ben dan weet je dat er een
    echte militair is weggegaan.”. Ik kon in die situatie niet reageren. Ik kon het water niet geven
    aan hem. Tussen gevel 3 en 4 was er een looppad en er is een ruimte voorzien van een spiegel
    en dan zag je die heren praten. Beneden van het kantoor van Bouterse bij nummer 3 zat de
    secretaresse, daarboven was het kantoor van Bouterse. Kamperveen en Slagveer hadden een
    hemd aan. Ik heb deze mensen hun namen genoemd, omdat ik hen kende. Die andere mannen
    zag ik, maar ik kende hun namen niet. Behalve Hawker heb ik de hele groep van zestien in het
    Fort Zeelandia gezien. Sommigen waren gekleed in een lange groene broek en een hemd of
    trui.
    (…) Tussen de verbindingsdienst en het kantoor van de Compagnies Commandant was een
    deur. Tussen de ruimte van de CSM en de CC was er een verplaatsbare triplex van 1,80m. Als
    verbindingsman was je in de ruimte van de CSM. De functie van een verbindingsman was
    onder andere het doorgeleiden van inkomende telefoongesprekken en uitgaande berichten.
    Korporaal de Graav was mijn meerdere in de verbindingskamer. De CSM en de CC waren
    hiërarchisch mijn meerdere. Vanuit de kamer kon ik niet naar binnen van die driehoek zien. De
    driehoek D was tegenover de kamer. Vanuit de achterzijde kon je dat wel zien. De driehoek D
    was tegenover de kamer. Vanuit de achterzijde kon je dat wel zien. Vanuit de zijde van de CC
    was er geen overzicht op de driehoek. Via de appélplaats heeft Gorré gezegd: “Heren
    ontladen.”. Er zijn schoten gehoord. De Echo Compagnie heeft toen gespannen. Het wachten
    was op het tweede sein om af te vuren. Er is een magazijn op het wapen. De schoten werden
    gehoord aan de achterzijde van de rivier, namelijk het noordelijk deel. Gorré kwam buiten en
    zei: “mannen ontladen”. Je haalt je magazijn uit het wapen. Lokken, controleren of het patroon
    uit de kamer is gehaald. Je houdt het magazijn buiten en die loop in de lucht in een veilige
    richting. Gorré zei: “we hebben niets mee te maken. Het is de Bevelhebber die zijn werk doet.”
    We dachten dat het de lijfwachten van de Bevelhebber waren. Jugwels was verbindingsman
    aan boord van S402, dus bij de Marine. Mohammedsaid heeft om drie uur in de ochtend gezegd
    om te schieten voor vijf of zeven minuten. Ik heb Bouterse tegen 13.00 uur op 8 december 1982
    zien vertrekken. Tijdens zijn afwezigheid is er niet geschoten. Hij kwam omstreeks 19.00 uur
    terug. Ik was bij de ingang voor het gebouw, ik zat. Dus tussen F en E is er een trap van de
    Compagnie Commandant. Ik stond voor het gebouw. De lijken werden via de trap naar beneden
    gebracht en ingeladen. Het was al daglicht. Het was omstreeks 07.00 uur. Ik heb 15 lijken
    gezien in groene tenthelften opgerold. De lijken heb ik in de ochtenduren zien liggen. De
    tenthelften werden gebruikt om de lijken te wikkelen. Dat is na 03.00 uur in de ochtend gebeurd.
    Het Fort Zeelandia was niet afgesloten voor de Echo Compagnie; de ruimte van de
    Bevelhebber wel. Als verbindingsman ben ik in de avonduren meegegaan met de groep om bij
    calamiteiten te melden met een drietonner van de Echo Compagnie. Enkele collega’s waren
    Cabalefodi, Joeroeja, Tjaroeme, Debipersad. (…) Ik stond bij de amandelbomen. Behalve de
    60
    eerste vijf of zes mannen die waren geschoten waren er tegen 03.00 uur in de ochtend weer
    schoten. Ik ben toen tegen 05.00 uur gaan kijken.
    Na de schoten van 03.00 uur in de ochtend zeiden ze dat er andere mannen geschoten waren.
    Onder andere: Oemrawsingh, Sohansingh, Rahman, Bram Behr, Kamperveen, Slagveer. Na de
    schoten hoorde je dus van andere collega’s dat er weer mensen zijn geschoten en dan ging je
    even kijken of je wat kon zien.
    Na de eerste schoten ben ik ook gaan kijken en zag ik onder andere: Rambocus, Sheombar,
    Daal, Baboeram, Eddy Hoost, Goncalves, Leckie. Toen is het gestopt. De overige mannen zijn
    in de ochtend geschoten. Je moet dichtbij gaan om een inschot van voren te kunnen zien. Je
    kijkt niet fijntjes. Je ziet de mannen liggen en weet dat ze dood zijn. Van achteren kon je geen
    kogelinslag zien. Na 13.00 uur heb ik niemand meer in de driehoek gezien. Derby, Slagveer en
    Kamperveen waren bij elkaar. Later is Kamperveen samen met Slagveer weggehaald en
    geplaatst in de gang achter het kabinet van Bouterse. De gang boven met B aangegeven op de
    kaart. Ik heb Derby alleen het Fort zien uitlopen met een lijfwacht die hem de weg wees. Dat
    was in de avonduren op 8 december 1982.
    (…) Er was iets opengemaakt. Bouterse en Derby hadden ongeveer dezelfde lengte. Derby was
    korter. Ze hieven hun glazen. Moeslikan heb ik op 8 december 1982 in het Fort gezien.
    Bouterse en Horb zijn omstreeks 13.00 uur vertrokken en omstreeks 19.00 uur teruggekomen.
    Ik kan u niet zeggen of Vrede de soldaat van de dag was. Ik heb Vrede wel gezien.
    (…) Het gebouw van de Bevelhebber mocht men niet betreden, dat was altijd zo.
    (…) Een ieder van de Echo Compagnie was vrij in beweging binnen het complex met
    uitzondering van het gebouw van het kabinet van de Bevelhebber.
    (…) Ik zag Bouterse omstreeks 13.00 uur het Fort verlaten om vervolgens op dezelfde dag rond
    19.00 uur bij schemering het Fort binnen te komen, achtervolgd door Horb. Rond 20.00 uur –
    21.00 uur heb ik eerst Horb zien vertrekken, gevolgd door Bouterse en zijn lijfwachten(…) Ik gaf
    de opdrachten aan S402.
    (…)Bouterse is via de hoofdingang vanuit zijn kabinet met lijfwachten vertrokken en ook toen hij
    terugkwam via de hoofdingang binnengekomen.
    (…) Nadat de eerste schoten werden gehoord kwam Gorré en zei: “Janki geef door aan S402
    dat er niet geschoten mag worden.” De mensen die ik heb gezien waren daar in de Bermuda
    driehoek. (…) In de vroege ochtend van 8 op 9 december 1982 gaf Mohammedsaid de opdracht
    om te vuren. Er moest in de lucht geschoten worden.“
    27) Verklaring van [getuige 44], afgelegd bij zijn verhoor bij de gerechtelijke
    plaatswaarneming in het Fort Zeelandia van de Krijgsraad d.d. 15 november 2010, op
    welke terechtzitting hij – voor zover relevant – onder meer het volgende heeft verklaard:
    “Op 8 december 1982 kwam ik via de hoofdpoort de ruimte recht binnen. Ik heb mij vervolgens
    aangemeld bij de Compagnies Commandant in de persoon van Luitenant Gorré. Ik heb mij toen
    begeven naar de werkruimte. Ik heb mij dus aangemeld in de verbindingsruimte en wachtte op
    de nadere instructies gegeven door Luitenant Gorré. Ik bevond mij dus in de verbindingsruimte.
    Er werden manschappen binnen gebracht. De jongens kwamen ook zeggen dat er mensen
    naar binnen werden gebracht. Ik ben gaan kijken naar die heren. Omstreeks 10.00 uur ’s
    morgens hoorde ik schoten. Die schoten heb ik achterin gehoord. (…) Vanuit mijn kantoorruimte
    kon je ook niet rechtstreeks in de driehoek kijken. Je moest via de voorkant lopen. Die heren
    waren opgesloten in de driehoek. Die lijken waren achteraan. Vanaf 06.30 uur toen ik aankwam
    tot die tijd van die schoten had ik zes of zeven van die mannen levend gezien. Kamperveen,
    Slagveer en Derby heb ik ook in de ochtenduren hier gezien. Ik had Sohansingh ook gezien.
    61
    De Bevelhebber zat in de ruimte boven en zijn secretaresse zat beneden. Het was een vrije
    l0op. De lijfwachten van de Bevelhebber waren er ook. De Bevelhebber was er, Horb en de
    leden van de Echo Compagnie.
    Deze driehoek heb ik niet betreden. Ten aanzien van de eerste locatie kan ik zeggen dat ik de
    toenmalige Bevelhebber vanuit mijn verbindingsruimte een toast heb zien uitbrengen. Die
    ruimte was wel verlicht.
    Ik heb Sheombar ook hier gezien. Hij had mij in het Hindoestaans geroepen. Hij zei: “ik lust een
    glas water, maar ik weet dat je mij het niet gaat geven”. Boven waren die lijfwachten van Horb
    en Bouterse. Flohr was ook boven. Ik weet niet wat Flohr toen gezegd heeft. In de bovenruimte
    was de slaapkamer van de leden van Echo Compagnie. Van hieruit naar beneden gekeken zag
    je de Bermuda Driehoek. Daarboven was de kamer van de Bevelhebber. Daar zag ik de
    schaduw van drie personen. Die ene persoon was kort, Derby dus. Het leek alsof zij een toast
    uitbrachten. Het was in ieder geval na 19.00 uur in de avond. Ik heb Bouterse zien vertrekken.
    Ik heb omstreeks 19.00 uur zien aankomen en hij is omstreeks iets over 20.00 uur vertrokken.
    Het was in de avond van 8 op 9 december 1982.
    Het was onmogelijk te komen uit de driehoek. Er was constant bewaking. Je kon niet
    wegspringen vanuit die ruimte. Overal was er beveiliging.
    Het licht in de kamer van de Bevelhebber was aan. Er was een licht geel gordijn. Drie mannen
    hieven het glas. Gelet op de posturen waren het Bouterse, Horb en Derby.
    Ik ben nooit in deze ruimte geweest. Het was geen gebruik dat men in de ruimte van het
    Kabinet van de Bevelhebber kwam. Ik heb van 10.00 uur ’s morgens tot 13.00 uur schoten
    gehoord. Dit alles geschiedde met tussenpozen. Van 10.00 uur tot 13.00 uur was de
    Bevelhebber in het Fort Zeelandia. Tussen 19.00 uur en 20.00 uur was de Bevelhebber ook
    aanwezig, maar er is toen niet geschoten. Ik heb Rambocus gezien.
    Ik ben op een gegeven moment achterlangs gelopen en heb ik toen de lijken gezien. Er was
    een pallet van 40 tot 50 cm. Er was een verhoging. Bij Bastion Veere waren Rambocus, Daal,
    Baboeram, Hoost, Gonsalves, Leckie, Sheombar. De lijken waren zittend en op elkaar gevallen.
    Het was een pallet van ongeveer, 1.25 m breed. Vijf lijken waren op zo een pallet en één op de
    grond. Ze waren levenloos.
    Er was veel bloed. Ik was geschrokken. Op het moment dat je schoten hoorde, liep je even snel
    om te kijken en liep snel door. De lijfwachten van de Bevelhebber waren er.
    (..) Omstreeks 03.00 uur of 03.15 uur in de ochtend van 9 december 1982, nadat we 15 minuten
    lang schoten hebben gehoord, hoorden we anderen ook zeggen: “ding klaar moro mang.”. Het
    was donker. Later werden de lijken in tenthelften opgerold.
    Beneden was het eerste peleton. Ik weet niet precies wie belast was met het vervoer van de
    lijken. Het was een blauwe pick-up. Het was te Bastion Middelburg. Ik heb meegeholpen om de
    lijken te vervoeren. De pick-up kwam van de Memre Boekoe Kazerne. Zaterdagavond 11
    december 1982 moest ik het mortuarium bewaken. Op 12 december 1982 zijn de lijken
    afgestaan aan de familie. De pick-up is via de hoofdpoort weggereden. Ik heb zelf gezien dat
    die pick-up via de voorkant is weggereden. De pick-up reed achteruit naar binnen.
    De pick-up reed naar binnen, maar ik weet niet welke kant op. Ik heb geholpen om de lijken op
    te rollen en in te laden.”
    62
    29) Verklaring van [getuige 45] afgelegd bij haar verhoor ter terechtzitting van de
    Krijgsraad d.d. 20 maart 2009, op welke terechtzitting zij – voor zover relevant – onder
    meer het volgende heeft verklaard:
    “(…) Ik had kort na de schoten, na 00.00 uur ’s nachts, naar Bouterse gebeld en toen naar
    Gorré toen ik Bouterse niet aan de lijn kreeg. Dat was in de nacht van 7 op 8 december 1982.
    Meneer Thijm is thuis bij mij gekomen. Hij zei “jij alleen kan mij helpen om de medicijnen af te
    geven”. Mr. Kraag kan ze niet bereiken, dus jij kan mij helpen, zei hij. Bouterse heeft mij gezegd
    dat de opgebrachte mensen in het Fort waren. Bouterse heeft mij gezegd dat ik die medicijnen
    kon brengen. Ik heb die medicijnen op mijn kantoor aan meneer Ruimveld afgegeven. Neen,
    toen ik buiten was hoorde ik schoten. Ze kwamen van ver. Ik ben nauwelijks vijf minuten met
    Ruimveld gebleven. Het klopt, Bhagwandas belde mij om 12.30 uur en ik ben toen gelijk richting
    Bouterse naar het Fort gegaan. (…)Lewis was een lijfwacht van Bouterse. Ik liep heen en weer.
    Ruimveld zat op de stoel van Khadirbaks. Ik zat op één van de stoelen van de dames. Ik zag
    dat Wijngaarde naar achteren werd gebracht. Achter de draaitrap is er een deur. Volgens mij
    had Wijngaarde een bermuda short aan met slippers. Ik kende hem van de Hendrikschool en
    het Park. (…) Wijngaarde zei niets, want een militair liep achter hem met een geweer. Toen ze
    de deur openden, zag ik Derby in een witte onderbroek. Ik zag nog andere mensen, maar ik
    wist niet wie ze waren. Een deel van de mensen was in de driehoek en een ander deel was
    boven waar Bouterse zat. (…) Derby ging de trap op. Ik ben na Derby thuis gegaan. Ik was
    21.30 uur thuis. De reistijd tussen het Fort en mijn huis was twintig minuten. Toen ik vertrok was
    Bouterse nog ter plekke.
    (…) Op 8 december 1982 in de morgenuren ben ik er even geweest om die medicijnen te
    brengen. Toen ik ging om de medicijnen te brengen was niemand daar. (..)
    Lewis stootte Frank Wijngaarde toen hij hem naar binnen bracht. Frank pakte de spijlen vast.
    Lewis heeft hem toen geschopt om zijn benen uit elkaar te krijgen.
    (…) Toen ik de medicijnen bracht, heb ik drie schoten gehoord. Mevrouw Ingrid Bouterse stond
    met mijn overleden man te praten. We hoorden schoten. De kinderen zeiden: “mama ze hebben
    iemand geschoten”. Ik heb haar geadviseerd om weg te gaan met de kinderen. Later hoorde ik
    dat ze ook weg is gegaan met die kinderen. Bouterse zei dat ik moest wachten om iets te typen.
    Normaal typte ik stukken om naar de NVD te sturen.
    (…) Bhagwandas heeft mij alleen maar opgebeld om mij te zeggen dat ik moest komen. Ik heb
    in opdracht van Bouterse gewacht.
    (…) Ik ben rond 21.30 uur vertrokken. Ik ben vóór Bouterse vertrokken. Ik zag Horb en Derby
    weglopen en ik ben kort daarna vertrokken. (…) Op 10 of 11 december 1982 was iedereen weer
    normaal aan het werk.”
    30) Proces-verbaal d.d. 11 december 2000, betreffende het verhoor van [getuige 45], door
    de Rechter-commissaris in het kader van het GVO (ordner IV) alwaar zij – voor zover
    relevant – onder meer het volgende heeft verklaard:
    (…) Om u een goed inzicht te geven moet u weten, dat ik na de staatsgreep van februari 1980
    ben opgeroepen.
    Daar kreeg ik te horen, dat ik secretaresse zou worden van de heer Bouterse. In het begin
    moest ik orde op zaken stellen wat de administratie betreft. In die periode trad ik op als
    secretaresse van het zogenaamde militair gezag bestaande uit HORB, BOUTERSE en
    FERNANDES.
    (…) Op uw vraag in welk jaar de heer BOUTERSE zijn intrek heeft genomen althans kantoor
    hield in het Fort Zeelandia, geef ik u te kennen dat zulks gebeurd moet zijn in maart 1982.
    In het fort had de heer BOUTERSE zijn kantoor in een ruimte boven terwijl ik beneden zat.
    (…) U houdt mij voor dat uit mijn verklaring van 3 november bij de politie valt af te leiden dat ik
    op 8 december zo omstreeks elf uur in de ochtend mij in het Fort Zeelandia bevond en dat ik
    drie schoten gehoord moet hebben en vraagt u mij dit nader uiteen te zetten. Zoals uit mijn
    63
    verklaring bij de politie blijkt ben ik naar het Fort Zeelandia gegaan om de medicijnen, die ik van
    wijlen de heer Thijm had ontvangen en welke bestemd waren voor onder andere GONCALVES
    en RIEDEWALD af te geven. Ik heb de medicijnen toen aan wijlen RUIMVELD afgestaan en
    wilde van die gelegenheid gebruik maken om de heer BOUTERSE te spreken.
    Van RUIMVELD echter kreeg ik geen toestemming om met BOUTERSE te praten. De schoten
    die ik hoorde waren afkomstig van de ruimte aan de achterkant van het fort, d.w.z. boven langs
    de rivier.
    Op uw vraag of ik navraag had gedaan wat dit te betekenen zou hebben, moet ik u verklaren
    dat ik zulks niet gedaan heb, doch ik kon begrijpen uit hetgeen ik intussen ook uit het nieuws
    had vernomen dat er op personen geschoten werd. Eigenlijk heb ik dit mede kunnen afleiden uit
    hetgeen de kinderen van de heer BOUTERSE, die op het Fort Zeelandia complex woonden,
    vertelden, dat er op iemand geschoten was geworden. Ik heb bij die gelegenheid de vrouw van
    BOUTERSE geadviseerd om samen met haar kinderen de plaats te verlaten. U zult begrijpen
    dat ik het heb over de ex-vrouw van BOUTERSE, INGRID FUEGEIRRA.
    Op 8 december ben ik in feite twee keren naar het Fort Zeelandia gegaan. De eerste keer betrof
    het zoals eerder verklaard voor het brengen van de medicijnen, terwijl ik de tweede keer
    daarnaartoe ben gegaan na een telefoontje van wijlen de heer BHAGWANDAS dat ik mij moest
    aanmelden bij de heer BOUTERSE. Ik begaf mij wederom naar het Fort. Ter plaatse heb ik
    telefonisch aan BOUTERSE gemeld dat ik er was en kreeg van hem de opdracht om te
    wachten omdat ik een verklaring voor de pers zou moeten uittypen.
    (…) Op uw concrete vraag of ik de schoten die ik gehoord heb met tussen pozen werden
    afgevuurd en of ik daarbij geschreeuw of gegil heb gehoord moet ik u verklaren, dat ik gehoord
    heb dat de schoten na elkaar werden afgevuurd.
    Op uw vraag of ik verstand heb van wapens, geef ik u te kennen een beetje. De schoten, die ik
    gehoord had waren volgens mij afkomstig van uzi’s(pistoolmitrailleur).
    (…) Zoals ik eerder heb verklaard zag ik op gegeven moment dat de persoon van
    WIJNGAARDE door de militair LEWIS naar binnen werd geduwd en zag ik de heer DERBY
    staan. Ik heb geen andere stemmen gehoord. Ik weet dus niet of er zich meer personen in de
    ruimte bevonden.
    (…) Na enige tijd zag ik HORB en DERBY samen de trap afkomen, waarna zij samen het Fort
    hebben verlieten.
    (…) U moet weten, dat ik bij mijn eerste bezoek aan het fort op 8 december in de morgenuren
    na lang aandringen werd toegelaten door de militairen TOLUD en BRONDENSTEIN.
    Ik kan u verklaren dat ik tot ongeveer negen uur in de avond heb gewacht op instructies en
    daarna het fort heb verlaten.
    Ik kan mij niet herinneren of ik mij bij iemand heb afgemeld.”
    31) Proces-verbaal d.d. 13 augustus 2002, betreffende het nader verhoor van [getuige 45],
    door de Rechter-commissaris in het kader van het GVO (ordner IV) alwaar zij – voor zover
    relevant – onder meer het volgende heeft verklaard:
    (…) Ik weet zeker dat LEWIS de man is geweest, die de persoon van FRANK WIJNGAARDE
    binnen in het kantoor waar ik zat heeft gebracht.
    Deze WIJNGAARDE werd op een zeer brute wijze door LEWIS behandeld. Ik heb daarover nog
    een opmerking gemaakt, in die zin dat LEWIS niet moet vergeten dat men eenmaal militair is en
    tweemaal burger en dat hij de man als mens moest behandelen. Het voorgaande speelde zich
    af tegen een uur of vijf of zes uur in de middag van 8 december 1982. Ik had begrepen dat deze
    WIJNGAARDE eerder was ondergebracht op de brigade bij de militaire politie. Als u mij vraagt
    of ik mij kan herinneren hoe de persoon van WIJNGAARDE gekleed was toen hij door LEWIS
    binnengebracht werd geef ik u te kennen dat hij slechts in een witte jockey gekleed was.”
