Operation Guiminish -format

‘OPERATIE GUIMINISH’
De heimelijk ondernomen Amerikaans-Braziliaanse missie naar
Suriname in 1983, om het repressieve Bouterse regiem in het
zadel te houden.
Frank Naarendorpa
met Dennis E. Levensb
a. E-mail:
Boston (Massachusetts), USA / Paramaribo, Suriname.
b. E-mail:
Utrecht, Nederland / Paramaribo, Suriname
Oktober 2022
2
VERANTWOORDING
Midden oktober 2018, was op het internet een onopvallend artikeltje te lezen waarin
vermeld stond dat in 1983 leden van het Amerikaanse Witte Huis een bezoek aan
Venezuela en Brazilië hadden gebracht. Het bezoek zou iets met Suriname en Cuba te
maken hebben gehad. Ietwat bizar, werd erin opgemerkt dat het presidentieel vliegtuig
waarin de functionarissen reisden, in Venezuela ‘in de bosjes’ geparkeerd werd,
vermoedelijk, om het leven van nieuwsgaarders en kleine lokale politieke bonzen een
beetje moeilijker te maken. Het gebeurt weleens dat ‘losse flodders’, zoals bijvoorbeeld
dat artikeltje in de rappe stroom van digitale informatie op het computerscherm komen
opduiken; ‘dit duveltje’, was helaas niet snel terug te vinden vanwege het gebrek aan een
eigen goed archiveringssysteem. De familienaam van de schrijver, Kengor, was toevallig en
gelukkig ook, in het geheugen blijven hangen. In december 2018 werd het duidelijk, na een
virtuele zoektocht, dat Paul G. Kengor geen luttele figuur is in politiek en religieus Amerika,
bovendien een actieve academicus en schrijver van menige tekst: artikelen en boeken. In
2007 publiceerde hij (samen met Patricia Clark Doerner) een boek, getiteld ‘The Judge:
William P. Clark, Ronald Reagan’s top hand’. In het boek vertelden de auteurs dat de Judge
de toppositie van ‘National Security Advisor to the President’ van januari 1982 tot oktober
1983 in de Reagan Administratie bekleedde en, in die capaciteit, een belangrijke rol
speelde bij het brengen van ‘stabiliteit’ in Suriname na de Decembermoorden. (Alleen
Hoofdstuk 10 in Kengor’s boek heeft met Suriname te maken – en op nogal beperkte
wijze). Indien het zo is dat Witte-Huis-functionarissen in Washington zich destijds in hoge
mate bezighielden met de situatie in Suriname, dan zal over hun activiteiten tenminste een
administratief rapport of verslag moeten bestaan. Dus ergens in de kluizen van de
Amerikaanse federale overheid, zo beelden wij dat onszelf in, liggen ‘afgeschermde’
documenten die misschien licht kunnen werpen op een duister jaar in de moderne
geschiedenis van Suriname.
Bij Amerikaanse presidenten wordt al jaren de gewoonte gecultiveerd om alle materiaal
gegenereerd of vergaard tijdens het presidentschap: documenten, brieven, video’s,
toespraken, films, kostbare kunstvoorwerpen, snuisterijen, schenkingen enz., naderhand
voor het bredere publiek toegankelijk te maken. Om ex-presidenten en ex-stafleden aan te
moedigen relevant materiaal over te dragen aan het publiek werd in 1955 de ‘Wet op de
Presidentiële Bibliotheek’ in het Congres (d.i., het Amerikaans Parlement) aangenomen. De
wet schrijft voor dat met privé-fondsen een presidentiële bibliotheek, vernoemd naar de
betrokken ex-president, zal worden gebouwd, in zijn of haar staat van herkomst
(geboorteplaats). Ook voormalige medewerkers worden geacht alle relevante materiaal
waarover zij beschikken aan deze bibliotheek te doneren. Vervolgens wordt de bibliotheek
aan de ‘National Archives and Records Administration’ (NARA), een onderdeel van de
federale overheid, in eigendom gegeven. Aan de hand van regels geformuleerd door NARA
wordt de bibliotheek voor het publiek functioneel gemaakt. In principe bestaat de
mogelijkheid voor elke burger, Amerikaan of niet, om telefonisch, per e-mail óf in
levenden lijve met NARA-archivarissen en bibliotheekstaf in contact te treden; in ons
geval, met de staf van de Ronald Reagan Presidential Library in Simi Valley, California. Het
personeel aldaar heeft zevenentwintig (27) Suriname-folders kunnen lokaliseren welke,
gecombineerd, de tijdsperiode: januari 1983 – augustus 1983 beslaan. De folders bevatten
memoranda (cables), rapporten, routing slips, aantekeningen (getypt of met de hand
geschreven) uit vergaderingen van de National Security Council in de Situation Room (SR;
zie Wikipedia voor rol van de SR in het Witte Huis). Niet alle materiaal is volledig
3
gedéclassifieerd; bovendien zijn soms delen van gedéclassificeerde teksten moeilijk
leesbaar gemaakt of simpelweg geblokkeerd (‘redacted’, geredigeerd). De 27 digitale
folders (waarvan twee leeg bleken te zijn! En in nog twee, stond er nagenoeg niets.)
behoren kosteloos voor het Surinaams publiek toegankelijk gemaakt te worden; indien
haalbaar, via bijvoorbeeld de bibliotheek van de Anton de Kom Universiteit en/of het
Cultureel Centrum Suriname.
De tekst die in de hiernavolgende pagina’s gepresenteerd wordt, is voor een groot deel
gebaseerd op de inhoud van de 27 file-folders. De tekst is een rapport geworden van de
ingewikkelde – openlijke en bedekte – betrokkenheid van de Amerikaanse overheid bij
ontwikkelingen in Suriname welke zich voltrokken gedurende de eerste acht maanden na
de Decembermoorden. Suriname heeft een hoge prijs betaald voor de diepgewortelde
antipathie welke de Reagan Administratie koestert jegens Cuba. In de laatste dagen van
‘december 1982’ is het Amerikaanse Congres er nog net in geslaagd de Reagan
Administratie op drastische wijze te beteugelen, door op ‘de remmen’ te gaan staan.
Echter, de Reagan-groep werd zich spoedig bewust van Bouterse’s zucht naar macht,
neiging tot alleenheerschappij en gebrek aan principes van allerlei soort. Maar bovenal
begreep de Reagan Administratie de existentiële, verlammende angst die het Bouterse
regiem gezaaid, ontstoken, had onder de bevolking. Samen met de toenmalige Braziliaanse
militaire regering nam Reagan op 11 april 1983, het besluit hem te coöpteren voor hun
anti-Cuba politiek. De VS brak in stilte haar belofte aan Nederland om het Bouterse regiem
van financiële middelen te onthouden.
Het ‘State Department’ en de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Paramaribo
hadden er geen moeite mee publiekelijk te blijven pleiten voor het onmiddellijke en
onverbiddelijke herstel van de rechtsorde in Suriname, en gelijktijdig, willens en wetens,
forse steun te geven aan individuen verdacht van multipele moorden. Zij sloten met
Bouterse en Alibux, die een ‘kristalhelder’ persoonlijk belang hadden bij de ontwrichting
van de rechtsgang in Suriname, een echte, niet-fictieve deal. Een dubieuze overeenkomst
die koste wat kost geheimgehouden moest worden want hun daden (van State en
ambassade) zouden internationaal weleens als ‘aiding and abetting’, het verlenen van
hand en spandiensten aan gezochte criminelen, aangemerkt kunnen worden. Zo werd een
spaak in het wiel gestoken: de tijdsduur voor het herstel van de Surinaamse rechtsgang
kwam op de lange baan terecht.
De schade toegebracht aan de nabestaanden van de slachtoffers van ‘8 December’ door de
collaboratie van de VS met Bouterse is vrijwel niet in te schatten en zal wijselijk door hun
advocaten en andere deskundigen koel berekend moeten worden. Maar ook de Staat
Suriname en de bevolking zijn evenzeer het economische slachtoffer van de VSmachinaties met Bouterse geworden. De onderstaande cursieve tekst geeft letterlijk weer
wat Judge Clark op 8 mei 1983 aan de Amerikaanse ambassadeur in Brasilia meedeelde in
een boodschap bestemd voor de Braziliaanse Generaal Otavio Medeiros1:
(…) “U mag Medeiros ervan op de hoogte stellen, wanneer U hem weer ziet, dat
wij op verscheidene manieren aan het werk zijn om Suriname bijstand te
verlenen. Opties welke wij exploreren zijn onder andere: a. Het faciliteren van de
goedkeuring van Suriname’s recente verzoek voor een 150 miljoen projectlening
bij de IDB (Inter-American Development Bank). Dit zal netjes moeten samenvallen
met ontwikkelingsplannen uiteengezet door Bouterse en Premier Alibux op 1 mei
4
en zal de kloof, ontstaan door de opschorting van de Nederlandse hulp, helpen
vullen (overbruggen)” (…).
Aan dit rapport, de hier onderhavige tekst, is de titel ‘Operatie Guiminish’ meegegeven. De
naam zal hopelijk symbolisch worden voor de dubieuze, geheime poging ondernomen
door de Braziliaanse militairen en de Reagan Administratie van de Verenigde Staten in
1983 om het irrationele, brute bewind van Desi Bouterse aanvaardbaar te maken voor het
Surinaamse volk.
5
Inhoud
Verantwoording 2
Voorwoord 6

  1. Een invasie gepland voor december ‘82? Nee. 8
  2. Het lot van een geplande buitenlandse invasie. 12
  3. Prelude tot de geboorte van ‘Operatie Guiminish’. 16
  4. ‘Operatie Guiminish’. 18
  5. Generaal João Figueiredo. 23
  6. Generaal Venturini ‘interviewde’ en ‘installeerde’ Bouterse. 31
  7. De herintroductie van Bob Duemling. 40
  8. Spanningen binnen de driehoeksrelatie tussen Brazilië, de VS
    en Nederland — vanwege Suriname? 48
  9. ‘Operatie Guiminish’ in financiële moeilijkheden. 50
  10. Operationele moeilijkheden bij ‘Operatie Guiminish’. 54
  11. De kous is af: George Shultz en Robert Duemling sluiten de
    deal. 58
  12. Tot slot: 29 november 1986. 67
  13. Referenties. 68
    Bijlage. 72
    6
    Voorwoord
    Hoe is het mogelijk dat Desiré Bouterse, een man die jarenlang aangetegen werd met
    ernstige beschuldigingen inzake moord en drugshandel, desondanks ongemoeid kon
    ronddolen in Suriname – zo af en toe, vrijelijk landen op het Zuid-Amerikaanse continent,
    in Midden-Amerika en eilanden gelegen in de Caraïbische Zee, kon bezoeken? In 2018
    werd hij tezamen met medeverdachten succesvol gedagvaard voor de Krijgsraad in
    verband met de moorden gepleegd in december 1982 te Fort Zeelandia. De dagvaarding
    was een overwinning op het bruuskerende gedrag van de voormalige bevelhebber van het
    leger, vooral op zijn smalende afwezigheid van rechtszittingen. De overwinning was een
    heerlijke interruptie van de tergend-lange bandeloosheid waar de maatschappij, door de
    jaren heen, in verzeild was geraakt. Vooruitlopend op een eventuele strafoplegging liet de
    hoofdverdachte zich dreigend uit tegen het rechterlijk gezag, specifiek tegen belangrijke
    vervolgingsambtenaren bij het Ministerie van Justitie. De intentie van de dreigementen
    was ongetwijfeld intimidatie.
    De Krijgsraad heeft Desi Bouterse op 29/11/2019 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
    van twintig jaar opgelegd voor zijn deelname aan de moord op vijftien mensen. In verzet,
    werd hem op 30/8/2021 wederom dezelfde straf opgelegd. Waarom niet de onmiddellijke
    gevangenneming van de veroordeelde is gelast zal voorlopig, wie weet nog voor hoelang,
    een raadsel blijven. Toch zal geen zinnig mens de leden van de Krijgsraad kunnen verwijten
    dat zij zich niet met enorme inspanning en grote integriteit aan het herstel en de
    verdediging van de rechtstaat in Suriname hebben gewijd. Per slot van rekening was hun
    eindvonnis ondubbelzinnig: de langdurige verwijdering van de hoofdschuldige uit de
    samenleving. Zonder gevangenneming is het eindvonnis echter moeilijk uit te voeren; dat
    is de abominatie. Met de hulp van behendige advocaten, en met voldoende financiële
    middelen ter beschikking, kan de veroordeelde het rechtsproces misschien in een
    ‘eeuwigdurende beweging tussen vonnis en hoger beroep’ manoeuvreren, tot seniliteit of
    de natuurlijke dood overneemt. Het is niet zinvol om hier te speculeren over de aard van
    de belangen welke mogelijk schuil zijn gegaan onder een deal die de uitkomst van het
    rechtsproces heeft bepaald. Zo er één is, wat is het alternatief?
    Het alternatief zou de uitlevering van Bouterse aan de Nederlandse justitie kunnen zijn;
    natuurlijk niet voor de decembermoorden, moet erbij gezegd worden. De Nederlanders
    hebben een ‘eigen appeltje met de heer Bouterse te schillen’ en zullen bij de aanvraag tot
    zijn uitlevering ongetwijfeld voldoen aan alle vereiste internationale standaarden. Het
    verzoek zal waarschijnlijk alleen dan gedaan worden wanneer de Surinaamse autoriteiten,
    specifiek het uitvoerend gezag, zelf ferm gaat staan achter een uitleveringsbesluit. De
    voor- en nadelen ervan moeten nauwkeurig en zakelijk worden afgewogen. Speciale
    rechtsonderzoekingen inzake de 29-november-1986-slachting van negenendertig mannen,
    vrouwen en kinderen te Moiwana alsook onderzoekingen aangaande de moordpartijen
    welke in Tjongalanga hebben plaatsgevonden kunnen eerlijkheidshalve en rationeel niet
    permanent uitgesteld worden. Het zal een funeste en onvergeeflijke fout zijn om aan te
    nemen dat mettertijd het leed wel zal wegebben en in vergetelheid zal raken. Dus, een
    adequaat formaat voor deze rechtsprocessen kan en moet uitgewerkt worden door
    Surinaamse en Nederlandse juridische en gezag voerende autoriteiten. De financiën voor
    de rechtsprocessen zullen bij elkaar geschraapt moeten worden uit privé en publieke
    bronnen.
    7
    De geschiedenis leert dat op ons halfrond – het Westelijk Halfrond – geen militaire of
    politieke leider heerschappij over een samenleving kan uitoefenen, verheven boven de
    grondwet en buiten de regels van het recht om, zonder medeweten of de instemming van
    de Verenigde Staten van Amerika. De noordelijke reus heeft het, in feite, voor het zeggen
    aan deze kant van de wereld. Haar dominante positie is verworven door vasthoudend,
    sinds 1823, de Monroe Doctrine2 (een toegeëigend recht) succesvol in praktijk te brengen,
    gedreven door het fervente ‘American Exceptionalism’
    3 – een onstuitbare competitieve
    drang om het leven in deze hemisfeer naar Amerikaans beeld en idealen te herscheppen,
    een ideaal – historisch – ingegeven door een cultureel-spirituele instructie (Manifest
    Destiny4) aan de leiders van het land, een ideaal – niet vrij van dispuut – overgedragen van
    generatie op generatie. Amerika is aan het einde van de 19e eeuw, door een reeks van
    factoren, verrezen tot de dominerende politieke, economische en militaire macht op het
    Westelijk Halfrond. Na de Eerste Wereld Oorlog (WWI) werd de VS een wereldmacht: ‘a
    shining city upon a hill’ (‘een schitterende stad op een heuvel’), een beeldspraak
    gepopulariseerd door Ronald Reagan. De VS zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk
    ook in Suriname de voornaamste politiek-economische kracht worden.
    Om de vraag te beantwoorden of de VS kort na 8 december 1982, en in de opvolgende
    maanden, bedekte relaties met Bouterse zou hebben onderhouden voor eigen voordeel
    en, mogelijk, tot nadeel van civiel Suriname, maken wij gebruik van, voor het publiek
    toegankelijke, informatiebronnen afkomstig uit, voornamelijk, de Ronald Reagan
    Presidential Library in California (Reagan was US President van 1981-1989), de Library of
    Congress in Washington-DC, het invloedrijke Amerikaanse dagblad ‘The New York Times’,
    autobiografische en biografische werken van en over Amerikaanse politici. Aangezien de
    ondersteuning van zo-iemand-als Bouterse door bijvoorbeeld politici, waarschijnlijk bedekt
    zal plaatsvinden, mag verwacht worden dat eventuele ondersteuningsoperaties door
    inlichtingen- of veiligheidsdiensten georganiseerd en uitgevoerd zullen worden. De
    informatie en resultaten verzameld in zulke operaties worden geheimgehouden, dus
    geclassificeerd. Wij zullen hier nagaan of een dergelijke operatie in 1983 heeft
    plaatsgevonden en, mogelijk, de basis heeft gevormd voor latere – aan het publieke oog
    onttrokken – contacten tussen Bouterse en de VS. Ondanks het veelvuldig gebruik van de
    ‘Freedom of Information Act’ (FOIA)
    5 in Amerika en de versoepeling van de regels voor het
    vrijgeven van geclassificeerd materiaal (déclassificatie: het beschikbaar stellen van
    voorheen geheime informatie; soms, deels ‘onleesbaar gemaakte’ tekst) – is het nog vaak
    ondoenlijk om essentiële gegevens over collaborerende individuen, die nog in leven zijn, te
    verkrijgen. Dus blijven professionelen wier werk op nauwkeurig onderzoek gebaseerd is –
    respectabele historici, advocaten, sociale wetenschappers, journalisten en andere
    geïnteresseerden – hopen dat geheimen, die geen geheimen behoren te zijn, zullen
    worden onthuld door ‘whistleblowers’ of ambtelijke functionarissen en politici die later in
    het leven zich om hun ideële nalatenschap bekommeren. Het uitlekken van
    geclassificeerde informatie is strafbaar. Sommige individuen lekken informatie uit, soms
    gedreven door het verlangen een persoonlijk plekje in de kronieken van de geschiedenis te
    veroveren, anderen weer zijn altruïstisch en willen maatschappelijke gerechtigheid doen
    geschieden. ‘Leaks’, lekken, komen op nogal grote schaal voor, en vormen een omvangrijk
    probleem waar Amerikaanse regeringen, federale en privé instituten zich dag en nacht het
    hoofd over breken. ‘Leaks’ en o.a. gedéclassificeerde informatie – niet zelden decennialang
    verborgen gehouden – kunnen desinfecterende zonnestralen op de donkere zijde van de
    ‘shining city’ werpen.
    8
    Helaas staan er vele – vaak lange – citaten afgedrukt in dit rapport. De meeste citaten zijn
    opgetekend uit gedéclassificeerde officiële schriftelijke communicaties tussen
    Amerikaanse en Braziliaanse functionarissen, over en weer, en onderling. Specifieke
    citaten bevatten heldere suggesties, zo niet bewijs, dat Bouterse in 1983 door topleiders in
    zowel de Verenigde Staten als in Brazilië omgekocht dan wel gecoöpteerd is geworden. De
    citaten bevatten bovendien nauwkeurige aanwijzingen dat de Verenigde Staten in
    augustus 1983 aan Bouterse en Errol Alibux de belofte deden dat zij (de VS; Red.) de
    Decembermoorden in mindere mate, of niet meer, aan de orde zullen stellen in publieke
    (dus ook niet in internationale) fora. De VS is de belofte aan Bouterse 38 jaar lang
    nagekomen en heeft zodoende het publieke leven van dit misdadig individu, tegen beter
    weten in, aanzienlijk verlengd – ten nadele van civiel Suriname, in het bijzonder, van de
    nabestaanden, familie, vrienden en collega’s van de personen die lafhartig vermoord zijn
    op 8 december 1982.
  14. Een invasie, gepland voor december ‘82? Nee.
    In januari 1981 kwam de Reagan Administratie aan het bewind in de VS, vastbesloten om
    het vermeende verlies aan Amerikaanse invloed in bepaalde delen van de wereld, ten tijde
    van de voorgaande Carter Administratie (1977-1981), ongedaan te maken. De nieuwe
    regering wilde alles wat enigszins op een vorm van socialisme of ‘radicalisme’ leek, te vuur
    en te zwaard bestrijden. Met name, in het Midden-Oosten was de Iraanse revolutie van
    1979 in het vizier, alsook de bestrijding van de ‘Palestine Liberation Organisation’ (PLO)
    toen primair gestationeerd in Lebanon; daar, kwam in 1983 ook nog de Hezbollah
    opdagen, welke onmiddellijk één van de hoogste plaatsen op de Reagan agenda ging
    bezetten. In Centraal Azië was de steun van de Sovjet-Unie aan Afghanistan op het
    dagelijkse rooster van de Amerikaanse administratie. Op het Westelijk Halfrond was vooral
    Cuba een doorn in de zij, in het vlees van Washington, hoofdzakelijk vanwege de
    socialistische oriëntatie van de samenleving. De Cubaanse regering gaf bovendien militaire
    en logistieke steun aan de Sandinista-regering in Nicaragua en het Farabundo Marti
    Bevrijdingsfront in El Salvador. De New Jewel Movement, onder leiding van Maurice
    Bishop, die in 1979 de macht in Grenada overnam was een doorn in het oog van de VS. De
    coup van 25 februari 1980 in Paramaribo – verward in identiteit en uitgevoerd zonder
    vooropgestelde doelen – werd niet bepaald verwelkomd door de toenmalige Carter
    Administratie in Washington. De Nederlandse regering was zich in menig opzicht goed
    bewust van de negatieve gevoelens die leefden bij de Amerikanen met betrekking tot een
    eventuele politieke relatie tussen Suriname en Cuba. De Haagse bestuurders lieten op 26
    februari 1980, in hun allereerste persmededeling over de 25-februari-gebeurtenissen in
    Suriname, nadrukkelijk weten dat Cuba niets met de coup in Suriname te maken had6. (Een
    woordvoerder van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zei dat er geen indicatie was van
    Cubaanse of andere buitenlandse invloed op de coup). De Reagan Administratie trad aan
    na de Bouterse-coup; zij reageerde meestal nogal geïrriteerd wanneer in de pers
    gerapporteerd werd dat Cuba en Suriname in de één of andere vorm, met elkaar hadden
    gecommuniceerd.
    Reagan liet zich leiden door drie principes7,12 welke uiteindelijk, direct of indirect, een
    effect op de ontwikkelingen in Suriname hebben gehad. (i) Hij, Reagan, in tegenstelling tot
    zijn voorganger Jimmy Carter, steunde in zijn buitenlandsbeleid in aanzienlijke mate op de
    Central Intelligence Agency (CIA). [Zie, Reagan’s dagboeknotitie voor 13-dec-1982]
  15. (ii) Hij
    9
    verklaarde, evenals de twee presidenten die aan hem vooraf zijn gegaan, t.w. Gerald Ford
    [1974- 1977] en Jimmy Carter, tegenstander te zijn van het ombrengen van buitenlandse
    politieke leiders, zoals Bouterse, door de CIA of andere veiligheidsorganisaties van de
    Amerikaanse staat. (iii) Hij verzette zich tegen de deelname van Amerikaanse
    gevechtstroepen aan nieuwe buitenlandse oorlogen maar had geen bezwaar tegen het
    inzetten van Amerikaanse adviseurs en verkenningseenheden in het buitenland.
    Het is waar dat rond juni 1982 President Reagan, bijgestaan door zijn Nationale
    Veiligheidsadviseur, William P. Clark, opdracht heeft gegeven aan veiligheidsdiensten en
    relevante ministeries om een invasie van Suriname voor te bereiden8. De aanleiding
    daartoe is een bezoek van Bouterse aan Cuba geweest, gearrangeerd door Osvaldo
    Cardenas9 en afgelegd in mei 1982. Bij die gelegenheid is Bouterse aan Fidel Castro
    voorgesteld. Cardenas, een Cubaanse diplomaat, had Suriname, naar eigen zeggen9,
    tenminste tweemaal eerder bezocht: één keer ter bijwoning van een culturele conferentie,
    de tweede keer beoogde hij meer te leren over de militaire coup welke drie weken vóór
    zijn komst naar Paramaribo had plaatsgevonden. Tijdens het tweede bezoek ontmoette hij
    o.a. Bouterse, Badrissein Sital en Chas Mijnals. Cardenas was toen het hoofd van de
    Caraïbische Sectie van het Amerika Departement van de Communistische Partij van Cuba9.
    Volgens de Amerikaanse inlichtingendiensten8 wilde Castro in een gesprek met Bouterse
    bewerkstelligen dat de Surinaamse regering openlijk solidariteit met de politieke strijd van
    Cuba zou betuigen en zich tegen de invloed van de VS in het Caraïbisch Gebied zou keren,
    specifiek tegen het Caribbean Basin Initiative (CBI)10. Bouterse ontkent dat deze
    onderwerpen in het gesprek met Castro aan de orde zijn geweest. Hij verklaarde dat
    Castro hem lang aan de tand heeft gevoeld, merendeels over zijn kennis van de
    Surinaamse economie en de condities waaronder de meerderheid van de bevolking leeft.
    Volgens Bouterse concludeerde Fidel Castro aan het einde van het gesprek dat hij
    (Bouterse) en de zijnen nog veel van en over het Surinaamse volk hadden te leren. De CIA
    rapporteerde dat er drie of vijf overeenkomsten tussen Suriname en Cuba tijdens dat
    bezoek getekend zijn8,11
    . Van deze overeenkomsten uit het jaar 1982 waren er geen
    fysieke sporen terug te vinden. Het is waarschijnlijk dat vanwege het contact tussen Castro
    en Bouterse in mei 1982, Osvaldo Cardenas werd aangesteld in de diplomatieke rang van
    ambassadeur in Paramaribo rond september 1982, met de opdracht er een ambassade op
    te zetten. In dit verband ontwikkelde Cardenas contact met het Bouterse regiem en met
    Surinaamse individuen die om de één of andere reden geïnteresseerd waren in Cuba. Een
    jaar na de aankomst van Cardenas in Paramaribo waren er 21 Cubanen geassocieerd met
    de Cubaanse ambassade, familieleden van de ambassade employees daarbij inbegrepen.
    Er was geen militaire attachée of ander militair personeel verbonden aan de Cubaanse
    ambassade. Cubanen die niet op Cuba maar ergens in Latijns-Amerika (Columbia,
    Venezuela, Brazilië, Ecuador, Panama) of in het Caraïbisch Gebied (Santo Domingo)
    verbleven, brachten zo af en toe, vooral via Guyana, een bezoek aan Suriname. Het Witte
    Huis in Washington schatte het totale aantal Cubanen in Suriname per 31 mei 1983 op
    honderd, op z’n hoogst.
    De CIA, NSC (National Security Council) en speciale eenheden van de Ministeries van
    Buitenlandse Zaken en Defensie waren (na mei 1982) betrokken bij de organisatie van de
    voorgenomen Amerikaanse invasie van Suriname. De ‘agencies’ gingen in een gematigd
    tempo aan de slag; zij besteedden maanden aan het ontwerpen van verscheidene versies
    van het invasieplan. Soms – gedreven door kliekvorming, ‘inter-agency’ jaloezie en
    10
    competitie – deden zich vertragingen voor in de planning vanwege een ‘lek’ of ‘lekkages’
    naar de pers of naar ‘verkeerde’ personen in machtsposities, in de hiërarchie van het
    staatsapparaat, die de invasie in een andere richting wilden sturen, met het resultaat dat
    een invasieplan geheel of gedeeltelijk tenonderging29. De verscheidene versies van het
    invasieplan behelsden het gebruik van óf Venezolaanse óf Hondurese óf Zuid-Koreaanse
    commando’s7,12. Incidenteel werd in het kleine Paramaribo een invasiegerucht – afkomstig
    uit onbekende bron – gelanceerd, dat zowel burgers als militairen deed opschrikken. Vast
    staat dat er geen invasie gepland was door Amerikaanse autoriteiten rond 25 december
    1982, zoals beweerd door Bouterse. Een klaarblijkelijke achterdocht waarmee de
    legerleider behept is, zou hem meer dan eens ertoe brengen discrete privé-vergaderingen
    van politiek-andersdenkenden, willekeurig en verstoken van elke logica, te koppelen aan
    schimmige ingebeelde buitenlandse invasies.
    Nog vóór de discussie over een eventuele invasie van Suriname aan de orde was, werden
    al binnen het ‘State Department’ vragen van een ander type opgeworpen, zoals: moet de
    VS met Bouterse samenwerken? Om hem heen werken?
    Gewoon contact met hem onderhouden? Of, moet de
    VS oppositie tegen Bouterse voeren? Hem isoleren en
    boycotten? Deze kwesties kwamen in 1981 ter sprake,
    vóór de Decembermoorden. Thomas Enders, de
    Assistant Secretary of State voor Inter-Amerikaanse
    Zaken (1981-1983), overzag het werk van de
    ambassades in Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied.
    Enders was, zo blijkt, de mening toegedaan dat de VS
    nauw contact met Bouterse moest onderhouden. De
    toenmalige VS-ambassadeur in Suriname was John J.
    Crowley jr. (25 juli 1980 – 10 december 1981). In het
    onderstaande citaat wordt Crowley besproken. Het
    citaat is ontleend aan een interview afgestaan door
    Jonathan Rickert aan de Library of Congress13. Rickert
    was een “Desk Officer for Trinidad and Tobago, Guyana
    and Suriname” in Washington van 1980-1982; daarvoor had hij kort als tijdelijke
    werkkracht (Temporary Duty – TDY) gediend op de Ambassade in Paramaribo. Rickert
    verklaarde het volgende13:
    “Well, Enders called Rob Warren and me and our deputy director, Dick Howard
    up to his office one day and said, “How are things going in Suriname?” We said,
    “going well.” “Well, how’s Jack Crowley doing there?” We said, “Fine
    professionally, he’s doing a good job so forth.” “How does he get on with
    Bouterse?” Rob Warren actually carried the conversation and said that he
    (Crowley; Red.) talked to him (Bouterse; Red.) from time to time but there is a
    cultural difference and generational difference between the two. “Enders”, I’m
    sorry I have to quote this, but he said: “Well, I think we should have somebody
    down there who can really get in with Bouterse and his people.” “Somebody
    who’d go drinking and whoring with him” – was the term he used. Enders didn’t
    think Crowley was the man, so Crowley was recalled”.
    John Crowley werd tot 10 december 1981 gehandhaafd als de VS-ambassadeur in
    Suriname.
    11
    Zijn opvolger, Robert W. Duemling14, een oude kennis en collega van Tom Enders,
    presenteerde op 4 augustus 1982 zijn geloofsbrieven
    aan President Fred Ramdat Misier. Ook werd in
    Paramaribo voor het eerst een “Station Chief” (de
    gebruikelijke titel voor het hoofd van de ‘CIA ‘sectie’ in
    Amerikaanse Ambassades) aangesteld. Ambassadeur
    Duemling’s diensttijd in Suriname eindigde op 8
    augustus 1984. Tussen 4 juli en 8 augustus 1984
    werden hem, in een kleine besloten formele
    ceremonie, door President Ramdat Misier namens de
    regering en Bouterse de versierselen van Het Grootlint
    in de Ere Orde van de Palm omhangen: de hoogste
    onderscheiding die de Republiek Suriname tot dan had
    toegekend aan een buitenlander14. In Washington
    werd geen woord van afkeuring geuit tegen de
    acceptatie van deze hoge onderscheiding uit handen
    van een-niet-verkozen, maar door de luitenant-kolonel
    geïnstalleerde President.
    De politieke leiding in het Witte Huis en de internationale pers15,22 beschreven Bouterse,
    vóór de Decembermoorden, steevast als een nieuwe linkse, marxistische (socialistische)
    militaire dictator in Zuid-Amerika. Gegeven de ongewoon brute aard van de
    Decembermoorden, gingen de veiligheidsdiensten en de pers op zoek naar factoren die dit
    individu motiveerden. Al snel werd het duidelijk dat Bouterse geen ideologie had, noch
    maatschappelijke idealen koesterde, uit was op persoonlijk gewin en bovenal gedreven
    werd door machtswellust16,17,18,22. Hij is competitief en nogal intelligent maar heeft weinig
    formeel onderwijs genoten. Hij heeft leiderskwaliteiten en is de onbetwiste leider van de
    groep van mensen die rond hem verzameld zijn16,20. Enerzijds bezit hij redelijk goede
    sociale en politieke instincten maar wordt, anderzijds, geplaagd door een diepe, donkere,
    slecht-gecontroleerde neiging tot achterdocht. Wanneer hij zich uitgedaagd of bedreigd
    voelt kan hij tegenstanders het leven ontnemen of laten ontnemen, zonder de geringste
    morele twijfel.
    In zekere sociale kringen van Paramaribo was het gewoonte geworden aanzienlijke
    hoeveelheden tijd te besteden aan de fabricatie van geruchten, de verspreiding van
    roddels, het kauwen en herkauwen van halve waarheden. Ongelukkigerwijs werd Cuba, er
    luidop van verdacht – zonder bewijs – een adviserende of zelfs begeleidende rol te hebben
    vervuld bij de misdrijven in het Fort Zeelandia; geen wonder dat de mening van Fidel
    Castro over Cuba’s vooronderstelde rol in Suriname en zijn interactie met het individu
    Bouterse belandde in de archieven van de Amerikaanse ambassade in Paramaribo.
    Duemling telegrafeerde Castro’s mening over de 8-december-gebeurtenissen in Suriname
    naar Washington19:
    11 januari, 1983
    Van: Robert Duemling, Ambassade Paramaribo
    Naar: Secretary of State, Washington
    Onderwerp: Cubaanse gezichtspunten en motivaties
    van de Cubaanse ambassadeur.
    12
    “(…) According to [XXX]*, Castro’s comments revealed that he knows Bouterse
    reasonably well. Castro made the following points: A. There are no Cuban
    military in Suriname. B. There was no Cuban involvement in the bloody events of
    December 8, proof being that such brutality is not ‘Cuban style’. C. Cuba does not
    contemplate sending weapons to Suriname. D. Bouterse comes from simple
    background and is not well schooled. He is not Marxist-Leninist but is left
    nationalist. He has good political instincts. He wants to do well for his country. E.
    Castro speculated that the people involved with the disturbances of 8 December
    were likely guided by the United States. F. Cuba has no intention to get involved
    with Suriname; we have enough problems in the region (…)”.
    *[XXX] officieel gecensureerd in de originele tekst.
    De conversatie tussen [XXX] en Castro heeft tussen 18 en 20 december 1982 in Havana
    plaatsgevonden19, ongeveer 10 maanden vóór de Cubanen door het Bouterse regiem uit
    Suriname werden gezet.
  16. Het lot van een geplande buitenlandse invasie.
    Eind december 1982, bijna drie weken na de Decembermoorden, heeft William Casey,
    Directeur van de CIA, namens de Reagan Administratie getracht – achter gesloten deuren –
    toestemming te verkrijgen van twee ‘Intelligence Committees’ in het Amerikaans Congres,
    respectievelijk, van het Huis van Afgevaardigden en van de Senaat, om Suriname binnen te
    vallen21 en te ontdoen van Cubaanse invloed èn de dictator. De twee gerespecteerde
    ‘Committees’ in het Congres weigerden nadrukkelijk geld voor een invasie vrij te maken. Zij
    waren van oordeel dat de CIA gefaald had geloofwaardig bewijs op tafel te leggen voor de
    bewering dat de schrale aanwezigheid van Cuba in Suriname een gevaar voor de Verenigde
    Staten vormde21. Het Witte Huis was diep teleurgesteld, in feite woedend: het was immers
    de tweede keer sinds 1981 dat de Reagan Administratie geld voor een invasie werd
    geweigerd door het Congres. Eerder was een verzoek afgewezen om de Contra’s, die in
    een clandestiene oorlog tegen de Sandinistas in Nicaragua verwikkeld waren te
    financieren23. Na de afwijzing verkozen sommigen in de Reagan Administration het
    Congres te omzeilen en, naar verluidt, oogluikend de illegale financiering van de Contra’s
    met drugsgelden, gegenereerd middels louche operaties in Zuid-Amerika (hoofdzakelijk
    Columbia), Midden-Amerika (hoofdzakelijk Nicaragua) en in sommige westelijke NoordAmerikaanse steden (te weten, Los Angelos, CA en San Francisco, CA), toe te laten23. De
    oorlog in Nicaragua werd later tevens met vermeende opbrengsten uit de door-hetCongres-verboden verkoop van Amerikaanse wapens aan Iran bekostigd, hetgeen
    tenslotte leidde tot de zogeheten ‘Iran-Contra affaire’
    23.
    De reactie van Reagan op de afwijzing door het Congres, van het
    verzoek om geld voor een invasie in Suriname beschikbaar te stellen,
    was één van ergernis en teleurstelling. De President was niet langer
    geïnteresseerd in het merendeel van de gemuteerde invasieplannen en
    vormde, in het begin van januari 1983, samen met de National Security
    Advisor, William Clark – een geestverwant en tevens goede vriend –
    een kleine groep van vertrouwelingen in het Witte Huis, met het doel
    op korte termijn een nieuw actieplan in elkaar te zetten. Zij hadden
    bedacht dat Venezuela en Brazilië een centrale rol in het plan moesten
    13
    vervullen aangezien Suriname in hun regio van het Zuid-Amerikaanse continent lag8,18.
    Aldus onttrok de Reagan Administratie zich aan het wettelijke toezicht van het Congres,
    wat haar acties in Suriname betrof en maakte de Cubaanse dreiging, naar goeddunken, zo
    groot als het maar wenste.
    De Amerikaanse ambassadeurs in Venezuela en Brazilië begonnen het denken in de
    leidende kringen van deze twee landen, over de situatie in Suriname af te tasten, te
    exploreren. Een samenvatting van de inhoud van een belangrijk telegram verzonden naar
    Washington staat hieronder afgedrukt. De ambassadeur in Venezuela, George Walter
    Landau (1982-1985), stuurde op 6 januari 1983 uit Caracas een bericht25 van de volgende
    strekking naar zijn baas op Buitenlandse Zaken (The State Department), Tom Enders:
    6 januari 1983
    Van: Embassy Caracas, Ambassador George Landau
    Naar: State Dept. Wash., Assistant Secretary Thomas Enders
    Onderwerp: ‘Het Hoofd van de Inlichtingendienst van het Venezolaanse Leger
    bezorgd over de situatie in Suriname’.
    “Op verzoek van de Directeur van de Inlichtingendienst van het Leger, Brig. Gen.
    Roberto Regulo (Zamudio} Ferrett, die mij op eigen initiatief wilde spreken over
    Suriname werd op 6 januari een lunch bij Arma* thuis gearrangeerd. Gen.
    Zamudio was vergezeld van zijn Onderdirecteur en Assistant Onderdirecteur.
    Tevens waren aanwezig Arma en onze functionaris voor politiek militaire zaken”.
    “Zamudio sprak op eigen titel. Hij was zeer bezorgd over de situatie in Suriname.
    Bouterse had hem in November 1982 in Paramaribo verteld dat er een coup op
    handen was en dat hij daartegen stappen zou ondernemen. Zamudio was niet
    voorbereid op de brute wijze waarop de beschuldigde plotters zijn behandeld.
    Volgens Zamudio is Bouterse een genadeloos persoon met ‘Liberator’ pretenties.
    Suriname had in Nov. (1982) een verzoek voor militaire training bij Venezuela
    ingediend, en 15 Januari 1983 als startdatum voorgesteld. De vraag is of de
    training nog kan plaatsvinden”.
    “Landau, de Amerikaanse ambassadeur, besprak met Zamudio zijn visie op de
    situatie in Suriname welke hij als instabiel beschreef. Nederland en de VS hebben
    financiële hulp ingetrokken; dat moest wel anders kon het erop lijken alsof zij de
    wijze waarop met de politieke oppositie is omgegaan goedkeurden, aldus
    Landau. Bouterse probeert de democratische donorlanden te chanteren door te
    dreigen met het binnenhalen van Cubaanse assistentie. Cuba kan hem financieel
    niet helpen en hij weet dat. We moeten niet aan zijn chantage toegeven.
    Zamudio was het eens met Landau’s analyse. Ook hij maakte zich zorgen over
    Cubaanse infiltratie met dokters, woningbouwprojecten en militaire adviseurs.
    Mogelijk komt een alternatieve leider naar voren uit het leger, de vakbeweging
    of uit de politieke oppositie. Ik heb Zamudio gewezen op het belang om de
    uitwisselingen tussen onze naties te continueren zodat wij ernstige fouten
    kunnen vermijden.
    “Zamudio zei dat hij het eens was met mijn redenering en dat hij het gevoel had
    dat Bouterse ‘weg moest’, alvorens democratische landen als de VS en
    Venezuela, Suriname zouden kunnen helpen. Hij bleef echter bezorgd over de
    mogelijkheid dat Cuba op korte termijn een greep op Suriname zou krijgen in ruil
    14
    voor militaire adviseurs, onderwijzers, dokters en huizenbouw-teams. Maar hij
    gaf toe dat het schadelijk voor de internationale reputatie van Venezuela zou zijn
    om als democratisch land de man te helpen die zijn politieke oppositie door
    moord elimineert”.
    “Commentaar. Ik geloof dat mijn gesprek met Zamudio voordelig is geweest.
    Arma, die met Zamudio en andere officieren achterbleef nadat ik vertrok,
    vertelde mij dat onze gasten nog zeiden dat zij over een heleboel zaken moesten
    nadenken vóór zij zouden aanbevelen de verzochte militaire steun aan Suriname
    te geven”.
    Landau
    Vermoedelijk, een US ambassade-personeelslid (Red.). Drie maanden later, in april 1983, weigerde de Venezolaanse regering, tegen de wens van de VS in, een militaire invasie van Suriname te ondernemen11. De Venezolanen waren van mening dat er andere opties, anders dan de militaire optie, ter beschikking waren om tot een oplossing van het ‘Suriname probleem’ te geraken. De VS waren ervan overtuigd dat onmiddellijk gehandeld moest worden om te voorkomen dat Cuba voet aan de grond zou krijgen in Suriname, derhalve op het Zuid-Amerikaanse continent11. De Amerikaanse ambassadeur in Brazilië was Langhorne Anthony ‘Tony’ Motley26, geboren uit Amerikaanse ouders in Brazilië, getogen in Rio de Janeiro; en, zoals te verwachten, vloeiend in de Braziliaans-Portugese taal, bovendien gezegend met tal van sociale en politieke connecties in de oligarchie van het land. Zijn vader was een vooraanstaande, leidinggevende manager in de Braziliaanse olie-industrie. Motley heeft een militaire opleiding aan ‘The Citadel’ in Charleston, South Carolina voltooid en diende vervolgens bij de Air Force in o.a. Panama en Alaska. In de jaren ’70 verdiende hij een aardig fortuin in onroerend goed in Alaska en werd, via politieke connecties in Washington, ambassadeur (1981-1983) in Brazilië. Gedurende de tweede helft van 1983, verving Motley Tom Enders als Assistant Secretary of State voor Inter-Amerikaanse Zaken. Hij heeft, in 1983, een vitale rol vervuld in de communicatie tussen de Braziliaanse generaals, President Reagan, William Clark en het ‘State Department’ toen het “probleem Suriname” hoog op de agenda stond. In de jaren ’80, ’81 en ‘82 onderhielden de Amerikanen, wat betrof Suriname, vrijwel uitsluitend contact met de civiele kant van de Braziliaanse regering, geconcentreerd in het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat gehuisvest was in het Itamaraty Paleis in Brasilia. De burgerfunctionarissen in Itamaraty moesten, na de Decembermoorden, weinig van Bouterse en de zijnen hebben. De Braziliaanse ambassadeur in Washington, Antonio Silveira, heeft Bouterse en collega’s, letterlijk, voor “primitief” uitgemaakt en hun verklaring voor de ‘8-Decembermoorden’ als “evident ongeloofwaardig” bestempeld24. Ambassadeur Motley deed op 20 januari 1983 verslag aan zijn superieuren van een conversatie tijdens een ‘diner-bijeenkomst’ (19 jan.) bij hem thuisgehouden, waar aanwezig waren: US Senator John Glenn (de astronaut; Red.), Ramiro Saraiva Guerreiro (de Braziliaanse Minister van Buitenlandse Zaken), een Amerikaanse functionaris genaamd Ford (staflid, Senate Foreign Relations Committee; SFRC) en natuurlijk Motley zelf. In de 15 onderstaande tekst geven wij zo nauwkeurig mogelijk de belangrijkste gespreksonderwerpen weer, gerapporteerd door Motley aan het ‘State Department’27: 20 januari 1983 Van: Ambassadeur Tony Motley, Brasilia Naar: Tom Enders, Asst. Secr. of State, Washington. Onderwerp: ‘Foreign Minister comments on Suriname situation’. (…) “Tijdens het diner stelden Senator Glenn en het SFRC-staflid Ford vragen aan Guerreiro over de visie van de RVB op de situatie in Suriname”.
    (…) “Guerreiro was van mening dat de situatie in Suriname nog onduidelijk was.
    Hij zei dat op z’n hoogst drie of vier van de vijftien mensen rond Bouterse een
    pro-Cuba lijn voorstonden. Bouterse zelf is slechts geïnteresseerd in macht, niet
    in ideologie. De Braziliaanse regering (RVB) heeft geen Cubaanse activiteit in
    Suriname, van enige betekenis, bemerkt. De Sovjets waren volgens hem niet
    bereid om, via hun Cubaanse cliënten, de last van Suriname op zich te nemen.
    Het “revolutionaire” proces in Suriname is inheems (intern bepaald, dwz, niet
    van buitenaf beïnvloed; Red.). De RVB is door de nieuwe machthebbers in
    Suriname aangezocht om een delegatie te ontvangen; de delegatie wil gedaan
    krijgen dat de geblokkeerde financiële hulp uit Nederland vervangen wordt door
    Braziliaanse hulp. De RVB heeft geprobeerd het bezoek uit te stellen maar het zal
    waarschijnlijk volgende maand doorgaan. Guerreiro voegde eraan toe dat
    Brazilië ‘weinig’ voor Suriname kan doen gegeven haar eigen financiële
    problemen.”
    “Minister Guerreiro deelde voorts mee dat hij Ambassadeur Dos Santos Lima
    terug zal roepen uit Paramaribo. Dos Santos Lima heeft er zeven jaren gediend
    en had nauwe relaties met een aantal van de mensen die in december
    geëxecuteerd zijn. Hij is persoonlijk diep getroffen en heeft zijn ongenoegen aan
    Bouterse kenbaar gemaakt. Dos Santos Lima was buitengewoon negatief
    geworden over de situatie in Suriname. Motley commentarieerde dat het heel
    moeilijk is om niet negatief te worden, gegeven het type misdrijf. Guerreiro: de
    RVB heeft geen standpunt ingenomen t.a.v. de gebeurtenissen in Suriname.”
    Tony Motley: “de uitspraken van Guerreiro komen overeen met hetgeen het
    hoofd van het ‘America Department’ (in Itamaraty) eerder aan hem had gezegd.
    BuZa (Itamaraty; Red.) verzet zich tegen onderkenning van de ernst van de
    Surinaamse situatie (m.b.t. Cuba); zover zelfs dat zij Ambassadeur Dos Santos
    Lima terugroepen. Lima rapporteerde blijkbaar niet wat zij lezen wilden”. (Aldus
    Motley, Red). “Onze kansen om medewerking van BuZa te krijgen, boven een
    zeker niveau, inzake Suriname zal zeker begrensd worden door deze mind-set
    (mentale houding)”.