    64
    32) Proces-verbaal d.d. 15 mei 2001, betreffende het in opdracht van de rechtercommissaris, mr. A. Ramnewash ingesteld sporenonderzoek in/aan gebouwen op het
    complex van het Fort Zeelandia, welk proces-verbaal ambtsedig is opgemaakt door de
    Inspecteur van Politie vnd,E. J. Ong A Kwie(ordner IX, blz.. 96 -99, met foto’s en
    tekeningen als bijlagen vastgehecht op blz.. 100 – 124). In het proces-verbaal vermeldt de
    verbalisant, voor zover relevant, onder meer het volgende:
    “Op dinsdag 06 maart 2001 is door mij (…)
    Voorts is door mij ook contact opgenomen met Prof. Dr. A. Vrede, die mij meedeelde, dat met
    betrekking tot de 15 lijken, er geen lijkschouwing verricht is. Vanwege de toenmalige Militaire
    leiding, mocht niet aan de lijken gewerkt worden.
    De doods(oorzaak) is naar zijn mening ook niet geconstateerd. Ook zal bij het opgraven van
    lijken, niet veel meer achterhaald kunnen worden, dan dat misschien enkele botten, afwijkingen
    zullen vertonen of dat er misschien nog kogels in de lijkkisten aangetroffen kunnen worden.
    Deze kogels zijn dus in het lichaam blijven steken.
    (…)
    SPORENONDERZOEK IN HET FORT ZEELANDIA
    Ingevolge opdracht van de Rechter-Commissaris voornoemd, is op maandag 26 maart dezes
    een sporenonderzoek verricht in het voormalig Huis van Bewaring, het fort Zeelandia.
    De muren van het fort (voormalig huis van bewaring) zijn opgetrokken middels klipstenen. De
    vertrekken binnen het fort, middels rode bakstenen.
    Het fort is voorzien van een etage. Deze etage kan worden betreden via een trap, die in het
    “binnenhof” is aangebracht. Bij het betreden van de trap komt men terecht in Bastion
    Middelburg.
    In een ruimte is er eveneens een trap aangebracht, die toegang biedt tot die etage.
    Bij het betreden van het fort, staat er aan de linkerzijde eveneens een trap, die toegang biedt tot
    die ruimte, aangeduid met het nummer 5 van bijlage 17, alsook tot het voorbalkon.
    (…)
    Het “Bastion Veere” heeft een vloer-oppervlakte van ongeveer 9.83 x 9.90m. De dikte van de
    muur is ongeveer 88 cm en heeft een hoogte van 1.36m. Deze bastion, grenst aan de Suriname
    rivier.
    Aan enkele muren waren duidelijk ongeveer 93 kogelinslagen waarneembaar. Deze inslagen
    hadden een diepte van gemiddeld 08cm. Hetzij vermeld dat geen van de muren van de overige
    bastions zulk een beeld vertonen.
    (…)
    Op woensdag 02 mei 2001 omstreeks 15.00 uur is in tegenwoordigheid van de RechterCommisaris, mr. A. Ramnewash, de Hoofd-Officier van Justitie, mr. B. Bajnath-Panday en de
    Auditeur-Militair, mr. S. Mohamedamin, een bezoek gebracht aan het fort Zeelandia.
    Bij die gelegenheid zijn er buiten het gebouw evenwel aan de achterzijde, aangrenzende aan de
    Suriname rivier, in de muur, gaten aangetroffen. Het is niet zeker of het hier ook om inschoten
    gaat.”
    33) Proces-verbaal d.d. 07 februari 2002 betreffende het doen van aanwijzingen door de
    getuige, de Sergeant bij het Nationaal Leger [getuige 46], in tegenwoordigheid van de
    rechter-commissaris, mr. A. Ramnewash en de griffier bij de Rechter-Commissaris, mw.
    L. Thijm, welk proces-verbaal ambtsedig is opgemaakt door de inspecteur van Politie, S.
    Maanster. In het proces-verbaal vermeldt de verbalisant, voor zover relevant, onder meer het
    volgende (ordner IX blz.. 91, foto’s zijn aangehecht als bijlage op blz. 92 – 94):
    “Op woensdag de zesde februari 2002 omstreeks 14.45 uur werden door de Sergeant bij het
    Nationaal Leger [getuige 46] aanwijzingen gedaan met betrekking tot het onderzoek.
    65
    (…)
    Naar aanleiding hiervan werden door mij, Maanster, S, inspecteur van Politie Tweede klasse
    bijgestaan door de agent van politie eerste klasse J. Owen deze aanwijzingen Fotografisch
    vastgelegd, waarvan de volgende toelichting.
    Foto 1 Geeft een overzicht van de achterzijde (rivierzijde) van het Fort Zeelandia. Het no. 1
    (één) geeft de plaats aan waar volgens verklaring van [getuige 46] een witte Pick up auto met
    een lange bak stond geparkeerd, met daarin dukzakken (lijkzakken) waarin lijken zaten.
    Foto 2 Geeft aan een close up van de plaats waarde Pick up auto stond met front naar een
    ijzeren poort (2) die te zien is.
    Foto 3 De Pick up auto stond voor een uitbouw (intussen afgebroken (A) en een zij ingang (B).
    Foto 4 Volgens [getuige 46] was deze poort breder. De werkelijke breedte zoals tijdens de
    aanwijzingen bedroeg 2.30 meter.
    Foto 5 Op de achtergrond Bastion VEERE (C).
    Het zij verder vermeld dat bij opmetingen ter plaatse gedaan, de afstand tussen de plaats waar
    de Pick up auto stond, bedroeg 16 meter van de poort en 3.40 meter van de zij- ingang.
    Verder bedroeg de loopafstand van de achteringang via de zij ingang, de stenen trap naar
    Bastion Middelburg en de gang die dit Bastion verbindt met Bastion Veere ongeveer 60 meter.”
    34) Proces-verbaal d.d. 27 mei 2003 betreffende Sporenonderzoek met betrekking tot
    kogelinslagen, ingesteld in Bastion Veere in het Fort Zeelandia in verband met het
    gebeuren in de nacht van 8 op 9 december 1982, welk proces-verbaal ambtsedig is
    opgemaakt door Inspecteur van Politie, E.J. Ong A Kwie (ordner IX, blz.. 7 – 22). De
    verbalisant vermeldt, voor zover relevant, het volgende in het proces-verbaal:
    “Op maandag 16 december 2002 is er wederom een sporenonderzoek ingesteld in het Fort
    Zeelandia, en wel te Bastion Veere, alwaar er kogelinslagen in de muur van deze bastion waren
    waargenomen.
    In een eerder door mij opgemaakt Proces-verbaal, waren deze sporen reeds gelokaliseerd en
    gefotografeerd.
    Bij dit sporenonderzoek moest de schietrichting bepaald worden. Om zulks vast te leggen, is er
    gebruik gemaakt van grassprietjes of stengels van de in de volksmond staande “sukru tiekie”.
    Deze stengels werden in de gaten gestopt en daarna gefotografeerd. Op mechanische wijze
    zijn bepaalde inslagen (gaten) uit de muur verwijderd om zodoende na te gaan of er inderdaad
    sprake is van kogelinslagen en of er nog steeds kogels in deze gaten aanwezig zijn.
    Fotomateriaal maakt deel uit van dit proces-verbaal: wijze van bepalen van de schietrichting,
    methode van verwijderen van de kogelinslagen en hoe een geperforeerde kogel wordt
    weggehaald uit een kogelinslag.
    Foto’s 8 en 9 (blz.. 15): Op dinsdag 17 december 2002 is er eveneens een sporenonderzoek
    ingesteld aan/in de muur van Bastion Veere. Bij dit onderzoek zijn de meest voorkomende
    inslagen van een nummer en een met krijt aangebracht cirkel of vierkant voorzien.
    Daarna is op mechanische wijze enkele van deze kogelinslagen uit de muur gehaald.
    Met het weghalen van de kogelinslagen uit de muur, wil worden nagegaan of er inderdaad
    kogels in de gaten zitten. Waarna zal worden onderzocht om welk kaliber kogel het gaat en bij
    welke vuurwapens deze kogels worden gebruikt en als die vuurwapens in gebruik zijn of zijn
    geweest bij het Nationaal Leger.”
    66
    35) Aanvullend proces-verbaal d.d. 27 mei 2004, betreffende het in opdracht van de
    rechter-commissaris, mr. A. Ramnewash ingesteld sporenonderzoek in/aan gebouwen op
    het complex van het Fort Zeelandia, welk proces-verbaal ambtsedig is opgemaakt door
    de Inspecteur van Politie vnd, E. J. Ong A Kwie(ordner V, met foto’s en tekeningen, blz.
    188 – 192). In het proces-verbaal vermeldt de verbalisant, voor zover relevant, onder meer het
    volgende:
    “Op maandag 16 en dinsdag 17 december 2002 werden onder leiding van de Rechtercommissaris te Paramaribo de muren van het Bastion Veere van het Fort Zeelandia onderzocht
    op de aanwezigheid van kogelgaten. Op basis van de vastgestelde kogelgaten is een
    onderzoek verricht naar schootafstanden en schootrichtingen.
    Bij dit onderzoek werd ondersteuning verleend door de NFI-delegatie, Drs. J. Vlogtman, J. Stoof
    en J.W. Karelse.
    Omschrijving (zie de onderstaande situatieschets)
    Bastion Veere is een ruitvormige, bijna vierkante uitbouw van het Fort Zeelandia. De bovenzijde
    van het bastion wordt ommuurd door een circa 1½ meter hoge borstwering.
    In één hoek is de doorgang naar het Bastion Zierikzee gesitueerd. De binnenafmetingen van
    het bastion zijn circa 9 bij 9 meter, die van de gang zijn circa 2½ bij 4 meter. De dikte van de
    muren (borstwering) is circa ½ meter.
    Twee muren (A en B), die uitzicht geven op de Surinamerivier, worden elk onderbroken door
    twee rechthoekige openingen, circa ¾meter breed en 1 meter hoog. De afstand tussen de
    openingen bedraagt circa 4 meter. In de derde korte muur (C), met een binnenafmeting van
    circa 3½meter, bevindt zich ongeveer in het midden eenzelfde opening. In de vierde korte muur
    (D) is geen opening.
    Volgens opgave zijn de muren aan de binnenzijde opgetrokken uit zogenaamde klipsteen, een
    zachte steensoort op basis van schelpen.
    De muur A van Bastion Veer is afgebeeld op foto 1.
    Onderzoek muur
    In de muur (A) parallel aan de rivierzijde bevonden zich verspreid circa 40 gaten met een
    doorsnee van circa 1 tot 3 centimeter en een diepte van circa 5 tot 10 centimeter. De hoogte
    waarop de gaten zich bevonden varieerden van 40 tot 110 centimeter. In de muren links en
    rechts van deze muur werden slechts enkele ondiepe gaten met een diepte van 1 á 2
    centimeter aangetroffen.
    Stengels van rietsoort sukru tieki, met een lengte van circa een ½ meter en een doorsnee van
    circa 1 centimeter, werden in deze gaten gefixeerd met behulp van klei om een indruk te krijgen
    van de richting van het verloop van de gaten ten opzichte van de muur (zie foto 1).
    In de muur tussen de twee openingen verliepen de richtingen, gaande van de rechter-naar de
    linkeropening, van een richting min of meer loodrecht op de muur tot een richting wijzend naar
    de gang van Bastion Middelburg (zie foto-combinatie2, bovenaanzicht).
    In de muur links van de linker-opening verliepen de richtingen in een richting sterk wijzend naar
    de gang van Bastion Middelburg (zie foto 3), bovenaanzicht). De indringdiepte was groter dan
    bij de hierboven beschreven gaten tussen de beide schietopeningen.
    Vanaf het vloeroppervlak (0⁰) gezien varieerde over de gehele muur het hoekverloop van de
    richting naar schatting van ongeveer -20⁰ tot +20⁰ (neerwaarts respectievelijk opwaarts).
    Staande op het Bastion Veere is de maximale schootafstand circa 13 meter.
    Uitgaande van de hypothese dat de genoemde gaten, die zich op een hoogte bevonden van 40
    tot 110 centimeter, door kogels zijn veroorzaakt, kan berekend worden dat:
    67
    Bij een schootafstand van 3 tot 13 meter en een schiethoogte van 1 meter (heuphoogte) de
    muur door de afgevuurde kogels wordt getroffen onder een hoek variërend van 0⁰ tot +11⁰.
    Bij een schootafstand van 3 tot 13 meter van een schiethoogte van 1½ meter (schouderhoogte)
    de muur door de afgevuurde kogels wordt getroffen onder een hoek variërend van +12⁰ tot
    120⁰.
    Conform de procedure onderzoek Fort Zeelandia (hoofdstuk 3.2) zijn 20 gaten bemonsterd. In
    tien gaten werd een sterk gecorrodeerde en vervormde metalen, op een kogel gelijkend
    voorwerp aangetroffen. De kogels werden onder verantwoordelijkheid van de RechterCommissaris in beslaggenomen en gewaarmerkt als Z1, Z2, Z3, Z5 en Z6, Z9 en Z10, Z13, Z19
    en Z20.
    Geconstateerd werd dat de kogels Z1, Z2 en Z3, uit het gedeelte links van de linkeropening ten
    opzichte van de overige kogels een grotere indringdiepte hadden.
    Korte samenvatting uit het deskundigenrapport van W. Kerkhoff
    Z-1, Z-2, z-3, Z-20
    De vier koperkleurige mantelkogels zijn gecorredeerd, gedeformeerd en aan de omtrek
    beschadigd.
    De kogels zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber 7,62x39mm.
    De systeemkenmerken van de kogel zijn niet vast te stellen.
    Patronen van dit kaliber worden doorgaans verschoten uit (machine)geweren; hieronder zijn
    ook begrepen wapens van het type Kalashnikov (AK47).
    In de kogels bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    Z-5, Z-6, Z-9, Z-10, Z-13
    De vijf mantelkogels zijn gecorrodeerd.
    De kogels zijn waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum.
    De systeemkenmerken van de kogels zijn niet vast te stellen.
    Patronen van dit kaliber worden doorgaans verschoten uit een pistool of een machinepistool.
    Het merk/type van het gebruikte wapen kon niet worden bepaald.
    In de kogel bevonden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    Z-19
    De mantel is gecorrodeerd.
    De mantel is afkomstig van een volmantelkogel welke afkomstig is van een geweerpatroon. Het
    kaliber van deze kogel kan niet worden vastgesteld.
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.”
    G. Ten aanzien van de verklaring voor het doodschieten
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 31], welk proces-verbaal op
    ambtseed is opgemaakt d.d. 28 oktober 2000 door de inspecteur van politie 2e klasse,
    Pierau, Irving Edward (ordner VII, blz.. 167-177), in welk proces-verbaal – voor zover
    relevant – het volgende is vermeld:
    (…) In de loop van de dag, 9 december 1982, kwam er een militair voertuig aan rijden, met
    onder andere, ROY HORB erin zitten. Hij nodigde mij uit voor een gesprek op zijn kabinet aan
    de Verlengde Gemenelandsweg. Ik had daartegen geen bezwaar.
    (…) Hij (lees HORB) legde mij de bedoeling van zijn uitnodiging voor en beweerde dat de
    bevelhebber, een verklaring voor de gebeurtenissen van 8 op 9 december 1982 wilde uitgeven.
    Hij schoof mij die verklaring voor en verlangde van mij een mening met betrekking tot de inhoud
    68
    van de verklaring. Ik maakte hem duidelijk dat ik niet in staat was kennis te nemen van de
    inhoud van deze verklaring, omdat mijn hoofd rammelde van alle kanten. (ordner VII, blz.. 176)
    Hij legde mij kort uit de inhoud van de verklaring welke op neer kwam dat boven het Fort waar
    de mensen waren ingesloten, er op een gegeven moment een vliegtuig circuleerde, hetgeen
    reden gaf tot paniek onder de dienst doende militairen en de gevangenen pogingen
    ondernamen, de wapens van de militairen te bemachtigen en tijdens de schermutseling die
    daarna ontstond, de gevangenen werden doodgeschoten. Mijn reactie hierop was dat dit
    verhaal ongeloofwaardig is en dat mensen bereid moeten zijn verantwoordelijkheid te dragen
    voor daden die ze hebben gepleegd.”. (ordner VII, blz. 177)
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 31], bij de Rechter-commissaris
    d.d. 20 december 2000 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk
    verhoor een proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV). De
    hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – onder meer het volgende bij de
    Rechter-Commissaris verklaard:
    (…) Uiteindelijk kreeg ik de persoon van LEEFLANG en RUSLAND aan de telefoon aan wie ik
    deze mededeling verder heb gedaan. Op het kantoor van HORB aangekomen zag ik de heer
    SEEDORF, die toentertijd op het kantoor van HORB werkte met een typemachine en een
    velletje papier uit de kamer van HORB komen. HORB maakte mij duidelijk, dat er geen bloed
    aan zijn vingers kleefde.
    Hij stelde mij een verklaring ter hand en vroeg of dit een juiste verklaring zou zijn voor hetgeen
    had plaatsgevonden in het Fort.
    Ik maakte hem op mijn beurt duidelijk, dat ik niet in staat ben een verklaring door te nemen,
    maar dat zij in ieder geval hun verantwoordelijkheid niet moesten ontlopen. Hij hield mij toen de
    inhoud van de verklaring in het kort voor, waaruit zou moeten blijken dat op een goed moment
    een vliegtuig boven het Fort cirkelde, waardoor er paniek uitbrak onder de militairen en de
    gevangenen probeerden om de wapens van de militairen te bemachtigen. Tijdens deze
    schermutseling zijn toen volgens de verklaring de gevangenen doodgeschoten. Ik maakte hem
    nogmaals duidelijk dat een dergelijke verklaring heel ongeloofwaardig zou overkomen, omdat
    dit een verzinsel was. Ik ben ongeveer een half uur bij HORB gebleven, waarna ik vertrok.
    (…) De verklaring, die naderhand door de heer BOUTERSE op de televisie is gegeven over het
    gebeurde in het Fort is een andere dan die HORB mij voorhield.”.
    H. Ten aanzien van de mededeling over de dood van de slachtoffers
    Nabestaanden van het slachtoffer Behr, Abraham
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (weduwe van het slachtoffer
    Behr) d.d. 22 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname,
    in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van
    politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz.. 456 – 460), en waarin voor zover relevant het
    volgende is opgenomen:
    (…) Op donderdag 9 december 1982 ben ik in de ochtend naar Fort Zeelandia gegaan. Ik heb
    mij gemeld bij de militaire politie en ik heb daar kleding afgegeven voor Bram Behr ( Lees:
    Abraham Behr). Dat was nog vòòr 12.00 uur. Ze namen de kleding aan, keken mij raar aan,
    maar zeiden niks. Die dag ging het gerucht al in Paramaribo dat er mensen waren
    doodgeschoten, maar niemand wist wie precies. (…)
    Op vrijdagmiddag 9 december 1982 was ik thuis met mijn kinderen. Er kwamen twee militairen
    langs met een lichter gekleurde man in burgerkledij. Dat was volgens mij iemand van de kerk.
    Ze kwamen met een militair voertuig en hadden een hoop papieren bij zich. De militairen
    droegen een groen uniform en waren ongewapend. De man zonder uniform vroeg of ik de
    69
    vrouw van Bram Behr was. Ik antwoordde dat ik dat was waarop hij vertelde dat Bram was
    overleden. Ik heb toen gezegd dat ze hem gewoon hadden vermoord. De drie mannen
    reageerden hier niet op en vertelden ook niet wat de doodsoorzaak was. Ze gaven mij een geel
    kaartje. Dat had ik nodig om het mortuarium in te komen om mijn man te identificeren. Ik heb
    vervolgens de taxi genomen naar mijn schoonouders om hen in te lichten.”
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (was gehuwd met het
    slachtoffer Behr, Bram) bij de Rechter-Commissaris d.d. 2 september 2002 in het kader
    van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de
    Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV, blz.. 188-189). De hiervoor genoemde
    getuige heeft – voor zover van belang – bij de Rechter-Commissaris onder meer het
    volgende verklaard:
    “ (…) Op 9 december 1982 kreeg ik bezoek van een man in uniform. Hij kwam vertellen dat mijn
    man was overleden.”
    3) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 47] (zus van het slachtoffer Behr,
    Bram) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie
    der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 26
    september 2003 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname,
    welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. M.F. Wagner, RechterCommissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz.. 247-250). De hiervoor
    genoemde getuige heeft – voor zover van belang – bij de Rechter-commissaris het
    volgende verklaard:
    (…) Luitenant Ruimveld heeft ons gebeld en het overlijden van mijn broer medegedeeld. Er is
    niemand bij ons thuis geweest. Later kregen wij bericht dat wij als familie mijn broer moesten
    identificeren.”
    Nabestaanden van het slachtoffer Daal
    4) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 3] d.d. 24 oktober 2002, welk
    proces-verbaalop ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse,
    Ramsukul, Dewanand (Ordner II, blz. 130-136), waarin – voor zover relevant- het volgende is
    vermeld:
    (…) in de ochtenduren van 09 december 1982 heb ik officieel vernomen dat de heer DAAL ook
    vermoord was tezamen met nog een aantal andere personen.”
    5) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 13], in het bijzijn van mr. A.
    Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van
    Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mr. J.S. Mohammedamin,
    hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de Procureur-Generaal te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 30
    mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk
    proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en
    M. Kroes, griffier, (Ordner IV, blz.. 319 -322),waarin voor zover relevant het volgende is
    vermeld:
    “ (…) Op 9 december 1982 kwamen de twee jongens van Cyril uit zijn huwelijk bij mij om te
    zeggen dat hij dood was.”
    Nabestaanden van het slachtoffer Gonçalves
    6) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 15] (weduwe van de overleden
    Gonçalves, Kenneth) d.d. 19 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is
    70
    opgemaakt door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner III, blz. 31-
    38), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    (…) De volgende dag op 9 december 1982 deden geruchten de ronde dat zakken met lijken
    naar het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis waren gebracht. Ik ben toen naar mijn
    buurvrouw, genaamd Ethel Doest, gegaan, omdat haar man, dokter Irwin Doest, verbonden was
    aan het Academisch Ziekenhuis als arts. Laatstgenoemde was niet thuis. Terwijl ik met
    mevrouw Doest over dit gerucht sprak, kwam Dokter Doest thuis en vertelde hij mij toen, dat het
    gerucht op waarheid berustte en dat hij het lijk van mijn man, Kenneth Gonçalves gezien had.
    Totaal geschokkeerd ging ik dus naar huis en duurde het nogal een tijd, alvorens ik weer
    bijkwam.