    Motley
    *RVB staat voor Regering van Brazilië
    Zoals eerder vermeld konden de burgerfunctionarissen op het Itamaraty Paleis Bouterse
    en de zijnen niet goed gedogen. Echter, veel belangrijker en meer zorgwekkend in de ogen
    van Motley en zijn superieuren in Washington, was de gematigde, beheerste, liberale
    houding van de Braziliaanse politici en professionele (carrière) ambtenaren t.a.v. de
    veronderstelde aanwezigheid van Cubanen in Suriname. Na ettelijke malen op de
    16
    ‘lamlendigheid’ van de bureaucraten gestuit te zijn, besloten Reagan en Clark ‘het
    probleem Suriname’ naar het presidentiële niveau te verheffen.
  17. Prelude tot de geboorte van ‘Operatie Guiminish’.
    Op 25 maart 1983 schreef Ronald Reagan een brief28 naar zijn collega en vriend, President
    João Baptista de Oliveira Figueiredo van Brazilië, aan wie hij in November 1982, een
    bezoek had gebracht in het presidentiele PlanAlto Paleis en tevens op zijn privé landgoed.
    (Figueiredo is de laatste leider geweest van de generaalsjunta die in 1964 via een coup de
    staatsmacht had gegrepen en tot maart 1985 de scepter in Brazilië gezwaaid heeft).
    Geachte Meneer de President,
    “Het is een genoegen om U mede te delen dat Guiminish* begin van deze week
    in de VS is aangekomen; ik zie ernaar uit hem te berijden wanneer hij in
    Washington is. Zoals ik U over de telefoon vertelde, zijn zelfs presidenten niet
    vrijgesteld van het invullen van quarantaine-formulieren”.
    “Minister Guerreiro en Secretary Shultz (George Shultz; Red.) hebben een zeer
    goede discussie gehad over de werkgroepen die wij gevormd hebben” (…).
    “Onze ministers hebben het ook over de situatie in Suriname gehad – een
    onderwerp waarover ik mij veel zorgen maak. Ik geloof dat ik Uw standpunt
    begrijp, zoals het door Minister Guerreiro beschreven is. Uw succes in het
    behouden van vrede met Uw buurlanden is een unieke prestatie in LatijnsAmerika, een voorbeeld voor de hemisfeer. Mijn bezorgdheid plaats ik in deze
    context”.
    “Bouterse heeft, vanwege de moorden die hij gepleegd heeft, alom vrees en
    wantrouwen onder de bevolking aangewakkerd. Hij heeft geen zichtbare steun,
    geen levensvatbare politieke toekomst en moet met wapengeweld zijn
    machtspositie behouden. Onder deze omstandigheden en met het oog op zijn
    bestendige voorkeur voor Cuba en Grenada, zijn we van oordeel dat Bouterse
    een weg heeft gekozen welke hem duidelijk, in onze visie, onherroepelijk in het
    Cubaans/Sovjet kamp plaatst. We geloven niet dat deze ontwikkeling in het
    belang is van het Surinaamse volk of van de vrede in de hemisfeer”.
    “Zoals U waarschijnlijk weet, hebben onze Venezolaanse, Mexicaanse en
    Argentijnse collegae Bouterse’s aanzoekingen weerstaan – dus is hem de
    legitimiteit die hij zoekt onthouden”. “Wij begrijpen dat Minister Guerreiro door
    de omstandigheden gedwongen is om Naarendorp te ontvangen, maar ik hoop
    dat Bouterse dit niet kan omzetten in zichtbare Braziliaanse steun of inderdaad
    de indruk kan geven dat Brazilië op dezelfde wijze met hem om zal gaan zoals het
    met haar andere buurlanden omgaat. Ik ben ervan overtuigd dat U kunt helpen
    met het gemeenschappelijk doel dat erop gericht is een Cubaanse expansie in
    Zuid-Amerika te voorkomen terwijl Uw effectieve buitenlandse politiek ten
    uitvoer wordt gebracht”.
    “Ik zie uit naar andere gelegenheden om met U persoonlijk en privé van
    gedachten te wisselen, ongetwijfeld, onder meer aangename omstandigheden;
    ik zal U op de hoogte houden van Guiminish’s prestaties hier in Washington”.
    “Met warme persoonlijke groet; Uw vriend, (getekend) Ron”.
    17
    Guiminish is de naam van het paard dat cadeau gedaan is aan Reagan door Figueiredo, in November 1982. Reagan noteerde op 4 april 1983 in zijn dagboek18 dat hij een veto had uitgesproken tegen de verschillende Suriname-invasieplannen. Ook sprak hij toen, voor het eerst, van een nieuw plan om Venezuela en Brazilië in te schakelen bij het teweegbrengen van een ‘ommekeer’ in Suriname. In de tussentijd trachtte het Amerikaans ‘State Department’ het standpunt van verschillende landen, die enig belang bij Suriname hadden, uit te horen t.a.v. de aanwezigheid van Cubanen in Suriname. Assistant Secretary of State Tom Enders rapporteerde het resultaat van de enquête in een kleine nota (memorandum) aan zijn baas, Secretary of State George Shultz. Wij drukken de inhoud van de nota30 hier af om de aandacht te vestigen op de onbuigzaamheid van de VS ten aanzien van Cuba, een ‘blindheid’ die tenslotte zou uitmonden in de negatie, de loochening van Bouterse’s criminaliteit. 4 april 1983 Aan: Secretary Shultz Van: ARA – Tom Enders
    Onderwerp: Suriname: Waar anderen staan.
    Nederland: Was diep geschokt door de moorden; zal Bouterse onder geen enkele
    omstandigheid steunen. Zou Suriname onder een opvolger financieel kunnen
    steunen, zelfs al zou Cuba er krachtig en zichtbaar binnenkomen.
    Venezuela: Is bezorgd over het hebben van Cubanen aan haar flank. Wil ook
    Guyana’s (sic; Suriname’s) andere buur vastnagelen over de kwestie Essequibo.
    Wil op verscheidene manieren helpen [XXX]**.
    Brazilië: Slechts in het algemeen bezorgd. Zou veel liever niet zien dat haar
    buurland door Cubanen gepenetreerd wordt, maar zal ermee leven als het
    gebeurt.
    Frankrijk: Mensen van de Inlichtingendienst tonen bezorgdheid. De
    beleidsmensen niet.
    Conclusie: Wij zijn bezorgd, wij willen beklemtonen dat de verspreiding van het
    radicale netwerk moet worden gestopt. Anderen bekijken de kwestie vanuit een
    nauwer raamwerk, houden niet van wat zij zien maar kunnen in de één of andere
    vorm ermee leven.
    T.O. Enders
    *ARA, acronym voor Assistant/Associate Regional Administrator.
    *[XXX] officiële censuur. Figueiredo heeft niet onmiddellijk op Reagan’s brief van 25 maart gereageerd. De Amerikaanse president, een onvermoeibare, niet-te-stuiten aanhouder verstuurde twee weken later, op 8 april, weer een telegram31 naar Figueiredo waarin werd voorgesteld dat Bill Clark, de National Security Advisor, hem op 9 en 10 april in Brasilia zou komen opzoeken. Een soortgelijk telegram werd naar de President van Venezuela, Luis Herrera Campins, verzonden. Beide Zuid-Amerikaanse presidenten stemden in met Reagan’s verzoek tot groot genoegen van de laatste. 18 8 april 1983 ”Geachte Meneer de President”,
    “Bedankt voor Uw bereidheid om Bill Clark op kort termijn te ontvangen. Zoals U
    weet is hij mijn oude en vertrouwde adviseur die mijn volle vertrouwen geniet. Ik
    stuur hem naar U toe om een kwestie van het hoogste belang en urgentie te
    bespreken; hij spreekt namens mij”.
    “Guiminish is een buitengewoon mooi dier! Alleen al het terugzien van hem deed
    mij denken aan mijn prachtig bezoek aan U”.
    “Met warme persoonlijke groet; Uw vriend,” (getekend) Ronald Reagan.
    *Dezelfde brief werd naar Herrera Campins verzonden, echter, met weglating
    van de tweede alinea. Het bezoek aan Venezuela was gepland voor 9 april.
    William Clark was – evenals Reagan – een anti-Cuba, anti-Sovjet kruisvaarder die elk
    potentieel spoor van socialisme op het Westelijk Halfrond wilde uitwissen. Omdat een
    door Amerika geleide invasie uitgesloten was wegens de negatieve beslissing van het
    Congres (zie pagina 12), bedacht hij dat misschien Venezuela en/of Brazilië ertoe bewogen
    konden worden orde op zaken te stellen in hun onmiddellijke buurt. In feite, wilden de VS
    een invasie zien, uitgevoerd door één van de twee landen of tezamen, met de volgende
    doelen (1) de neutralisatie van het Surinaamse leger, (2) grondige eliminatie van alle
    Cubaanse invloed in Suriname en (3) de arrestatie van Bouterse. Een invasie-contingent
    van ongeveer 300-400 man, inclusief een commando-eenheid, werd voldoende geacht om
    de klus op te knappen11.
    Reagan schreef tenminste twee brieven naar zijn vriend João Figueiredo om de
    medewerking van Brazilië te verzekeren. De VS waren bereid om voor de financiële kosten
    op te draaien, te voorzien in bewapening en logistieke steun, maar zouden geen
    mankracht ter beschikking kunnen stellen. Dat was de essentie van het Amerikaanse plan.
    Hoe de invasie precies zou plaatsvinden werd grotendeels aan Venezuela en/of Brazilië
    overgelaten. De eerste stap tot realisatie van het plan om in Suriname te interveniëren
    werd door de Verenigde Staten genomen.
  18. ‘Operatie Guiminish’.
    Een onderhandelingsteam, bestaande uit zeven specialisten, vertrok per presidentieel
    vliegtuig (AF26000; zie Wikipedia) naar Caracas en Brasilia onder
    leiding van William Clark voor een werkbezoek, dat op vrijdag 8
    april 1983 begon en op zondag 10 april zou eindigen. Met Clark
    reisden mee32: Vice-Admiraal John Poindexter van de National
    Security Council (NSC), Luitenant Generaal Paul Gorman
    (Assistant to the Chairman of the Joint Chiefs of Staff
    (JCS)/tevens gelieerd aan Buitenlandse Zaken en Defensie;
    Duane “Dewey” Clarridge van de CIA belast met het Directoraat
    voor Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied (Clarridge
    gebruikte voor de trip naar Zuid-Amerika de naam ‘Dax Preston
    LeBaron); Walter Raymond van de CIA en NSC; Alfonso SapiaBosch van de CIA en NSC ; Jacque Hill van de NSC. De achtste passagier was Joan Clark, de
    echtgenote van William Clark. Het in-stilte-bij-elkaar-gebracht onderhandelingsteam,
    19
    uiteraard deskundig, was zó samengesteld om een intimiderend effect op de gastheren te
    hebben. Met een soortgelijke intentie werd in een presidentieel vliegtuig (AF26000)
    gevlogen, dat normaliter fungeert als eerste ‘back-up’ voor het toestel waarin de
    Amerikaanse president rondreist. Wanneer de President aan boord is wordt het toestel
    “Air Force One” genoemd.
    Nergens in Zuid-Amerika bestond er sympathie voor Bouterse en de zijnen; zij werden
    beschimpt, geweerd en vermeden24,25,27. Toch maakte zowel de Venezolaanse als de
    Braziliaanse leiding zich zorgen over de perceptie in nationale en internationale kring, dat
    zij met de VS onder één vaandel leken op te trekken tegen een klein en zwak ZuidAmerikaans land, Suriname, om nauwelijks-bestaande Cubaanse invloed – waarover de VSregering zich buitensporig druk maakte – en er de kop van wilde indrukken. Immers, op
    het Westelijk Halfrond is de reputatie van de VS allesbehalve vlekkeloos wanneer het
    aankomt op het tonen van respect voor de belangen van vooral de naties die ten zuiden en
    ten zuidoosten liggen van de VS. Keer op keer, wordt het Amerikaans belang, zo blijkt,
    boven dat van andere naties gesteld, die te goeder trouw met de VS hebben willen
    samenwerken.
    De eerste stop van het onderhandelingsteam was, Caracas. President Luis Herrera Campins
    van Venezuela was ongevoelig voor de pogingen van de woordvoerders Clark en Clarridge,
    die hem poogden te overtuigen dat een militaire invasie van Suriname noodzakelijk was.
    Herrera Campins, hoewel geen grote vriend van Cuba, keerde zich principieel tegen een
    militaire invasie. Hij wees er bovendien op dat de VS geen betrouwbare partner van
    Venezuela was geweest in geheime operaties die in 1981 gezamenlijk in El Salvador zijn
    ondernomen. Hij had zich toen laten overhalen om een dubbele rol te spelen: in het
    openbaar steunde hij de oppositionele Farabundo Marti; in het geheim collaboreerde hij
    met de Salvadoraanse regeringsstrijdkrachten gesteund door de VS11. Deze feiten werden
    naar de grote nieuwsbladen in de VS uitgelekt; het nieuws zorgde voor de bespotting van
    de Venezolaanse regering in Zuid-Amerika.
    De Amerikanen vestigden hun hoop voor een oplossing van het ‘probleem Suriname’ op de
    goede persoonlijke relatie tussen Reagan en Figueiredo. Het onderhandelingsteam, vloog
    op 9 april, in de middag, door naar Brasilia. Ofschoon het generaalsregiem bekend stond
    om haar anticommunisme en zeer brute marteling van Braziliaanse progressieven scheen
    het zich niet al te druk te maken om Cubanen in Suriname – zolang hun aanwezigheid in
    het buurland geen effect had op hun maatschappij. Het Braziliaanse standpunt m.b.t. Cuba
    verschilde in wezen – niet fundamenteel – van het Amerikaanse; het verschil lag primair in
    de beweegruimte gegeven aan het Bouterse regime in de ‘gepercipieerde’ relatie met
    Cuba. Achter de schermen eisten de Amerikanen dat Suriname elk contact met Cuba
    onmiddellijk zou verbreken. De Brazilianen argumenteerden dat zij met alle buurlanden,
    tien in totaal, vreedzame relaties op na wilden houden, als onderdeel van hun Nationale
    Veiligheids- Doctrine en Strategie (welke thans aanzienlijk gemoderniseerd is). De
    generaals wilden de kwestie van de Cubaanse aanwezigheid in Suriname, zo daar sprake
    van was, een beetje tactischer aanpakken. Het Amerikaanse team had om deze reden geen
    keus anders dan het aan de Zuid-Amerikanen over te laten te bepalen hoe het ‘probleem’
    aan te pakken. Als het karwei niet naar tevredenheid (hun tevredenheid) geklaard werd,
    waren de Amerikanen bereid naar een andere, meer drastische oplossing om te zien.
    Op 11 april 1983 pende Reagan het volgende in zijn dagboek18:
    20
    “NSC meeting – Bill C. back from quick secret trip to Venezuela & Brazil. We had
    a plan which required their cooperation to take Surinam back into the family of
    Am. States before it becomes a Cuban patsy. Venezuela couldn’t go along. Pres.
    of Brazil had an idea somewhat different than ours, but I believe different. So,
    operation “Guiminish” is born. We’ll know before the month is out whether it
    has succeeded”.
    Het sleutelwoord hier is “Guiminish”: dat is de naam van het paard dat Figueiredo in
    November/December 1982 Reagan, bij zijn bezoek aan Brazilië, cadeau deed. De naam
    “Guiminish”, soms ook gespeld “Giminich” of “Giminish”, werd nu ook gebruikt voor de
    Amerikaans-Braziliaanse operatie in Suriname. De operatie werd strikt geheimgehouden
    President Ronald Reagan van de Verenigde Staten (links) en President João Figueiredo
    van Brazilië. Deze foto is op 1 december 1982 in Brazilië gemaakt.
    binnen een kleine groep van top-diplomatieke en veiligheidsfunctionarissen in het Witte
    Huis. Zo’n vierentwintig jaar na uitvoering van de operatie is de naam ten langen leste
    prijsgegeven in Reagan’s gepubliceerde dagboek18. Informatie over “Guiminish” is slechts
    deels gedéclassificeerd. In het biografisch verhaal over Judge William Clark11 van de hand
    van zijn bewonderaar en persoonlijke vriend, Paul Kengor in collaboratie met een nichtje
    van Clark, getrouwd Doerner wordt de essentie van de Amerikaanse bijdrage aan ‘Operatie
    Guiminish’ summier uiteengezet. Het plan bestond in essentie uit een ‘Amerikaanse’ en
    een ‘Braziliaanse’ fase. Judge Clark was de hoofdarchitect van de eerste fase; de
    Brazilianen – Generaals João Figueiredo, Otavio Medeiros en Danilo Venturini – waren de
    architecten van de tweede fase.
    Op 11 april, één dag ná de terugkeer van de Amerikaanse delegatie uit Brazilië, stuurde
    Reagan een brieftelegram33, primair door Clark opgesteld, naar Figueiredo.
    Van: William Clark
    Naar: Ambassadeur Motley – alleen voor zijn ogen
    21
    Geef aub, namens President Reagan, de volgende persoonlijke boodschap door
    aan President Figueiredo betreffende: ‘Operatie Guiminish’.
    “1. Ik feliciteer U met uw voorstel betreffende uw buur, en accepteer
    partnerschap in Operatie Guiminish*. Wij moeten dhr. Bouterse ervan
    weerhouden toe te staan dat Suriname de volgende Sovjet-Cubaanse militaire
    basis wordt in onze hemisfeer. Mocht Bouterse dit redelijke plan niet accepteren
    op of vóór 20 april dan moeten wij de flexibiliteit behouden om onze doelen op
    een andere wijze te verwezenlijken, rond zondag, 1 mei 1983.
  19. Zoals bediscussieerd met Bill (Clark; Red.) en Tony (Motley; Red), zal de
    Braziliaanse regering Suriname voorzien van militaire, economische, technische,
    wetenschappelijke en culturele programma’s van hetzelfde type als voorgesteld
    door Cuba. Wij zullen bijstaan zoals door U aangegeven.
  20. Op een bepaald punt, moet Bouterse de Cubaanse en Sovjet aanwezigheid
    ongedaan maken, hetgeen de opschorting van diplomatieke relaties zal moeten
    omvatten en misschien de verbanning van Naarendorp, Sital en Alibux.
  21. U mag er bij dhr. Bouterse de nadruk op leggen dat de Cubaanse ambassadeur
    in alliantie met Sital en Naarendorp zijn omverwerping aan het beramen zijn.
    Bouterse moet ook weten dat Naarendorp nauwe relaties met Cuba onderhoudt
    en niet geneigd is Bouterse te helpen. Alibux’s radicale partij zal Bouterse geen
    hulpverlenen.
  22. Bouterse’s persoonlijke bescherming en nationale veiligheid moeten
    gegarandeerd worden, indien hij meewerkt.
  23. Zoals U op zondag stelde, is het essentieel dat Bouterse het Surinaams politiek
    stelsel in democratische richting stuurt. Dit is essentieel om het herstel van
    Westerse financiële hulp, inclusief Nederlandse hulp, te verzekeren.
  24. Wij sturen verscheidene van onze Suriname specialisten om de personen die U
    aangesteld heeft informatie te verschaffen, te ontmoeten; voorts, om te
    voorzien in elke andere vorm van assistentie die nodig is om het project te
    voltooien.
  25. Zoals besproken met Paul (Gorman; Red) en Bill (Clark; Red), moet de
    Braziliaanse militaire missie van voldoende grootte zijn om interventie van
    buitenaf te ontmoedigen. Wij zullen onze Marine Ambassade Bewaking
    versterken om in grotere Amerikaanse aanwezigheid te voorzien.
  26. Indien U het aanbeveelt, zullen wij schepen en vliegtuigen langs de Surinaamse
    kust plaatsen en het Surinaams Bevrijdings Front aanmoedigen om hun stem te
    laten horen.
  27. Ik heb Ambassadeur Motley gevraagd om van U te vernemen welke rol U
    denkt dat Venezuela moet of kan spelen.
  28. Ik zend U mijn warmste groet en dank U voor de aubergine**”.
    *Redactie: In de voorlaatste versie van het bovenstaande telegram was de eerste
    zin, met goedkeuring van Clarridge (CIA) en Gorman (JCS), als volgt
    geformuleerd: “Ik feliciteer U met de genialiteit van uw voorstel en ik accepteer
    uw ‘Operatie Guiminish’ voor coöptatie van Bouterse” (vette letters; Red). Dat
    was klare taal!
    22
    **Boulanger.
    De inhoud van de memo heeft, sinds 1983, stilaan – buiten het weten van de bevolking om
    – een lange schaduw op het leven in Suriname geworpen. De Braziliaanse generaals waren
    niet de enigen die de ernstige beschuldigingen tegen Bouterse wegwuifden; ook de
    Amerikaanse regering was tenslotte bereid, na van de inlichtingendiensten vernomen te
    hebben dat ‘Bouterse koopbaar was’ (zie Paul Kengor, 2007, hfdst. 10), zijn misdaden
    eventueel over het hoofd te zien. De VS zouden zich niet meer over zijn misdrijven in het
    openbaar uitlaten (zie later), mits de CINC (Commander in Chief) uit het zogeheten ‘Cubakamp’ zou treden. In de memo, onder punt 2, zegden de Brazilianen toe alles waarin Cuba
    Suriname zou voorzien, voor hun rekening te zullen nemen. De zuiderbuur mocht op zijn
    beurt de rekening bij het Witte Huis in Washington voor de geleverde diensten indienen.
    Dus waren de VS bereid financiële hulp aan het Bouterse regiem, via een achterdeur, te
    hervatten zonder medeweten van Nederland en de Surinaamse bevolking. Het motief van
    de VS voor herstel van de hulp leek de bereidheid van Bouterse te zijn om zich tegen Cuba
    te keren.
    Dan is er de ‘bannelingenklucht’. Errol Alibux, Harvey Naarendorp en Badrissein Sital
    werden tegen fundamentele democratische principes in, zoals de vrijheid van
    meningsuiting, die gelden binnen de Surinaamse maatschappij voor ballingschap
    geselecteerd omdat zij geacht werden proponenten van een zekere ideologie te zijn.
    Indien er hard en reëel bewijs voor toewijding aan een Cuba-ideologie bestond, in daad of
    in geschrifte, zou zulks ongetwijfeld te berde zijn gebracht. De beschuldiging is
    onwaarschijnlijk en te ver gezocht. De centrale factor bij de selectie voor verbanning was
    de specifieke relatie van elk van de drie personen tot Bouterse: het uiteindelijke doel van
    de verbanning was de politieke isolatie van Bouterse (van zijn meest nabije politieke
    ‘adviseurs’) teneinde de coöptatie gemakkelijker te doen verlopen. De verwijdering van
    Naarendorp en Alibux uit de samenleving was om die reden belangrijk. Sital had een
    andere relatie tot Bouterse; hij was militair en botste wegens persoonlijke, zakelijke en
    misschien ook wel militaire verschillen vaker op tegen de bevelhebber. Vanuit het
    Amerikaanse gezichtspunt zou bovendien Sital een schadelijke rol kunnen spelen bij een
    eventuele Cubaanse militaire inval in Suriname. De verbanning van Sital was daarom vitaal
    – vooral, met het oog op de bescherming van Bouterse. In de voorlaatste versie van de
    memo heeft één van de teamleden in handschrift gecommentarieerd: “Over Naarendorp
    en Alibux zou onderhandeld kunnen worden”. De generaals hebben ‘het onderhandelen’
    op zich genomen en uiteindelijk het laatste woord in deze kwestie, zo blijkt, aan Bouterse
    overgelaten (zie pag. 36; punt 6).