    Na enkele dagen kwam de heer Ruimveld samen met een Militaire geestelijke verzorger en ik
    dacht nog een ander persoon thuis bij mij. Aan mij en mijn schoonouders werd toen officieel
    medegedeeld, dat Kenneth Gonçalves dood was. Op welke wijze dit had plaatsgevonden,
    hadden zij niet aan ons medegedeeld. Mijn schoonmoeder maakte toen nog de opmerking:
    “JULLIE BEDOELEN DAT JULLIE HEM HEBBEN VERMOORD.” De geestelijke verzorger zei
    als reactie hierop: “WIJ ZULLEN VOOR U BIDDEN.”. Ik reageerde hierop door te zeggen: ‘U
    KUNT LIEVER VOOR DE MENSEN VOOR WIE U WERKT BIDDEN.”.
    Nabestaanden van het slachtoffer Leckie
    7) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon [12] (zus van de overleden
    Leckie, Gerard) d.d. 14 augustus 2002, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door de agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner III, blz. 162-
    164), waarin – voor zover relevant- onder meer het volgende is vermeld:
    “Op 09 december 1982, gaf Ramdat Misier telefonisch door dat Gerard was doodgeschoten.
    Daags daarna kwam de inmiddels overleden Ruimveld samen met predikant Zamuel thuis met
    de mededeling dat wij in de middaguren het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis
    moesten aandoen om het lijk van Gerard te identificeren.”
    8) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 13] (broer van de overleden
    Leckie, Gerard) d.d. 20 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt
    door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner III, blz. 171-
    175), waarin – voor zover relevant – onder meer het volgende is vermeld:
    (…) Ik weet niet meer welke dag het zou zijn geweest maar in elk geval kwam een militair die
    Ruimveld is genaamd thuis bij mijn broer GERARD waar de familie aanwezig was. Hij was
    namens het Militair Gezag thuis bij mijn broer geweest om een datum vast te stellen van de
    begrafenis van GERARD en de anderen. Toen is de datum vastgesteld op13 december 1982.
    Namens het Militair Gezag was er ook een Dominee gekomen waarop wij als familie echter
    geen prijs stelden.”
    Nabestaanden van het slachtoffer Rahman
    9) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 21], (moeder van de het
    slachtoffer Rahman, Leslie) d.d. 16 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van
    Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland
    door Peter van den Wijngaard, hoofdagent-rechercheur van politie, de Hoofd
    Commissaris Justitiële Dienst, Santoki en de eerste Luitenant der Militaire Politie van
    Paramaribo, Ristie (Ordner III, blz. 119-123). Bij dit verhoor heeft de getuige – voor zover
    relevant – onder meer het volgende verklaard:
    “(…)De volgende morgen, ik denk 8 december, ben ik weer gaan werken. Ik wist nog steeds
    niks. In de middag ben ik naar huis gegaan en er kwamen kennissen met lijsten met namen.
    Mijn zoon stond daar niet op en ik bleef hoop houden.
    71
    Voor zover ik mij kan herinneren duurde het tot vrijdag dat twee mannen bij mij thuiskwamen,
    dat waren luitenant Ruimveld en legeraalmoezenier Zamuels.
    Zij deelden mij officieel mede dat mijn zoon, Lesley, bij een vluchtpoging was neergeschoten”.
    Ik besefte toen pas echt dat hij dood zou zijn.
    10) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 21], (moeder van het slachtoffer
    Rahman, Leslie) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en J.S.
    Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de ProcureurGeneraal te Paramaribo, d.d. 29 augustus 2002 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier(ordner IV,
    blz.. 161-162). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover van belang – bij de
    Rechter-Commissaris onder meer het volgende verklaard:
    “ (…) Op 8 december 1982 ben ik gaan werken. Toen ik ’s middags thuis was gekomen,
    kwamen twee meisjes van school en de conciërge met een lijst van namen van mensen die
    opgepakt waren. Ik weet niet door wie die lijst was opgesteld. Heel snel waren die lijsten overal
    in de stad. De naam van mijn zoon stond er niet op. Ik was opgelucht.
    Ik ben met mijn beide zusters naar het Fort Zeelandia gereden. Ik kwam tot aan de
    wachtcommandant. Ik werd niet binnengelaten. Ik kwam kleren brengen, want het was al twee
    dagen geleden dat Lesley was opgepakt. Daar werd op een lijst gekeken. Toen werd mij
    gezegd dat Lesley niet daar was en dat ik maar naar het kampement moest gaan om te vragen
    waar hij wel was. Bij het kampement werden wij bij de poort afgeweerd. We kregen niets te
    horen.
    Eerst op vrijdag kwamen Ruimveld en Samuels. Zij waren in burger. Zij kwamen in een jeep.
    Ruimveld had een aktentas bij zich. Zij stelden zich voor, maar ik wist al wel wie ze waren.
    Ruimveld zei dat Lesley op de vlucht was doodgeschoten.”
    11) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 22], (jongere zus van de
    overleden Rahman, Lesley) d.d. 15 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van
    Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland
    door Oscar Jerome Linger, hoofdagent-rechercheur van politie, de Inspecteur van politie,
    I. Pierau (Ordner III, blz. 124-129). De hiervoor genoemde getuige heeft bij dat verhoor –
    voor zover relevant – onder meer het volgende verklaard:
    (…) Op 09 december in de morgen ben ik naar mijn vriendin Carolien Ligeon gegaan. Zij had
    een broer bij de Militaire Politie. Ik hoopte via haar te weten waar ik spullen voor Leslie heen
    kon brengen. Carolien verwees mij naar het Fort Zeelandia. Ik had gehoord dat Leslie in het
    Fort was. Na het bezoek aan Carolien ben ik naar het kantoor van Patrick Silos gegaan. Patrick
    is niet mee naar de poort van Fort Zeelandia gelopen.
    Bij het fort gekomen dat was omstreeks 07.00 uur, hoorde ik één van de militairen zeggen:
    “Waar Leslie was, hij niets meer nodig had en dat er voor hem gezorgd werd.”.
    Toen ik het Fort wegreed zag ik een grote vrachtauto mijn kant opkomen rijden. Ik zag dat de
    vrachtauto met jutezakken beladen was. Ik ben omstreeks 14.00 uur naar huis gegaan. Voor
    het huis trof ik een aantal vrienden en kennissen aan. Deze gaven al het gevoel dat er iets goed
    fout zat. Ik hoorde later op de radio dat verschillende mensen op de vlucht waren
    doodgeschoten.”
    Nabestaanden van het slachtoffer Rambocus,Soerendra
    12) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 48] (zus van de overleden
    Rambocus, Soerendra) d.d. 20 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is
    72
    opgemaakt door de Onder inspecteur van Politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner II, blz. 92-
    95), waarin voor zover relevant onder meer het volgende is vermeld:
    “(…) Op 9 december 1982 kreeg ik via contacten het bericht dat enkele personen in het Fort
    Zeelandia doodgeschoten waren. Gedurende deze paniekerige momenten werd ik door
    Kapitein Ruimfeld gebeld, die toen de officiële mededeling deed, dat mijn broer Soerindre was
    overleden en dat het lijk opgebaard lag in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis.”.
    I. Ten aanzien van waargenomen schotverwondingen en letsels op de lijken in het
    mortuarium
    1) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 49] bij de Rechter-Commissaris
    d.d. 27 juni 2001 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een
    proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV). De hiervoor
    genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende
    verklaard:
    “ (…) In het jaar 1982 was ik hoofd gewondenverzorger tevens plaatsvervangend commandant
    geneeskundige troepen. In die hoedanigheid heb ik in opdracht van naar ik meen de persoon
    van BHAGWANDAS lijken doen transporteren van het Fort Zeelandia naar het mortuarium van
    het Academisch Ziekenhuis.
    (…) U vraagt mij wat ik allemaal heb waargenomen tijdens het transporteren van de lijken.
    Hierop kan ik U verklaren dat ik wel bloedsporen heb opgemerkt. De bloedsporen waren
    waarneembaar op de tenthelften, waarin de lijken waren omwikkeld.”
    2) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 50] (was in 1982 hoofd van het
    mortuarium van AZ), welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt d.d. 17 mei 2001
    door de agent van politie eerste klasse, Figueira, Nancy Anita (ordner VII, blz.. 214-215),
    in welk proces-verbaal voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Op 8 december 1982 omstreeks 05.30 uur kwamen er twee militaire vrachtwagens de
    zogenaamde twee tonners het terrein van het mortuarium oprijden en nadat deze voor het
    gebouw tot stilstand waren gebracht, vervoegde zich bij mij, de militair Mahadew. Hij, Mahadew,
    deelde mij toen mede dat hij vijftien lijken binnen had gebracht en dat ik ervoor zorg moest
    dragen, dat deze lijken moesten worden verzegeld en opgeborgen in de koelcellen. Op mijn
    vraag aan Mahadew, of er obductie op deze lijken gepleegd moest worden, antwoordde hij mij
    dat ik nog bericht zou krijgen van de justitie. (ordner VII, blz. 214)
    Bij de voortzetting van mijn werkzaamheden onder andere het verzegelen en in de koelcellen
    plaatsen van de lijken, heb ik deze kunnen bezichtigen en herkende hierbij, dat het ging om
    lijken van prominente figuren uit onze samenleving o.a. Daal, Cyril, Bram Behr, Kamperveen,
    Andre, Goncalves, Kenneth, Baboeram, John, Rambocus, Soerindra, Oemawsingh, Harry,
    Leckie, Gerard, Rahman, Lesley, Sohansingh, Somradj, Wijngaarde, Frank en Sheombar,
    Djiewansingh. Ik zag hierbij dat al die lijken schotverwondingen vertoonden in de romp
    voornamelijk de borststreek. Ik heb niet de indruk dat de lijken eerst elders naar toe waren
    gebracht om gereinigd te worden, omdat deze nog besmeurd waren met bloed. Voor zover het
    mij bekend is, is er nooit een arts in het mortuarium geweest, om officieel de dood van de
    vijftien slachtoffers vast te stellen. De Patholoog-Anatoom, Professor Vrede, was op 8
    december 1982 uitlandig waardoor Professor Lie Fo Sjoe voor hem waarnam en uit dien hoofde
    vroeg of er een aanvraag was voor obductie, hetgeen niet het geval was. Professor Vrede
    kwam na twee dagen en wel op 10 december 1982 terug in Suriname.”(ordner VII, blz. 215)
    73
    3) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 51] bij de Rechter-Commissaris
    d.d. 25 mei 2001 in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een
    proces-verbaal door de Rechter-Commissaris is opgemaakt (ordner IV). De hiervoor
    genoemde getuige heeft – voor zover relevant- bij de Rechter-Commissaris het volgende
    verklaard:
    “Om te beginnen wil ik U verklaren dat ik van beroep bacterioloog ben en in de periode
    december 1982 heb ik enkele weken de toenmalige patholoog-anatoom vervangen. Ik hield mij
    uitsluitend bezig met het verrichten van gerechtelijke obducties.
    (…) Op de bewuste dag van 8 december 1982 werden wij geconfronteerd met lijken die binnen
    werden gebracht en waarbij het mij opviel dat militairen daarmee iets te maken hadden. Ik
    verklaar dit omdat heel wat militairen zich ter plekke bevonden, waarbij voorzover ik mij kan
    herinneren een bepaalde luitenant – U noemt hierbij de naam van RUIMVELD –en beaam ik
    zulks, mij voorhield dat zij aangevallen zijn geworden door een groep mensen en dat zij
    genoodzaakt waren om te schieten met dit als resultaat. Hij drong erop aan dat de lijken direct
    in de koelruimten moesten worden geplaatst. (…) Zoals gezegd werden de lijken in de
    verschillende koelruimten geplaatst en werden de sleutels door de Luitenant meegenomen.
    Na enkele dagen werden de lijken vrij gegeven ter begraving en heb ik de gelegenheid gehad
    om het lijk van wijlen de heer HOOST nader te bekijken. Ik heb toen kunnen waarnemen dat het
    lijk zowat 24 kogelinslagen vertoonde. Deze kogelinslagen waren verspreid over het hele
    lichaam.
    (…) Het is absoluut onjuist dat ik in het geheim sectie op één van de lijken zou hebben verricht.
    (…) Naar aanleiding van een opmerking van de vervolgingsambtenaar mr.MOHAMMED AMIN
    wil ik benadrukken dat vanaf de eerste dag waarop de lijken zijn binnengebracht tot het moment
    dat deze zijn afgevoerd , de sleutels in het bezit waren van de eerdergenoemde luitenant en dat
    alles plaatsvond onder toezicht van militairen.”
    4) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 52], in het bijzijn van mr. A.
    Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de instructie der strafzaken bij het Hof van
    Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te Paramaribo, mr. J.S. Mohammedamin,
    hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de Procureur-Generaal te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatstgenoemde Rechter-Commissaris, d.d. 30
    september 2003 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname,
    welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door F. Hoogendijk, RechterCommissaris en M. van Veen, griffier, (Ordner IV, blz. 323 -326),waarin voor zover
    relevantonder meer het volgende is vermeld:
    “In december 1982 was ik met vakantie in Suriname. Ik was daar ook in de periode van 7 tot 9
    december 1982. Ik verbleef bij de familie van een goede vriend van mij.
    Ik werkte in die tijd als verzekeringsarts en bedrijfsarts. Ik was ook politiearts. Als zodanig werd
    ik door de politie opgeroepen om lijkschouwing te verrichten teneinde te beoordelen of er
    sprake was van een natuurlijke of een niet-natuurlijke dood.
    (…) Ik ben ook naar het mortuarium bij het Academisch Ziekenhuis gereden. Buitenstaanders
    mochten daar niet naar binnen. Ik ben met de stroom meegegaan. Ik heb mij voorgedaan als
    familie. Ik weet niet meer op welke dag het was. Het was binnen erg druk. Ik weet niet meer of
    het ’s ochtends of ’s middags was. Ik ben er maar 1 keer heen geweest.
    (…) Er waren tafels met lijken erop en lakens eroverheen. De lijken lagen op de rug. Ik zag rood
    op de lakens. Ik interpreteerde dat als bloedvlekken. Familieleden trokken de lakens van de
    gezichten van de lijken. Bij sommige lijken werd het laken verder weggetrokken, zodat meer van
    het lichaam te zien was. Ik liep van het ene naar het andere lijk. Steeds ging ik daarheen waar
    ik zag dat een laken werd weggetrokken. Ik heb geen van de lijken betast. Ik keek ernaar als
    arts.
    74
    Ik heb bij diverse lijken kogelinslagen gezien. Ik herkende dan de verwonding duidelijk als
    inschotverwonding. Ik zag ook bij lijken verwondingen aan het gezicht (ordner IV blz.. 324)die
    kennelijk veroorzaakt waren door stompgeweld. Ik zag dan n.l. dat het weefsel op een bepaalde
    manier kapot was. Ik zag ook bloeduitstortingen. De kogelgaten zag ik zowel op gezichten als
    op overige delen van het lijk. Volgens mij heb ik niet alle lijken gezien. Ik meen mij te herinneren
    dat er twee ruimtes waren waarin lijken lagen. Ik wilde niet al te veel opvallen door bij zoveel
    verschillende lijken te gaan kijken. Ik kan me niet herinneren dat ik uitschotverwondingen heb
    gezien. De lijken lagen op hun rug. De inslagen zag ik aan de voorkant van de lijken.
    (…) Mijn conclusie dat de bewering dat de mensen op de vlucht waren dood geschoten niet
    aannemelijk was, was gebaseerd op de aard van de verwondingen; de inschotwonden waren
    aan de voorkant van de lijken. Een inschot geeft een scherpere verwonding dan een uitschot. Ik
    kan me niet herinneren waarop mijn conclusie dat de schoten van dichtbij waren afgevuurd was
    gebaseerd.
    (…) Ik heb meerdere fracturen gezien bij de lijken. Sommige van de gezichten waren helemaal
    opgezwollen en hadden bloeduitstortingen. Het duurt enige tijd voordat een bloeduitstorting
    zichtbaar is en afzakt. Op sommige gezichten zag ik van die afgezakte bloeduitstortingen. Met
    bloeduitstorting bedoel ik: onderhuidse bloedingen. Het was voor mij als arts duidelijk dat deze
    bloeduitstortingen het gevolg waren van geweld.
    Ik kan op basis van mijn bevindingen niet zeggen of de personen op ongeveer hetzelfde
    moment zijn overleden. (ordner IV blz. 325)
    5) De verklaring van [getuige 52], afgelegd ter terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 02
    december 2009, op welke terechtzitting hij, voor zover relevant, het volgende heeft
    verklaard:
    “(…) Mijn specialiteit als arts is, het vaststellen van de doodsoorzaak.
    (…) Ik ben begin december 1982 in Suriname gearriveerd.
    Toen ik hoorde dat de mensen waren doodgeschoten ben ik naar het mortuarium gegaan. Ik
    weet niet meer wanneer ik daar naartoe ben gegaan.
    Er waren een heleboel mensen bij de poort. Ik ben met de stroom van nabestaanden
    “meegeboord”.
    (…) Ik ben dus met de stroom meegelopen. Ik zag twee zalen met tafels. Er waren witte lakens
    over de lijken heen geplaatst. Bij sommigen was het gezicht ontbloot. Soms zag je de
    familieleden de lakens wegtrekken.
    Ik was geen nabestaande, dus ging ik bij de verschillende lijken even kijken. Als iemand een
    laken had weggetrokken en er iets meer te zien was, ging ik daarheen. Bij een aantal lijken heb
    ik kogelinslagen gezien. Een inschotopening ziet er anders uit, dan een uitschotopening. Een
    inschotopening is niet aan flarden, maar een uitschotopening wel. Ik zag dat er met een scherp
    voorwerp was gesneden in het gezicht van sommige lijken. Ik weet dat het een scherp voorwerp
    was, omdat er geen rafelige randen waren. Ik heb kunnen concluderen dat er wonden waren
    aangebracht middels stomp geweld. Het kan zijn gedaan met de achterkant van een
    geweerkolf. Het zou even goed kunnen met een stuk hout, maar de achterzijde van een
    geweerkolf lijkt mij waarschijnlijker.
    Ik heb gesneden lichamen gezien. Op de borst heb ik ook stompgeweld kunnen waarnemen.
    Er zat bij de ingang van het mortuarium een militair. Binnen zag ik niet echt militairen. Wat ik
    zag waren duidelijk inschotopeningen.
    (…) Aan de inschotopening kan je wel zien of het van dichtbij is afgevuurd. (…) Ik heb ergens
    een kaakfractuur kunnen waarnemen. Ik heb wel meerdere fracturen kunnen constateren.
    Iemand krijgt niet zomaar een bloeduitstorting. Er moet kracht aan te pas komen om dat te
    bewerkstelligen; je moet vallen of zo. Er moet in ieder geval kracht van buitenaf worden
    uitgeoefend op het lichaam.
    75
    (…) Ik ben in december 1982 teruggekeerd naar Nederland, al een paar dagen na 08 december
    1982.
    Ik ben vijf jaar lijkschouwer geweest. Ik bezit dus wel de vereiste deskundigheid.
    (…) Ik ben ook politiearts geweest. Ik heb aan de hand van de 15 lijken twee conclusies kunnen
    trekken:
  6. dat de lichamen niet levend waren.
  7. dat de mensen schijnbaar geen natuurlijke dood zijn gestorven. Deze conclusie heb ik
    getrokken aan de hand van tekenen die ik heb geconstateerd.
    (…) De 15 foto’s die ik later heb gezien, heb ik herkend als te zijn van de lijken die ik in het
    mortuarium heb gezien. Dat weet ik 100% zeker.”
    6) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 10] (weduwe van het slachtoffer
    Baboeram, John) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met
    de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad
    te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d.
    26 september 2003 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit
    Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. M.F. Wagner,
    Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz.. 245). De hiervoor
    genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende
    verklaard:
    “(…) Ik ben destijds twee maal naar het mortuarium geweest. Dat was op vrijdag 10 december
    1982 en daarna voor de begrafenis. De eerste keer heb ik verwondingen gezien. Ik heb alleen
    het hoofd van Baboeram gezien. Ik zag verwondingen aan zijn bovenlip, wang en voorhoofd.”
    7) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 14], (moeder van de overleden
    Behr, Bram) d.d. 23 oktober 2000, welk proces-verbaalop ambtseed is opgemaakt door de
    agent van politie der eerste klasse, Vermeer, Letitia Marlene (Ordner III, blz. 145-146),
    waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    (…) Op 09 december 1982, vernam ik van een kennis genaamd Tjon Lim Sang, Roy die
    medisch student was op het Medisch Wetenschappelijk Instituut, het M.W.I. dat de personen die
    eerder op de dag tegen hun wil door de militairen voor verhoor waren opgepakt vermoedelijk
    waren vermoord aangezien er lijken naar het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis
    werden aangevoerd. Niet lang daarna bevestigde hij ons vermoeden dat hij het lijk van Bram
    eveneens had gezien. Omstreeks 1.00 uur bevond ik mij aan de voorzijde van eerder vermeld
    mortuarium bij welke gelegenheid ik een militaire truck waarnam die voor de ingang was
    geparkeerd. Enkele militairen haalden groene zakken met daarin lijken uit de laadbak van de
    truck die vervolgens op de vloer van het mortuarium werden gesmeten. Toen zij mij samen met
    anderen ontdekten zwaaide één van hun met zijn wapen in onze richting om ons te kennen te
    geven dat wij ons moesten verwijderen. Thuis aangekomen werd ik door kapitein Ruimveld
    gebeld met de mededeling dat Bram eveneens tot één van de slachtoffers behoorde.
    Omstreeks 15.00 uur hebben de nabestaanden toestemming gehad om de lijken te identificeren
    die tot aan de hals middels een laken waren bedekt. Van een militair kregen we te horen dat wij
    het laken waarin het lijk was gewikkeld niet mochten opengooien. De koelcel werd voor drie
    kwart door een militair naar buiten gesleept en constateerde ik dat men het lijk van Bram samen
    met dat van een ander, waarvan ik later vernam dat hij Gonsalves was geheten, in een koelcel
    had gedaan. Ik sloeg de waarschuwing van de militair in de wind door het laken waarin het lijk
    was gewikkeld toch open te gooien. Daarbij ontdekte ik dat tenminste één snijtand was
    weggeslagen, zijn lippen waren gezwollen en zijn gezicht vertoonde enkele schampschotten.
    Het lichaam vertoonde meerdere schotwonden.”
    76
    8) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (weduwe van het slachtoffer
    Behr, Bram) d.d. 22 mei 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit
    Suriname, in het bijzijn van de Inspecteur van politie, Irving Pierau, welk proces-verbaal
    op ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagent-rechercheur van
    politie, Oscar Jerome Linger,(Ordner IV, blz.. 456 – 460), en waarin voor zover relevant het
    volgende is opgenomen:
    (…) Op vrijdagmiddag 9 december 1982 was ik thuis met mijn kinderen. Er kwamen twee
    militairen langs met een licht gekleurde man in burgerkledij. Dat was volgens mij iemand van de
    kerk. Ze kwamen met een militair voertuig en hadden een hoop papieren bij zich. De militairen
    droegen een groen uniform en waren ongewapend. De man zonder uniform vroeg of ik de
    vrouw van Bram Behr was. Ik antwoordde dat ik dat was waarop hij vertelde dat Bram was
    overleden. Ik heb toen gezegd dat ze hem gewoon hadden vermoord. De drie mannen
    reageerden hier niet op en vertelden ook niet wat de doodsoorzaak was. Ze gaven mij een geel
    kaartje. Dat had ik nodig om het mortuarium in te komen om mijn man te identificeren. Ik heb
    vervolgens de taxi genomen naar mijn schoonouders om hen in te lichten.
    Vrijdagmiddag omstreeks vijf uur ben ik met de schoonfamilie, mijn broer en met mijn kinderen
    naar het mortuarium gegaan. Het was druk bij het mortuarium en veel mensen waren aan het
    huilen. Een heleboel mensen kwamen niet naar binnen omdat ze geen kaartje hadden.
    In het mortuarium werd ik meegenomen door iemand in witte kleding. Ik werd meegenomen
    naar een ruimte met een aantal koelcellen. Er werd mij een stoffelijk overschot getoond en ik
    herkende mijn man Bram Behr. Ik zag dat zijn gezicht sporen van geweld vertoonde. Hij had
    overal blauwe plekken. Ik zag dat hij bij zijn linker of rechterslaap een schotwond had. Ook zag
    ik dat zijn tanden eruit waren. Zijn benen lagen er raar bij, zijn armen vertoonden blauwe
    plekken. Ik weet niet of ze gebroken waren. Ik heb, behalve een schotwond bij de slaap, geen
    ander schotwonden kunnen waarnemen.” (Ordner IV blz.. 459)
    9) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 11] (weduwe van het slachtoffer
    Behr, Bram) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en mr.
    J.S. Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de
    Procureur-Generaal, d.d. 02 oktober 2003 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. M.F. Wagner, Rechter-Commissaris en E. Bouter – van Buuren, griffier (ordner
    IV, blz.. 265-266). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de
    Rechter-Commissaris het volgende verklaard:
    “(…) Ik ben twee keer naar het mortuarium geweest. De eerste keer heb ik het lichaam van mijn
    man gezien. Mijn nichtje trok het laken weg en hij was zichtbaar voor zover het betreft zijn hoofd
    en bovenlichaam tot zijn benen. Ik zag dat zijn tanden gebroken waren. Zijn mond was namelijk
    open. Ik zag een schotwond op zijn voorhoofd en blauwe plekken in zijn gezicht en
    bovenlichaam. Hij was licht van huidskleur. Daarom waren ook de blauwe plekken goed
    zichtbaar. Hij was naakt.”
    10) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 47] (zus van het slachtoffer
    Behr, Bram) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d. 26
    september 2003 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit Suriname,
    welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. M.F. Wagner, RechterCommissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV, blz.. 247-250). De hiervoor
    77
    genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de Rechter-Commissaris het volgende
    verklaard:
    “ (…) Luitenant Ruimveld heeft ons gebeld en het overlijden van mijn broer medegedeeld. Er is
    niemand bij ons thuis geweest. Later kregen wij bericht dat wij als familie mijn broer moesten
    identificeren. Ik ben toen met mijn moeder en mijn schoonzus naar het mortuarium gegaan. Het
    was daar heel erg druk. We kwamen in de ruimte met vriescellen. Daar stonden ook tafels
    waarop zich verschillende lichamen bedekt met een wit kleed bevonden.
    Wij moesten de naam van mijn broer zeggen en dan werd er een la opengetrokken. Ik herkende
    hem direct. In het mortuarium was te weinig ruimte en daarom lagen de lichamen op elkaar, en
    werden deze beurtelings gekoeld. Er stonden geen naambordjes bij.(ordner IV, blz.. 248). Ik zag
    dat mijn broer veel bloed en zand op zijn gezicht had. Hij was helemaal naakt. Links boven zijn
    lip zag ik een gat en daar zag je dat al zijn tanden waren weggeslagen. Hij moet daar een schot
    hebben gehad. In zijn buik zag ik dat hij een kogelgat had dat duidelijk zichtbaar was. Er was
    daar een klein beetje bloed. Er werd gezegd dat de slachtoffers op de vlucht waren
    neergeschoten.
    Ik merk nog op dat toen de vriescel openging mij opviel dat een arm of been in een verkeerde
    stand was, waardoor ik dacht dat hij een behoorlijke botbreuk moet hebben gehad.”
    11) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 53] d.d. 12 december 2000, welk
    proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste
    klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner II, blz.. 137-141), waarin voor zover relevant het
    volgende is vermeld:
    (…) De juiste dag en datum kan ik mij niet meer heugen maar het moet na 08 december 1982
    zijn geweest en wel voordat de vijftien vermoorde personen door de Militairen, begraven waren.
    In het Mortuarium aangekomen heb ik al de vijftien lijken gezien van de slachtoffers die door de
    Militairen vermoord waren. Terwijl ik en mijn collega’s in het mortuarium waren werd aan mij
    gezegd door één van de afleggers om een witte jas aan te doen en daarna de lijken te
    bezichtigen. Dit zei hij aan ons aangezien de militairen elk moment het Mortuarium zouden
    kunnen aandoen.
    (…) Bij het zien van de lijken is het mij opgevallen dat de slachtoffers eerst behoorlijk waren
    mishandeld en daarna om het leven gebracht. Dit zeg ik naar aanleiding van de verwondingen
    die ik heb waargenomen op de verschillende lichamen van de slachtoffers. Van het lichaam van
    HOOST bijvoorbeeld ontbrak een heel stukje huid van zijn buik en had hij vermoedelijk een
    kaakfractuur. Op al die lichamen waren er blauwe plekken waar te nemen. Uit ervaring heb ik
    ook kunnen waarnemen dat vermoedelijk niet al de slachtoffers op een zelfde dag zijn
    vermoord. Dit zeg ik naar aanleiding van de toestand en kleur van de lijken. Uit mijn ervaring
    leek het erop alsof de lijken van de slachtoffers RAMBOCUS en SHEOMBAR een andere kleur
    hadden dan van de overige slachtoffers. Ik heb het vermoeden dat deze twee genoemde
    slachtoffers eerder zijn vermoord dan de overige slachtoffers.”
    12) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 53] (een beveiligingsagent van
    het slachtoffer Daal, Cyril) bij de Rechter-Commissaris d.d.07 mei 2002 in het kader van
    het Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de RechterCommissaris is opgemaakt (ordner IV). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover
    van belang – bij de Rechter-Commissaris het volgende verklaard:
    “(…) Zoals uit mijn verklaring blijkt ben ik samen met twee andere collega’s naar ik meen een
    dag of twee na 8 december 1982 naar het mortuarium geweest van het Academisch Ziekenhuis
    en dit in verband met een onderzoek, waarmee wij toen bezig waren. We waren allemaal in
    burger gekleed. Op aandrang van één of meer lijkbewassers hebben wij witte jassen
    aangetrokken, die doorgaans door lijkbewassers worden gebruikt. Bij die gelegenheid heb ik de
    lijken kunnen aanschouwen, die uit de koelcellen waren gehaald en kennelijk werden
    78
    voorbereidingen getroffen voor de ter aarde bestelling. Op grond van mijn ervaring heb ik letsels
    kunnen waarnemen bij verschillende lijken, waarbij duidelijk was, dat deze ontstaan waren na
    mishandeling. Ook de kleur van de lijken van SHEOMBAR en RAMBOCUS waren duidelijk
    anders. Op grond van zoals eerder gezegd mijn ervaring bij de politie, dat deze twee
    slachtoffers veel eerder om het leven waren gebracht. Ik wil U verduidelijken, dat ik op vrijwel
    alle lijken naast de letsels ook kogelinslagen heb gezien. U moet weten dat de lijken allemaal op
    hun rug waren gelegd. Uit mijn ervaring weet ik dat het hier ging om inschotverwondingen. Ik
    meen mij te herinneren, dat ik zowat 14 lijken heb gezien. De collega’s die toen samen met mij
    waren zijn geheten ONG A FAT en COOMAN.
    (…) Voor mij is zondermeer duidelijk geweest, dat de mensen niet op de vlucht zijn
    doodgeschoten. Ik weet dat in een officiële verklaring bekend werd gemaakt, dat de mensen
    tijdens een vluchtpoging in het Fort Zeelandia waren neergeschoten.
    (…) In mijn verklaring bij de politie heb ik de naam van HOOST, RAMBOCUS, DAAL en
    SHEOMBAR genoemd als de slachtoffers bij wie ik fysiek geweld heb waargenomen. Dit geldt
    evenzeer voor de persoon van RIEDEWALD.
    Van de anderen weet ik niet zeker. Ten aanzien van DAAL kan ik U verklaren dat het mij was
    opgevallen, dat zijn geslachtsdeel ietwat was opgezwollen. Het is dus niet waar dat zijn
    geslachtsdeel eraf gehaald zou zijn.”
    13) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 7] d.d. 19 oktober 2000, welk
    proces-verbaalop ambtseed is opgemaakt door de Onder Inspecteur van Politie, Fernand,
    Glenn Gustaaf (Ordner II, blz.. 123-126), waarin voor zover van belang het volgende is
    vermeld:
    “ (…) Ik moet u verklaren dat het stoffelijk overschot tot aan de borst was afgedekt met een witte
    laken. Ik zag daarbij dat de bovenste rij tanden van mijn vader ontbraken; zijn gezicht was
    blauw en zat vol kogelgaten en was het ook opgezet. Het leek alsof zijn ene oog eruit was
    gehaald en weer ingeplant.”
    14) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 12] d.d. 02 september 2002 in
    Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek uit Suriname, in het bijzijn van de
    onder inspecteur van politie te Suriname, Ruben B. Dijks, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door laatstgenoemde en de hoofdagenten/rechercheurs van
    politie, Jerome Oscar Linger,(Ordner IV), en waarin voor zover relevant het volgende is
    opgenomen:
    “ (…) Op 9 december 1982 werd ik door de buurman opgehaald. De buurman was werkzaam
    als militair en was tevens lijkbewasser. Zijn naam luidt Zerp. Zerp deelde mij mede dat hij mijhet
    stoffelijk overschot van Cyril wilde tonen. Tevens deelde hij mij mede dat hij met zijn brood
    speelde maar hij wilde mij ter bevestiging van het overlijden van Cyril confronteren. Ik ben toen
    samen met Zerp en mijn schoonzoon genaamd John Falix en mijn nichtje Roline Vriesde naar
    het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis gegaan.
    (…) Ik zag dat het lichaam van Cyril tot aan zijn hals bedekt was met een laken. Ik zag dat het
    gezicht van Cyril donker en opgezet was. Ik zag dat zijn bovengebit geheel naar buiten hing. Ik
    wil u nog mededelen dat Cyril geen prothese had maar dat dit zijn natuurlijke gebit was. Ik zag
    dat er aan de linkerzijde van zijn kin een schotwond bevond. Ik herkende de persoon die aan
    mij getoond werd als zijnde Cyril Daal.”
    15) Proces-verbaal inhoudende het vaststellen van het tijdstip tot overbrenging van de
    lijken naar het mortuarium d.d. 18 februari 2002, welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de onder inspecteur vanPolitie, Dijks, Ruben Benito (Ordner VIII, XI, XII,
    blz.. 207), waarin voor zover van belang het volgende is vermeld:
    79
    “Uit de administratie van de inrichting blijkt geen afdoende informatie beschikbaar te zijn,
    aangezien het aanwezig personeel, met name de medewerkers MILAN, MIJNALS en SANDEL
    volgens opdracht van de militairen, die het transport van de lijken hadden verzorgd, geen
    aantekening in de daarvoor bestemde register mochten maken.”.
    16) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 54] (een jongere zus van het
    slachtoffer Daal) bij de Rechter-Commissaris d.d. 08 januari 2002 in het kader van het
    Gerechtelijk Vooronderzoek, van welk verhoor een proces-verbaal door de RechterCommissaris is opgemaakt (ordner IV). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover
    relevant – bij de Rechter-Commissaris onder meer het volgende verklaard:
    “ (…)In het lijkenhuis aangekomen, werden wij geconfronteerd met ene meneer ZERP, die ons
    het lijk liet zien van CYRIL. Hij heeft nog tot drie malen toe aan MAIKEL gevraagd of hij het lijk
    herkende als zijn vader. Hierop heeft hij bevestigend geantwoord. Ik heb ook goed naar het lijk
    gekeken en mijn broer CYRIL herkend. Wat ik heb waargenomen op het lijk van CYRIL, althans
    het lichaam was dat zijn gezicht aan de ene kant opgezet was en duidelijk afdrukken van
    vingers daarop waar te nemen waren. Verder zag ik op zijn hoofd een schotwond.
    Het viel mij op dat het gat dichtgeplakt was met leukoplast. Ik ben ervan uit gegaan dat dit een
    schotwond moet zijn.
    Zijn hals was opengesneden en zag ik dat deze met grote hechtingen was gehecht. Wat zijn
    buik betreft merkte ik op, dat deze een soort verbrijzeling vertoonde. Op Uw vraag of ik het
    onderlichaam van CYRIL heb kunnen zien moet ik ontkennend antwoorden.
    (…) Ik heb zowat tien minuten naar het lijk staan kijken. Toen ik aanstalten maakte om het kleed
    waarmee het lijk bedekt was verder weg te trekken werd dit mij belet door de persoon van
    ZERP.”
    17) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 15] (weduwe van de overleden
    Goncalves, Kenneth) d.d. 19 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de onder inspecteur van politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner III, blz.. 31-
    38), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “ (…) Zoals afgesproken ging ik in de morgenuren van de afgesproken dag en uur naar het
    lijkenhuis van het Academisch Ziekenhuis. (…) Bij het mortuarium van het Academisch
    Ziekenhuis aangekomen zag ik korte tijd nadien mevrouw RAHMAN naar buiten komen. Ik
    begreep toen uit de emoties, dat zij vòòr mij de gelegenheid had gekregen om het lijk van haar
    overleden zoon, met name Lesley Rahman, te zien. Met tranen in haar ogen en huilend van
    verdriet hoorde ik haar toen zeggen: “LOEKOE SANG DING DOE NANGA MI BOENG-BOENG
    BOY.”.
    Hierna was het de beurt van mij, mijn familieleden en die van wijlen mijn man en enkele goede
    relaties om binnen het mortuarium te gaan.
    (…) In de kamer lagen vijftien lijken afzonderlijk onder witte lakens bedekt. Ik leid dit af uit het
    feit, dat al de nabestaanden in de ruimte zijn geweest om de lijken te bezichtigen. Aangezien
    Broeder Mijnals en ik elkaar goed kennen, was voor hem bekend voor welk stoffelijk overschot
    ik daar was. Het laken werd ter hoogte van de hals omlaag getrokken, waardoor ik alleen maar
    het gezicht van mijn overleden man kon zien.
    Ik kon zien, dat zijn neus een beenbreuk vertoonde, een diepe snijwond aan het voorhoofd en
    een soortgelijke snijwond op ik meen zijn linkerwang. Bewust heb ik niet gevraagd om zijn hele
    lichaam te zien. Ik had mijn toen drie jaar jonge dochter op de arm en uit respect voor mijn
    overleden man, wilde ik niet hebben, dat anderen, ofschoon zij familieleden en heel goede
    bevriende relaties van ons waren, dit moesten zien.
    (…) Ik kan mij nog heugen, dat ik van enkele stoffelijke overschotten afscheid heb genomen,
    waaronder dat van Baboeram. In leven zijnde had ik hem goed gekend, maar toen ik naar het
    gezicht keek, kon ik hem bijna niet meer herkennen. Het gezicht was totaal verminkt.”
    80
    18) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 15] (weduwe van het slachtoffer
    Goncalves, Kenneth) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast
    met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de
    Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde RechterCommissaris, d.d. 26 september 2003 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. M.F. Wagner, Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier (ordner IV,
    blz.. 243-244). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de RechterCommissaris het volgende verklaard:
    “(…) Mijn man had een verwonding midden op zijn voorhoofd. Daar was een plek te zien.
    Verder had hij op één van zijn wangen een verwonding die eruit zag als een hele scherpe
    streep. Zijn mond was gesloten. Ik heb dus niet kunnen zien of zijn gebit beschadigd was. Ook
    zijn ledematen en lichaam heb ik niet gezien. Ik heb het laken dat over hem heen lag niet
    weggeschoven.”
    19) Proces-verbaal betreffende het verhoor van de [persoon 13] (broer van de overleden
    Leckie, Gerard) d.d. 20 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt
    door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner III, blz. 171-
    175), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Ik ben in het Mortuarium geweest en heb het lijk gezien. Men mocht niet aan het lijk komen
    toch heb ik de durf genomen om het laken van het lijk van mijn broer weg te halen. Om duidelijk
    te zijn waren alle lijken van de vijftien vermoorde Surinamers in de koelcellen van het
    Mortuarium ondergebracht. Toen de familie afscheid mocht nemen in het mortuarium werd de
    koelcellen opengemaakt en werd het lijk even naar buiten geschoven. Het lijk of althans al de
    lijken waren geheel met een laken gewikkeld waardoor geen lichaamsdeel te zien was. Hier heb
    ik de durf genomen en heb het laken van het gezicht van mijn overleden broer gehaald. Bij deze
    gelegenheid zag ik dat het gezicht van mijn overleden broer geheel besmeurd was met bloed. Ik
    heb goed gekeken en heb twee kogelgaten kunnen waarnemen aan zijn rechterhelft van het
    gezicht. Het ene kogelgat was ter hoogte van zijn rechterslaap, terwijl het andere ietsje naar
    beneden was. Na dit gezien te hebben had ik geen zin meer om naar het hele lichaam van mijn
    broer te kijken.”
    20) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 20] (weduwe van het slachtoffer
    Oemrawsingh, Harrie) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast
    met de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de
    Krijgsraad te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde RechterCommissaris en mr. J.S. Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het
    Parket van de Procureur-Generaal, d.d. 02 oktober 2003 in Nederland in het kader van
    een rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. M.F. Wagner, Rechter-Commissaris en E. Bouter – van Buuren, griffier (ordner
    IV, blz.. 265-266). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de
    Rechter-commissaris het volgende verklaard:
    “(…) Ik ben twee maal naar het mortuarium geweest. De eerste keer heb ik zijn lichaam gezien.
    Ik kon alleen zijn gezicht zien, verder was hij bedekt. Hij had een wond, defect. Ik zag een grote
    wond aan de zijkant van zijn voorhoofd. Ik denk dat, dat de rechterkant was, en op zijn
    linkerwang, diagonaal daartegenover een kleine wond. Bij hem zag ik geen bloed. Op de vloer
    lag wel overal bloed.”
    21) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 22], (jongere zus van de
    overleden Rahman, Leslie) d.d. 15 mei 2002, in het kader van een rechtshulpverzoek van
    81
    Suriname aan Nederland, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt in Nederland
    door Oscar Jerome Linger, hoofdagent-rechercheur van politie, de Inspecteur van politie,
    I. Piereau (Ordner III, blz.. 124-129), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Ruimveld zei dat wij nu naar het mortuarium mochten gaan om afscheid te nemen. Ik ben
    toen samen met moeder en enkele familieleden naar het mortuarium gegaan. Bij het
    mortuarium werden wij door een man opgevangen. Deze verontschuldigde zich en omhelsde
    ons. Hij zei dat hij geen bloed aan zijn handen had, hij vertelde dat hij kok in het leger was. Hij
    kon Leslie (lees : Lesley)echter niet tussen de lijken vinden. De kok werd echter bijgestaan door
    een tante van ons. Zij vertelde ons later dat het eigenlijk niet van de kok mocht. Hij bedoelde
    ermee dat er geen buitenstaanders mee naar binnen mochten. Ik kon door een half open deur
    naar binnen kijken. Ik zag stapels lijken op elkaar liggen. ‘(…) Mijn tante heeft toen Leslie
    geïdentificeerd waarna wij naar binnen mochten. Ik zag dat Leslie op een baar lag. Ik zag dat
    Leslie een schotwond midden in zijn voorhoofd had. Ik zag dat Leslie geheel onder het bloed
    zat. Ik zag dat geronnen bloed in zijn oren en neus bevond. Ik zag dat de linkerzijde van Leslie
    zijn hoofd gezwollen was. Ik hoorde later dat de kok tegen mijn moeder had gezegd dat de borst
    van Leslie vol kogelgaten zat en via een ander familielid die ons vergezelde, dat Leslie zijn
    benen onder de striemen zat.”
    22) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 22] (zus van het slachtoffer
    Rahman, Leslie), in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met
    de instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad
    te Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris, d.d.
    23 september 2002 in Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek vanuit
    Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door mr. M.F.Wagner,
    Rechter-Commissaris en P.G. van der Vlugt, griffier, (Ordner IV, blz.. 233 -236),waarin voor
    zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…)In het mortuarium heb ik het lijk van mijn broer gezien. Hij droeg alleen een onderbroek en
    was verder niet gekleed. Mij viel op dat zijn benen slap hingen. Daardoor kreeg ik het
    vermoeden dat zijn benen gebroken waren. Verder was hij doorzeefd. Ik zag veel
    schotverwondingen. In het mortuarium was iemand die ik niet van naam ken. Hij was kok in het
    kampement.