    Punt 4 in het telegram (van Reagan naar Figueiredo) geeft een levendige beschrijving van
    de klassieke verdeel- en heerstechniek terwijl punt 5 ferm en ondubbelzinnig de
    bescherming van Bouterse waarborgt. Er is in de tekst geen woord te vinden dat
    medeleven toont met de nabestaanden van de vermoorde personen, andere benadeelden
    en, in het algemeen, de geterroriseerde burgerij. Hoe deze desertie, het plotseling in-desteek-laten, te rijmen valt met de aanmatigende titel van ‘Kampioen voor Mensenrechten’,
    bejubeld in het ‘American Exceptionalism’, is een raadsel dat door komende generaties
    van Surinamers zal moeten worden ontcijferd – met integriteit, intelligentie en ferm
    nationalisme.
    Ofschoon het de Amerikanen ettelijke malen te verstaan was gegeven door Nederlandse
    autoriteiten, beleefd maar ferm, dat er geen sprake kon zijn van hervatting van
    23
    Nederlandse financiële hulp aan Suriname met Bouterse in het machtscentrum, bleven zij
    hopen op een wijziging in het Nederlandse standpunt. De heerschappij uitgeoefend door
    Bouterse in de jaren ’80, ongetwijfeld en onuitwisbaar gekenmerkt door flagrante
    schendingen van mensenrechten, was antithetisch aan de beginselen van de democratie.
    Bouterse bleek op ondoorzichtige, onverklaarde wijze aanvaardbaar te zijn geworden voor
    de Amerikanen, een kwestie waarop wij later terug zullen komen. In het laatste deel van
    het memorandum (punten 7, 8 en 9) trachtten Reagan en Clark, op de valreep, een
    logistieke en militaire rol voor Amerika in ‘Operatie Guiminish’ uit te kerven.
  29. Generaal João Figueiredo.
    Het idee en besluit om Bouterse te coöpteren in ‘Operatie Guiminish’, kwam uit de koker
    van de Braziliaanse militairen. Welke de precieze overwegingen
    zijn geweest om tot coöptatie over te gaan zijn ons helaas niet in
    detail bekend. We zullen vier factoren die mogelijk hebben
    bijgedragen tot het nemen van het coöptatiebesluit nader
    beschouwen.
    Ten eerste, kort na de Decembermoorden verklaarde Figueiredo
    dat hij geen partij had gekozen in het conflict in Paramaribo (zie
    o.a. ref 27). De onpartijdige positie werd al ras op de proef
    gesteld toen zijn vriend Ronald Reagan kwam aankloppen met
    het verzoek Bouterse omver te werpen en de Cubanen uit
    Suriname te verjagen; een verzoek dat hem aan het denken
    zette. De Reagan Administratie was aanvankelijk voorstander van een militaire invasie. De
    Braziliaanse generaals zagen daar weinig heil in omdat een invasie, redeneerden zij, geen
    stabiliteit in een divers en verdeeld land als Suriname zou brengen, tenzij de buitenlandse
    militaire macht bereid is er voor langere tijd gestationeerd te zijn. Het laatste brengt hoge
    kosten met zich mee; een andere oplossing moest derhalve gevonden worden.
    Ten tweede, Figueiredo is jarenlang het Hoofd van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
    van Brazilië geweest, nog kort voor hij in de presidentiële positie werd aangesteld. Als
    hoofdspion in Brazilië was hij nauw betrokken bij ‘Operatie Condor’34, een ondergrondse
    campagne die de uitroeiing van progressieven, van allerlei soort, in de Zuidelijke Kegel van
    Zuid-Amerika nastreefde gedurende de jaren ’70, tot ver in de jaren ’80 (1968-1989).
    “Operatie Condor” was een door de VS-gesteunde campagne georganiseerd door de CIA
    en Zuid-Amerikaanse Nationale Veiligheidsdiensten die werkten onder de paraplu van de
    militaire dictaturen in Brazilië, Argentinië, Chili, Paraguay, Uruguay en Bolivia. Op grond
    van zijn ervaring zou Figueiredo, bij wijze van spreken – op grote afstand, in één oogopslag
    (Red.) – een werkelijk toegewijde progressieve leider van een niet-gecommitteerde
    opportunist kunnen onderscheiden. Hij heeft zich waarschijnlijk uitgebreid, in detail, over
    Bouterse en anderen laten informeren door zijn inlichtingendienst in Suriname; de
    Braziliaanse president verwees later met trots naar de nauwkeurigheid van zijn diagnose
    van de sociaal-politieke condities in zijn klein buurland45.
    Ten derde, functionarissen in het Itamaraty Paleis hebben, kort na ‘8 december’,
    verscheidene aan-Bouterse-gelieerde Surinaamse bestuurders op bezoek gehad, die naar
    nieuwe vriendschappen in de hemisfeer omzagen en naarstig probeerden de lege
    staatskas aan te vullen – een direct gevolg van de opschorting van de cruciale Nederlandse
    24
    financiële hulp. De bezoekers verklaarden meermalen uitdrukkelijk ‘pro-Brazilië’ te zijn,
    een politiek feit dat ettelijke malen door Itamaraty aan Figueiredo gerapporteerd werd.
    (Itamaraty was in dit stadium niet betrokken bij ‘Operatie Guiminish’).
    Ten vierde, heeft Brazilië, zoals verwacht mocht worden, haar eigen belang laten
    prevaleren boven dat van Suriname. Medeiros, Figueiredo en Venturini kwamen
    gezamenlijk tot het besluit om de stabiliteit van Suriname, dus deel van hun noordelijke
    grens, in principe rond de militair Bouterse te organiseren. De criminaliteit van de 8
    Decembermoorden interesseerde hen nauwelijks, noch de status van de rechtsstaat. Het
    geld voor een Braziliaans samenwerkingsprogramma met het Bouterse regiem zou uit de
    zakken van het Witte Huis komen; dit feit werd geheimgehouden tussen de VS en Brazilië.
    Het is vrijwel zeker dat Bouterse, in april 1983, geen weet had van het door de VS en
    Brazilië bekokstoofde plan.
    Uit ervaring wist de Braziliaanse leiding dat er snel gehandeld moest worden om te
    voorkomen dat “Operatie Guiminish” door Washington gedomineerd zou worden. De
    Brazilianen wisten ook dat, sinds 1823, grondgebieden op het Westelijk Halfrond die
    vrijkwamen vanwege Europese dékolonisatie, per definitie zouden vallen in de VSinvloedssfeer (Monroe doctrine) op straffe van oorlog2. Zolang deze doctrine bestaat,
    overeind gehouden wordt, zal een zekere onvoorspelbaarheid aan de interacties van
    leiders van de Verenigde Staten met, niet alleen progressieven, maar ook met hun beste
    vrienden in de oligarchieën van Mexico, Centraal – en Zuid-Amerika en het Caraïbisch
    Gebied ten grondslag blijven liggen. ‘Operatie Guiminish’ zou, in zekere zin, daar een
    voorbeeld van worden.
    Intensieve, ernstige planning voor de uitvoering van
    ‘Operatie Guiminish’ begon op 11 april, onmiddellijk na het
    vertrek van het Amerikaans onderhandelingsteam. Tony
    Motley, ondanks zijn uitstekende connecties in Brasilia, had
    grote moeite uit te vissen welke stappen de generaals
    uitgezet hadden bij de start van de operatie. Generaal
    Otavio Aguiar de Medeiros was de persoon aangewezen
    om hem, de Amerikaanse ambassadeur in Brazilië, van
    informatie te voorzien. Motley kreeg zijn eerste verslag van
    hem op 13 april toen Kolonel Hugo Carracho, een ervaren
    inlichtingenofficier tevens assistent van Generaal Venturini,
    al hoog en droog in Suriname zat35. Carracho streek neer
    op Zanderij in een militair toestel met aan boord een groep
    van ongeveer twintig militaire – en burger-technici die, onder
    andere, een acute inspectie en evaluatie van de militaire capaciteit van Suriname zou
    uitvoeren; daarnaast ook zou omzien naar ‘sporen’ die op Cubaanse aanwezigheid konden
    duiden. Een deel van de militaire groep werd, om veiligheidsredenen, achtergehouden op
    het vliegveld Zanderij. Carracho had een brief van Venturini bij zich, bestemd voor
    Bouterse, waarin gevraagd werd of hij (Bouterse; Red.) en zijn topmedewerkers (burgers
    en militairen) op 16 en 17 april zich beschikbaar konden houden voor ontmoetingen met
    hem en zijn delegatieleden. Bouterse reageerde onmiddellijk instemmend op het verzoek.
    In verband met de speciale reis naar Paramaribo werd Danilo Venturini de status van
    ‘Persoonlijke Vertegenwoordiger van President João Figueiredo’ gegeven. Hij zou op 15
    april, laat in de middag, op Zanderij aankomen. De trip was in detail voorbereid, in hoog
    25
    tempo, en was vrijwel niet bij te benen door Motley. De Braziliaanse ambassade in
    Paramaribo fungeerde, op dat kritieke moment, als een belangrijk coördinatiepunt. De
    Amerikanen hadden het initiatief in de operatie verloren. Ter illustratie drukken wij hier de
    inhoud van een memorandum36 af, verzonden op 14 april 1983 door Alfonso Sapia-Bosch
    (NSC/CIA) naar William Clark, bestemd voor President Reagan.
    Suriname – Punten die onder de aandacht van de President moeten worden
    gebracht.
    Gebeurtenissen voltrekken zich sneller dan wij verwachtten.
    o Bouterse heeft ingestemd Gen. Venturini te ontmoeten, waarschijnlijk op 17
    april.
    o De Braziliaanse bezoeker die momenteel in Paramaribo is heeft Figueiredo’s (sic,
    Venturini’s; Red) brief aan Bouterse overhandigd. De brief is erg algemeen van
    aard.
    o [XXX] [XXX]*
    o Bouterse zal waarschijnlijk niet instemmen om naar democratische normen over
    te gaan. Hij gelooft dat alleen door autoritair te regeren hij politiek kan
    overleven.
    o We kunnen twee oorlogsschepen binnen 36 uur in Surinaamse wateren brengen.
    Deze schepen zullen te midden van de Surinaamse vissersvloot varen.
    o We kunnen binnen 12 uren twee vliegtuigen daar ter plaatse hebben. Ze zullen in
    de vroege ochtenduren boven Paramaribo vliegen, photoflash-bommen
    uitwerpen en foto’s maken. Vanwege de duisternis zal de nationale identiteit van
    de vliegtuigen niet blootgesteld worden.
    o Wij vernamen gistermiddag dat de Brazilianen geen enkel machtsvertoon van de
    VS willen zien.
    o We hebben Tony Motley om advies gevraagd.
    o De Brazilianen lijken zich onafhankelijker te bewegen in deze operatie. Mogelijk
    drijft de angst dat de Cubanen snel zullen handelen hen in deze richting.
    Aanbeveling: dat U deze ‘Talking Points’ bespreekt met de president.
    Goedgekeurd________ Afgekeurd_________
    *[XXX] officieel gecensureerde tekst.
    De Amerikaanse ambassadeur in Brasilia kon slechts stukje bij beetje informatie uit de
    generaals schrapen. Een verslag37 van telefonisch contact tussen Motley en Venturini, die
    de volgende dag naar Paramaribo zou vertrekken, was iets meer accuraat dan de memo
    van Sapia-Bosch.
    14 april 1983 – 5:30 pm.
    Van: Amb. Motley
    Naar: WC
    Beveiligde telefoonlijn
    Boodschap
  30. Carracho is vandaag goed door Bouterse ontvangen.
  31. Zaterdag – deze zaterdag – is de vastgestelde datum waarop Venturini door
    Bouterse zal worden ontvangen.
  32. Venturini is zich goed bewust van de critieke rol die hij speelt bij het tot stand
    brengen van de verandering (de ‘shift’) in Bouterse’s standpunt.
    26
  33. Hoewel ik behoorlijk grote druk heb uitgeoefend heeft Venturini niets
    losgelaten over de wijze waarop hij denkt deze uitdaging aan te pakken.
  34. [XXX]*
  35. Ze zijn zich er goed van bewust dat President Figueiredo een evaluatie van het
    succes van Operatie Guiminish op 20 april verschuldigd is aan President Reagan.
  36. Ik zal druk op hen blijven uitoefenen om ons inzage in de details van
    Venturini’s strategie te geven en zal, op z’n laatst zaterdag, de gelegenheid
    hebben de President (Figueiredo; Red.) persoonlijk te spreken”.
    Einde.
    De volgende dag werd een vervolgbijeenkomst met Generaal Medeiros gehouden. Het
    verslag38 van die bijeenkomst staat hieronder afgedrukt:
    15 april 1983
    Van: Ambassadeur Motley, Brasilia.
    Naar: William P. Clark.
    Onderwerp: XXX XXX XXX XXX XXX XXX*.
  37. Ik heb Medeiros op 15 april ‘s middags op zijn verzoek opgezocht. Hij heeft mij
    op de hoogte gebracht.
    A. De operatie is goed gepland en verloopt gesmeerd.
    B. Venturini was in de lucht (3:00 pm lokale tijd) en zou vanavond aankomen.
    C. Carracho werd goed ontvangen door Bouterse. En Bouterse heeft zijn staf
    geïnstrueerd zijn – en hun eigen – agenda voor het weekend open te houden en
    naar de behoeften van Venturini aan te passen.
    D. Venturini zal Bouterse zaterdag 16 april zien – op z’n vroegst – en er zal meer
    dan één ontmoeting zijn.
    E. Zij verwachten nog op 16 april ‘s avonds van Venturini te horen.
    F. Medeiros heeft nogmaals nadrukkelijk gevraagd dat wij geen enkele – herhaal
    – geen enkele (lucht – of marine activiteit enz.) ondernemen om de situatie op
    dat moment op stang te jagen. Ik heb hem gezegd dat die boodschap al door is
    gegeven en de ontvangst ervan is erkend.
    G. Hij zei dat naar hun inschatting de missie een grote kans van slagen heeft.
  38. XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX. Ik wees erop dat onze hoofdzorg was dat als eenmaal
    Venturini het hoofdonderwerp bij Bouterse heeft aangesneden, de Cubanen dit
    erg snel te weten kunnen komen en zouden via Sital en anderen kunnen
    handelen, om Bouterse te verwijderen. Medeiros zei dat zij zich realiseerden dat
    dit het kritieke punt was, maar met een Braziliaans militair vliegtuig aan de grond
    en een andere die spoedig aan zou komen dacht hij dat de Cubanen hoogstens
    vermoedens konden hebben. Medeiros zei verder dat indien de onthulling van
    de Venturini-ontmoetingen zou leiden tot de verwijdering van Bouterse zou
    tenminste de lucht geklaard zijn wat betreft de Cubaanse intensies en zou ons
    (lees U.S.) het voorwendsel geven, zo niet de rechtvaardiging om naar binnen te
    gaan en het probleem te klaren.
  39. Medeiros zei ook dat zij stappen hadden genomen om Venturini te
    beschermen. Ofschoon hij mijn evaluatie deelde dat de Cubanen er niet in
    27
    geinteresseerd waren om de problemen met de Brazilianen te verergeren. Zij
    konden geweldsbedreigingen, ontvoeringen of gedwongen opsluiting in een
    ambassade niet uitsluiten. Ik antwoordde dat indien Venturini op de een of
    andere wijze in gevaar zou zijn, wij bereid waren elke en alle stappen te
    ondernemen om zijn veilige terugkeer naar Brazilie te verzekeren. Hij was hier
    erkentelijk voor maar zei dat zij het potentieel probleem goed aan kunnen.
  40. Ik wees erop dat het profiel van Bouterse liet zien dat hij een wapenliefhebber is
    en was het niet jammer dat wij dit niet eerder wisten zodat Venturini één van die
    mooie cadeau—handwapens had kunnen meenemen die in Braziliaanse lokale
    fabrieken geproduceerd worden. Medeiros glimlachte en zei tegen mij dat Venturini
    (toen al in de lucht) een jachtgeweer, als cadeau van Figueiredo aan Bouterse, had
    meegenomen. Ik breng deze trivia naar voren, enkel en alleen, om een andere
    indicator van hun klaarblijkelijke nauwkeurigheid in planning te etaleren.
  41. Medeiros was ontspannen en vriendelijk en grapte dat hij aan de zijlijn stond
    en niet op het speelveld kon zijn. Gebaseerd op de indicatoren (veelal
    fragmentarisch) die wij hier hebben waargenomen zijn wij niet in staat geweest
    een defect te ontdekken in de plannen. En zij bleven mij verassen met de
    snelheid waarmee zij zich voortbewogen.
    Einde (Red.)
    Figueiredo was een conservatieve Zuid-Amerikaanse militair en politicus, een autocraat
    afkomstig uit een vooraanstaande militaire familie. Zijn
    vader heeft het tot generaal gebracht; ook hebben twee
    van zijn broers in de rang van generaal in de Braziliaanse
    strijdkrachten gediend. João Figueiredo zelf heeft een
    prominente rol vervuld als Luitenant-Kolonel in alle
    facetten van de coup d’etat ondernomen in 1964 tegen de
    progressieve president van Brazilië, João Goulart. Het is
    goed gedocumenteerd dat zijn toenmalige superieuren
    met de hulp van de VS (onder President Lyndon Johnson)
    in het zadel geholpen zijn, specifiek, om het ‘rode gevaar’
    in Brazilië onder controle te brengen39. Door zich
    verdienstelijk te maken op de gebieden van Veiligheid,
    Inlichtingen en Militair Onderwijs/Instructie werd
    Figueiredo een centrale figuur in “Operatie Condor” en
    uiteindelijk benoemd tot Chef van de Veiligheids- en
    Inlichtingen Diensten voor geheel Brazilië. In die capaciteit
    werd hij gevreesd en verafschuwd onder het Braziliaanse volk. Hij verwierf bij het publiek,
    spottend, de bijnaam ‘Minister of Silence’
    40: hij sprak zelden of nooit in het openbaar en
    heeft jarenlang zijn ogen, dag en nacht afgeschut, met ‘trademark’ donkere brillenglazen –
    al dan niet om gezondheidsredenen. Nadat hij had besloten om het presidentschap op zich
    te nemen, huurde de politieke partij van de militairen het beste advertentiebureau in
    Brazilië in om zijn communicatie met de bevolking te verbeteren. Het karakteristieke
    vloeken en offensief taalgebruik namen af; de donkere brillenglazen werden verwisseld
    voor niet-getint glas om de isolatie van het grotere publiek ietwat te doorbreken40.
    De dodenlijsten, het resultaat van “Operatie Condor”, waren in Brazilië relatief korter dan
    in de rest van de Zuidelijke Kegel van het continent, maar natuurlijk niet minder
    28
    hartverscheurend dan de huiveringwekkend lange lijsten ontrold uit de ravages in, met
    name, Argentinië en Chili. Figueiredo werd verantwoordelijk gehouden voor duizenden
    doden in Brazilië en voor de ontwrichting van het leven van tienduizenden advocaten,
    studenten, schrijvers, artiesten, onderwijzers, professoren, kleine ondernemers enz. die
    moesten onderduiken of naar het buitenland vluchten vanwege de brute politieke
    vervolging. Aan het begin van zijn Presidentschap in 1979, drukte Figueiredo wettelijke
    amnestie door voor allen die politieke misdrijven gepleegd hadden gedurende de militaire
    dictatuur vanaf 1964.
    [Noot: “De Amnestiewet voorzag in een raamwerk voor nationale verzoening. Het bood
    activisten-in-ballingschap de gelegenheid naar Brazilië terug te keren. De slachtoffers van
    martelingen en politieke dissidenten werd een weg van verdediging geboden, zij konden
    hun vrijlating bedingen en hun naam verschonen” (zie McAnarney en Montgomery.
    2019)
  42. Helaas profiteerden duizenden militairen, die anders voor ernstige politieke
    geweldsmisdrijven veroordeeld zouden worden, nog het meest van de Amnestiewet].
    ‘Abertura’ (‘Opening’ tot democratisering)42, een politieke strategie eerst bedacht door
    Generaal Ernesto Geisel (Figueiredo’s onmiddellijke voorganger), geadopteerd en
    voortgezet door Figueiredo, was erop gericht politieke liberalisatie, onder de supervisie
    van burgers, in Brazilië te brengen. Het uiteindelijke doel van het militaire regiem was
    volkssteun te winnen voor de National Security State onder de controle van het militaire
    apparaat. Binnen oligarchische kring werd ‘Abertura’ het trotse erfgoed van Figueiredo. De
    online encyclopedia was minder lovend; het observeerde: “The forces of liberalization
    unleashed by the Figueiredo government, however, soon swept the military regime out of
    power”. Inderdaad, de militaire dictatuur kwam tot een versneld en definitief einde door
    massale protestacties, een woeste, ontembare economische crisis en door de-burgerijafgedwongen verkiezingen in 1985 die uitmondden in een fatale nederlaag voor de
    militairen.
    Figueiredo’s antwoord op Reagan’s brief van 24 maart betreffende Suriname werd op 15
    april verzonden maar bereikte het Witte Huis op 18 april 1983. De brief bleek naar de
    Braziliaanse ambassade in Washington te zijn gestuurd en werd aldaar officieus vertaald.
    De Braziliaans-Portugese en Engelse versies werden op 16 april doorgestuurd naar het
    ‘State Department’ waar zij werden bestudeerd en samengevat, kort becommentarieerd,
    daarna doorgezonden naar het Witte Huis op 18 april. Hieronder staat de volledige inhoud
    van Figueiredo’s brief38a aan Reagan afgedrukt, vertaald uit het Engels. De inhoud van deze
    brief is waarschijnlijk onbekend bij het publiek, hoewel het grote invloed, sinds 1983, op
    het leven in Suriname heeft uitgeoefend.
    15 april 1983
    Geachte Meneer de President,
  43. Het is mij een genoegen U mede te delen dat ik uw brief gedateerd 28 maart jl.
    (sic 24 maart jl., Red.) heb ontvangen, waarin Uwe Excellentie onderwerpen van
    belang voor onze wederzijdse relatie en voor mijn land, in het bijzonder,
    bespreekt. Voor beide landen acht ik het uiterst nuttig dat we in staat zijn om
    gezichtspunten uit te wisselen, op openlijke en vriendschappelijke wijze. Ik wens
    ook mijn tevredenheid tot uitdrukking te brengen met het verloop van de
    activiteiten van de Werkgroepen die ingesteld zijn tijdens het bezoek van Uwe
    Excellentie aan Brazilië.
    29
  44. In deze, ben ik mij er speciaal van bewust dat Latijns-Amerika, als geheel, door
    een langdurige fase van institutionele instabiliteit gaat en het zou politiek
    roekeloos zijn om onomkeerbare posities in te nemen bij elke verandering in de
    interne orde van buurlanden, vooropgesteld dat deze niet gepaard gaan met
    bedreigingen aan derden.
  45. De huidige situatie in Suriname geeft, in feite, reden tot bezorgdheid. In mijn
    denken, gaat het land door een proces van instabiliteit en institutionele
    aanpassingen welke deels voortkomen uit haar pasverworven politieke
    onafhankelijkheid. Hoewel het regeerprogramma van de nieuwe regering nog
    niet formeel gedefinieerd is, heeft deze in zijn verklaringen toewijding aan de
    principes van niet-gebondenheid uitgesproken en de intentie geuit niet te zullen
    toestaan dat hij een instrument wordt in de context van de spanningen waarmee
    de globale relaties doordrenkt zijn. Op economisch niveau zal de fragiele
    structuur van de markteconomie van het land onaangetast blijven. En
    geconfronteerd met de opschorting van de Nederlandse hulp, heeft de regering
    van Suriname getracht zijn financiële bronnen te diversifiëren, en westerse
    landen zijn daarbij inbegrepen.