    (…)Ik heb gezien dat Lesley aan een zijde een bloeddoorlopen gezicht had, ik denk dat het zijn
    rechterzijde was. Ik denk dat die verwonding is veroorzaakt door een geweerkolf, vanwege de
    vorm van de verwonding, die ik waarnam op zijn gezicht. Toen we afscheid van hem namen,
    was dat niet meer te zien. Ik vond dat knap van de lijkbewassers. Bij Lesley waren verder
    kogelgaten zichtbaar op het bovenste deel van zijn borst. Er was ook een schotwond zichtbaar
    op zijn voorhoofd tussen zijn beide wenkbrauwen. Later zat daar een pleister op. Lesley had
    aan zijn armen veel strepen/striemen. Zweepslagen zeg maar. Ik weet niet of die strepen
    veroorzaakt werden door geronnen bloed, zoals dat zichtbaar was bij zijn oor.”(ordner IV, blz..
    234)
    23) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 48] (zus van de overleden
    Rambocus, Soerendra) d.d. 20 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de Onder inspecteur van Politie, Dijks, Ruben Benito (Ordner II, blz. 92-
    95), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “ (…) Op 9 december 1982 kreeg ik via contacten het bericht dat enkele personen in het Fort
    Zeelandia doodgeschoten waren. Gedurende deze paniekere momenten werd ik door Kapitein
    Ruimveld gebeld, die toen de officiële mededeling deed, dat mijn broer Soerindre was
    overleden en dat het lijk opgebaard lag in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis.
    (…) In een zaal lagen vijftien lijken onder witte lakens, waarvan ik dertien heb gezien.
    82
    Nadat ik het lijk van mijn broer had herkend, trok ik het laken van het lichaam weg. Ik zag, dat
    zijn voorhoofd verwondingen vertoonden die erop duidden dat er sigaretten in het gezicht
    uitgebrand waren. Op zijn borst en buik waren kogelgaten zichtbaar en diverse snijwonden in
    het gezicht of op andere delen van het lichaam.”
    24) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 48] (zus van het slachtoffer
    Rambocus) in het bijzijn van mr. A. Ramnewash, Rechter-Commissaris belast met de
    instructie der strafzaken bij het Hof van Justitie, de Kantongerechten en de Krijgsraad te
    Paramaribo, mw. L. Thijm, griffier van de laatst genoemde Rechter-Commissaris en mr.
    J.S. Mohammedamin, hoofdofficier van justitie verbonden aan het Parket van de
    Procureur-Generaal, d.d. 22 mei 2002 en 6 juni 2002 in Nederland in het kader van een
    rechtshulpverzoek vanuit Suriname, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt
    door mr. F. Hoogendijk, Rechter-Commissaris en M. Kroes, griffier (ordner IV, blz.. 302-
    310). De hiervoor genoemde getuige heeft – voor zover relevant – bij de rechtercommissaris onder meer het volgende verklaard:
    “(…) Na het bericht ben ik met de familie direct naar het mortuarium gegaan. Het was er heel
    druk. Ik kan me herinneren dat buiten in de menigte een schot afging. Ik weet niet meer of het
    ochtend of middag was. De families werden één voor één binnengelaten. De verpleegkundig
    directrice van het ziekenhuis, mevrouw Small-Somaroo, was er ook en broeder Mijnals ook. Er
    was ook een man die Zerp heette. Hij vervulde de functie in de gezondheidsdienst van het
    leger.
    (…) Er lagen 15 lijken onder lakens, 13 naast elkaar en 2 in een aparte ruimte. Ik heb de lakens
    weggetrokken van de 13 lijken, helemaal. Ik zag dat de lichamen toegetakeld waren. Ik kan niet
    met zekerheid zeggen bij welke lijken ik welke verwondingen heb gezien. Van het lijk van mijn
    broer kan ik dat wel zeggen. Bij hem nam ik waar dat het onfris rook. Ik heb hem wel driemaal
    gezien. Die reuk was er al de eerste keer. Ik ben geen medicus maar het leek mij een teken van
    ontbinding. Ik zag gaten op zijn voorhoofd alsof daar sigaretten waren uitgedrukt. Ik zag bij hem
    ook veel blauwe plekken en gaten in zijn boven- en onderlichaam, aan de voorkant. Ik zag ook
    gestold bloed op het laken en op het lichaam. Ik heb ook snijwonden gezien op zijn wangen.
    Dat waren duidelijk snijwonden en geen krabwonden of iets dergelijks.”
    25) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 15] (moeder van slachtoffer
    Sheombar, Djiewansingh) d.d. 23 november 2000, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is
    opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner VIII, XI,
    XII, blz.. 334 – 337) waarin het volgende, voor zover relevant, is vermeld:
    “(…) Op 09 december 1982 waren de geruchten zodanig dat er zelfs namen van personen
    werden genoemd die vermoord waren door Militairen. Tot op dat moment wist ik, noch mijn
    familie dat DJIEWAN ook erbij behoorde. In de middaguren van 09 december 1982 kreeg ik van
    omstanders te horen dat de lijken van de vermoorde personen door de Militairen overgebracht
    zijn naar het Mortuarium van het Academisch Ziekenhuis en dat het lijk van mijn zoon
    DJIEWAN ook gezien is.
    (…) Na dit bericht te hebben vernomen begaf ik mij gelijk naar het Mortuarium. Als ik het goed
    heb begaf ik mij vergezeld van mijn echtgenote. Bij het mortuarium aangekomen trof ik een
    menigte aan. Op gegeven moment werd de naam SHEOMBAR genoemd. Tezamen met mijn
    echtgenote begaf ik mij binnen het Mortuarium. In het Mortuarium trof ik het lijk van mijn zoon
    DJIEWAN aan. Het lijk was bedekt met een wit laken. Alleen het gezicht van DJIEWAN was te
    zien. Van de militairen die op dat moment in het Mortuarium aanwezig waren mocht ik het laken
    niet weghalen van het lijk waardoor ik niet heb kunnen zien wat de verwondingen waren van
    DJIEWAN. Aan zijn gezicht kon ik zien dat hij behoorlijk mishandeld was. Dit zeg ik naar
    aanleiding van het feit dat zijn gezicht van paars tot zwart gekleurd was en behoorlijk
    opgezwollen was. Aan het gezicht heb ik geen verwondingen gezien. Voor de duidelijkheid
    83
    moet ik verklaren dat ik geen officieel bericht zijdens de militairen heb gehad.” (VIII, XI, XII, blz..
    336).
    26) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 16] (een jongere broer van de
    overleden Slagveer, Jozef) d.d. 27 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is
    opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, Ramsukul Dewanand (Ordner II, blz..
    65-68), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Ik ben ook geweest met mijn familieleden naar het mortuarium. Wie al deze familieleden
    zijn geweest kan ik U niet verklaren. Wat ik wel weet was dat mijn moeder en Glenda erbij zijn
    geweest. In het mortuarium aangekomen troffen wij heel wat andere familieleden van andere
    slachtoffers aan en er waren toch al veel lijken opgebaard met dat van JOZEF. Al deze lijken
    waren bedekt met een wit laken en wel tot het gezicht, dus het gezicht kon men alleen zien.
    Volgens de instructies die ter plaatse waren gegeven mochten de lakens niet weggehaald
    worden van de verschillende lijken. Het lijk van JOZEF werd door ons herkend ondanks dit heel
    moeilijk was.
    Op het voorhoofd had hij een diepe verwonding en een flinke deuk, zijn wangen vertoonden
    zwellingen en zijn mond was dichtgeplakt met verband materiaal. Ondanks de instructies die
    gegeven was aan de nabestaanden om geen lakens weg te halen van de lijken werd
    opgegeven moment de lakens of althans van een paar van de lijken weggehaald. Bij deze
    gelegenheid ontdekten wij dat zijn mond geen tanden had en dat zijn mond op een groot gat
    leek. Naar aanleiding hiervan hebben wij, familieleden, het lijk omgekeerd met dien verstande
    dat dit op zijn buik kwam te liggen. Bij deze gelegenheid hebben wij eveneens een groot gat
    ontdekt op zijn achterhoofd. Het vermoeden bestaat dat hij met een zwaar wapen in zijn mond
    is geschoten waarbij de kogel via het achterhoofd naar buiten is gekomen. Na deze
    verwondingen te hebben waargenomen hadden wij geen durf om naar meer verwondingen te
    kijken op het lichaam van JOZEF.”
    27) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 17] (een jongere zus van de
    overleden Sohansingh, Somradj Robby) d.d. 21 oktober 2000, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul,
    Dewanand (Ordner III, blz. 192-197), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Zo kreeg mijn vader op 10 december 1982 omstreeks 14.00 uur telefonisch bericht dat de
    lijken opgeborgen waren in het Mortuarium van het Academisch Ziekenhuis en dat wij mochten
    gaan kijken of dat lijk van ROBBY ook daar was. Zoals eerder verklaard had ik nog steeds het
    gevoel dat ROBBY niet vermoord was.
    (…)Bij het zien van het gezicht van mijn broer ROBBY heb ik gezien dat dit helemaal veranderd
    was. Hiermee bedoel ik dat hij behoorlijk mishandeld was en dat zijn gezicht een kleur had van
    blauw/paars tot zwart. Hij had ook een grote bult even boven het linkeroog en wel op het hoofd.
    Hieruit heb ik het vermoeden gehad dat hij heel hard moet geslagen zijn middels een hard
    voorwerp. Deze bult had ook een kleur die waar te nemen was op zijn gezicht en hoofd. Mijn
    zuster PREMILA die arts is kon haar emoties niet inhouden en op gegeven moment trok zij het
    laken van het lijk van ROBBY weg. Bij deze gelegenheid heb ik gezien dat hij ongeveer acht
    kogelgaten had op zijn borstreek. ROBBY had met uitzondering van zijn ondergoed geen
    kleding op zijn lijf. (…) Aangezien het lijk enigszins toch schoon was gemaakt waren de
    kogelgaten, nadat het laken was weggetrokken goed waar te nemen. Ook heb ik kunnen zien
    dat er enkele voortanden van ROBBY kapotgeslagen waren. Deze ontbraken in zijn mond. Dit
    heb ik kunnen zien aangezien zijn mond enigszins open was. Het vermoeden bestaat dat zijn
    rechter jukbeen ook kapotgeslagen was. Dit zeg ik naar aanleiding van het feit dat de
    rechterkant van het gezicht, ondanks de zwellingen, een deuk vertoonde. Dus bij het zien van
    het gezicht van ROBBY was hij nauwelijks te herkennen en kon men gewoon uitmaken dat hij
    behoorlijk mishandeld moet zijn geweest met een hard voorwerp.
    84
    (…) Mijn zus die arts is had het laken in een ruk weggetrokken van het lijk en toen zei dezelfde
    lijkenwasser “DOK DAT MAG NIET VAN DE MILITAIREN.”. Intussen hadden wij dat lijk heel
    goed gezien. In deze toestand heeft mijn hele familie het lijk gezien dus zij kunnen ook praten
    over de verwondingen die zij waargenomen hebben.”
    28) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [getuige 28] (een jongere broer van de
    overleden Sohansingh, Somradj Robby) d.d. 21 oktober 2000, welk proces-verbaal op
    ambtsbelofte is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul,
    Dewanand (Ordner III, blz. 198-202), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “ (…)Aangezien mijn broer Robby ingesloten was geworden in het cellenhuis van het Fort
    Zeelandia en hij mogelijk ook deel kon uitmaken van de doodgeschoten personen, haastte ik mij
    samen met mijn oudere zus, die arts is, naar het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis.
    Aldaar heerste er een enorme emotionele toestand van huilende familieleden van de
    overledenen. Er waren strikte orders, dat niemand het mortuarium binnen mocht. Mijn zus die
    als arts enkele contacten had in het Academisch ziekenhuis, kreeg contact met een collega van
    haar, die toen bevestigde, dat haar broer Robby ook één van de doodgeschoten personen was
    en dat zijn lijk in het mortuarium lag.
    (…) Ik ging samen met mijn zus, de arts, en andere broers, zusters en ouders van mij in de zaal
    waar de lijken lagen opgebaard. Ik zag heel wat lijken op tafels liggen, die allen bedekt waren
    met door bloed besmeurde witte lakens tot tussen de neus en mondholte.
    Na enige tijd te hebben gekeken naar de gezichten van de lijken, herkende ik die van mijn broer
    Robby en deed toen de uitlating: “SHIT DIT IS ROBBY”. Mijn zus die dit eveneens al in de
    gaten had, trok toen laken weg tot de onderbuik van het lichaam. Toen dit was geschied,
    spoedde de medewerker in het lijkenhuis, met name ZERP, nu wijlen, naar ons toe en zei dat
    dit niet mocht van de militairen, vermits die boos zouden worden.
    Aangezien het lichaam al half bloot lag op de tafel, konden wij van die gelegenheid gebruik
    maken om de verwondingen te bekijken.
    Ik telde zes inschot verwondingen in de borst en buik, een fractuur van het rechterjukbeen,
    zwelling van lippen en naar binnen geslagen tanden. Zowel op het terrein als in het mortuarium
    waren militairen in uniform gekleed, die de zaak strak bewaakten.”
    29) Proces-verbaal betreffende het verhoor van [persoon 18] (een broer van de overleden
    Sohansingh, Somradj Robby) d.d. 24 oktober 2000, welk proces-verbaal op ambtsbelofte
    is opgemaakt door de agent van politie der eerste klasse, Ramsukul, Dewanand (Ordner
    III, blz.. 198-202), waarin voor zover relevant het volgende is vermeld:
    “(…) Binnen het mortuarium aangekomen werd het lijk van ROBBY aan ons getoond. Ik moet
    wel voor de duidelijkheid verklaren dat niet slechts het lijk van ROBBY te zien was doch van
    verschillende slachtoffers die vermoord waren door de Militairen. Ik heb ook de lijken van
    SLAGVEER en SOEGRIEM kunnen zien. In het mortuarium was het op gegeven moment zo
    druk geworden dat je de andere lijken niet goed kon zien. Al de lijken waren bedekt met lakens
    waardoor slechts het gezicht te zien was. Het gezicht van ROBBY was nauwelijks te herkennen.
    Duidelijk kon men zien dat hij mishandeld was en dat het gezicht behoorlijk opgezwollen was
    Het gezicht had een blauw/paars tot zwarte kleur gekregen vanwege de vele slagen. De mond
    van ROBBY was enigszins open en kon men duidelijk zien dat er een paar tanden ontbraken.
    Hij had een lange bult die blauw/paars tot zwart van kleur was ietsje boven zijn oog. Boven welk
    oog het precies was, kan ik mij niet zo goed heugen. Met het laken waarmee ROBBY afgedekt
    was vertoonde bloed ter hoogte van zijn borststreek. Naar aanleiding hiervan trok ik tezamen
    met mijn jongere zus PREMILA het laken van het lichaam van ROBBY weg. Bij deze
    gelegenheid zak ik dat ROBBY geen kleding over zijn lichaam had en dat er een aantal
    kogelgaten aanwezig waren aan zijn buik en borststreek. Nadat het laken van het lichaam van
    ROBBY was getrokken werden wij aangesproken door een lijkbewasser of een lid van het
    85
    Mortuarium. Hij zei aan ons dat het laken niet van het lijk weggehaald mocht worden en indien
    wij ons niet aan die regel zouden houden, wij uit het mortuarium gezet zouden worden.”
    J. Ten aanzien van het vaststellen van de dood en doodsoorzaak
    Algemeen
    1) Proces-verbaal d.d. 04 juni 2004 betreffende een samenvatting en eindconclusies van
    het Rapport Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden, welk proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door de
    deskundigen Prof. Dr. M.A. Vreden, Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Stoof (ordner V,
    blz.. 7 – 8), waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Wij, Vrede, Vlogtman, Karelse en Stoof, concluderen op basis van de verrichte onderzoeken
    het volgende:
    Identificatie
  • De 15 stoffelijke overschotten die werden aangetroffen in de graven zijn door middel van
    vergelijkend DNA-onderzoek geïdentificeerd.
    Doodsoorzaak
  • Bij acht slachtoffers was de doodsoorzaak verbrijzeling van het hersenweefsel.
  • Bij zeven slachtoffers was de doodsoorzaak shock door bloedverlies.
    Kogels slachtoffers
    Bij negen slachtoffers werden in totaal 22 kogels en één kern van een kogel aangetroffen:
  • 21 kogels zijn van het kaliber 9mm Parabellum. Eén van deze kogels is geschikt voor
    vergelijkend onderzoek ter identificatie.
    Vastgesteld werd dat deze kogel niet uit de loop van de UZI NL50108 is afgevuurd.
  • Van één kogel was het kaliber niet vast te stellen.
  • De kern is van een kogel van het kaliber 7.62x39mm.
    Muur Bastion Veere
  • Van de onderzochte gaten op het Bastion Veere, in de muur parallel aan de rivierzijde,
    in het gedeelte tussen de openingen, zijn er minstens vijf veroorzaakt door inslagen van
    kogels van het kaliber 9mm en minstens één door een kogel van het kaliber 7.62x39mm.
  • Van de onderzochte gaten op Bastion Veere, in de muur parallel aan de rivierzijde in het
    gedeelte links van de linkeropening, zijn er minstens drie veroorzaakt door inslagen van
    kogels van het kaliber 7.62x39mm.
    Patronen van het kaliber 9mm werden doorgaans verschoten uit een pistool of een
    machinepistool. Hiervoor komt een groot aantal typen wapens in aanmerking, waaronder
    machinepistool model UZI en pistool Browning 9mm KL.
    Patronen van het kaliber 7.62x39mm worden doorgaans verschoten uit (machine)geweren;
    hieronder zijn ook begrepen wapens van het type Kalashnikov (AK47).
    (…)
    86
    De plaats waar op het Bastion Veere was geschoten verliep van halverwege de korte muur,
    rechts van de gang naar Bastion Zierikzee, tot en met de deur van de gang naar Bastion
    Middelburg.
    Gezien het waargenomen hoekverloop kunnen de onderzochte gaten zijn veroorzaakt door
    schoten die van een hoogte van 1 tot 1½ meter (heup-schouderhoogte) op het Bastion Veere
    zijn afgevuurd van elke afstand tussen de 3 en 13 meter.”
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Baboeram, John Khemradj
    2)Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 175-176), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “Op vrijdag 13 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Sarwa Oedai te Paramaribo een gesloten graf geopend. Op dit graf stond de
    naam van:
    J.K. BABOERAM (objectcode N)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werden vijf kogels aangetroffen.
    Deze kogels werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris
    inbeslaggenomen en gewaarmerkt N-3, N-4, N-5, N-6 en N-10.
    (…)
    Korte samenvatting uit het deskundigenrapport
    N-3 Het is een volmantelkogel;
    De kogel is gedeformeerd;
    De kogel is waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    De kogel kon verschoten zijn door een wapen, type UZI;
    Het merk/type wapen waarmee deze kogel was verschoten kon niet meer worden
    vastgesteld;
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    N-4Voor deze kogel gelden dezelfde onderzoeksresultaten als bij kogel N-3.
    N-5Het is een volmantelkogel;
    De kogel is gedeformeerd;
    De kogel is waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    Patronen van dit kaliber worden doorgaans verschoten uit een pistool of een
    machinepistool. Het merk en type waarmee deze kogel was verschoten kon niet meer
    worden vastgesteld;
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    N-6 Voor deze kogel gelden dezelfde onderzoeksresultaten als bij kogel N-3.
    N-10Het is een volmantelkogel;
    De kogel is zeer waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    De kogel kan verschoten zijn met een wapen, type UZI;
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.”
    87
    3) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 173-174), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ978) van het slachtoffer in het graf met
    codering N past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van J.K.
    Baboeram.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer J.K. BABOERAM is.”
    4) Proces-verbaal d.d. 13 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van J.K. Baboeram (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 168), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde rechts aan de bovenzijde een defect van circa 22 millimeter (zie foto 2). Van
    hieruit waren diverse fractuurlijnen aanwezig.
    Een gedeelte van het bot aan de achterzijde ontbrak. In de bovenkaak was er in het midden een
    defect (zie foto 3). De onderkaak toonde geen afwijkingen.
    De botten van de rechterarm en de handbotten waren zonder afwijkingen.
    De botten van het rechterbeen en voetbotten waren zonder afwijkingen.
    Het bot van de linkerbovenarm toonde een fractuur (zie foto 4). Van de linker armsbotten
    ontbrak de ellepijp. De botten van de hand toonde geen afwijkingen. Het linker bovenbeensbot
    toonde geen afwijkingen. In het linkerscheenbeen ontbrak het gewrichtsvlak. Het kuitbeen
    toonde twee fracturen (zie foto 5). Er waren geen afwijkingen in de voetbotten.
    Het linkerschouderblad toonde geen afwijkingen. Het rechterschouderblad toonde destructie
    (zie foto 6).
    De wervelkolom, de ribben, het borstbeen en het bekken toonden geen afwijkingen.
    Gezien de destructie van de schedelbotten moet er een uitgebreide verbrijzeling van
    hersenweefsel zijn geweest. Door destructie van het rechterschouderblad moet er een
    perforatie van de rechterlong zijn geweest. Deze destructies kunnen zijn veroorzaakt door
    kogels. De kogels die bij het slachtoffer zijn aangetroffen komen hiervoor in aanmerking (zie
    4.14.3).
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    5) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Baboeram, John Khemraadj op 09 december 1982
    omstreeks 12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door
    Ruimveld, Eli Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner II, blz..
    111).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Behr, Abraham Maurits
    88
    6) Proces-verbaal d.d. 27 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 107-110), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “Op donderdag 12 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Annette’s Hof te Paramaribo een gesloten graf geopend. Op dit graf stond de
    naam van:
    A.M. Behr (foto 1)
    Het graf werd aangeduid met de objectcode I.”
    7) Proces-verbaal d.d. 12 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van A.M. Behr (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 111), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    In de schedel was er aan de achterzijde in het midden een spleet van circa 12 millimeter, doch
    geen perforatie van de onderkaak. De onderkaak was voornamelijk aan de linkerzijde voor het
    grootste gedeelte afwezig (zie foto 2).
    De botten van de rechterarm en het rechterbeen toonden evenals de hand- en voetbotten geen
    afwijkingen. Dit was eveneens het geval aan de linkerzijde.
    In het rechterschouderblad was er een destructie aanwezig (zie foto 3).
    Het linkerschouderblad toonde geen afwijkingen.
    De wervelkolom, de ribben, het borstbeen en het bekken toonden geen afwijkingen.
    Gezien de defecten in het rechter schouderblad ter hoogte van de rechter borstholte moet de
    rechter long geperforeerd zijn geweest. Deze defecten kunnen zijn veroorzaakt door kogels.