  46. Een proces van sociaal en economisch uiteenvallen in Suriname zou mogelijk
    radicalere tendenties stimuleren die, tot nu toe, ernaar hebben gestreefd
    vooraanstaandheid (prominentie; Red.) in Paramaribo te verwerven, hetgeen, op
    z’n beurt, de mogelijkheden voor gematigdheid, begrip en samenwerking zou
    kunnen elimineren. Dus, lijkt mij, om het gezamenlijke doel voor vrede en
    harmonie in Zuid-Amerika te bevorderen, dat nog één poging ondernomen zal
    moeten worden om de kanalen voor effectief dialoog met de regering van
    Suriname te behouden, hoofdzakelijk van de kant van landen zoals de onze en
    Nederland die groot belang hebben bij de vreedzame ontwikkeling van dat land.
  47. Dat was de geest waarin mijn regering de toenmalige Minister Naarendorp,
    alsook de Minister van Transport, Industrie en Handel van Suriname heeft
    ontvangen. Nogmaals, in dezelfde geest zal mijn regering een additionele poging
    proberen te ondernemen, met onze blik gericht op het duidelijker vaststellen van
    de ware intenties en koers van de regering in Paramaribo. Dat is ook te wijten
    aan het feit dat de laatste herhaaldelijk zijn intentie tot uitdrukking heeft
    gebracht om met ons de beste relatie te willen onderhouden.
  48. Zoals eerder gesteld door Minister Guerreiro, Brazilië zal geen bedreiging
    jegens haar nationale veiligheid tolereren. Ik maak mij dus zorgen over de
    mogelijkheid van toenemende instabiliteit in Suriname. Het valt niet te
    ontkennen dat, binnenlands, Luitenant-Kolonel Bouterse en de recentelijk
    geïnstalleerde regering, zelfs zonder steun van de publieke opinie, controle over
    het land heeft behouden. Het is raadzaam, gegeven deze omstandigheid, om een
    dialoog te hebben met Paramaribo, ofschoon sommige ontwikkelingen in de
    Surinaamse situatie ons niet aanstaan – of mogen blijken ons niet aan te staan.
    Anderzijds, de participatie van Suriname in de vergadering van Staatshoofden
    van Niet-Gebonden landen in New Delhi, waar zij het Vicevoorzitterschap van
    één van de Commissies bekleedde, heeft aan de verbreding van internationale
    contacten bijgedragen, een feit dat de praktische moeilijkheid om haar in de
    buitenwereld te isoleren, vergroot.
    30
  49. Het feit dat wij een buurland zijn stelt ons in staat, geloof ik, met speciale
    gevoeligheid de situatie in Suriname te benaderen. In feite bepaalt de
    geografische nabijheid niet alleen dat elk negatieve actie gevolgen heeft voor
    onze belangen maar brengt ons er ook toe een doordacht standpunt in te nemen
    en plaatst ons in de unieke conditie om de situatie in te schatten, waarmee uwe
    Excellentie het zeker eens zal zijn.
  50. Gegeven deze omstandigheden, heb ik Minister Danilo Venturini die de functie
    van Secretaris-Generaal van de Nationale Veiligheid Raad bekleedt geïnstrueerd
    onmiddellijk een bezoek aan Suriname te brengen om de mogelijkheden voor
    een effectieve bilaterale coöperatie te bespreken en, tegelijkertijd de
    Braziliaanse preoccupatie met de huidige situatie tot uiting te brengen, in het
    bijzonder m.b.t. een mogelijke Cubaanse aanwezigheid.
  51. Echter, in het geval Uwe Excellentie oordeelt dat de situatie in Suriname
    mogelijk buiten de natuurlijke context zal treden vanwege interferentie van
    buitenaf zal ik het geheel terecht vinden indien de Amerikaanse regering het
    initiatief neemt om deze kwestie aanhangig te maken bij de betrokken
    regeringen. Van mijn kant zal ik niet aarzelen, van nu af aan, de nodige
    waarschuwingen te geven op diplomatiek niveau.
  52. Ik was heel blij met het nieuws dat Guiminish in goede conditie in
    Washington is aangekomen. Ik hoop dat hij u plezierige momenten zal bezorgen,
    net zo plezierig als die wij hier in Brasilia mochten meemaken.
  53. Evenals Uwe Excellentie, zal ik het zeer plezierig vinden om ons persoonlijk
    contact te hernieuwen, indien gewenst.
    Ontvang aub, de warmste groeten van Uw vriend.
    Charles Hill, de Uitvoerend Secretaris van het ‘State Department’ in Washington stuurde,
    na Figueiredo’s brief bestudeerd te hebben, het volgende advies naar het Witte Huis:
    “Wij bevelen aan om nu geen antwoord op de brief te geven. Wij zullen een
    antwoord voorbereiden, nadat de Venturini-trip is voltooid, en daarbij zullen ook
    recente ontwikkelingen in Suriname in acht worden genomen”.
    Zonder in detail te treden, liet Hill doorschemeren dat het ‘State Department’ moeite had
    met de diplomatieke lijn voorgesteld door Figueiredo, onder punt 9.
    31
  54. Generaal Venturini ‘interviewde’ en ‘installeerde’ Bouterse
    De Braziliaanse president verspilde in zijn brief geen woord aan de ‘Decembermoorden’,
    noch aan het herstel van de rechtsstaat en democratie, laat staan aan het noodzakelijke
    respect voor geaccepteerde internationale normen met betrekking tot de rechten van de
    mens. Hij gaf een summiere schets, een afschaduwing,
    zogezegd, van de situatie in Suriname. In plaats van te
    speculeren over het soms ondoorzichtige taalgebruik, wat en
    welke de intenties van Figueiredo mochten zijn, leek het ons
    beter en productiever de acties van zijn gezant Venturini in
    Suriname te bestuderen. ‘Is not the proof of the pudding in the
    eating?’
    Venturini, zelf, was uiteraard de belangrijkste bron van
    informatie over zijn bezoek aan Suriname. Het viel aan de
    Amerikaanse ambassadeur in Brazilië, Tony Motley, toe de
    details uit ‘s mans mond te mogen optekenen tijdens een 2½-
    uur-durende ‘persoonlijke sessie’ in Brasilia. In de groep van
    assistenten die met Venturini naar Paramaribo waren
    meegereisd, bevonden zich tolken, inlichtingenspecialisten,
    NSC-stafleden (Venturini was tevens Secretaris-Generaal van de
    Braziliaanse NSC) en een handvol militairen. Motley maakte aantekeningen van het
    gesprek met Venturini. Zijn opgeknapte aantekeningen43 werden naar Washington
    verzonden.
    20 april 1983
    Van: Ambassadeur Motley, Brasilia.
    Naar: Judge William Clark, Washington, DC.
    Onderwerp: Venturini’s samenvattend verslag
    Samenvatting: Venturini, XXX XXX* gaven een nogal volledig, twee-en-een-halfuur-durend verslag van zijn reis. In een notendop, hun deal met Suriname, nu
    geratificeerd, is gebaseerd op Suriname’s instemming geen Cubaanse
    betrokkenheid in Suriname toe te laten. Daarbij inbegrepen, de handhaving van
    strikt formele diplomatieke relaties met Cuba in ruil voor Braziliaanse militaire,
    economische en technische bijstand. Venturini gaf mij een twee-pagina-tellend
    document met erop gestempeld “Top Secret”. Het was een samenvattend
    verslag van zijn discussie met Bouterse. De briefing sessie was niet goed
    georganiseerd; Venturini’s commentaar was niet chronologisch of naar
    onderwerp ingedeeld. Bouterse’s commentaar, en Venturini’s indruk daarvan,
    besloeg een aantal onderwerpen die breed van aard waren, inbegrepen de
    ideëen van eerstgenoemde over de VS en andere naties. Onze vertaling van het
    twee-pagina tellende document zal in Brasilia plaatsvinden. Einde samenvatting.
  55. Venturini heeft welgeteld vijf-en-een-half-uur met Bouterse vergaderd in het
    gezelschap, van Surinaamse zijde: een tolk en ambassadeur Henk Herrenberg.
    Naast vergaderingen heeft de Braziliaanse delegatie lunches georganiseerd; de
    Surinamers, op hun beurt, zetten een cultureel festijn op zaterdagavond (16
    april) in elkaar en boden een diner aan. Op vrijdagavond, na het bezoek aan
    Ramdat Misier, hebben Venturini en Bouterse een twee-uur-lange
    ‘freewheelend’ politieke conversatie gevoerd. Venturini viel met de deur in huis:
    32
    hij is naar Suriname toegekomen om, namens Zuid-Amerika, het volk een
    vriendschapshand toe te reiken, welkom te heten tot het continent. Het ligt in de
    bedoeling van Brazilië om een bilateraal samenwerkingsprogramma bestaande
    uit economische, wetenschappelijke, technische en militaire componenten, met
    Suriname ten uitvoer te brengen.
    Venturini rapporteerde aan Motley dat hij de discussie met Bouterse had
    opgedeeld in een politieke en een economische sectie. Prioriteit werd aan
    politieke affaires gegeven tot hij, Venturini, de Surinaamse materie – verwoord
    door Bouterse, onder de knie had; aldus werd de grond gelegd voor politieke
    overeenstemming met de geëxamineerde, welke strikt gekoppeld werd aan de
    expliciete voorwaarde dat Suriname het niet zou toestaan dat Cuba via het
    Surinaams grondgebied voet aan de grond zou krijgen, op het Zuid-Amerikaans
    continent. Inderdaad legde Venturini er de nadruk op dat Brazilië de
    aanwezigheid van Cuba op het continent via Suriname als een bedreiging ten
    opzichte van haar nationale veiligheid beschouwde. Bouterse heeft deze quid pro
    quo deal (voorwaarde) aanvaard.
    Van Bouterse werd verwacht dat hij de volgende morgen, zaterdag 16 april, in de
    vroege ochtenduren overleg zou plegen met leden van het Beleidscentrum en
    militaire officieren over de Braziliaanse plannen voor hem en Suriname. Bouterse
    heeft persoonlijk met elk lid van het Beleidscentrum gesproken en vervolgens
    met twintig militairen. Hij rapporteerde aan Venturini dat hij de instemming van
    het Beleidscentrum verworven had, uitgezonderd de instemming van twee – niet
    bij naam genoemde – ‘pro-Cuba’ leden. In dit geval, omdat zij twijfels hadden
    over de intenties van Brazilië. Onder de twintig gepeilde militaren waren er drie
    dissidenten. Bouterse verzekerde Venturini dat hij deze drie militairen ‘onder
    controle’ had.
    Zaterdag, in de middaguren, werd lunch door de Brazilianen geserveerd. Drie
    inlichtingenspecialisten bewogen zich, elk met een tolk, tijdens lunch en diner
    onder het Surinaams gezelschap – dat uit militaire officieren bestond, ministers
    en een handvol andere burgers gelieerd aan de militaire leiders. De toewijzing
    van zitplaatsen, persoonlijk georkestreerd door Venturini, had tot doel het
    inwinnen van informatie te maximaliseren. Tijdens korte pauzes, welke op
    vastgestelde tijden werden ingelast, vergeleken de Brazilianen onderling hun
    individuele aantekeningen om inconsistenties in de vergaarde informatie te
    identificeren. De NSC-stafleden waren belast met administratieve aspecten van
    het voorgenomen bilaterale ontwikkelingsplan. Ook Venturini liet een
    additionele groep van militairen op Zanderij achter als deel van een uitwijkplan.
    Venturini zou Bouterse later tijdens zijn bezoek aanbieden mee te vliegen naar
    Brasilia, indien nodig.
    De generaals waren hoog gemotiveerd om de militaire macht in Suriname in
    stand te houden. Met dat doel in gedachte gaf Figueiredo een ’prachtig’
    jachtgeweer van Braziliaanse makelij met Venturini mee als cadeau aan
    Bouterse. Al op zaterdagavond werd een tentatief bericht naar Generaal
    Medeiros in Brasilia verzonden om aan te geven dat in Paramaribo voorlopig
    alles naar wens verliep.
    33
  56. Bouterse verklaarde tegenover de Brazilianen dat naast zijn persoonlijk
    verlangen om niet met Cubanen geïnvolveerd te raken, hij geloofde dat het volk
    van Suriname dat (de relatie met Cuba; Red.) niet zou ondersteunen. Venturini
    zei dat hij het gevoel had dat Bouterse opgelucht was nu hij een persoon had
    gevonden die hem wilde helpen. Bouterse zei dat de Mexicanen, Venezolanen en
    zelfs Cuba hem financiële steun hadden geweigerd. Van Libië heeft hij geen
    antwoord ontvangen.
  57. Venturini benadrukte herhaaldelijk dat hij nimmer een woord van kritiek,
    afkomstig van Bouterse, gericht op de Verenigde Staten, gehoord heeft. Bouterse
    sprak op spijtige toon over de opgeschorte Amerikaanse hulp en wees erop dat
    vele van zijn officieren hun training in de VS hebben genoten.
  58. Bouterse vertelde aan Venturini dat zijn nieuw regeringsplan – dat op de 1e
    mei (1983; Red) onthuld zal worden – zelfs bij de Amerikanen aangenaam over
    zal komen. Hij gaf geen details prijs. Bouterse beweerde dat hij stevig op zijn
    benen stond. Hij zou de economische structuur niet in de war brengen door te
    rommelen met multinationals. Hij zag in dat zulks zal leiden tot economische
    chaos. Bouterse beweerde dat hij Venezuela niet vertrouwde; hij had het gevoel
    dat zij huurlingen tegen hem organiseerden. De enige verwijzing naar de
    Nederlanders was dat hij hun economische hulp miste.
  59. Venturini’s analyse van de dreiging tegen Bouterse van binnenuit was dat er
    geen echte alternatieve ‘strong man’ was. Hij (Venturini; Red.) vond Sital
    competent, een harde werker, extrovert met de potentie moeilijkheden te
    kunnen veroorzaken. Maar indien Bouterse omvergeworpen mocht worden, zou
    Sital, zo dacht hij (Venturini; Red.), tegen anderen moeten competeren om de
    macht. Venturini vond dat Bouterse met kop en schouder uitstak boven alle
    anderen wat betreft het commanderen van respect en inboezemen van vrees.
    Venturini twijfelde er niet aan dat Bouterse het voor het zeggen had. Naarendorp
    leek helemaal uit de gunst te zijn. Venturini zei dat hij het aspect van de
    persoonlijke dreiging met Bouterse bediscussieerd heeft en zei dat hij (Venturini;
    Red.) indien nodig niet alleen zichzelf kon onttrekken aan de plaatselijke situatie
    maar ook Bouterse met hem mee kon nemen.
    *[XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX]
    [XXX] [XXX] [XXX] [XXX] [XXX]
    Bouterse was zich bewust van interne alswel externe dreigingen maar dacht dat
    zijn persoonlijke groep van bodyguards zijn beveiliging wel aan kon. Venturini liet
    een ongespecificeerd aantal mensen achter om uit te kijken naar indicatoren die
    erop duiden dat Bouterse de overeenkomst niet zou honoreren èn om
    beschikbaar te zijn voor hem (Bouterse; Red.) indien hij hulp nodig heeft.
  60. Venturini en zijn team hebben ook geïsoleerde brokjes inlichtingen opgepikt
    die ik (Motley; Red.) hier zal invoegen, mogelijk van belang voor jullie analisten.
    In het algemeen gesproken bevestigen hun bevindingen in grote lijnen wat zij
    van ons vernomen hebben.
    A. Er is geen luchtmacht. Er zijn slechts drie onbewapende vliegtuigen
    aangetroffen die gewoonlijk niet werken. Twee piloten zijn in luchtvaartclubs in
    de VS getraind. Er zijn geen navigatie hulpmiddelen of radars aanwezig.
    34
    B. De soldaten in de stad die gewapend waren droegen ongeladen wapens en
    hadden geen munitie bij zich. Met uitzondering van de bodyguards blijken de
    troepen slecht getraind te zijn.
    C. Het schip dat op de scheepswerf lag bleek niet operationeel te zijn; er zijn
    maar een paar landingsvaartuigen aangetroffen.
    D. Kolonel Hugo is meegegaan op een 1500-kilometer-lange tocht langs de
    grenzen met Guyana en Frans-Guyana; hij was daar niet erg van onder de indruk.
  61. De Surinaamse verzoeken voor hulp waren erg bescheiden en slecht
    gedetailleerd (uitgewerkt; Red.). Zij vroegen en kregen onmiddellijk de
    instemming van de Regering van Brazilië (RVB) voor vijf geologen. Tien beurzen
    in verscheidene disciplines. Opvijzelen van het progamma van het Minsterie van
    Buitenlandse Zaken voor de training van diplomaten. In materiele zin is de RVB er
    al mee bezig en heeft het verzoek welwillend aanvaard. Zonder specifieke
    bestemming of details werden verzoeken gedaan voor navigatie hulpmiddelen
    voor de luchthaven, militair werktuig, hulp met het Jay kreek waterproject;
    training in militaire vakken, inlichtingen en live (directe uitzending) van
    voetbalwedstrijden. Het werd aan de Surinamers overgelaten om specifieke
    lijsten op te stellen; zij zijn van plan binnen dertig dagen weer bij elkaar te komen
    om de details te bespreken. Zij willen ook vijftigduizend ton rijst verkopen.
  62. Ik heb de indruk dat Venturini en gezelschap het gevoel hebben dat zij veel in
    korte tijd bereikt hebben. Ze zijn net op het kritieke moment aangekomen en
    hebben een goede kans van slagen. Maar uiteraard niet volgens onze
    controlelijst (checklist; Red.). Volgens Venturini’s eigen zeggen: we lopen het
    risico dat we geen succes hebben. We geloven echter dat het risico de moeite
    waard is. Zij proberen ons geen kat in een zak te verkopen. Zij geloven echt dat
    ze succes kunnen hebben. Zij stelden zich erg open op in deze vergadering om
    verschillende redenen. Ten eerste, ik ben er zeker van dat XXX gisteren heeft
    gemerkt dat ik op z’n zachtst gezegd teleurgesteld was met zijn magere (nietsignificante) briefing. Hij heeft zelf er zoveel van gezegd toen hij zei: “jij schijnt
    ons niet te geloven”. Ten tweede: zij zullen onze hulp nodig hebben bij het
    verschaffen van een deel van de financiële bijstand. Ik kan een deel van hun
    initiële terughoudendheid, om open te zijn, toeschrijven aan het feit dat het een
    goede twintig jaar geleden is dat zij dergelijke sensitieve informatie op
    presidentieel/kabinetsniveau met ons gedeeld hebben; laat staan samenwerken
    in een derde (ander; Red.) land.
  63. Voor de briefing wees XXX* erop dat hij verwacht had eerder van mij te horen.
    Ik zei tegen hem dat president Reagan een korte brief aan President Figueiredo
    aan het schrijven was waaruit, geloof ik, President Reagan’s weerhoudendheid
    zou blijken om het risico te lopen dat de namen van Bill (Clark; Red.) en Venturini
    openbaar zouden worden en dat zo’n daad het onafhankelijk streven van de RVB
    ernstig kon schaden. Ik zei aan XXX* dat ik ervan op de hoogte was dat President
    Reagan tevreden was met de snelheid en resultaten van het project. Hij kon XXX*
    goed begrijpen maar hij beschikte niet over de details en was buitengewoon
    gespannen; hij stond te popelen om deze tot zijn beschikking te krijgen. Toen
    stelde XXX voor dat Bill hen misschien in Mexico City kon ontmoeten gedurende
    Figueiredo’s bezoek aldaar vanaf de 26ste tot de 28ste. Ik zei tegen hem dat ik
    35
    het gevoel had dat het zelfs moeilijker zou zijn Bill in Mexico City verborgen te
    houden. XXX gaf toen aan dat hij en XXX naar de VS konden vliegen. Op dat
    moment kwam Venturini binnen en maakten wij een begin met de briefing.
  64. De intense publiciteit gegeven aan Venturini’s missie en de onthulling dat
    Brazilië een verbintenis is aangegaan om een buurland te helpen heeft, geloof ik,
    diepe betekenis voor de risico’s die wij lopen. Brazilië heeft – of zij het al dan niet
    beseft – Cuba uitgedaagd, tenminste binnen Brazilië. Zij stelden publiekelijk dat
    ‘Zuid-Amerika voor Zuid-Amerikanen is’ en dat zij geen externe beïnvloeding in
    Suriname zullen tolereren. Indien de Cubanen openlijk of zelfs bedekt via Sital
    binnenkomen of via een andere weg een entrée maken, zal het uitblijven van
    actie van de zijde van Brazilië, Figueiredo en gezelschap op papieren tijgers doen
    lijken. Dus, hun neiging om eenzijdig voort te gaan zal significant toenemen, zij
    het in een scenario van samenspel met ons, of bij indirecte steunverlening aan
    ons onafhankelijk beleid. Het risico is groter voor ons in het geval dat Bouterse
    (resultaten; Red.) kan opleveren vergeleken bij het risico dat we lopen in de
    nabije toekomst dat hij wordt afgezet.
    Tony Motley.
    *Gecensureerde tekst
    Noot: Motley deed aanbevelingen die hier niet zijn afgedrukt omdat deze te
    onspecifiek, niet terzake doende waren (zie ref. 43).
    Venturini had tevens een “Top Secret” RVB-document44 aan Tony Motley overhandigd. De
    tekst in het document is hier te lezen:
    20 april 1983
    Van Tony Motley naar William Clark
    Onderwerp: Venturini’s samenvattende paper. “Synopsis van conversatie
    tussen Minister Venturini en Luitenant-Kolonel Bouterse
    gehouden op 16 en 17 april 1983”.
  65. Nogal verrassend, inderdaad, met onfeilbare hoffelijkheid ontving het
    Surinaamse regiem de missie van Minister Venturini. Middels successievelijke
    benaderingen en bijeenkomsten, werd het mogelijk om de drie grote twijfels in
    de mind van de burgerij mbt het werkelijke doel van de missie, op te klaren.
    A. Het aspect van de grote urgentie vanwege de Presidentiele trip van
    Figueiredo naar Mexico en vanwege de druk om gelden voor het
    actieprogramma van de RVB beschikbaar te maken.
    B. De omvang en concrete realisatie van het Braziliaanse aanbod tot
    economische hulp (in de ogen van de Surinaamse heersers een grote en
    aangename verrassing).
    C. De politieke condities die verbonden zijn aan de groei van het bilaterale
    hulpprogramma.
  66. Het is aan de RVS* doorgegeven dat de RVB gereed staat om regelmatig, en
    indien nodig, op onmiddellijke basis coöperaties aan te gaan op de volgende
    gebieden:
    A. De economie, wetenschap en technologie: uitbreiding van de bilaterale
    handel in beide opzichten (sic; richtingen?). Voorzien in technische en
    operationele assistentie voor de realisatie van ontwikkelingsprojecten, de
    36
    training van specialisten (technicians) in Brazilië. En eventueel voorzien in
    financiële middelen.
    B. Militair: de creatie van een militair liaison kantoor in de Braziliaanse
    Ambassade in Paramaribo. De training van militair personeel. De eventuele
    aanvoer van oorlogsmaterieel. Een gewone C.A.N. line (braziliaans acronym
    onbekend; Red.).
    C. Veiligheid en Inlichtingen: mogelijkheid van coöperatie en training van
    personeel.
    D. Politieke: uitbreiding van de diplomatieke aanwezigheid van Brazilië in
    Suriname.
  67. Het is duidelijk gestipuleerd dat Brazilië in ruil verwacht dat Suriname geen
    entreepunt zal worden voor Cuba naar Zuid-Amerika.
  68. De Surinaamse heersers hebben gracieus de Braziliaanse voorstellen
    geaccepteerd en waren nogal bescheiden in hun aanvragen toen hen de
    gelegenheid werd gegeven initiatieven te nemen.
  69. Col. Bouterse begreep heel goed (zoals bewezen en ook verkondigd door de
    Secretaris van het Leger, Iwan Graanoogst) dat de link naar hem gelegd was (in
    de voorstellen) en hij was vrij duidelijk in zijn reactie: “Ik geef formeel de garantie
    dat Suriname geen plaats zal worden voor de vestiging van het Oost-West
    conflict in Zuid-Amerika”. “Wij zullen geen ideologie of vreemde ideeën in
    Suriname importeren. “Suriname voor de Surinamers. Zuid-Amerika voor de
    Zuid-Amerikanen”.
  70. Van nu af aan zal Kolonel Bouterse praktisch moeten besluiten om (zijn)
    relaties met Cuba tot formele proporties, puur correcte diplomatieke relaties te
    beperken (moet omschreven worden) en min of meer diepgaande aanpassingen
    in de Surinaamse regering aan te brengen. Er kan over gedebatteerd worden of
    hij de Sital-factie compleet zal elimineren of dat hij ermee zal leven (coexisteren), deze zal neutraliseren. De relatie van de interne krachten (in het land)
    blijken in het voordeel van de Kolonel uit te vallen, dus geeft de balans van
    krachten hem zowel het initiatief als de keus van methode. De eventuele rol van
    buitenlandse gewapende krachten moet geëvalueerd en nader onderzocht
    worden.
  71. Evaluatie aan de hand van duidelijke checklist-criteria kan behulpzaam zijn
    omdat (sic; zodat?) het mogelijk wordt te bepalen in welke mate Kolonel
    Bouterse de vervulling van zijn deel van de overeenkomst nakomt.
    *RVS staat voor Regering van Suriname
    Tot zover het geheime RVB-document.
    Tenslotte overhandigde Venturini ook op 20 april aan Motley, laat in de avond, een
    informele Presidentiële brief45 (in draft vorm) waarin het Braziliaanse antwoord op
    President Reagan’s brief van 11 april 1983 (zie pagina 20 en verder) vervat was.
    Van: Ambassadeur Motley
    Naar: William P. Clark
    Referentie Ambassadeurs boodschap nummer 971
    Onderwerp: Venturini’s trip
    37
    “Het hiernavolgende document is persoonlijk (manueel) bij mij afgeleverd door
    Venturini, laat in de avonduren op 20 april en is door Venturini beschreven als
    een informeel antwoord op President Reagan’s brief van 11 april. Zo te zien is er
    weinig nieuw materiaal hier”.
    Begintekst
    Operatie Guiminish
    Inzake: Uw bericht van maandag 11 april, 1983.
  72. Ik heb Generaal Venturini naar Suriname gestuurd als mijn ‘Persoonlijke
    Vertegenwoordiger’ om onze positie te herbevestigen en om de mogelijkheid
    van samenwerking te onderzoeken op economisch, militair, wetenschappelijk en
    cultureel gebied alsook op het gebied van Veiligheid en Inlichtingen.
  73. De mogelijkheid tot coöperatie op deze gebieden was duidelijk vastgesteld. Ik
    heb de verklaarde determinatie om deze samenwerking zo snel als mogelijk tot
    stand te brengen onderschreven. In aanmerking genomen dat Bouterse in hoge
    mate volledig begrip voor de Braziliaanse Missie heeft getoond en gereed staat
    samen te werken onder voorwaarden die verenigbaar zijn met onze principes en
    in het voordeel van onze beginselen uitwerken.
  74. Bouterse heeft aangetoond dat hij bewust is van de (zijn) interne politieke
    situatie en dat hij de activiteiten van Ambassadeur Cardenas nauwkeurig volgt.
  75. Generaal Venturini’s missie heeft ook geconcludeerd dat Bouterse essentieel
    een nationalist is en in staat blijkt zijn leiderschap te isoleren van ongewenste
    invloed. In dit opzicht heeft hij publiekelijk verklaard om “Suriname te behouden
    voor de Surinamers” en heeft hij privé Generaal Venturini verzekerd dat zijn land
    geen doorgang zal worden voor buitenlandse (vreemde) ideologieën in ZuidAmerika.
  76. Bouterse heeft bevestigd dat hij de ondersteuning van de Westerse wereld
    nodig heeft om de obstakels in de economische ontwikkeling van Suriname te
    kunnen overkomen.
  77. In dit opzicht, wees Generaal Venturini op Bouterse’s bereidheid om nader te
    komen tot de VS op de geëigende tijd.
  78. Mijn Persoonlijke Vertegenwoordiger is met grote hoffelijkheid in Suriname
    ontvangen en heeft absoluut geen veiligheidsproblemen gehad.
  79. Er zijn geen tekenen bemerkt die het gebruik van militaire middelen zouden
    rechtvaardigen, om de veiligheid van Generaal Venturini in Suriname zeker te
    stellen.
  80. Een onderzoek naar de informatie betreffende de relatie tussen Venezuela en
    Suriname geeft aan dat deze zich zal verbeteren na een dieptepunt te hebben
    bereikt toen Caracas de voormalige president Chin A Sen, zijn politieke vijand,
    ontving.
  81. Naar mijn gevoel heeft Generaal Venturini’s bezoek aan Suriname het
    bestaan van een gemeenschappelijke grondslag bevestigd hetgeen het doorgaan
    met samenwerkingsplannen toelaat. Zulks was mijn oorspronkelijke inschatting
    van de situatie in dat land.
    38
    Twee dagen na de Venturini-briefing bracht Motley een bezoek aan Figueiredo om namens
    Reagan felicitaties over te brengen46 voor de uitstekende uitvoering van ‘Operatie
    Guiminish’.
    Memorandum van Tony Motley naar William P. Clark
    Onderwerp: Guiminish en Libische plannen*.
    “President Figueiredo heeft mij alleen ontvangen op zijn ranch, ‘s ochtends 22
    april, waar ik naar toe ben gegaan om President Reagan’s boodschap af te
    leveren. Figueiredo maakte de opmerking dat Bouterse verrast was met de duw
    en aanbod van de Brazilianen. Figueiredo zegt dat hij zich geen illusies maakt
    over Bouterse. Om die reden heeft hij tegen Venturini gezegd om botweg aan
    Bouterse mee te delen dat Brazilië een vriend van Suriname wil zijn. Indien zij
    toestaan dat de Cubanen invloed krijgen of in grote getale aanwezig in Suriname
    zijn dan zal hij (Figueiredo; Red.) hen (Bouterse en Suriname; Red.) als vijand
    moeten beschouwen. Ik ben er zeker van dat Venturini die boodschap
    overgebracht heeft maar misschien niet zo bot”.
    *De “Libische plannen” vallen buiten het toepassingsgebied van dit rapport.
    Evenals President Figueiredo was ook Judge Clark op 20 april 1983 een verslag over de
    gang van zaken met betrekking tot het Guiminish project verschuldigd aan President
    Reagan. Tenslotte leidde hij de Amerikaanse sectie van de operatie. In een rapport
    gedateerd 18 of 25 april schreef Clark het volgende:
    Memorandum voor de President
    Van: William P. Clark
    Assistant to the President
    For National Security Affairs
    Onderwerp: XXXXXXX*
    U zult zich wel onze bezorgdheid over ontwikkelingen in Suriname herinneren
    welke in de herfst van 1982 begonnen en zich uitstrekten tot in de lente van
  82. Gedurende deze periode vergrootte Cuba in haar rol als pion van de Soviet
    Unie, haar invloed op de Surinaamse regering. Vijf overeenkomsten die een
    brede variëteit aan samenwerkingsgebieden besloegen werden getekend, in het
    bijzonder met legercommandant Bouterse die naar de macht greep via een coup
    in 1980. Blijkbaar, geloofden de Cubanen dat zij vruchtbare grond zouden
    cultiveren en dat de vooruitzichten op de cubanisering van de Surinaamse
    samenleving gunstig waren. De Cubaanse ambassadeur in Suriname – Osvaldo
    Cardenas – is een hooggeplaatste inlichtingenofficier geweest, actief in het
    Nationale Bevrijding Departement van het Cubaanse Algemene Inlichtingen
    Directoraat. Hij had frequente ontmoetingen met Jamaica’s Michael Manley en
    Maurice Bishop van Grenada. Het is duidelijk dat Cardenas overgekwalificeerd
    was voor de job in Suriname Hij werd Bouterse’s meest nabije adviseur
    gedurende deze periode. Hij heeft waarschijnlijk invloed uitgeoefend bij het
    overtuigen van Bouterse om in het geheim naar Cuba af te reizen in mei 1982.
    Gedurende dat bezoek had de Surinaamse leider een lange sessie met Castro, die
    hem vroeg om vóór solidariteit met Cuba en tégen de invloed van de Verenigde
    Staten in het Caraïbisch Gebied, tegen het Caribbean Basin Initiative (CBI; Red.)
    te werken.
    39
    Wij waren bezorgd dat de Cubanen, en via hen de Sovjets, een basis op het
    noordelijke punt van Zuid-Amerika zouden willen vestigen. Vanwege de
    strategische ligging van Suriname zouden de Cubanen en Sovjets dan potentieel
    het zuidelijk Caraïbisch Gebied en het Panamakanaal controleren en
    scheepvaartlijnen in gevaar brengen (inclusief lijnen gebruikt door schepen die
    petroleum vervoeren). De Cubanen zouden ook beter in staat zijn hun invloed uit
    te breiden op de Zuid-Amerikaanse landmassa. Om dit probleem aan te pakken
    hebben wij een reeks van opties ontwikkeld.
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
    XXXXXXX. Als alternatief instrueerde U mij een diplomatieke missie naar Venezuela en Brazilië te ondernemen. XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX.
    Uw politiek was een distinctief diplomatiek en persoonlijk succes. Er is geen
    enkel schot gelost! De Cubaanse invloed was ernstig verminderd. Ofschoon
    diffuus, het signaal dat door U werd afgegeven was niet mis te verstaan: wij
    waren niet bereid vijandige staten overweldigende invloed te laten verwerven in
    een klein en zwak land.
    Uw actie heeft er ook toe gediend om de Brazilianen meer verantwoordelijk en
    effectievere spelers te maken op hun erf (in hun achtertuin; Red.) door met ons
    een coöperatieve alliantie aan te gaan, welke uniek was.
    Einde (Red.)
    *Officieel gecensureerde tekst.
    Er zijn geen aanwijzingen dat dit memorandum daadwerkelijk op het bureau van President
    Reagan beland is. Het is door Alfonso Sapia-Bosch in September 1983 in het slotarchief
    geplaatst. De dubbele verzendingsdatum, het excessief triomfantelijk taalgebruik en
    gebrek aan structuur in het memorandum kunnen signaleren dat de Judge in onrustige
    wateren terecht was gekomen; waarover, straks meer (zie pag. 55).
    Het einde van Motley’s aanstelling als ambassadeur in Brazilië kwam naderbij; voor hem
    was de tijd gekomen zich voor te bereiden op de terugkeer naar Washington om de positie
    van Tom Enders over te nemen, als Assistant Secretary of State47. Niet in Brasilia, maar in
    40
    Paramaribo zou een andere Amerikaanse functionaris in de nasleep van ‘Operatie
    Guiminish’, vrij onverwachts, een cruciale rol gaan spelen in de coöptatie van Bouterse.
    Ambassadeur Robert W. Duemling was toen al bijna 8 maanden in Suriname, door Tom
    Enders aangetrokken, met de speciale opdracht om uit te vissen wie Bouterse was.
    Duemling zag de komst van de Brazilianen naar Suriname als competitie voor Amerika. Hij
    zou daarom er alles aan doen om de uitkomst van de competitie in het voordeel van
    Amerika te doen uitvallen.
  83. De herintroductie van Bob Duemling.
    Ambassadeur Robert Duemling was niet betrokken bij “Operatie Guiminish”. Dat project
    werd in het geheim vanuit het Witte Huis georganiseerd; dus wist hij ook niet dat de
    operatie op 13 april in Suriname van start was gegaan. (Duemling zou bij zijn officiële
    vertrek uit Suriname in Augustus 1984 omhangen worden met de meest prestigieuze
    waardering die het land aan een buitenlander kon doen toekomen). Niet alleen de
    Surinaamse regering maar ook zijn baas, William P. Clark, wilde van zijn goede diensten
    gebruik maken in de tijd dat de Brazilianen in Suriname tot actie zouden over gaan. Clark
    zag daarvan af, althans tijdelijk, nadat hij het onderstaande telegram48 van Alfonso SapiaBosch van de NSC/CIA op 15 april toegestuurd kreeg:
    Memorandum voor: William P. Clark
    Van: Alfonso Sapia-Bosch qy· Onderwerp: Telegram naar Ambassadeur Duemling in Paramaribo. “Dewey* heeft om 12:00 uur (pm; Red.) gebeld om door te geven dat
    gisteravond op een feestje in Paramaribo de Braziliaanse Zaakgelastigde
    Lampreia aan Ambassadeur Duemling meedeelde dat hij (Lampreia) een VSambassade employee heeft gesproken. Duemling was daar niet van op de hoogte
    en wilde met het ‘State Department’ contact maken om te vragen wat er gaande
    is. Ik heb een ontwerptelegram aangehecht dat moet dienen om Duemling
    voorlopig uit te sluiten. Hij zal spoedig over het plan dat wij voor ogen hebben
    worden geïnformeerd.
    Wij moeten ook aan Tony Motley vragen de Brazilianen te benaderen met het
    verzoek Lampreia te instrueren zijn mond te houden.
    Aanbeveling
    Accoord X***_____Afgekeurd
    *qy verwijst vermoedelijk naar ‘query’ (navraag)
    **Duane “Dewey” Clarridge van het CIA-Directoraat Latijns-Amerika en het
    Caraibisch Gebied
    ***Bill Clark heeft Duemling onmiddelijk op een zijspoor gezet.
    Het feit dat Duemling tijdelijk op een zijspoor belandde betekende niet dat hij voorlopig
    dan maar niet op kantoor verscheen. In de kern van de zaak was hij niet bewust van het
    bestaan van ‘Operatie Guiminish’ dus veranderde er niets aan zijn routinewerkzaamheden. En aangezien hij anders een goed geïnformeerde en productieve
    Amerikaanse functionaris in Suriname was – die zijn superieuren altijd gedisciplineerd
    informeerde en adviseerde over de gang van zaken – was Duemling’s consternatie,
    41
    grenzend aan paniek, goed in te denken toen hij vernam dat een top Braziliaanse missie op
    hoog bezoek was in Suriname, in ‘zijn territorium’!
    Na zich grondig te hebben geïnformeerd, verzond de diplomaat op 22 april een memo49
    naar het ‘State Department’. Hij presenteerde een
    goed verslag van de persreacties en van de
    atmosfeer onder de lokale machtshebbers in
    Paramaribo, teweeggebracht door het Braziliaanse
    bezoek. Meer nog, het memorandum wierp licht
    op, zij het zwakjes (hoewel het Lampreia/Duemling
    loflied opgedragen aan Bouterse er niet om loog),
    komende veranderingen in de Amerikaanse
    ‘mindset’ in Suriname.
    Van: Robert Duemling
    Onderwerp: Braziliaanse Missie naar Suriname.
  84. (Confidentiëel – volledige tekst)
  85. Samenvatting: Persoonlijke Vertegenwoordiger van Braziliaanse President
    bracht plotseling een tweedaags bezoek aan Paramaribo en heeft onder anderen
    Opperbevelhebber Bouterse en premier Alibux ontmoet. De Brazilianen boden
    de regering van Suriname (RVS) uitgebreide steun aan en verwezen nadrukkelijk
    naar “Zuid-Amerika behouden voor Zuid-Amerikanen”. RVS heeft het bezoek
    uiterst gunstig afgeschilderd in de pers ofschoon de volledige implicaties van het
    bezoek nog duidelijk moeten worden. Einde samenvatting.
  86. Kort na de onaangekondigde aankomst in Paramaribo van een klein
    voorbereidingsteam op 13 april, bracht Gen. Danilo Venturini (SecretarisGeneraal van de Nationale Veiligheidsraad van de RVB) een officieel bezoek aan
    Paramaribo van 15-17 april in de hoedanigheid van ‘Persoonlijke
    Vertegenwoordiger van de Braziliaanse President’.
  87. Venturini bracht een kort beleefdheidsbezoek aan de waarnemend President
    Ramdat Misier en had vervolgens een dag (16 april) vol vergaderingen met de
    Opperbevelhebber, Premier Alibux en verscheidene ministers. De Minister van
    Natuurlijke Hulpbronnen Tjon Kie Sim had de leiding voor de RVS-zijde
    gedurende de technische discussies. Minister van Financiën Caldeira was zonder
    uitleg afwezig (hij kan in het buitenland zitten). De RVS bood op 16 april in de
    avonduren een diner aan en presenteerde een cultureel evenement. Op 17 april
    werd een afrondingsvergadering met Bouterse gehouden die voor een half uur
    gepland was maar vijfmaal langer duurde. De RVS heeft Venturini en zijn adjunct
    Kolonel Hugo Carracho gedécoreerd.
  88. Nadat het bezoek achter de rug was presenteerde het-door-de-regeringgecontroleerde avond-tv nieuws een gepolijste samenvatting van het bezoek,
    met filmclips van aankomst en vertrek. De 18-april-editie van De Ware Tijd
    besteedde, eveneens, er de voorpagina aan. Beide presentaties benadrukten de
    versterking van de Brazilië-Suriname relaties. Van betekenis is dat het
    perscommuniqué dat gezamenlijk goedgekeurd is niet – herhaal, niet – in
    Suriname gepubliceerd is. Het communiqué bevatte naast het weer uiteenzetten
    van de agenda van gehouden evenementen, de volgende opvallende alinea:
    42
    “Tijdens de conversaties tussen Minister Venturini en Opperbevelhebber
    Bouterse uitten beiden het verlangen van de twee landen om Zuid-Amerika te
    beschermen tegen de gevolgen van vreemde confrontaties. Interessant is ook
    dat Venturini bij zijn toast tijdens het diner (copy daarvan is ons gegeven door de
    Braziliaanse ambassade) stelde in verband staande met (in de context van; Red.)
    het bediscussiëren van welvaart en vooruitgang in de Zuid-Amerikaanse regio,
    dat zijn precieze sentiment is Qte “Suriname voor de Surinamers”, “Brazilië voor
    de Brazilianen” en “Zuid-Amerika voor de Zuid-Amerikanen” Unqte. In een
    persverslag werd echter beweerd dat Venturini woorden van Bouterse had
    opgepikt met de eindfrase “Latijns-Amerika voor de Latijns Amerikanen”.
  89. Over de inhoud van het bezoek vertelde de Braziliaanse Zaakgelastigde het
    volgende aan de ambassadeur:
    A. Venturini heeft de RVS significante steun aangeboden in economische
    ontwikkeling, handel, educatie, technische assistentie en militaire hulp. De RVB
    heeft ook aangeboden de ambassade in Paramaribo uit te breiden en daar, voor
    het eerst, een militaire attaché aan toe te voegen.
    B. Venturini beloofde dat de RVB niet zal toestaan dat zijn grondgebied wordt
    gebruikt voor acties tegen Suriname. Ofschoon de RVS aan de RVB-delegatie om
    specifieke voorstellen heeft gevraagd nam de laatste het standpunt in dat het
    incorrect zou zijn indien Brazilië aan Suriname zou zeggen wat het nodig heeft;
    de aanvragen moeten door RVS zelf ontworpen worden. Er zijn geen
    overeenkomsten getekend, noch zijn notulen waarover overeenstemming
    bestaat geparafeerd.
    C. Brazilië’s vereiste quid pro quo was privé duidelijk geformuleerd en
    weerspiegeld in het perscommuniqué en in Venturini’s opmerkingen, hierboven
    aangestippeld. Bovendien, recentelijke troepenbewegingen in Brazilië werden
    nadrukkelijk bediscussieerd door de Braziliaanse delegatie. De Braziliaanse
    Zaakgelastigde gaf in zijn persoonlijke evaluatie aan dat Bouterse uitstekend
    begreep wat de RVB in gedachte had. Hij voegde eraan toe dat tijdens de zeven
    uren doorgebracht met Bouterse in de loop van het bezoek hij Bouterse nooit
    een misstap of fout heeft zien of horen maken; kortom een indrukwekkende
    prestatie voor iemand die vier jaartjes geleden een sportinstructeur in het leger
    was.
  90. Commentaar.
    A. Het bezoek van Venturini, dat uit de lucht kwam vallen, heeft een sensatie in
    Paramaribo teweeggebracht, niet in het minst (zo vermoeden wij) binnen de
    RVS.
    B. In hun initiële reactie benadrukten de meeste waarnemers het feit dat de
    RVS op een hoogst dramatische wijze publiekelijk steun blijkt te winnen van de
    voornaamste macht op het continent. Welke prijs precies de RVS voor deze
    meevaller zal moeten betalen is nog onderwerp van speculatie.
    C. De door-de-regering-gecontroleerde media hebben het Braziliaanse bezoek
    voor maximaal effect op de publieke opinie uitgemolken. Echter ervaren
    waarnemers wijzen erop dat bewijs voor concrete besluiten opmerkelijk genoeg
    43
    afwezig is, hetgeen suggereert dat de RVS nog aan het nadenken is over wat hen
    overkomen is.
    Duemling
    Blijkbaar had Bill Clark zich al een tijdje gerealiseerd dat Robert Duemling een essentiële
    kracht was die zowel met Bouterse en de RVS aan de ene kant, en met de Brazilianen in
    Suriname aan de andere kant, zaken zou kunnen doen. Bovendien had hij een goed begrip
    van de anti-Cuba lijn van het Witte Huis onder Reagan. Clark stuurde Duemling op 28 april
    een telegram50, niet om hem over Guiminish te informeren, maar om hem voor te
    bereiden op nieuwe taken o.a. de verwijdering van de Cubanen uit Suriname en
    behulpzaam te zijn aan de Brazilianen en hun initiatief in Suriname.
    Van: Het Witte Huis, Washington, DC
    Naar: Ambassade in Caracas; geef aan Ambassadeur Landau
    voor aflevering aan Ambassadeur Duemling die in Caracas
    op bezoek is.
    Van: Judge William Clark
    Naar: Ambassadeur Duemling
    Beste Bob,
    “Enkele dagen geleden heb ik mij voorgenomen om contact met je te maken om
    een samenvatting te geven van het VS-beleid en acties die recentelijk
    instrumenteel zijn geweest bij het voortbrengen van een Braziliaans initiatief
    waarbij de RVS betrokken is met het doel om een halt toe te roepen aan een
    trend naar overheersende invloed van Cuba op Surinaamse zaken. Als gevolg van
    de President’s bezorgdheid over het afdrijven van de Surinaamse politiek,
    hetgeen klaarblijkelijk geen hoop biedt dat wij de uiteindelijke absorptie van
    Suriname in het socialistische orbit kunnen afwenden en daarom werd twee
    weken geleden, in nauw overleg met Secretary Shultz, een privé US diplomatieke
    stap ondernomen met het doel de samenwerking van regionale regeringen te
    winnen door een levensvatbaar alternatief voor Bouterse te presenteren. Deze
    inzet culmineerde in een erg vooruitziend en enthousiast voorstel van de
    Braziliaanse regering waarin zij de prowesterse ontwikkeling van Suriname
    ondersteunen (wij hopen uiteindelijk met de herstelde steun van Den Haag) via
    een breed programma van economische, culturele en veiligheidsassistentie”.
    “Voor dit doel zond President Figueiredo Generaal Venturini vorige week naar
    Paramaribo. Volgens rapporten die nu pas uit Brasilia worden ontvangen, was
    Bouterse zeer ontvankelijk voor het voorstel en heeft hij zich gecommitteerd tot
    een graduele vermindering van de Cubaanse aanwezigheid en invloed. De
    demarché schijnt grondig gepland te zijn door de Brazilianen; inbegrepen daarbij
    is de bescherming tegen het-zienderogen-risico dat Bouterse loopt als gevolg van
    de aanvaarding van zo’n relatie. Zoverre, hebben de Brazilianen niet om steun
    van ons gevraagd behalve dan bij het faciliteren van arrangementen voor
    Venturini’s meetings – een rol waarvoor ik gedacht had je hulp, bij het
    arrangeren, in te roepen. Het is zo verlopen dat wij XXX* hebben gevraagd om
    deze assistentie te verlenen onder totale discretie en ik bied mijn
    verontschuldigingen aan dat ik het over het hoofd heb gezien om je niet
    persoonlijk te benaderen”.