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de rechter long.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    8) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Behr, Abraham Maurits op 09 december 1982 omstreeks
    12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli
    Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner III, blz.. 144).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Daal, Cyril
    9) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 116-117), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “Op donderdag 12 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Annette’s Hof te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    89
    C.R.D. DAAL (objectcode J)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werden drie kogels aangetroffen.
    Deze kogels werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris
    inbeslaggenomen en gewaarmerkt J-1, J-2 en J-10.”
    10) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 126-127), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ974) van het slachtoffer in het graf met
    codering J past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van C.R.D.
    Daal.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer C.R.D. DAAL is.”
    11) Proces-verbaal d.d. 12 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van C.R.D. Daal (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 122), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel was nog bedekt met weefsel en haren welke wel gemakkelijk loslieten (zie foto 2).
    De weke delen van het gelaat hadden een bruine kleur. Na verwijdering van haren en weke
    delen toonde de schedel aan de achterzijde ter hoogte van de schedelnaden voornamelijkaan
    de linkerzijde een destructie van circa 2½ bij 3½ centimeter. Er was een fractuurlijn aan de
    linkerzijde op circa 15 centimeter boven het wangbeen en eveneens aan de linkerzijde een
    fractuurlijn van circa 6 centimeter naar het achterhoofd (zie foto 3). Aan de rechterzijde was er
    in de onderkaak een gedeelte afwezig en eveneens bestond er een fractuur in dit gebied.
    In de rechterarm ontbrak de kop van het bovenarmsbot (zie foto 2).
    Zowel aan de linker als aan de rechterzijde ontbraken de koppen van scheen- en kuitbeen. De
    knieschijven waren wel aanwezig.
    De hand- en voetbotten, zowel links als rechts waren zonder bijzonderheden.
    Het sleutelbeen rechts toonde aan de borstzijde een defect.
    In de schouderbladen waren links twee en rechts drie defecten aanwezig (zie foto 2).
    In de wervelkolom werden in het hals- en borstgebied geen afwijkingen gevonden evenals de
    ribben en het borstbeen. In het onderste gedeelte van de wervelkolom (lendenwervels) waren
    twee defecten aanwezig. Een gedeelte van het heiligbeen ontbrak (zie foto 4).
    Gezien de destructie van de schedelbotten moet er een uitgebreide verbrijzeling van
    hersenweefsel zijn geweest. De destructie van de schouderbladen moet een perforatie van
    longen en/of hart hebben veroorzaakt. De kogels die bij het slachtoffer zijn aangetroffen komen
    hiervoor in aanmerking (zie 4.10.3).
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    90
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    12) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Daal, Cyril op 09 december 1982 omstreeks 12.00 uur des
    middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli Reinir Desiré
    met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner II, blz.. 115).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Gonçalves, Kenneth Carlos
    13) Proces-verbaal d.d. 27 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 40-43), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “Op dinsdag 10 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de RoomsKatholieke begraafplaats te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    K.C. GONCALVES (objectcode C)
    (…)
    “Bijzonderheden
    Tijdens bovengenoemd onderzoek werden vier kogels aangetroffen. Deze zijn gewaarmerkt als
    C-10, C-11, C-12 en C13.”
    14) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 47-48), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ967) van het slachtoffer in het graf met
    codering C past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van K.C.
    Gonçalves.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer K.C. GONCALVES is.”
    15) Proces-verbaal d.d. 10 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van K.C. Gonçalves (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 44), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel was volledig aanwezig met onderkaak. In het rechtergedeelte van de schedel was
    een defect met een diameter van ca 18 millimeter aanwezig. Er was een fractuurlijn welke
    verliep naar het bot achter het rechteroor.
    De botten van de rechterarm en het rechterbeen toonden geen defecten. In de botten van de
    hand en de voet aan de rechterzijde waren eveneens geen defecten aanwezig.
    De botten van de linkerarm en linkerhand vertoonden geen afwijkingen. Het linkerbovenbeen
    was aanwezig en toonde geen defect. Er was wel destructie van het bovenste gedeelte van de
    91
    onderbeensbotten (zie foto 3). Er was een defect van het kuitbeen, nagenoeg in het midden (zie
    foto 3). Het gewrichtsvlak van het kuitbeen toonde een destructie. De knieschijf ontbrak aan de
    zijde.
    Gezien het defect in de schedel met tekenen van fractuur van de schedelbotten moet er een
    verbrijzeling van het hersenweefsel zijn geweest. De kogels die bij het slachtoffer zijn
    aangetroffen komen hiervoor in aanmerking (zie 4.3.3).
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    16) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Gonçalves, Kenneth Carlos op 09 december 1982
    omstreeks 12.00 uur des middags is overleden en de aangifte ter zak eis gedaan door de
    Ruimveld, Eli Reinier met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner III, blz.. 30).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Hoost, Edmund Alexander
    17) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 61-62), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “Op woensdag 11 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Marius Rust te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    E.A. HOOST (objectcode D)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werden drie kogels aangetroffen.
    Deze kogels werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris
    inbeslaggenomen en gewaarmerkt D-1, D-2 en D-3.”
    18) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 59-60), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ968) van het slachtoffer in het graf met
    codering A past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van E.A.
    Hoost. Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer E.A. HOOST is.”
    19) Proces-verbaal d.d. 11 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van E.A. Hoost (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    92
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 55), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde aan de linkerachterzijde een gleufvormig defect met een diameter van circa
    10 bij 25 millimeter (zie foto 2). De onderkaak toonde geen afwijkingen.
    De botten van de rechterarm en het rechterbeen toonden geen afwijkingen, evenals de handen voetbotten. De linkerbovenarm toonde geen afwijkingen. De onderarmbotten toonden
    fracturen nagenoeg door het midden (zie foto 3).
    De botten van het linkerbeen toonden geen afwijkingen evenals de botten van de linkerhand en
    linkervoet.
    Zowel het linker- als het rechterschouderblad toonde twee defecten van circa 20 millimeter (zie
    foto’s 4 en 5).
    Er waren geen afwijkingen in de wervelkolom, het borstbeen, de ribben en het bekken.
    Gezien het defect van het schedelbot moet er een verbrijzeling van hersenweefsel zijn geweest.
    De kogels die bij het slachtoffer zijn aangetroffen komen hiervoor in aanmerking (zie 4.4.3).
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    20) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Hoost, Edmund Alexander op 09 december 1982
    omstreeks 12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door
    Ruimveld, Eli Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner III, blz..
    08).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Kamperveen, Rudie André
    21) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 106), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “Op donderdag 12 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Annette’s Hof te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    A.R. KAMPERVEEN (objectcode H)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werd één kogel aangetroffen.
    Deze kogel werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris inbeslaggenomen
    en gewaarmerkt H-1.”
    22) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 104-105), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    93
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ972) van het slachtoffer in het graf met
    codering H past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van A.R.
    Kamperveen.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer A.R. KAMPERVEEN is.”
    23) Proces-verbaal d.d. 12 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van A.R. Kamperveen (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 100), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    In de schedel en onderkaak werden geen afwijkingen gevonden.
    De botten van de rechterarm en het rechterbeen toonden evenals de handen en voetbotten
    geen afwijkingen.
    De linkerarm toonde zowel in de bovenarm als in de onderarm nagenoeg in het midden van de
    botten fracturen (zie foto 2).
    In het linkerschouderblad werden geen afwijkingen gevonden, doch het rechterschouderblad
    toonde twee defecten (zie foto 3).
    De wervelkolom, de ribben en het borstbeen toonden geen afwijkingen.
    In het bekkengebied was er rechts een fractuur nabij het heiligbeen (zie foto 4)
    Gezien de defecten in het rechterschouderblad ter hoogte van de rechter borstholte moet de
    rechterlong geperforeerd zijn geweest. Deze defecten kunnen zijn veroorzaakt door kogels. De
    kogel die bij het slachtoffer is aangetroffen komt hiervoor in aanmerking (zie 4.8.3).
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de rechter long.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    24) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Kamperveen, Rudie André op 09 december 1982
    omstreeks 12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door
    Ruimveld, Eli Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner III, blz..
    39).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Leckie, Gerard
    25) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 28-29), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “Op dinsdag 10 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de RoomsKatholieke begraafplaats te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    G. LECKIE (objectcode A)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werden twee kogels aangetroffen.
    94
    Deze kogels werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris
    inbeslaggenomen en gewaarmerkt A-1 en A-10.
    (…)
    Korte samenvatting uit het deskundigenrapport
    A-1 Het is een volmantelkogel;
    De kogel is zeer waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    Kogels van dit kaliber (9mm) werden doorgaans verschoten uit een pistool of een
    machinepistool;
    In de kogel bevinden zich geen identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    A-10 Het is een volmantelkogel;
    De kogel is zeer waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    Kogels van dit kaliber (9mm) worden doorgaans verschoten uit een pistool of een
    machinepistool. Het pistool Browning 9 mmKL komt hiervoor in aanmerking (KL staat voor
    Koninklijke Landmacht);
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.”
    26) Proces-verbaal d.d. 07 juli 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie(ordner V, blz.. 26-27), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ965) van het slachtoffer in het graf met
    codering A past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van G.
    Leckie.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer G.LECKIE is.”
    27) Proces-verbaal d.d. 10 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van G. Leckie (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 23), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was volledig aanwezig, slechts een enkele rib ontbrak (zie foto 1)
    De schedelbotten waren nagenoeg geheel intact en de onderkaak was aanwezig. In de
    schedelbotten werden geen defecten gevonden.
    De botten van beide armen en benen waren alle aanwezig evenals de hand- en voetbotten.
    In het halsgebied toonden de onderste halswervels een tweetal defecten met het aspect van
    een fractuur.
    In beide schouderbladen waren in het bovenste gedeelte defecten aanwezig welke varieerden
    van 2 tot 4 centimeter. In het linker schouderblad waren vier defecten, in het rechter
    schouderblad twee defecten aanwezig (zie foto’s 2 en 3).
    Het borstbeen en de ribben toonden geen defecten evenals de rest van de wervelkolom en het
    bekken.
    Gezien de defecten in de schouderbladen ter hoogte van de borstholte moeten de longen en/of
    het hart zijn geperforeerd. De kogels die bij het slachtoffer zijn aangetroffen komen hiervoor in
    aanmerking (zie 4.1.3).
    95
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van longen en/of hart.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    28) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Leckie, Gerard op 09 december 1982 omstreeks 12.00 uur
    des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli Reinir
    Desiré met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner III, blz., 161).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Oemrawsingh, Harrie
    29) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 186-187), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ979) van het slachtoffer in het graf met
    codering O past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van A.H.
    Oemrawsingh.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer S.H. OEMRAWSINGH is.”
    30) Proces-verbaal d.d. 13 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    vanH. Oemrawsingh (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 181), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde aan de linkerzijde op circa 4 centimeter van de oogkas een defect van 1 bij
    4½ centimeter (zie foto 2). In relatie tot dit defect waren er fractuurlijnen verlopend naar het
    voorhoofd- en achterhoofdgebied. De onderkaak toonde geen afwijkingen.
    Het rechter bovenarmsbot toonde in het midden een fractuur (zie foto 3).
    De onderarmsbotten en handbotten toonden geen afwijkingen. Het rechterbeen en de rechtervoetbotten toonden geen afwijkingen. De linkerarmbotten en de botten van de hand toonden
    geen afwijkingen. Het rechterbeen en de rechtervoetbotten toonden geen afwijkingen. Het bot
    van het linkerbovenbeen toonde een fractuur (zie foto 4). De botten van het onderbeen en de
    botten van de linkervoet toonden geen afwijkingen.
    De schouderbladen toonden geen afwijkingen.
    De wervelkolom, het borstbeen, het bekken en het heiligbeen toonden geen afwijkingen. Eén
    van de ribben was gefractureerd (zie foto 5).
    Gezien de destructie van de schedelbotten moet er een uitgebreide verbrijzeling van
    hersenweefsel zijn geweest. Deze destructie kan zijn veroorzaakt door kogels.
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    96
    31) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Oemrawsingh, Harrie op 09 december 1982 omstreeks
    12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli
    Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner II, blz.. 107).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Rahman, Leslie Paul
    32) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 81-82), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ970) van het slachtoffer in het graf met
    codering F past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van L.P.
    Rahman.Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat
    de identiteit van dit slachtoffer L.P. RAHMAN is.”
    33) Proces-verbaal d.d. 11 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van L.P. Rahman (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 77), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    Het schedeldak was intact en de schedelbotten toonden geen fracturen. Aan de rechterzijde
    was er een groot defect waarbij een gedeelte van de onderkaak en het wangbeen verdwenen
    waren (zie foto 2). Aan de linkerzijde was er een defect met een diameter van circa 13
    millimeter. De rechterbovenarm toonde geen afwijkingen. In de onderarm was er een fractuur
    van de ellepijp (zie foto 3).
    Het rechterbeen toonde geen afwijkingen in het bovenbeen doch wel een defect in het kuitbeen
    (zie foto 4).
    In de botten van de hand en de voet werden geen afwijkingen gevonden.
    De botten van de linkerarm, het linkerbeen, de linkerhand en linkervoet toonden geen
    afwijkingen.
    In de schouderbladen werden geen perforaties gevonden.
    De wervelkolom, ribben, borstbeen en bekken toonden geen afwijkingen.
    Gezien de destructie van de onderkaak en het wangbeen was hier sprake van verscheuring van
    weke delen en bloedvaten met als gevolg shock door verbloeding. De destructie kan zijn
    veroorzaakt door kogels.
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies.”
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    34) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Rahman, Leslie Paul op 09 december 1982 omstreeks
    12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli
    Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner III, blz., 115).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Rambocus, Soerendra Sradhanand
    97
    35) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 136-137), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ975) van het slachtoffer in het graf met
    codering K past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van S.S.
    Rambocus. Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen
    dat de identiteit van dit slachtoffer S.S. RAMBOCUS is.”
    36) Proces-verbaal d.d. 13 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van S.S. Rambocus (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 131), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig met uitzondering van de ribben welke deels
    verteerd waren (zie foto 1).
    De schedel en onderkaak toonden geen fracturen of destructies.
    In het rechterbovenarmsbot was er nagenoeg in het midden een destructie en een fractuur (zie
    foto 2). De onderarmsbotten en handbotten toonden geen afwijkingen.
    Het rechterbovenbeensbot toonde in het onderste gedeelte een fractuur en destructie. Een
    gedeelte van het bot was afwezig (zie foto 3).
    De onderbeensbotten en voetbotten toonden geen afwijkingen. De linkerarm toonde in het
    onderste gedeelte nabij het ellebooggewricht een destructie (zie foto 4). Het
    linkerbovenbeensbot was zonder bijzonderheden. De botten van de hand en voet waren zonder
    bijzonderheden.
    In het linkeronderarmbeen toonde het kuitbeen een fractuur. De voetbotten toonden geen
    afwijkingen.
    Het linker schouderblad toonde geen afwijkingen. In het rechter schouderblad was er een defect
    met een diameter van circa 15 millimeter (zie foto 5).
    In de wervelkolom was er een destructie van de halswervel bij de overgang naar de
    borstwervels. Er was een destructie in het onderste gedeelte van de wervelkolom en het
    heiligbeen (zie foto 6). In het heiligbeen was er een defect met een diameter van circa 30
    millimeter.
    Er was een destructie van het borstbeen doch de ribben en borstwervels toonden geen
    afwijkingen.
    Gezien het defect in het rechterschouderblad ter hoogte van de rechter borstholte moet de
    rechter long geperforeerd zijn geweest. Door de destructie van de wervelkolom en het
    heiligbeen moet er veel bloedverlies zijn geweest. Dit defect en deze destructies kunnen zijn
    veroorzaakt door kogels.
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van de rechter long en
    destructie van de wervelkolom en het heiligbeen.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    37) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Rambocus, Soerendra op 09 december 1982 omstreeks
    98
    12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli
    Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner II, blz., 91).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Riedewald, Cornelis Harold
    38) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 71-72), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ969) van het slachtoffer in het graf met
    codering E past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van C.H.
    Riedewald.Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen
    dat de identiteit van dit slachtoffer C.H. RIEDEWALD is.”
    39) Proces-verbaal d.d. 11 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van C.H. Riedewald (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 67), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde aan de linkerachterzijde een nagenoeg rond defect met een diameter van
    circa 20 millimeter (zie foto 2). Aan de linkervoorzijde bevond zich een defect met een grootte
    van 9 bij 13 centimeter (zie foto 3).
    De onderkaak toonde geen afwijkingen.
    De rechterarm toonde in de bovenarm geen defecten. De onderarm toonde een defect van de
    ellepijp. De botten van de handen aan deze zijde toonden geen afwijkingen.
    Het rechterbovenbeen toonde geen defecten. In het kuitbeen aan de rechterzijde bevond zich
    een defect in het bovenste gedeelte (zie foto 4.
    Aan de linkerzijde toonden zowel de botten van de arm, hand, been en voet geen
    bijzonderheden.
    Het linkerschouderblad toonde drie defecten terwijl het rechterschouderblad uit diverse stukken
    bestond.
    De wervelkolom, de ribben, het borstbeen en het bekken waren zonder bijzonderheden.
    Gezien de destructie van de schedelbotten moet er een uitgebreide verbrijzeling van
    hersenweefsel zijn geweest. De destructie kan zijn veroorzaakt door kogels.
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    40) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Riedewald, Cornelis Harold op 09 december 1982
    omstreeks 12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door
    Ruimveld, Eli Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner III, blz.,
    107).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Sheombar, Djiewansing
    99
    41) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 150-151), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “Op vrijdag 13 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Sarwa Oedaite Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    D. SHEOMBAR (objectcode L)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werd één stalen kern (onderdeel van munitie) aangetroffen.
    De stalen kern werd onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris inbeslaggenomen
    en gewaarmerkt L-2.
    (…)
    Korte samenvatting uit het deskundigenrapport
    L-2De stalen kern is afkomstig van een kogel;
    Deze kogel was zeer waarschijnlijk van het kaliber 7,72x39mm;
    Patronen van dit kaliber worden doorgans verschoten uit (machine) geweren;
    Onder deze (machine)- geweren zijn ook begrepen de wapens van het type KALASHNIKOV
    (AK47).”
    42) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 147-148), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ976) van het slachtoffer in het graf met
    codering L past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van D.
    Sheombar. Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen
    dat de identiteit van dit slachtoffer D. SHEOMBAR is.”
    43) Proces-verbaal d.d. 13 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van D. Sheombar (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 142), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde in het midden, het kruingebied (zie foto 2), een defect met twee
    fractuurlijnen van respectievelijk 9 en 11 centimeter naar het voorhoofdgebied en twee
    fractuurlijnen van respectievelijk 10 en 13 centimeter naar het achterhoofdgebied. In het
    voorhoofdgebied was er een centimeter naar het achterhoofdgebied. In het voorhoofdgebied
    was er een fractuur van circa 8 centimeter. Er was een defect in de linkerkaak van circa 22
    millimeter (zie foto 3).
    De rechterarmbotten en handbotten toonden geen afwijkingen. Het rechterbovenbeensbot
    toonde een fractuur (zie foto 4).
    100
    De onderbeensbotten toonden geen afwijkingen. De linkerarm en linkerhandhandsbotten
    toonden geen afwijkingen evenals de linkerbeen- en linkervoetbotten.
    Beide schouderbladen toonden elk één defect (zie foto 5).
    De wervelkolom en het borstbeen toonden geen afwijkingen. Eén grote rib toonde een defect.
    Het bekken toonde zowel links als rechts aan de bovenzijde een defect (zie foto 6). Het defect
    aan de linkerzijde had een afmeting van circa 1½ bij 3 centimeter.
    Gezien de destructie van de schedelbotten moet er een uitgebreide verbrijzeling van
    hersenweefsel geweest zijn. Gezien de defecten in de schouderbladen moeten longen en/of
    hart zijn geperforeerd. De destructie en de defecten kunnen zijn veroorzaakt door kogels. De
    kogel die bij het slachtoffer zijn aangetroffen komen hiervoor in aanmerking (zie 4.12.3).
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    44) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Sheombar, Djiewansing op 09 december 1982 omstreeks
    12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door de Ruimveld,
    Eli Reinier met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner III, blz., 1).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Slagveer, Jozef Hubertus
    45) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 38-39), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ966) van het slachtoffer in het graf met
    codering B past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van J.H.
    Slagveer.
    Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen dat de
    identiteit van dit slachtoffer J.H. Slagveer is.”
    46) Proces-verbaal d.d. 10 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van J.H. Slagveer (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 34), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde aan de rechterzijde meerdere defecten, sommige met een diameter van
    circa 10 millimeter (zie foto 2). Er waren diverse botfragmenten waarbij sommige delen defecten
    toonden met een rond aspect. In het algemeen toonde de schedel uitgebreide facturen
    waardoor slechts een gedeelte nog intact was.
    De onderkaak toonde in het middengebied een fractuur (foto 3).
    De rechterarmbotten waren aanwezig en er was een fractuur van de ellepijp in het onderste
    gedeelte bij de pols.
    De botten van het rechterbeen en de rechtervoet waren aanwezig, evenals de botten van de
    linkerarm en het linkerbeen, de linkerhand – en voet. In deze botten werden geen defecten
    gevonden.
    101
    De schouderbladen toonden defecten met een grootte van 10 tot 20 millimeter. In het
    linkerschouderblad waren drie defecten (zie foto 4) en rechts twee defecten aanwezig (foto 5).
    De wervelkolom toonde geen afwijkingen zowel in hals-, borst-, buik-, of bekkengebied.
    De ribben en het borstbeen waren zonder afwijkingen.
    Gezien de destructie van de schedelbotten moet er een uitgebreide verbrijzeling van
    hersenweefsel geweest zijn. Gezien de defecten in de schouderbladen moeten longen en/of
    hart zijn geperforeerd. De destructie en de defecten kunnen zijn veroorzaakt door kogels.
    De doodsoorzaak was het gevolg van een verbrijzeling van het hersenweefsel.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    47) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Slagveer, Jozef Hubertus op 09 december 1982 omstreeks
    12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door Ruimveld, Eli
    Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-Generaal. (Ordner II, blz.. 64).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Sohansingh, Somradj Robby
    49) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 162-163), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “Op vrijdag 13 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Sarwa Oedai te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    R.S. Sohansingh (objectcode M)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werden twee kogels aangetroffen.