    44
    “Er moet nog veel opgehelderd worden, onder andere de te verwachten reactie
    tegen Brazilië voor het in stand houden van een bloedige dictatuur. Niettemin,
    indien de Cubaanse invloed is verwijderd, en er is wat beweging naar
    liberalisatie, geloven wij dat we er beter vanaf zijn en dat een groot deel van ons
    doel bereikt is. Ik zou je willen vragen om nog sensitiever te zijn m.b.t. Cubaanse
    activiteit, de relatie tussen Bouterse en Cardenas, etc. Wij zijn er niet
    optimistisch over dat de Cubanen deze tegenslag gracieus zullen accepteren en
    we zullen voorbereid moeten zijn om verdere actie te ondernemen indien zulks
    nodig zou zijn”.
    “In de komende dagen, willen wij natuurlijk behulpzaam zijn bij het verstrekken
    van elke mogelijke assistentie aan de Braziliaanse regering en eveneens aan
    Bouterse in het geval dat hij jouw hulp komt zoeken. Indien je zulke verzoeken
    ontvangt, geef als-je-blieft jouw aanbevelingen door via het departement waar –
    ik ben er zeker van – dankzij de persoonlijke betrokkenheid van Secretary Shultz
    bij deze kwestie, er prompt aandacht aan besteed zal worden. Ik wil, bij deze
    gelegenheid, namens de President mijn diepe appreciatie voor jou, en jouw staf,
    tot uitdrukking brengen voor het soliede professionalisme waarvan jij – en zij –
    blijk hebben gegeven. Het ziet er naar uit dat we het getij alsnog kunnen keren.
    Ik zou willen vragen dat je de bovenstaande informatie niet met derden deelt”.
    Hartelijke groeten, Bill Clark.
    Officieel gecensureerd. Robert Duemling had, zo bleek uit schriftelijke communicatie met zijn superieuren, een goed analytisch vermogen; hij was, ‘boven-het-gemiddelde’, bekwaam in de Engelse taal en beschikte bovendien over een rijk vocabulaire hetgeen, bij elkaar genomen, hem o.m. in staat stelde complexe vraagstukken helder te formuleren. Zijn memoires getuigen inderdaad van zulke kwaliteiten52 (zie tevens ref 14: biografisch interview met Robert Duemling jr.; ‘Library of Congress’). Het klaarblijkelijk gemak waarmee hij zich in vooraanstaande kringen in Suriname voortbewoog maakte Duemling een ‘asset’, een persoon van groot nut voor de Amerikaanse regering die hem ooit uit Paramaribo (naar Washington, DC) vloog o.a. om ten overstaan van de ‘Joint Chiefs of Staff’ (JCS) een besloten lezing te verzorgen over de wijsheid van een eventuele (hypothetische) invasie en bezetting van Suriname. Na de Decembermoorden ontwikkelde Duemling een professionele en vriendschappelijke relatie – zonder uitdrukkelijke bijbedoeling – met de Braziliaanse Zaakgelastigde in Suriname, Luiz Felipe Lampreia. Volgend op de komst van Venturini naar Paramaribo begon Duemling, zoals eerder vermeld, Brazilië in wezen als een directe concurrent te zien van de VS in Suriname. Hij wist dat het instrumentarium voor o.a. communicatie en het onderscheppen van inlichtingen welke door de Brazilianen in Paramaribo gebruikt werd van minder geavanceerde kwaliteit was dan de apparatuur op de Amerikaanse ambassade, en stelde daarom voor aan Washington dat Lampreia toegestaan werd van de Amerikaanse apparatuur gebruik te maken65. Het ‘verborgen motief’ (de bijbedoeling) liet zich makkelijk raden: een mogelijke toegang tot het denken van de Braziliaanse regering m.b.t. Suriname en Cuba. (Dit thema zal later weer even aangesneden worden wanneer Lampreia na een kort buitenlands verblijf, in de maand Juli 1983 terugkeerde als Brazilië ’s ambassadeur in Suriname). 45 Minister-President Errol Alibux bezocht in de ochtenduren van 7 mei 1983 Ambassadeur Duemling, welgeteld zes dagen na de ‘revolutionaire’ 1-mei toespraken op het Onafhankelijkheidsplein; drie weken ná het bezoek van Venturini; zestien dagen voorafgaand aan een kennismakingsbezoek aan PlanAlto in Brasilia. Duemling was ervan op de hoogte dat de RVS werd geconsumeerd door interne moeilijkheden welke dreigden haar boven het hoofd te stijgen, maar had in werkelijkheid geen idee waarover Alibux hem eigenlijk wilde spreken. Wij laten hier Duemling aan het woord, in een memorandum51, dat hij op 9 mei verzond naar Washington: Van: Amerikaanse Ambassade in Paramaribo Naar: Secretary of State, Washington, DC Onderwerp: Minister-President vraagt om USG hulp
  91. Vertrouwelijk – de gehele tekst.
  92. Samenvatting: “Minister President Alibux heeft in algemene termen om de
    steun van de USG gevraagd voor het nieuwe regeringsprogramma. Hij verdedigt
    het programma zowel op grond van prijzenswaardige economische doelen als op
    sociale doelen, maar hij beweert dat mettertijd ook brede participatie zal worden
    bereikt in het politieke proces en minder controle van informatie zal worden
    uitgeoefend. Hij impliceerde dat steun van de USG de ontwikkelingen zou
    beïnvloeden in een richting waarmee de USG eens zal zijn; en dat, omgekeerd,
    vertraging zijn eigen inspanningen zou ondermijnen om de meer-radicale
    elementen onder controle te houden. Hij heeft geen belofte gedaan dat hij aan
    onze huidige bezwaren tegen praktijken van de RVS tegemoet zal komen”.
    Einde samenvatting.
  93. “Ik heb Premier Alibux op zijn verzoek ontmoet op 7 mei, vergezeld van Poloff.
    Alibux was alleen. De ontmoeting heeft een uur geduurd”.
  94. “Alibux begon het gesprek met te vragen naar mijn mening over het nieuwe
    regeringsprogramma, daarbij verwees hij impliciet naar onze conversatie van zes
    weken geleden toen wij overeenkwamen om elkaar weer te ontmoeten als
    eenmaal het programma openbaar was gemaakt”.
  95. “De strekking van mijn antwoord was dat terwijl specifieke economische en
    sociale ontwikkelingsprojecten concreet en lovenswaardig waren, vond ik het
    minder gemakkelijk om de intenties van een regering te bepalen wat betreft de
    nieuwe politieke structuren, controle van de media, en buitenlandse politiek. Ik
    voegde eraan toe dat het programma ambitieus was en duur zou zijn”.
  96. “Mijn samenvatting werd als “nogal algemeen” gekarakteriseerd. Alibux
    beweerde dat de regeringsverklaring tot de ‘Nieuwe Democratie’ behoorde en
    dat de fundamentele politieke lijn helder was. Het was niet gemakkelijk om dit te
    ontwikkelen en vast te leggen, vervolgde hij, omdat ideeën van verscheidene
    groepen in overweging moesten worden genomen. Hij drong erop aan dat de
    USG “binnenkomt” om het vernieuwingsproces te steunen en als gevolg, zonder
    het te zeggen, om “het vernieuwingsproces” te beïnvloeden. Alibux gaf toe dat
    46
    de RVS financiële problemen heeft maar karakteriseerde deze als “niet erg
    serieus” en merkte optimistisch op dat een Amerikaans bedrijf hulp aan het
    verlenen is bij het Phedra-hydro-elektrisch project; niet alleen met de feasibility
    study, maar ook met financiën. (Aanmerking: de ambassade is erg sceptisch wat
    betreft het laatste punt). Alibux somde deze fase van het gesprek op met de
    bewering dat zijn beleid erop gericht is “een onafhankelijke nationale
    maatschappij te creëren en in harmonie” te leven met andere landen in de
    hemisfeer.
  97. Om de draad op te pakken bij Alibux’ conceptuele en nogal filosofische
    benadering, haalde ik enkele gebieden aan waar de RVS mogelijk haar eigen
    mankracht en natuurlijke hulpbronnen beter zou kunnen beheren en beleid
    ideeën te volgen welke voor de USG moeilijk (minder moeilijk?; Red.) te
    begrijpen zijn en daar ondersteuning aan te geven. Alibux’ commentaar tav van
    deze gebieden was als volgt:
    A. Politiek proces. Alibux beweerde dat de RVS vrije verkiezingen zal
    organiseren op het niveau van woonbuurten en districten, misschien voor eind
  98. Toen ik mij keerde tegen zijn bewering dat Suriname’s politiek systeem
    open is door aan te geven hoe de oppositie in December 1982 behandeld was
    beet Alibux terug: “Zij hadden de optie te integreren in het revolutionaire proces
    en geen misbruik te maken van hun deelname in de elite van het land”. Hij
    beweerde dat in ieder geval zulke gebeurtenissen zich niet zouden herhalen.
    B. Verlies van talent – Ik waarschuwde Alibux dat wanneer getalenteerde
    mensen hun vrijheid beperkt of ontnomen wordt ertoe neigen mogelijkheden
    elders te zoeken. Hij bracht het argument naar voren dat in de afgelopen twee
    maanden velen die eerst weg wilden hebben besloten om te blijven en “het
    proces een kans te geven”. Hij beloofde tevens statistische gegevens aan te
    voeren om de bewering te staven dat vele Surinamers die in Nederland wonen,
    recentelijk afgestudeerde universiteitsstudenten naar Suriname terugkeren.
    C. Vrije stroom van informatie – Alibux beweert dat Suriname in een
    beslissende fase van haar geschiedenis is wanneer mensen beschermd moeten
    worden tegen foutieve informatie. Hij stelde dat er geen overeenstemming was
    in het nieuwe kabinet over hoe met de media om te gaan. Sommigen
    argumenteerden voor totale vrijheid van informatie terwijl anderen drongen aan
    op strikte controles. Aangezien er geen overeenstemming was heeft het kabinet
    een commissie benoemd om het probleem drie maanden lang te bestuderen.
    Indien het faalt een oplossing ervoor te dragen zullen wij zelf een besluit nemen.
    D. Houding tegenover de USG en Amerikaanse gemeenschap in Suriname.
    Alibux haalde de onlangs gesloten belastingovereenkomst tussen de RVS en
    Suralco aan als voorbeeld van de regeringsinspanning om zowel eerlijk als
    realistisch te zijn wanneer het om Amerikaanse belangen gaat. Hij was het
    ongetwijfeld eens met mijn observatie dat de Amerikaanse gemeenschap geen
    fysiek gevaar loopt. Gerelateerd hieraan vroeg hij om mijn persoonlijke opinie
    over geruchten waarbij beweerd wordt dat de RVN** van plan is militair te
    interveniëren in Suriname. Met de recente oproer in gedachte over de beweerde
    preventieve plannen van de RVN om mensen met Nederlandse nationaliteit te
    evacueren, gaf ik als antwoord dat naar mijn mening de Nederlandse regering
    47
    alleen zou interveniëren om Nederlanders te beschermen wanneer haar burgers
    aan gevaar blootgesteld zijn. Ik voegde eraan toe dat de USG wereldwijde
    preventieve plannen heeft om Amerikanen te evacueren als dat noodzakelijk zou
    worden. Alibux, (in tegenstelling tot Bouterse’s publieke positie mbt deze
    kwesties) had geen bezwaren.
    E. Buitenlands beleid – Alibux stelde dat de RVS goede relaties wenste te
    hebben met buurlanden terwijl zij haar onafhankelijkheid behoud. Buitenlandse
    relaties moeten gevestigd worden op basis van “gelijkheid en broederschap”. Hij
    merkte op dat de RVS nu “intensieve relaties” met Brazilië aan het opbouwen is.
    Ik maakte de opmerking dat de USG in het algemeen een gunstige visie heeft
    over die ontwikkeling. Ik legde er ook de nadruk op mbt zijn bewering over nonalignment dat de USG nauwlettend in de gaten zal houden met welke factie
    binnen de NAM Suriname zich verkiest te associëren.
  99. Toen het einde van de conversatie nabij was, gaf ik de volgende samenvatting:
    A. De USG heeft herhaaldelijk haar sympathie en begrip gedemonstreerd voor
    derde wereld ontwikkelingslanden en is direct ondersteunend zowel bilateraal
    als via multilaterale instituten. Wij hadden precies deze benadering met
    Suriname gevolgd totdat de RVS elders naar vrienden en steun bleek om te zien.
    B. Ik begreep Alibux’ boodschap dat zijn regering weer geëngageerd wenst te
    raken met actieve steun van de USG. Ik heb erop gewezen dat ons
    hulpprogramma tijdelijk is stopgezet, het is niet geëlimineerd; en gegeven de
    juiste condities kan het gereactiveerd worden. Terwijl ik erbij gezegd heb dat ik
    geen instructies heb, suggereerde ik dat de USG misschien meer concrete
    prestaties van de nieuwe regering zou willen afwachten betreffende politieke
    instituties en de protectie van fundamentele mensenrechten en vrijheden. Ik heb
    gekozen voor vrijheid van informatie, een rechtssysteem dat voorziet in eerlijke
    rechtsprocessen, bescherming onder de wet, en een waarlijk non-aligned
    buitenlandse politiek.
    C. Ik heb beloofd onze conversatie volledig te rapporteren en te proberen
    instructies in het antwoord te krijgen.
  100. In zijn conclusie, bevestigde Alibux dat ik zijn intenties en interpretaties
    begrepen heb zoals tot uitdrukking gebracht in onze conversatie. Hij herhaalde,
    zoals hij dat verschillende keren gedaan had, dat de USG in haar pogingen om de
    richting van de nieuwe Surinaamse regering in te schatten niet te lang moest
    wachten. “Wacht niet te lang – Wij moeten in leven blijven”.
  101. Commentaar:
    Bij deze gelegenheid was Alibux minder ideologisch rigide en assertief dan hij
    was tijdens onze eerdere ontmoeting. Alibux’ manier van uitdrukken was indirect
    en suggestief maar zijn fundamentele boodschap was helder: hij wil een tastbare
    vorm van steun van de USG en hij wil het spoedig hebben om zijn politieke
    vijanden binnen de nieuwe regering af te weren. Hij onderkent zijn eigen
    politieke kwetsbaarheid. Hij suggereerde, weer niet rechtstreeks, dat openlijke
    USG-steun de positie van personen die Suriname in een richting brengen
    waaraan wij de voorkeur geven, zou versterken. Echter op geen enkel moment
    heeft hij aangegeven dat al hetgeen wij van hem vragen (onze “bill of
    48
    particulars”) kan vervullen. In essentie, hij nodigde ons uit om “on spec” (op
    specificatie; Red.) binnen te komen.
    Er is natuurlijk een element van blackmail (chantage) in Alibux’ benadering. Hij
    suggereerde zoveel als, en hij heeft zulks al eerder gedaan, indien wij falen de
    nieuwe regering te steunen dan moeten wij alleen onszelf verwijten indien het
    (de nieuwe regering) een beleid adopteert dat wij niet goed vinden.
  102. Ik vraag om instructies van het Departement wat mijn antwoord aan Alibux
    moet zijn. Ik zal aanbevelingen per septel (separaat telegram?; Red.) doen.
    Duemling
    *USG staat voor United States Government
    **RVN staat voor Regering van Nederland
    Robert Duemling greep het verzoek van Alibux om het Amerikaans beleid t.a.v. Suriname
    te herzien gretig aan, met beide handen, zonder van zijn wedijverende ambities
    (tegenover Brazilië) blijk te geven. (Een ‘grote vis’ was, als het ware, vlak bij de hengelaar’s
    vislijn ‘boven water gekomen’ voor dringend-nodige zuurstof en de vraag was nu ‘hoe hem
    aan de haak te slaan?’). Het zou een dag of twee duren voor Duemling een nieuw
    memorandum concipieerde en het vervolgens, op 11 mei, naar Washington verzond. Toen
    er geen antwoord kwam, verzond hij dezelfde memo op 14 mei opnieuw naar Shultz. Het
    zou echter langer dan twee en een halve maand duren voor hij een reactie op zijn [11, 14-
    mei]-memo van de Secretary of State, George Shultz, zou ontvangen.
  103. Spanningen binnen de driehoeksrelatie tussen Brazilië, de VS
    en Nederland – vanwege Suriname?
    De succesvolle trip van Generaal Venturini naar Paramaribo heeft de balans tussen de
    Braziliaanse, Amerikaanse en Nederlandse politieke krachten – die elk ijverden voor
    invloed op de politieke dynamiek van Suriname – op kritieke wijze beïnvloed.
    Brazilië. Nog vóór Venturini’s trip naar Suriname hadden de generaals al bepaald dat de
    militair Bouterse in Paramaribo de persoon zou worden rond wie de macht in het buurland
    georganiseerd moest worden. De kandidaat Bouterse werd aldus door Venturini
    ondervraagd en beoordeeld op geschiktheid voor de rol die voor hem bedacht was.
    Figueiredo, Venturini en Medeiros maakten zich geen zorgen over de rechtsstaat in
    Suriname, of over het sociaaleconomische-politieke klimaat waarin de rechten van de
    mens moesten gedijen; tenslotte, in hun ogen, waren de Decembermoorden een interne
    aangelegenheid van Suriname. Het Venturini gezelschap slaagde erin vertrouwen te
    wekken bij de leidende groep in Paramaribo. Onze buren waren door de Amerikanen
    binnen gebracht, oftewel ingehuurd, om Bouterse over te halen om zijn nauwelijksbestaande relaties met Cuba te verbreken, waarmee hij snel instemde. De Brazilianen
    waren het met de Amerikanen eens dat de Cubanen geen voet aan de grond in ZuidAmerika, via Suriname, mochten verkrijgen; echter was er Braziliaans ‘tegensputteren’,
    gemor – zo zou later blijken – tegen een gehaast Noord-Amerikaans tijdschema voor de
    uitzetting van de Cubanen. Bovendien waren zij ertegen gekant dat de Amerikanen aan
    Suriname dicteerden onder welke condities transacties met welke internationale financiële
    49
    instellingen mochten worden aangegaan, terwijl de aan Brazilië beloofde fondsen,
    bestemd voor Suriname, uitbleven.
    De Verenigde Staten. Sommige individuen in het Witte Huis, en ook ambassadeur Motley
    in Brasilia, waren een beetje ontstemd over de bereidheid van de Braziliaanse generaals
    om de NSC, CIA en JCS om de tuin te leiden tijdens de uitvoering van “Operatie Guiminish”
    in Paramaribo. De Amerikanen konden niet terugvallen op eigen observaties en
    realiseerden zich dat zij afhankelijk waren van Braziliaanse rapporten. Zij raakten
    gealarmeerd toen bleek dat Venturini in zijn toast tijdens het laatste diner, en tijdens
    andere interacties met Bouterse, een beroep deed op ‘continentale solidariteit’. De slogan
    “Zuid-Amerika voor de Zuid-Amerikanen” strijkt tegen het Noord-Amerikaanse sentiment
    in. In tegenstelling tot de Brazilianen, waren de Amerikanen er niet van overtuigd dat
    Bouterse met de Cubanen zou breken; zij vermoedden dat hij dubbelspel speelde;
    mogelijk, het aanbod van de Brazilianen aan hem gebruikte om tijd te winnen voor een
    definitieve ommezwaai naar het Cubaanse leger. Daarom overwogen sommige
    functionarissen in het Witte Huis om tot een correctieve militaire ingreep over te gaan –
    deze keer door gebruik te maken van een door Henk Chin A Sen op te richten paramilitaire
    eenheid. Het was de Amerikanen ook niet ontgaan dat de Braziliaanse generaals na het
    bezoek van Venturini grote populariteit bij het Bouterse regiem genoten. Duemling’s
    reactie op de nieuwe situatie was een bewuste, weliswaar stille, inzet tot het vergroten
    van de Amerikaanse invloed op de Surinaamse regering.
    Nederland. De Hollandse leiding was niet geïnteresseerd in de isolatie van de Cubanen of
    hun verwijdering uit Suriname; Holland was een consistente voorstaander van de
    arrestatie/gevangenneming van Bouterse wegens het plegen van meerdere moorden en
    het met de voeten treden van de rechtsorde. In het “nieuwe krachtenveld” werd de RVN
    met het feit geconfronteerd dat Bouterse – zolang hij zich aan zijn woord hield met
    betrekking tot Cuba, waren de Braziliaanse militairen bereid hem de hand boven het hoofd
    te houden. Op 20 april, dus kort nadat Venturini huiswaarts was gekeerd, liet een
    woordvoerder van de Braziliaanse regering zich ontvallen dat de Verenigde Staten het
    Braziliaans initiatief in Suriname ondersteunden en dat ook Nederland bereid was indirect
    steun te verlenen aan het hulpprogramma53. De opmerking over Nederland geuit door de
    Braziliaanse woordvoerder was onjuist en misleidend. De RVN maakte het onmiddellijk
    wereldkundig dat zij begrip had voor het Braziliaanse initiatief, maar argumenteerde dat
    de Amerikaanse steun aan het hulpprogramma strijdig was met onderling gemaakte
    afspraken (tussen Nederland en de VS; Red.) welke beoogden andere landen te
    ontmoedigen de stopgezette hulp aan Suriname te vervangen. De Amerikaanse ambassade
    in Brasilia wuifde de kritiek weg met de bewering dat het standpunt van de VS ongewijzigd
    was53; een bewering die niet geheel met de waarheid strookte. Ruud Lubbers en Max van
    der Stoel, respectievelijk, Premier en Minister van Buitenlandse Zaken, reisden op 1 juni
    (1983) af naar Brasilia, drie dagen na de afronding van het (eerste) bezoek van Premier
    Errol Alibux en Iwan Graanoogst, Secretaris van het Surinaamse Leger. De Nederlandse
    politici brachten al bij het begin van de conversatie – als een soort ‘visitekaartje’ – de
    oorlog in Nicaragua ter sprake bij de generaals, hopend Braziliaanse invloed te kunnen
    aanwenden om de Amerikaanse rigiditeit t.a.v. Centraal Amerika wat te matigen. Uiteraard
    was Suriname het primaire onderwerp van de discussies. Aan Brazilië werd de garantie
    gegeven dat Nederland geen conflicten aan Suriname’s grenzen zou steunen met wapens
    50
    en/of personeel afkomstig van haar grondgebied. De Nederlandse politici hebben van hun
    kant bij Brazilië het verzoek ingediend om geen zware wapens te leveren aan het
    Surinaamse leger; een verzoek dat, naar alle waarschijnlijkheid, is ingewilligd. (Brazilie
    vervaardigde toen alleen lichte wapens). Het zou niet lang duren of ook de Amerikaanse
    en Nederlandse meningen over Bouterse haaks op elkaar zouden komen te staan.
  104. ‘Operatie Guiminish’ in financiele moeilijkheden.
    Onder leiding van Otavio Medeiros en Venturini oefenden de Brazilianen grotere druk uit
    op de Amerikanen om het beloofde geld voor het gezamenlijk project in Suriname in
    handen te krijgen. De Reagan Administratie deed weinig meer dan gaandeweg enkele
    financiële middelen bij elkaar te schrapen uit discretionaire fondsen die de President ter
    beschikking stonden en/of fondsen verkregen uit boekhoudkundige trucs, maar zulke
    manoeuvres zijn riskant en niet aan te bevelen, tenzij de betrokken ambtenaar bereid is de
    gevangenis in te gaan. De financiering van Guiminish werd langzaamaan problematisch. De
    documenten lieten zien dat Bill Clark en anderen, herhaaldelijk brieven schreven om de
    hachelijke financiële situatie te verhullen, zoals de tekst in het onderstaande
    memorandum54 (opgesteld 8 mei 1983) aantoonde. Tony Motley, die Medeiros niet van
    zich kon afschudden, noemde Clark’s memoranda ‘betreurenswaardig ontoereikend’.