    Deze kogels werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris
    inbeslaggenomen en gewaarmerkt M-1 en M-2.
    (…)
    Korte samenvatting uit het deskundigenrapport
    M-1 Het is een mantelkogel;
    De kogel is waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    Kogels van dit kaliber (9mm) worden doorgaans verschoten uit een pistool of een
    machinepistool.
    Het merk/type wapen waarmee deze kogel was verschoten kon niet meer worden vastgesteld;
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    M-2 Voor deze kogel gelden dezelfde onderzoeksresultaten als bij kogel M-2.”
    50) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFI-
    102
    delegatie (ordner V, blz.. 160-161), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende
    is vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ977) van het slachtoffer in het graf met
    codering M past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van R.S.
    Sohansingh. Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen
    dat de identiteit van dit slachtoffer R.S. SOHANSINGH is.”
    51) Proces-verbaal d.d. 13 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van R.S. Sohansingh (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 156), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedel toonde een afwezigheid van het bot van de neuswortel af tot het bovengedeelte van
    de bovenkaak. Slechts een klein gedeelte van de linkerzijde was aanwezig. Het wangbeen aan
    de rechterzijde was afwezig (zie foto 2).
    In het bot van de rechterbovenarm was de kop afwezig (zie foto 3). De onderarmsbotten en de
    botten van de hand toonden geen afwijkingen. In het bot van de linkerbovenarm was het
    bovenste gedeelte en het onderste gedeelte afwezig (zie foto 3). De onderarmbotten en de
    botten van de hand toonden geen afwijkingen.
    Het onderste gedeelte van het rechterbovenbeen was afwezig. Er was in het scheenbeen een
    fractuur aan de onderzijde. Het kuitbeen toonde geen afwijkingen. De botten van de voet
    toonden geen afwijkingen. In het linkerbovenbeen was het onderste gedeelte afwezig en zo ook
    het bovenste gedeelte van het scheenbeen. De knieschijf was afwezig. Het linkeronderbeen
    toonde een fractuur van het scheenbeen aan de onderzijde. De botten van de voet toonden
    geen afwijkingen.
    Er was destructie van beide schouderbladen (zie foto 3).
    In de wervelkolom was er destructie van de halswervels in het bovenste gedeelte.
    Ribben en borstbeen toonden geen afwijkingen. In het bekken was een groot deel aan de
    rechterzijde gedestrueerd. De linkerbekkenhelft ontbrak nagenoeg geheel (zie foto 4). Een
    gedeelte van het heiligbeen aan de linkerzijde ontbrak (zie foto 5).
    Gezien de defecten in de schouderbladen moet er perforatie van de longen en/of hart zijn
    geweest. De defecten kunnen zijn veroorzaakt door kogels. De kogels die bij het slachtoffer zijn
    aangetroffen komen hiervoor in aanmerking (zie 4.13.3).
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies als gevolg van perforatie van longen en/of hart.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    52) De overlijdensakte d.d. 21 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Sohansingh, Somradj Robby op 09 december 1982
    omstreeks 12.00 uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door
    Ruimveld, Eli Reinir Desiré met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner III, blz..
    190).
    Identificatie en doodsoorzaak van het slachtoffer Wijngaarde, Frank
    53) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende Onderzoek kogels (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    103
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 94), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “Op donderdag 12 december 2002 werd in opdracht van de Rechter-Commissaris, op de
    begraafplaats Annette’s Hof te Paramaribo een graf geopend. Op dit graf stond de naam van:
    F. WIJNGAARDE (objectcode G)
    Naast een gerechtelijke sectie werd die dag een onderzoek ingesteld naar de inhoud van de
    grafkist. Bij dit onderzoek werden drie kogels aangetroffen.
    Deze kogels werden onder verantwoordelijkheid van de Rechter-Commissaris
    inbeslaggenomen en gewaarmerkt G-1, en G-2.
    (…)
    Korte samenvatting uit het deskundigenrapport
    G-1 Het is een volmantelkogel;
    De kogel is waarschijnlijk van het kaliber 9mm Parabellum;
    Kogels van dit kaliber (9mm) worden doorgaans verschoten uit een pistool of een
    machinepistool.
    In de kogel bevinden zich geen voor identificatie geschikte karakteristieke sporen.
    G-2 Voor deze kogel gelden dezelfde onderzoeksresultaten als bij kogel G-1.”
    54) Proces-verbaal d.d. 28 mei 2004 betreffende identificatie DNA (in het kader van
    Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk Vooronderzoek betreffende de
    Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte is
    opgemaakt door Drs. J. Vlogtman, J.W. Karelse en J. Sloof, deskundigen van de NFIdelegatie (ordner V, blz.. 92-93), in welk proces-verbaal, voor zover relevant, het volgende is
    vermeld:
    “ Conclusie uit het deskundigenrapport
    Het DNA-profiel van het monster tand/kies (AFQ971) van het slachtoffer in het graf met
    codering G past uitsluitend bij de DNA-profielen in de stamboom van de familieleden van F.
    Wijngaarde. Uit de resultaten van het onderzoek is een zeer sterke aanwijzing verkregen
    dat de identiteit van dit slachtoffer F. WIJNGAARDE is.”
    55) Proces-verbaal d.d. 12 december 2002 betreffende sectie op het stoffelijk overschot
    van F. Wijngaarde (in het kader van Forensisch-technisch onderzoek, Gerechtelijk
    Vooronderzoek betreffende de Decembermoorden), welk proces-verbaal op ambtseed is
    opgemaakt door de patholoog-anatoom, Prof. Dr. M.A. Vrede (ordner V, blz.. 87), waarin,
    voor zover relevant, het volgende is vermeld:
    “Het skelet was nagenoeg volledig aanwezig (zie foto 1).
    De schedelbotten toonden geen destructie doch er was een groot defect in de basis van het
    neusbot en de bovenzijde van de bovenkaak (zie foto 1).
    Als gevolg hiervan was er in het gehemelte een groot defect met een diameter van circa 3 bij 5
    centimeter (zie foto 3).
    In de rechterarm toonde de bovenarm een destructie van het bot bij de schouder (zie foto 4). De
    onderarm toonde geen afwijkingen evenals het rechter boven- en onderbeen.
    De botten van de hand en de voet aan dezelfde zijde toonden geen afwijkingen.
    De linkerarm en het linkerbeen toonden geen afwijkingen evenals de botten van de hand en de
    voet.
    104
    Het linkerschouderblad toonde geen afwijkingen. In het rechterschouderblad bevond zich een
    destructie over 12 centimeter (zie foto 5).
    De wervelkolom, de ribben en het borstbeen toonden geen afwijkingen.
    In het bekken was aan de linkerzijde bij het bovenbeenschot een defect, verlopend naar het
    heiligbeen aan de onderzijde (zie foto 6).
    Gezien de defecten en de destructie van het neus- en mondholtegebied, rechterbovenarm, het
    bekken aan de linkerzijde en het rechterschouderblad moet sprake zijn geweest van shock door
    bloedverlies. De defecten en de destructie kunnen zijn veroorzaakt door kogels, zoals die bij het
    slachtoffer zijn aangetroffen.
    De doodsoorzaak was shock door bloedverlies.
    Voor het identificatieonderzoek werd een kies uit de onderkaak en een monster uit de kop van
    het rechterdijbeen genomen.”
    56) De overlijdensakte d.d. 18 december 1982, afkomstig van het Centraal Bureau voor
    Burgerzaken, waaruit blijkt dat Wijngaarde, Frank op 09 december 1982 omstreeks 12.00
    uur des middags is overleden en de aangifte terzake is gedaan door de Miranda, Hedy
    Elise met machtiging van de Procureur-generaal. (Ordner III, blz. 1).
  1. Bewijsoverwegingen:
    I. Algemeen
    De Krijgsraad overweegt terzake het door de verdediging opgeworpen verweer omtrent de
    onbetrouwbaarheidvan de verklaringen van getuigen, met het oog op bewijsuitsluiting, het
    hierna volgende.
    In het strafdossier bevinden zich diverse verklaringen van getuigen, waaruit de betrokkenheid
    van de verdachte bij het oppakken van de slachtoffers en het doodschieten van de slachtoffers
    blijkt. Van die getuigen, zijnde burgers, politieagenten en militairen, is een groot deel door de
    politie en militaire politie gehoord. Tevens heeft een groot deel van deze getuigen een
    verklaring ten overstaan van de Rechter-Commissaris afgelegd alsook ter terechtzitting bij de
    Krijgsraad. Aldus bevinden zich van diverse getuigen, meerdere verklaringen in het strafdossier.
    Hierdoor heeft de Krijgsraad een afdoende beeld gekregen om te kunnen oordelen over de
    (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van getuigen of delen daarvan. Daarbij heeft de
    Krijgsraad ook rekening gehouden met het tijdsverloop. Reden daartoe is, dat de ten laste
    gelegde gebeurtenis betrekking heeft op feiten en omstandigheden die zich lange tijd geleden
    zouden hebben afgespeeld. Uitgaande van het jaartal vanaf de start van het gerechtelijk
    vooronderzoek (in het jaar 2000), was dat toen bijkans 18 jaren terug. Wanneer een getuige
    een verklaring aflegt, zal hij een beroep moeten doen op zijn herinnering. Normaliter moet de
    gebeurtenis waarover de getuige een verklaring aflegt, goed zijn waargenomen en opgeslagen.
    De opgeslagen informatie dient een tijd lang in het geheugen onveranderd bewaard te blijven
    en moet de getuige tenslotte de informatie goed uit het lange termijn geheugen kunnen
    ophalen. Daar komt bij dat de omstandigheden tijdens de waarneming van het strafbare feit van
    invloed kunnen zijn op de waarneming en daarmee op de kwaliteit van de getuigenverklaringen.
    Dat geldt dan des te meer wanneer het, zoals dat in dit specifiek geval is, gaat om de
    waarneming van traumatische gebeurtenissen in een situatie waar burgers ervaarden dat zij
    geen rechten hadden, dan wel dat zij ervaarden dat hun mensenrechten werden geschonden.
    105
    Voor zover dit al heeft te gelden voor het waarnemingsvermogen, is het evident dat alleen al het
    (soms zeer) lange tijdsverloop een bijzondere wissel trekt op het geheugen en de grenzen
    daarvan van de diverse getuigen die over deze gebeurtenissen hebben verklaard. Voor de
    meeste getuigen in de onderhavige strafzaak heeft te gelden dat het sedert de ten laste gelegde
    gebeurtenissen verstreken tijdsverloop, invloed moet hebben gehad op de nauwkeurigheid en
    de betrouwbaarheid van de herinnering aan hetgeen is waargenomen en ondervonden. Als
    complicerende factor, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, moet eveneens in acht
    worden genomen dat in die periode burgers de vrees hadden om een verklaring af te leggen
    omdat zij daardoor opgepakt konden worden. In die periode hadden de militairen het voor het
    zeggen en was het – zoals blijkt uit de verklaring van de getuige Reeder, die toentertijd de
    Procureur- Generaal was – onder die omstandigheden onmogelijk een onderzoek naar die
    gebeurtenissen in te stellen. De politie was overigens ook bevreesd om een onderzoek in te
    stellen en zou het onderzoek stranden.
    De Krijgsraad heeft uitgaande van het bovenstaande enkele getuigenverklaringen of delen uit
    die getuigenverklaringen, niet tot het bewijs gebezigd, en wel vanwege gebrek aan
    betrouwbaarheid of redengevendheid. In dat licht merkt de Krijgsraad wel op, dat enkele
    inconsistenties of onjuistheden echter nog geen reden geven om steeds de gehele verklaring
    van een getuige uit te sluiten. Dit, omdat van geen enkel deel van de getuigenverklaringen dat
    tot het bewijs is gebezigd, kan worden gesteld dat die verklaringen of delen daarvan op zichzelf
    staan. Zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt vinden de getuigenverklaringen op zich
    voldoende bevestiging in de inhoud van overige gebezigde bewijsmiddelen en zijn deze
    verklaringen in de kern consistent.
    Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de Krijgsraad het verweer van de
    verdediging strekkende tot uitsluiting van de verklaringen van enkele specifiek genoemde
    getuigen.
    Ten aanzien van de verklaringen van getuigen, die tot het bewijs zijn gebezigd, heeft de
    Krijgsraad in het geheel geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die
    verklaringen, voor zover tot het bewijs gebezigd, nu deze – in onderling (tijds)verband en
    samenhang bezien met elkaar en het overige (steun)bewijs – in de kern consistent zijn.
    II. Vastgestelde feiten en omstandigheden
    Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, stelt de Krijgsraad de navolgende feiten en
    omstandigheden vast:
  • verdachte maakte tezamen met Horb en Bhagwandas deel uit van de militaire top. Verdachte
    zat de militaire top voor, zat de vergaderingen voor en onder zijn leiding werden besluiten
    genomen;
  • verdachte had de beveiligingsdiensten onder zich en deze dienden rechtstreeks en slechts
    naar verdachte te rapporteren;
  • grote delen van de samenleving protesteerden tegen het militaire regiem en eisten dat de
    militaire top de regeermacht moest overdragen aan een burgerregering middels het uitschrijven
    van algemene verkiezingen, omdat de militairen bij de overname in februari 1980 de belofte
    hadden gedaan dat zij in oktober 1982 de macht wederom zouden overdragen aan de
    burgerregering en mensenrechten werden geschonden;
  • de militaire top, waarvan verdachte deel uitmaakte, weigerde de regeermacht over te dragen
    en heeft om de macht te kunnen blijven behouden het plan geopperd om diegenen die
    hiertegen protesteerden en probeerden het militair gezag omver te werpen, te elimineren. In dat
    106
    licht heeft de militaire top zorgvuldig het draaiboek samengesteld, waarbij aan de
    legeronderdelen werd voorgehouden dat personen in samenwerking met buitenlandse machten
    bezig waren een coup te plegen om het wettig gezag omver te werpen en zij paraat moesten
    zijn om de coup af te weren;
  • onder het mom van en poging tot het plegen van een coup zijn de vijftien latere slachtoffers,
    waarvan enkelen van hen deel uitmaakten van respectievelijk de vakbond en de Orde van
    Advocaten, de media en de Universiteit, in de nacht van 7 op 8 december 1982 in opdracht van
    verdachte thuis door militairen opgehaald;
  • voorafgaand aan het ophalen van elk der slachtoffers hebben de militairen op het gebouw van
    de Moederbond (vakbond) en mediabedrijven geschoten, waarna zij deze gebouwen
    vervolgens in brand hebben gestoken;
  • de brandweer die was uitgerukt mocht van de militairen de branden niet blussen. De
    brandweer werd medegedeeld dat het een opdracht van de bevelhebber was. Nadat de
    gebouwen volledig waren afgebrand en niets meer te blussen viel, mocht de brandweer
    bluswerkzaamheden verrichten;
  • het telecommunicatiebedrijf werd vooraf en op de dag van de gebeurtenis zelf bewaakt door
    militairen, waarbij de aanwezige militairen aldaar ervoor dienden zorg te dragen dat er geen
    buitenlandse gesprekken werden gevoerd. Aanvragen voor buitenlandse gesprekken werden
    gecontroleerd;
  • bij het ophalen van al de latere slachtoffers is dezelfde werkwijze gehanteerd: elk der
    slachtoffers en diens huisgenoten zijn in hun diepe nachtrust gewelddadig gestoord door de
    gewapende militairen middels het bonzen op deuren en/of ramen; de militairen hebben
    gewapend de woning van de latere slachtoffers betreden met de mededeling dat de opdracht
    van hogerhand of van de Bevelhebber was; bij vertrek zijn met de latere slachtoffers steeds
    twee militairen bij de woning van elk der slachtoffers achtergebleven tot ongeveer 7 uur in de
    ochtend om de huisgenoten in de gaten te houden; huisgenoten konden zich vanwege de
    aanwezigheid van de achtergebleven militairen niet vrij in hun woning bewegen en werden zelfs
    achtervolgd als zij naar het toilet gingen; telefoonkabels werden doorgesneden door de
    militairen; de huisgenoten werden op dat moment tot 07.00 uur in de ochtend verboden uit huis
    te gaan en contact met anderen te hebben;
  • de slachtoffers zijn opgehaald en overgebracht naar het Fort Zeelandia;
  • twee van de slachtoffers, te weten Rambocus en Sheombar, die waren ingesloten, zijn vanuit
    het gevang (respectievelijk Memre Boekoe Kazerne en Santo Boma) overgebracht naar het Fort
    Zeelandia en in hun zaak zou er vonnis komen op 8 december 1982;
  • de slachtoffers Kamperveen en Slagveer hebben onder druk van zowel de verdachte als Horb
    een vooraf opgestelde verklaring moeten voorlezen dat zij hadden gepoogd een coup te plegen
    en dat deze zou zijn verijdeld, van welke verklaring verdachte een opname heeft doen maken
    voor zowel de televisie als de radio;
  • al de slachtoffers zijn onder het mom van een vluchtpoging in het Fort Zeelandia
    doodgeschoten. Dit, terwijl vluchten uit het Fort Zeelandia onmogelijk was; vele van de
    slachtoffers zijn in de borst geschoten en niet op de rug;
  • nadat de opgepakte personen zijn doodgeschoten zijn elk der lijken in een tenthelft opgerold,
    ingeladen in een truck en zijn de lijken vervoerd naar het mortuarium door militairen;
  • de daaropvolgende ochtend is verdachte op de televisie verschenen met een verklaring dat de
    slachtoffers waren opgepakt vanwege het plegen van een coup en dat zij tijdens een
    vluchtpoging in het Fort Zeelandia zijn doodgeschoten. Deze zelfde mededeling heeft verdachte
    ook aan de diverse legerondelen gedaan;
    107
  • de militair Ruimveld is naar de meeste nabestaanden geweest om mede te delen dat de
    slachtoffers in een vluchtpoging zijn doodgeschoten;
  • de militair Ruimveld heeft met machtiging van de Procureur-Generaal op 21 december 1982
    aangifte van overlijden bij het Centraal Bureau voor Burgerzaken gedaan;
  • nabestaanden mochten slechts met toestemming van de aanwezige militairen het mortuarium
    binnen om hun familielid (dat mogelijk slachtoffer was) te identificeren;
  • het lichaam van de slachtoffers was tot de hals bedekt met een wit laken en was het de
    nabestaanden verboden het laken weg te halen;
  • er mocht geen sectie gepleegd worden op de lijken van de slachtoffers en evenmin is daartoe
    de opdracht gegeven. Evenmin mocht het personeel van het mortuarium de aantekening maken
    dat er lijken op die dag zijn vervoerd naar het mortuarium;
    -de sleutel van de koelcellen waarin de lijken van de slachtoffers lagen opgebaard, bleef bij één
    van de militairen en niet bij het personeel van het mortuarium;
  • op de dag van de begrafenis van de slachtoffers zijn militairen nadien op de begraafplaatsen
    achtergebleven om de wacht aldaar te houden, hetgeen ongeveer twee weken heeft geduurd;
  • Derby die ook was opgepakt en was overgebracht naar het Fort Zeelandia is twee keren
    verschenen voor de verdachte. Nadat Derby voor de tweede keer voor de verdachte is
    verschenen, heeft verdachte het besluit genomen om Derby weg te sturen. Dit, terwijl de
    mededader Bhagwandas aan verdachte in het bijzijn van Derby kenbaar zou hebben gemaakt
    dat alle gearresteerden moesten worden doodgeschoten;
  • reeds voordat het besluit werd genomen door de verdachte om Derby weg te sturen, is een
    deel van de slachtoffers in het Fort Zeelandia doodgeschoten. Verdachte bevond zich ten tijde
    toen de slachtoffers werden doodgeschoten in het Fort Zeelandia.
    III. Medeplegen, het opzet en de voorbedachte rade
    De Krijgsraad overweegt ten aanzien van de juridische beoordeling van het ten laste gelegde
    medeplegen, het opzet en de voorbedachte rade het volgende.
    Medeplegen
    Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake moet zijn van een nauwe en
    bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde
    bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij vorming van zijn oordeel
    dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de
    rechter i.c. de Krijgsraad rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking,
    de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte, uitvoering of de afhandeling van het delict
    en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en
    het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
    De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het
    strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook
    zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare
    feit.
    Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden volgt dat verdachte tezamen met anderen
    (Horb en Bhagwandas) heeft gehandeld als een (drie-)eenheid. Verdachte wenste de militaire
    macht niet aan de burgerregering over te dragen en heeft het plan beraamd de slachtoffers die
    hiertegen opkwamen te bestempelen als te zijn coupplegers. In dat licht heeft hij de slachtoffers
    doen arresteren en doen overbrengen naar het Fort Zeelandia, zijnde de plaats alwaar hij
    woonde en alwaar hij tevens kantoor hield. Vervolgens heeft de verdachte deze vijftien
    108
    slachtoffers, die in hun diepe nachtrust gewelddadig werden gestoord en weerloos waren, onder
    het mom van op de vlucht te zijn geslagen, doodgeschoten c.q. doen doodschieten c.q. om het
    leven gebracht c.q.doen brengen.
    Verdachte beroept zich middels zijn raadsman I.D.Kanhai BSc. evenwel op de inhoud van de
    monthly annual report van de C.I.A. als bewijs dat de slachtoffers het wettig gezag omver wilden
    werpen, doch kan dit document niet als bewijsmiddel in de zin van het Wetboek van
    Strafvordering worden gebezigd. Dit, omdat de inhoud daarvan niet kan worden getoetst en er
    geen ander ondersteunend bewijs is om de inhoud ervan te staven. De enige mogelijkheid om
    de inhoud daarvan te kunnen toetsen is middels het horen van getuigen, doch heeft de
    verdachte hiervan geen gebruik gemaakt terwijl hij alle ruimte daartoe heeft verkregen ter
    terechtzitting.
    Naar het oordeel van de Krijgsraad heeft de verdachte met zijn aandeel in de voorbereiding op
    het doodschieten van de slachtoffers (het zorgvuldig voorbereiden van het draaiboek) en de
    uitvoering daarvan, hieraan bewust een zodanige intellectuele en materiële bijdrage van
    voldoende gewicht geleverd dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen de
    verdachte en anderen (Horb en Bhagwandas).
    Opzet en voorbedachte rade
    Thans dient de Krijgsraad de vraag te beantwoorden of verdachte met zijn handelen ook opzet
    had op de dood van de slachtoffers en of bij verdachte sprake is van voorbedachte rade.
    Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte zich willens en
    wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.
    De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg
    in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis
    toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is
    geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard
    van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene
    ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
    Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld
    aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de
    aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de
    gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid
    dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld,
    kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft
    aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
    Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel
    van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat
    hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke
    vorm op dat gevolg gericht is geweest.
    Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel
    van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld
    eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging
    in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij
    zijn de aard van de gedraging en omstandigheden waaronder deze zijn verricht, van belang.
    Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo
    109
    zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn
    dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
    Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte rade” moet komen vast te
    staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het
    genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat
    hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn
    voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
    Bij de vraag of sprake is van voorbedachte rade gaat het bij uitstek om een weging en
    waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het
    gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van
    voorbedachte rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te
    beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve
    aanwijzing dat met voorbedachte rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te
    weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan
    bijvoorbeeld gedacht worden aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in
    plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen het
    besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit
    ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter
    uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met
    voorbedachte rade heeft gehandeld.
    Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de
    vaststelling dat de voor voorbedachte rade vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk
    eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte rade niet
    rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring
    nadere aandacht te geven.
    De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken
    over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te
    geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan
    te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk
    heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan
    rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich
    rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het
    geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in
    hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in verdachte is omgegaan. Of in een
    dergelijk geval voorbedachte rade bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven
    bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard
    van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de
    verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele
    omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke
    gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van
    voorbedachte rade.
    Uitgaande van hetgeen hiervoor is weergegeven, overweegt de Krijgsraad als volgt.
    110
    Conclusie
    Op grond van de hiervoor onder II vastgestelde feiten en omstandigheden, komt de Krijgsraad
    tot de volgende conclusie. Met voldoende mate van zekerheid staat het hierna volgende vast:
  • verdachte heeft een cruciale rol gespeeld bij de voorbereiding om de slachtoffers – onder het
    mom van het bezig zijn met het plegen van een coup om het militair gezag omver te werpen –
    van het leven te beroven, zijnde het zorgvuldig samenstellen van het draaiboek tezamen met
    Horb en Bhagwandas;
  • verdachte heeft ook een wezenlijke bijdrage geleverd bij de uitvoering van het draaiboek;
  • verdachte was ten tijde van de gebeurtenis en reeds bijkans twee jaren voor de gebeurtenis
    voorzitter van het Militair gezag; hij bepaalde het beleid en wie zitting nam in het
    beleidscentrum, dat belast was met de uitvoering van het door het Militair gezag uitgestippeld
    beleid. Verdachte verkeerde dus in de positie om te voorkomen dat de latere slachtoffers
    werden doodgeschoten. Hij werd bestempeld als te zijn de Bevelhebber, tevens de machtigste
    man binnen het leger. Dat hij de machtigste man was, heeft verdachte getoond door Derby weg
    te sturen. Dit, ondanks het feit dat Bhagwandas kenbaar maakte dat al de opgepakte personen,
    niemand uitgezonderd, doodgeschoten moesten worden;
  • verdachte had vanwege zijn machtige positie de bevoegdheid te besluiten wat er al dan niet
    met de opgepakte personen gebeurde. Ondanks de smeekbede van Derby daartoe, heeft
    verdachte de latere slachtoffers Wijngaarde en de twee andere latere slachtoffers Hoost en
    Riedewald die toen nog in leven waren niet vrijgelaten;
  • verdachte had vanwege zijn machtige positie toentertijd ook kort na de gebeurtenis de
    bevoegdheid, alle middelen en diensten om de handelingen te plegen en zelf op te treden.
    Verdachte had hierdoor dus ook de bevoegdheid om degenen die als toen in het Fort Zeelandia
    aanwezig waren ter verantwoording op te roepen, een onderzoek naar het doodschieten op de
    slachtoffers te doen instellen en maatregelen tegen de verantwoordelijken voor het
    doodschieten te treffen, doch heeft hij dit zoals uit de diverse verklaringen van getuigen blijkt
    nagelaten. Verdachte heeft verklaard de politieke verantwoordelijkheid voor het doodschieten
    op de slachtoffers te willen dragen, doch is dit niet uit de hiervoor vermelde handelingen
    gebleken. Verdachte heeft verklaard dat de agent Doorson wel een onderzoek in zijn opdracht
    heeft verricht, doch wordt dit niet ondersteund door andere getuigenverklaringen. Zo heeft
    [getuige 1], ter terechtzitting verklaard dat Doorson wel een dossier aan hem in bewaring heeft
    afgestaan, doch dat dit een vriendendienst was en het niet een formeel verzoek betrof. De
    getuige Reeder, die toentertijd Procureur-Generaal was, heeft ter terechtzitting bij de Krijgsraad
    verklaard dat er nimmer een opdracht is gegeven voor een strafrechtelijk onderzoek. Hetzelfde
    heeft [getuige 55] ter terechtzitting bij de Krijgsraad verklaard.
    De hiervoor vermelde feiten die met voldoende mate van zekerheid zijn vastgesteld, in
    onderling samenhang beschouwd en gelezen, brengen de Krijgsraad tot de slotsom dat sprake
    is van een nauwe en bewuste samenwerking met het oog op het doodschieten van de
    slachtoffers, welke zorgvuldig is voorbereid.
    Niets van de gebeurtenis heeft verdachte laten vastleggen. Het mortuarium personeel mocht
    geen aantekening maken van de datum wanneer de lijken binnen zouden zijn gebracht.
    Verdachte heeft nimmer berouw getoond dan slechts aan te halen dat de slachtoffers tezamen
    met buitenlandse mogendheden bezig zouden zijn met subversieve activiteiten om de militaire
    regering omver te werpen, zonder enig verslag op welke wijze hij dat onderzoek zou hebben
    gepleegd. Toentertijd was er in tegenstelling tot de huidige situatie geen internetverkeer en was
    er nog geen mobiele verkeer om contact te onderhouden met buitenlandse mogendheden. Om
    111
    een buitenlands gesprek te kunnen voeren moest er zoals dat uit de verklaring van de
    toenmalige directeur blijkt eerst een aanvraag hiervoor worden ingediend.
    Verdachte heeft tezamen met de overige leden die deel uitmaakten van de militaire top, Horb en
    Bhagwandas, het draaiboek uitgevoerd.
    Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en hetgeen overigens in dit verband uit
    de bewijsmiddelen blijkt, leidt de Krijgsraad af dat verdachte een cruciale rol in het geheel heeft
    gespeeld bij het elimineren van de slachtoffers die overdracht van de regeermacht door de
    militairen eisten aan een burgerregering en hiervoor opkwamen, hetgeen hij als een grote
    struikelblok ervoer en de slachtoffers als coupplegers c.q. geweldplegers bestempelde.
    Hij heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, omdat hij de gelegenheid
    heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en
    zich daarvan rekenschap te geven. Die mogelijkheid had hij toen de getuige Derby hem het
    verzoek deed om een viertal slachtoffers die toen nog in leven was vrij te laten.
    De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich in de nacht van 8 december 1982 niet in het
    Fort Zeelandia bevond en evenmin ten tijde toen de slachtoffers werden doodgeschoten,
    waarbij hij zich beroept op verklaringen van een aantal getuigen. Voor zover getuigen hebben
    verklaard dat zij de verdachte niet in het Fort hebben gezien, zijn die verklaringen twijfelachtig.
    Velen hadden geen toegang tot het kabinet van verdachte, dus hadden zij geen zicht of de
    verdachte zich al dan niet in het Fort Zeelandia bevond. Het kabinet van verdachte was
    gevestigd in het Fort Zeelandia en verdachte woonde in het Fort. Terwijl de getuigen die wel
    toegang hadden tot het kabinet of in de omgeving daarvan, wel verklaren dat verdachte zich in
    het Fort Zeelandia bevond ten tijde toen de slachtoffers zijn doodgeschoten.
  1. Bewezenverklaring
    Op grond van de hiervoor onder 7 gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder 8 is
    overwogen, acht de Krijgsraad wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste
    gelegde onder A heeft begaan, namelijk dat hij op of omstreeks 8 december 1982 en 9
    december 1982, te Paramaribo, tezamen en in vereniging met Bhagwandas, Paul en Horb, Roy,
    opzettelijk en met voorbedachte rade de hierna te noemen personen van het leven heeft
    beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ, en BEHR, ABRAHAM MAURITS, en DAAL,
    CYRILL RICHARD DUNCAN, en GONCALVES, KENNETH CARLOS, en HOOST, EDMUND
    ALEXANDER, en KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ, en LECKIE, GERARD, en RAHMAN,
    LESLIE PAUL, en RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD, en RAMBOCUS, SOERENDRA
    SRADHANAND, en WIJNGAARDE, FRANK en OEMRAWSINGH, HARRIE, en SLAGVEER,
    JOZEF HUBERTUS, en SHEOMBAR, DJIEWANSINGH, en SOHANSINGH, SOMRADJ door
    toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld – na in kalm beraad en rustig overleg het
    voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde personen
    BABOERAM, JOHN KHEMRAJD, en anderen opzettelijk van het leven te beroven, nadat die
    laatstgenoemde persoon BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en anderen van hun woningen c.q.
    verblijfplaatsen waren opgehaald en afgevoerd naar één of meer locaties op het complex
    bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer vuurwapens één of meer
    schoten op de lichamen van die personen af te vuren, tengevolge waarvan die personen
    zodanig letsels verwondingen hebben bekomen, als gevolg van welke verwondingen die
    personen zijn overleden.
    112
    Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van
    de Krijgsraad niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
  2. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie
    10.1 Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
    bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
    10.2 Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:
    medeplegen van moord (oud artikel 72 juncto oud artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht).
  3. De strafbaarheid van verdachte
    De verdediging heeft meer subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte gevorderd
    op grond van de Amnestiewet. Voorts heeft hij betoogd dat de latere slachtoffers bezig waren
    een coup te plegen om het wettig gezag omver te werpen, de slachtoffers probeerden te
    ontvluchten, waardoor hijgenoodzaakt was hiertegen op te treden.
    Terzake het beroep op de Amnestiewet volhardt de Krijgsraad bij al hetgeen zij terzake de
    gewijzigde Amnestiewet in het door haar gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 09 juni 2016
    heeft overwogen, in welk vonnis de Krijgsraad heel breedvoerig is ingegaan op de standpunten
    van partijen met betrekking tot de gewijzigde Amnestiewet van 05 april 2012 (S.B. 2012, no. 49)
    en bij welk vonnis de Krijgsraad het bepaalde in artikel 1 van de gewijzigde Amnestiewet
    wegens strijdigheid met één der in hoofdstuk V van de Grondwet Republiek Suriname
    genoemde grondrechten, als ongeoorloofd en buiten toepassing heeft verklaard. Hieruit volgt
    dat dit verweer wordt verworpen.
    Uit het verdere betoog van de verdachte begrijpt de Krijgsraad dat de verdachte zich beroept op
    noodweer. Terzake stelt de Krijgsraad het volgende voorop.
    Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging
    van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke
    aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend
    gevaar voor zo een aanranding.
    De enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding
    moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan
    worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van oud artikel 66 van het
    Wetboek van Strafrecht.
    In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke
    verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot
    uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden
    eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was,
    respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden
    was. Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van
    belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere
    vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
    Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen
    en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is sprake indien de verdachte zich
    niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het
    zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en
    redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Het komt daarbij aan op de omstandigheden van
    het geval. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden
    113
    gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat
    zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
    Naar het oordeel van de Krijgsraad heeft de verdachte de hem verweten gedraging
    (doodschieten van de vijftien slachtoffers) niet verricht in een situatie waarin en op een tijdstip
    waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf,
    eerbaarheid of goed of dat van een ander tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke
    aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
    De Krijgsraad is van oordeel dat aan de subsidiariteitseis niet is voldaan. Verdachte behoefde
    zich helemaal niet te verdedigen en er bestond helemaal geen noodzaak tot verdediging. De
    slachtoffers waren weerloos, waren niet gewapend, en hadden geen enkele mogelijkheid om uit
    het Fort Zeelandia te ontvluchten.
    Daarom verwerpt de Krijgsraad dit verweer.
    Redelijke Termijn:
    De raadsman heeft in zijn pleidooi d.d. 29 januari 2018 opgemerkt dat de vervolging langer dan
    tien jaren later zijn requisitoir heeft gehouden. De Krijgsraad beschouwt dit, ofschoon niet
    expressis verbis, als een impliciet beroep op overschrijding van de redelijke termijn voor
    behandeling van de zaak sinds de aanvang in november 2007.
    De Krijgsraad stelt vast dat de behandeling van de onderhavige zaak heeft geduurd van 8
    november 2007 tot en met 29 november 2019, bijkans twaalf jaren. In dat licht stelt de
    Krijgsraad voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak
    binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe om te voorkomen dat een
    verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
    Hiervan uitgaande en gelet op de duur van de behandeling van deze strafzaak zal de Krijgsraad
    ambtshalve oordelen of in casu het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke
    termijn is geschonden. Ter beantwoording van deze vraag is van belang de complexiteit van de
    strafzaak en de incidenten die hebben geleid tot stagnatie van de behandeling van de strafzaak.
    Uit de inhoud van de zich in het strafdossier bevindende processtukken blijkt het volgende. De
    eerste behandeling van de strafzaak ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 november
  4. Op de terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 30 november 2007 heeft de advocaat namens
    de verdachte een exceptie inhoudende de onbevoegdheid van de Krijgsraad om van de
    onderhavige strafzaak kennis te nemen opgeworpen. De Krijgsraad heeft op de terechtzitting
    van 17 december 2007 beslist op de exceptie, waarbij ze de exceptie heeft verworpen. Kort
    nadat de Krijgsraad heeft beslist op de exceptie heeft de raadsman van verdachte per diezelfde
    datum twee andere excepties opgeworpen, betrekking hebbend op niet-ontvankelijkheid van het
    Openbaar Ministerie en nietigheid van de dagvaarding. De Krijgsraad heeft op de terechtzitting
    van 4 april 2008 beslist op de twee hiervoor opgeworpen excepties en deze verworpen. Op de
    terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 25 juli 2008 heeft de raadsman van verdachte namens
    verdachte gebruik gemaakt van het instituut van wraking, waarbij de President van de
    Krijgsraad is gewraakt. Als gevolg van de wraking is de verdere behandeling van de zaak ter
    terechtzitting op de voet van artikel 438 juncto artikel 439 lid 3 Sv geschorst tot een nader te
    bepalen datum. Blijkens de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 15 december 2008 heeft
    het Hof van Justitie beslist op de wraking van de President van de Krijgsraad. Het Hof van
    Justitie heeft de raadsman van verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wraking
    van de President van de Krijgsraad, mr. drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor.
    Hierna heeft de Krijgsraad het onderzoek ter terechtzitting hervat op 23 januari 2009 en is vanaf
    die datum tot en met 23 maart 2012 een groot aantal getuigen gehoord.Tevens heeft de
    Krijgsraad gedurende die periode tot tweemaal toe een gerechtelijke plaatsopneming in het Fort
    Zeelandia, zijnde het plaatsdelict, gehouden.
    114
    Vervolgens heeft de Krijgsraad de AM en de verdediging op 13 april 2012 in de gelegenheid
    gesteld zich uit te laten over de gewijzigde Amnestiewet (S.B. 2012, no.49).
    Op 12 mei 2012 heeft de Krijgsraad bij vonnis de verdere behandeling van de strafzaak
    geschorst totdat het nog in het leven te roepen Constitutioneel Hof een feit zal zijn.
    Op 4 maart 2016 heeft de Krijgsraad de strafzaak op de rol geplaatst, vanwege de beslissing
    van het Hof van Justitie bij beschikking 27 november 2015 waarbij de Procureur-Generaal door
    het Hof van Justitie is bevolen het onderzoek ter terechtzitting te doen hervatten in de stand
    waarin het zich vóór de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevond. Per diezelfde
    datum heeft de AM aan de Krijgsraad het verzoek gedaan de strafzaak voor een periode van 1
    jaar te schorsen. De Krijgsraad heeft op 6 mei 2016 beslist op het verzoek en heeft het verzoek
    afgewezen.
    Vervolgens heeft de Krijgsraad op de terechtzitting van 30 juni 2016 een schrijven van de
    Procureur-Generaal, met daaraan gehecht een resolutie van de President van de Republiek
    Suriname ontvangen, in welke resolutie aan de Procureur-Generaal ex artikel 148 van de
    Grondwet, het bevel is gedaan de strafzaak tegen verdachte te beëindigen en heeft de AM op
    vermelde datum het verzoek daartoe gedaan. Op 30 januari 2017 heeft de Krijgsraad beslist op
    het vorenvermeld verzoek van de AM en heeft dat verzoek afgewezen, waarbij is beslist dat de
    AM per diezelfde datum het requisitoir moest houden. De AM heeft op 28 juni 2017 het
    requisitoir gehouden en op 29 januari 2018 heeft de verdediging het pleidooigehouden.Op 29
    oktober 2018 is het dupliek gehouden en heeft de Krijgsraad het onderzoek ter terechtzitting
    geschorst tot een nader te bepalen datum, teneinde het onderzoek in de zaak te sluiten en
    uitspraak te doen.
    Nadat de Krijgsraad zich heeft teruggetrokken voor de beraadslaging is op 29 november 2019
    het onderzoek gesloten. Gelet op de proceshouding van zowel de verdachte als de AM en de
    complexiteit van de strafzaak,( bij de aanvang van de zaak zijn er 22 verdachten gedagvaard)
    waarbij het horen van vele getuigen wenselijk was, is naar het oordeel van de Krijgsraad wel
    sprake van schending van de redelijke termijn. Daar deze schending van de redelijke termijn in
    overwegende mate valt toe te schrijven aan de verdachte zelf, zal de Krijgsraad hieraan geen
    consequenties verbinden.
    Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
    bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
  5. De strafoplegging
    Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de
    omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke
    omstandigheden van de verdachte, zoals tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
    Verdachte maakte deel uit van de militaire top. Hij zat de militaire top voor, zat de
    vergaderingen voor en onder zijn leiding werden besluiten genomen.
    Grote delen van de samenleving, die ervoeren dat mensenrechten werden geschonden,
    protesteerden tegen het toenmalig militaire regime en eisten dat de militaire top de regeermacht
    moest overdragen aan een burgerregering middels het uitschrijven van algemene verkiezingen.
    De militaire top, waarvan verdachte deel uitmaakte, weigerde de regeermacht over te dragen en
    heeft om de macht te kunnen blijven behouden het plan geopperd om degenen die hiertegen op
    een vreedzame manier protesteerden, waaronder de vijftien slachtoffers, te elimineren. Daarbij
    heeft verdachte er niet voor geschroomd de slachtoffers te bestempelen als te zijn
    staatsgevaarlijk en hen zonder pardon, zonder enige vorm van proces, dood te schieten c.q. te
    115
    doen dood schieten.Uit het forensisch onderzoek na opgraving is gebleken dat een groot deel
    van de verdachten vòòr hun dood ernstig is mishandeld. Tevens heeft verdachte er niet voor
    geschroomd om zijn handelen als rechtvaardig te beschouwen, door kenbaar te maken dat de
    samenleving hem juist dankbaar zou moeten zijn dat hij onnodig bloed vergieten heeft
    voorkomen, middels het verijdelen van de zogenaamde coup die deze vermeende slachtoffers
    in zijn denkwereld met buitenlandse machten zouden plegen.
    Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij op grove wijze het hoogste
    rechtsgoed, te weten het recht op leven geschonden. De dood van de vijftien slachtoffers heeft
    voor de nabestaanden tot op heden groot leed veroorzaakt en heeft grote delen in de
    samenleving tot op heden bezig gehouden. Brute afrekeningen zoals deze versterken verder
    gevoelens van vrees en onveiligheid in de samenleving als geheel. De strafwaardigheid van het
    feit is dan ook allerhoogst.
    Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de Krijgsraad niet worden volstaan
    met een andere of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich
    brengt.
    De Krijgsraad acht de strafeis van de AM passend en geboden en zal de verdachte veroordelen
    overeenkomstig de strafeis van de vervolgingsambtenaar.
    13.Toepasselijke wetsartikelen
    De op te leggen straf is gegrond op de oud artikelen 9,11, 72 en 349 van het Wetboek van
    Strafrecht.
    Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.
  6. Intrekking van de vordering van de beledigde partij:
    Op de terechtzitting van de Krijgsraad d.d. 30 juli 2018 heeft mr.H.A.M.Essed, advocaat die
    namens de nabestaanden A) Owinje Natasha Hoost, B) Kanta Shilavati Adhin, C) Nirmala
    Rambocus, D) Lilian Yolande Ho Kang You, E) Rani Sohansingh, F) Eric Henk Kamperveen, G)
    Helen Renee Leckie, H) Vidya Satyavati Adin, I) Carol Ernesta Rahman, J) Johan Regienne
    Maria Slagveer, K) Vakcentrale C-47, rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, L) de
    gezamenlijke erfgenamen van wijlen Antoinette Vincentia Carbiere, die zich in een eerder
    stadium op de voet van artikel 316 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als beledigde partij
    in het strafgeding hadden gevoegd medegedeeld de vordering als beledigde partij in te trekken.
    Nu de intrekking is gedaan nadat de verdediging het repliekpleidooi heeft gehouden en de
    intrekking geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal dit verzoek worden
    ingewilligd en de Krijgsraad aldus verstaan dat de vordering van de beledigde partij is
    ingetrokken op bovenvermelde datum.
    116
  7. Beslissing
    De Krijgsraad:
    Verstaat dat de vordering van de beledigde partij op 30 juli 2018 is ingetrokken.
    Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder A heeft
    begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: medeplegen van moord;
    Verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;
    Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan
    hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
    Veroordeelt verdachte tot :
    een gevangenisstraf voor de duur van 20 (Twintig) jaren,
    Dit vonnis is gewezen door:
    mr.drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, president,
    mr. S.M.M. Chu, lid,
    mr. R.G. Chatterpal, lid,
    en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 29 november 2019 te Paramaribo door de
    president van de Krijgsraad, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, in tegenwoordigheid van de
    griffier mr. C.M. Simson.
Date:
December 29, 2019
Categories:
Tags:
Boxes:
Years:
Persons:
META DATA
Scroll to Top