    Van: Judge William Clark
    Naar: Ambassadeur Anthony Motley (Brasilia)
    Onderwerp: Antwoord aan Medeiros
  105. U mag Medeiros ervan op de hoogte stellen, wanneer U hem weer ziet, dat wij
    op verscheidene manieren aan het werk zijn om Suriname bijstand te verlenen.
    Opties welke wij exploreren zijn onder andere:
    a. Het faciliteren van de goedkeuring van Suriname’s recentelijk verzoek voor
    een 150 miljoen projectlening bij de IDB (InterAmerican Development Bank). Dit
    zal netjes moeten samenvallen met ontwikkelingsplannen uiteengezet door
    Bouterse en Premier Alibux op 1 mei en zal de kloof, ontstaan door de
    opschorting van de Nederlandse hulp, helpen vullen (overbruggen).
    b. Onderzoek naar de mogelijkheid om fondsen te genereren voor de
    Surinaamse regering die gerelateerd zijn aan eventuele US-brugleningen aan
    Brazilië. (Clark geeft vervolgens een moeilijke, nauwelijks te begrijpen
    uiteenzetting – [hier weggelaten; Red.] – welke hij afsluit met de frase: “er is geen
    rapport gemaakt of besluit genomen ten aanzien van de bruglening”).
    c. Dring er bij de Nederlanders op aan om het hulpprogramma te hervatten.
    Het is onzeker, zo niet onwaarschijnlijk, dat zij daarin mee zullen gaan.
    d. US Ex-In leningen (trage uitbetaling en moeilijk te rechtvaardigen onder de
    huidige richtlijnen.
    e. Herprogrammeren van bijvoorbeeld US-hulp (ESF, Exchange Stabilization
    Fund; Red.); betaalt snel uit, maar is niet risico-vrij.
    f. De mogelijkheid om in de reserves van de Agency te tappen maar gegeven
    dat er nog meer vraag naar deze gelimiteerde fondsen is willen wij deze weg
    vermijden.
    51
  106. U moet Medeiros vragen welke stappen zij ondernemen om militair advies en
    training te geven aan groepen zoals beloofd door Generaal Venturini aan
    Bouterse. Om te garanderen dat er geen verdergaande stappen door Cuba
    worden ondernomen, om haar aanwezigheid uit te breiden en haar vermogen te
    vergroten om eventueel Bouterse te destabiliseren of te verwijderen, zal de
    Braziliaanse aanwezigheid essentieel zijn. U moet Medeiros om zijn inschatting
    vragen of Bouterse inderdaad de banden doorsnijdt met de Cubanen zoals hij
    heeft beloofd; en of hij precieze Braziliaanse criteria voorstaat voor de evaluatie
    van de performance van de RVS bij het verminderen en tenslotte elimineren van
    de Cubaanse aanwezigheid/invloed.
    Hartelijke groeten, Bill.
    Geen van de hierboven voorgestelde opties, onder 1a – 1f, zou een duit in het zakje van de
    Brazilianen doen. In feite, leefde vooral bij de Amerikanen, minder bij de Brazilianen, de
    hoop de hand te leggen op een flink geldbedrag door, tenminste gedeeltelijk, de
    Nederlandse hulp te herstellen. Dus werd Generaal Vernon
    Walters inderdaad met die bedoeling naar Den Haag gestuurd.
    (In 1964 was hij de Amerikaanse Militaire Attache in Brazilië en
    informeerde President Lyndon Johnson direct over de
    voortgang van de coup terwijl deze zich ontvouwde). Walters,
    voormalig ‘Deputy Director of the CIA’ en Amerikaans
    Ambassadeur bij de Verenigde Naties, heeft het verslag55 van
    zijn vergadering (8 mei) met Lubbers in Den Haag zelf opgesteld
    en naar Washington verstuurd.
    Van: Ambassador at Large Vernon Walters, Washington/Den Haag
    Naar: William Clark, Washington, DC.
    Onderwerp: Bezoek aan Premier Lubbers in Den Haag
    “Op 8 mei bracht ik, vergezeld van Ambassadeur Dyess en Nancy Lewis, een
    bezoek aan Premier Lubbers die ons ontving, in aanwezigheid van alleen de
    Coördinator van Inlichtingen, gepensioneerd Admiraal Kruimink. Na
    beleefdheden uitgewisseld te hebben bedankte ik hem voor de bereidheid mij op
    zulk kort termijn te ontvangen en zei dat het onderwerp dat ik met hem wilde
    bediscussiëren Suriname was”.
    “President Reagan was diep bezorgd over de gebeurtenissen daar en heeft
    advies ingewonnen bij Brazilië en Venezuela. De president van Brazilië heeft
    Generaal Danilo Venturini van de Nationale Veiligheids Raad naar Paramaribo
    gestuurd om Bouterse te ontmoeten. Venturini rapporteerde aan President
    Figueiredo dat hij ervan overtuigd was dat Bouterse ertoe overgehaald kon
    worden zijn stijl en Cubaanse associaties te veranderen in ruil voor een
    economisch hulppakket. Het pakket was meer wat de Brazilianen op eigen kracht
    zouden aankunnen. We hebben overwogen om deel te nemen aan zo’n poging
    om te proberen te voorkomen dat Bouterse ooit weer verkeerde dingen doet en
    wij vragen ons af of Nederland bereid zou zijn om te overwegen een gedeelte
    van hun steun aan Suriname te hervatten. Rechtstreeks als dat gewenst wordt als
    deel van zo’n programma”.
    52
    “Ik wist dat dit een moeilijke kwestie was voor de minister-president aangezien
    hij nog recentelijk een krachtig standpunt heeft ingenomen tegen hervatting van
    dit soort hulp. En wij verwachten geen onmiddellijk antwoord op de vraag die ik
    gesteld heb. De premier zei dat de gevoelens in Nederland tegen Bouterse erg
    sterk waren. Hij is een misdadiger en moordenaar. De Nederlandse bezorgdheid
    over Suriname was meer gerelateerd hieraan dan aan zijn Cubaanse connectie;
    hij weet dat wij deze zaak heel ernstig nemen. Als politicus zou hij het woord
    “nooit” nooit gebruiken maar hij (Lubbers; Red.) dacht dat hervatting van hulp
    aan Bouterse intense oppositie zou opwekken in Nederland aangezien Bouterse
    over het gehele politieke spectrum mensen heeft vermoord en de informatie
    verluidt dat hij zelf Daal heeft vermoord.
    “Admiraal Kruimink vroeg toen of ik bekend was met “het Witboek” over
    Suriname dat op 16 mei uitgegeven zal worden door Chin A Sen. De RVN heeft
    een kopie kunnen bemachtigen. Het zal zeker als een bom inslaan aangezien het
    in aanzienlijk detail de moord op Bouterse’s vijanden beschrijft. Het zal zeker het
    Nederlandse publiek in woede doen uitbarsten en elke hervatting van hulp
    hoegenaamd onmogelijk maken. De premier zei toen dat hij over de zaak zal
    nadenken; met zijn collega’s zal praten en van zich zal laten horen via
    Ambassadeur Dyess”.
    “Ik herbevestigde toen onze voorwaardelijke Blue Angel commitment aan
    Nederland. Admiraal Kruimink uitte zijn bezorgdheid dat het tenminste vier
    dagen in beslag zou nemen om Nederlandse mariniers in Suriname te krijgen in
    geval een totale ineenstorting van de orde plaatsvindt. Om de conversatie aan te
    sturen naar Centraal Amerika verwees ik naar de problemen die dit gebied voor
    de VS vormt. Als wij niet in staat zouden zijn een communistische overname in
    onze voortuin te voorkomen zou er een geloofwaardigheidskloof kunnen
    ontstaan die het gevaar met zich meebrengt dat de Sovjets of anderen gaan
    geloven dat wij pas dan zullen vechten tenzij aanvallen op de VS zelf worden
    ondernomen. Ik heb er ook op gewezen dat wij een vluchtelingenprobleem
    zullen hebben”.
    “Ik herinnerde hem aan onze assistentie aan de Sandinistas toen zij voor het
    eerst aan de macht kwamen. Zij beloofden politiek pluralisme, respect voor
    individuele rechten, voor religieuze – en persvrijheden. De brute schendingen van
    deze vrijheden door de Sandinista regering waarbij Humberto Ortega’s
    statement geciteerd werd dat het Marxisme-Leninisme de gids was van het
    Sandinismo.
    Ambassadeur (Walters geeft hier zijn persoonlijke opinie; Red.) gelooft dat het
    politiek uiterst moeilijk zal zijn voor de premier om zijn publiekelijk ingenomen
    standpunt mbt hulp aan Bouterse om te keren. Ik neig ertoe daarmee eens te
    zijn. Mijn indruk is dat de Nederlanders ‘half’ hopen dat wij deze zaak zelf
    aanpakken. En dat wij welke internationale hitte die daarmee gepaard gaat ook
    moeten accepteren. In Nederlandse ogen is Bouterse’s werkelijke misdaad niet
    zozeer zijn associatie met Cubanen als wel het hebben vermoord van protegés
    van vele belangrijke Nederlandse politieke partijen en van vakbondsleiders”.
    Einde (Gen. Vernon Walters; Red.)
    53
    Op 9 mei liet Premier Lubbers, via zijn secretariaat, de Amerikaanse Ambassadeur in Den
    Haag, William Dyess, telefonisch weten dat het antwoord “Nee” was. De RVN heeft
    principieel het pootje stijf gehouden en geen dubbeltje bijgedragen aan de financiële pot
    voor ‘Guiminish’, het Amerikaans-Braziliaanse project om Bouterse te coöpteren in 1983.
    Ambassadeur Dyess stuurde de volgende dag een verhelderend memorandum56 naar Bill
    Clark.
    10 mei 1983
    Van: Ambassadeur William Dyess in Den Haag
    Naar: Judge William Clark in Washington
    (Geen titel; Red.)
    “Je zal het rapport van Ambassadeur Walters wel gezien hebben. Hij heeft
    gesproken met degenen die hij moest zien, uitgezonderd, de minister van
    Buitenlandse Zaken van den Broek die in Parijs was”. XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX. “Hervatting van Nederlandse hulp is politiek zo goed als onmogelijk voor de RVN in de komende weken – misschien zelfs maanden. Indien wij de hervatting van de hulp aankondigen zal de reactie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarschijnlijk grotendeels gunstig zijn”. “Ik heb het gevoel dat we het er bijna over eens zijn dat de tactiek van het onthouden van hulp, Bouterse niet ten val zal brengen. Hij zal met toenemend succes zijn draai ergens anders vinden, hoewel de VS bij velen een grotere voorkeur heeft dan “het ergens anders” hetgeen betekent Cuba of Libië. Maar of de minister van Buitenlandse Zaken ons zou steunen bij het nemen van zo’n stap is hypothetisch”. “Het probleem ligt in de reactie van het Parlement, de media en onder het publiek in het algemeen. Ik vrees dat de dominante visie op al deze gebieden is dat de VS helpt weer eens een wrede Latijns Amerikaanse dictator. Bouterse mag dan wel instemmen met een “Quid Pro Quo” om de banden met de Cubanen door te snijden maar dat zal niet zo invloedrijk blijken te zijn aangezien, zoals Ambassadeur Walters terecht vermoedt, Castro voor de Nederlanders niet het probleem in Suriname is. Het is zeker (weten) Bouterse. Er zijn functionarissen in de regering, vooral in de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie die de Cuba-invalshoek net zoals wij zien. Maar zij zullen niet in het gelijk gesteld worden met het oog op de wijdverbreide parlementaire, media, en publieke walging jegens Bouterse”. “Ik ben het eens met Ambassadeur Walters dat de Nederlanders ‘half hopen’ – misschien meer dan ’half’ – dat de VS Bouterse zal verwijderen (omverwerpen; Red.). En de kritiek die daarop zal volgen zal accepteren. Het zou best kunnen dat er hier veel minder kritiek op een US-interventie geuit zal worden dan wanneer er een hervatting van de US-hulp zou plaatsvinden”. “Even terzijde, de boodschap die jij naar mij gestuurd hebt afgelopen zaterdagmiddag had geen NIACT* indicator, dus ontving ik het telegram
    maandagmorgen, een paar minuten nadat het gezelschap geland was. Maar alles
    werkte goed uit”.
    Warme groet, Bill (Dyess; Red.)
    54
    *Officieel gecensureerd.
    **NIACT staat voor Nightly Activity (Nachtelijke Activiteit).
    Tenslotte zond Dyess op 16 mei opnieuw een telegram naar Washington om te
    rapporteren dat hij zojuist had vernomen, uit een NIPO-publicatie (Nederlands Instituut
    voor Publieke Opinie), dat 82% van de Nederlandse bevolking ertegen was dat
    ontwikkelingsgelden naar Bouterse toegingen.
    Ook Charles Hill, de Uitvoerend Secretaris van het ‘State Department’, droeg nog een
    steentje bij om “Operatie Guiminish” en het regiem in Paramaribo te redden van een
    gewisse economische ondergang; of er nog iets van zijn voorstel terecht is gekomen kon
    door ons niet met zekerheid worden vastgesteld. In ieder geval liet de inhoud van zijn
    begeleidende brief57 geen twijfel bestaan over de bedoeling van de Amerikaanse regering.
    Memorandum voor Mr. William P. Clark, The White House.
    Verzonden door Charles Hill, 25 mei 1983.
    Onderwerp: U.S. Bijstand voor het Braziliaanse initiatief in Suriname
    “Ter ondersteuning van de Braziliaanse poging om Bouterse te coöpteren en hem
    ertoe te krijgen de rug te keren naar zijn steeds nauwer wordende banden met
    Castro, hebben wij een weg gevonden om broodnodige deviezen te genereren
    voor de RVB. Wij moeten columbium en tantalum voor de Strategic Stockpile
    (Strategische Voorraad; Red.) kopen, beide worden door Brazilië geproduceerd.
    Wij kunnen ongeveer US $20 million aan deviezen genereren hetgeen een nettoopbrengst van US 15 miljoen zou kunnen opleveren voor de RVB zodat zij de
    belofte om economische en militaire assistentie aan Bouterse te verlenen kan na
    komen”.
    “Om dit plan in werking te stellen zullen wij het Materials Acquisition Plan
    (Materialen Verwervings Plan) voor de voorraad moeten aanpassen zodat
    columbium erin kan worden opgenomen. Het vereist ook een presidentiële
    beslissing om de koop van het materiaal uit Brazilië te versnellen. Wij zullen met
    de NSC en andere geëigende agencies samenwerken om de precieze parameters
    van de beslissing te bepalen in de komende dagen”.
    “Dit plan is niet bedoeld om andere wegen af te sluiten voor ons om de
    Brazilianen bij te staan. Het is voor ons een practische manier om hulp aan hen
    te verlenen in de nabije toekomst”.
    Charles Hill,
    Executive Secretary
    De financiële moeilijkheden waarmee ‘Operatie Guiminish’ te kampen had waren, zo te
    zien, niet snel op te lossen, noch door het Witte Huis in Washington noch door de politieke
    militairen in PlanoAlto.
  107. Operationele moeilijkheden bij ‘Operatie Guiminish’.
    De National Security Advisor van de President was de hoofdverantwoordelijke voor
    ‘Operatie Guiminish’, aan de Amerikaanse zijde. Hoewel niet getekend of anderszins
    gemarkeerd, is het hieronder geplaatste document58 vrijwel zeker samengesteld door Bill
    Clark (vlg. Red.) waarin hij kort reflecteert op zaken in de operatie welke nog afgehandeld
    55
    moesten worden. Hij zocht in deze moeilijke fase van het project het advies van Tony
    Motley, Otavio Medeiros en de Amerikaanse Ambassadeur James Theberge.
    Al vroeg in ‘83 deden zich ernstige spanningen voor binnen de Reagan Administratie,
    specifiek m.b.t. de werkrelatie van de Judge en de President; een relatie welke sterk
    beïnvloed werd door de jarenlange boezemvriendschap
    tussen de twee heren. Hooggeplaatste stafleden in het Witte
    Huis hadden niet zozeer bezwaar tegen de Judge’s
    ongelimiteerde, vaak onaangekondigde, dagelijkse toegang
    tot de president; het waren vooral zijn fanatiek politiekideologische stellingnames die, met name, door George
    Shultz, de Secretary of State, niet op prijs werden gesteld.
    Nancy Reagan, de vrouw van de President was het met Shultz
    eens. Dus werd Clark de kabinetspositie van Secretary of the
    Interior aangeboden en zou hij, met instemming van Reagan,
    het Witte Huis in augustus (1983) verlaten. Clark wilde
    “Operation Guiminish” afhandelen en leunde klaarblijkelijk
    zwaar op o.a. Generaal Medeiros. (Eerder moest ook Tom Enders het veld ruimen. Hij
    werd aangesteld als ambassadeur in Spanje [niet in Frankrijk; zie interview van de
    journaliste Judy Woodruff met George Shultz, ref 42]). De ideëen geuit in de onderstaande
    tekst58 zijn vermoedelijk overpeinzingen van Judge Clark, maar zeker weten wij dat niet.
    13 mei 1983
    Auteur onbekend. (Vermoedelijk William Clark; Red.)
    Onderwerp: BRAZILIË/SURINAME
    “–Ik geloof dat de resultaten van Generaal Walters’ trip naar Den Haag erop
    wijzen dat wij met Generaal Medeiros de verscheidene opties, die wij hebben,
    moeten exploreren om het verschijnsel Bouterse aan te pakken. Ik geloof niet
    dat de Brazilianen dit willen overwegen mits zij er zeker van zijn dat zij hun rol
    kunnen verhullen en dat, tezelfdertijd vanuit het publiek gezien, zij hun deal met
    Bouterse zullen voortzetten. Dit betekent dat wij enkele financiële bronnen van
    de US regering voor de Brazilianen moeten identificeren om het Braziliaanse
    initiatief te ondersteunen terwijl wij met Medeiros werken op Bouterse en
    daarbij de Nederlanders presenteren met een situatie waarin zij het gevoel
    hebben dat zij hun hulpprogramma aan Suriname kunnen hervatten”.
    “Ik heb de huidige tekst vandaag, 13 mei, met Ambassadeur Motley besproken
    en hij was ermee eens. Hij is van plan om de Generaals Venturini en Medeiros of
    vanavond of morgenochtend op te zoeken om, in het bijzonder, de Surinaamse
    situatie te bediscussiëren”.
    “Verschillen tussen de Brazilianen en ons, betreffende Bouterse’s huidige relatie
    tot de Cubanen. De Brazilianen geloven niet dat Bouterse nog langer de
    “Cubaanse kaart” speelt, ofschoon wij weten dat hun Zaakgelastigde in
    Paramaribo dezelfde Cubaanse ontwikkelingen aan Brasilia rapporteert die wij
    ook van onze bronnen ontvangen”. *XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX.
    e bemachtigen voor de ondersteuning van het Braziliaanse initiatief. Hij (Motley; Red.)
    gelooft dat het telegram welke naar hem toegestuurd was en een uiteenzetting gaf
    56
    van mogelijke “funding” bronnen verre van een adequaat antwoord was op het
    Braziliaanse verzoek. Hij stelde voor dat misschien the Deputy Secretary of Treasury
    (Financiën) bij dit werk betrokken moet worden vanwege zijn ervaring in het
    ontwikkelen van “funding” bronnen”.
    “–Mijn reis naar Brasilia in de zeer nabije toekomst heeft tot doel mijn
    conversaties met Medeiros, betreffende Bouterse zelve, voort te zetten
    gedurende ons bezoek daar. Motley gelooft dat de trip moet plaatsvinden voor
    het bezoek van de Surinaamse minister-president Alibux aan Brasilia dat op 23
    mei begint. *XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX. XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX. XXX XXX XXX
    XXX. Alibux vertegenwoordigt het nationalistisch element en is sterk gekant
    tegen de door-Cuba gesteunde factie geleid door Sital. Alibux schijnt op dit
    moment in de strijd de bovenhand te hebben; maar ik denk dat het vrij duidelijk
    is dat Bouterse hen tegen elkaar uitspeelt op dit moment, en ik denk niet dat we
    in de tussentijd zeker van Alibux’s overleving kunnen zijn.
    *XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX. Ik geloof dat Alibux zijn recente discussies met Ambassadeur Duemling
    misschien een indicatie zijn dat hij naar ons kijkt als een mogelijke bondgenoot in
    zijn strijd”.
    “–We hadden laatst nog, gisteren 12 mei, contact met Chin A Sen, leider van de
    Suriname Bevrijdings Raad gehad. In de afgelopen weken hebben wij hem
    aangemoedigd om door te gaan met zijn propaganda en politieke acties; maar
    houdt de plannen voor een paramilitaire operatie voorlopig aan. Hij zegt dat hij
    snel aan geloofwaardigheid verliest bij zijn volgelingen omdat zij allemaal
    begrijpen dat politieke acties en propaganda, ook al zouden zij hun activiteiten in
    Suriname kunnen verhogen, dat zulks niet tot succes zal leiden tenzij zij
    eventueel een paramilitaire operatie in elkaar zetten om Bouterse af te zetten.
    Chin A Sen praat nu over het opbouwen van een macht van 200-man voor dit
    doel. Eerlijk gezegd, ik twijfel eraan dat hij zoveel individuen zal kunnen werven,
    met een straaltje militaire ervaring, noch geloof ik dat de Surinamers in staat zijn
    voldoende veiligheid in welke operatie dan ook in te bouwen, zelfs met onze
    hulp, om Bouterse op eigen kracht af te zetten. Ik geloof dat wij kunnen
    voorspellen dat tenzij Chin A Sen tenminste de moeite neemt om een
    paramilitaire macht samen te stellen, zal de Bevrijdings Raad spoedig er niet
    meer zijn”.
    “Derhalve concludeer ik dat we het volgende moeten doen:
    a) Dringend proberen tenminste bescheiden geldbronnen te identificeren om
    het Braziliaanse initiatief met Bouterse te behouden.
    b) Ontmoet Medeiros zo spoedig mogelijk om opties betreffende Bouterse te
    exploreren en verhoog daarbij de kans op herstel van Nederlandse economische
    hulp.
    c) *XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX. XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX.
    57
    d) Laat Chin A Sen proberen een paramilitaire macht op de been te brengen. Dit
    zal de Raad in leven houden en Bouterse ongerust maken”.
    *XXX officieel gecensureerde tekst.
    James Theberge was de Amerikaanse ambassadeur in Nicaragua van 1975 tot 1977, en
    later, van 1982 tot 1985, in Chili. Volgens zijn Wikipedia-page en de berichtgeving in de
    pers bij zijn overlijden (januari 1988) had hij behalve een militaire opleiding ook
    aanzienlijke administratieve en academische ervaring mbt Latijns Amerika. Het is dus niet
    verwonderlijk dat zijn baas, William Clark, van zijn ervaring gebruik wilde maken, tijdens
    een bezoek aan Washington. Hij behoorde niet, voor zover wij weten, tot de groep van
    functionarissen intern belast met het strategisch plannen van ‘Operatie Guiminish’. Zijn
    advies59 aan Clark was als volgt:
    20 mei 1983
    Jim Theberge
    Onderwerp: VS/Brazilië/Suriname
    “Ik heb de ‘Suriname-file’ doorgenomen; hier is mijn commentaar”.
  108. “Ik ben het er mee eens dat het belangrijk is dat Brazilië met enkele fondsen
    geholpen wordt zodat zij zich aan hun deel van de afspraak met Bouterse kunnen
    houden. Waarom herprogrammeren wij eerdere AID* leningen niet”?
  109. “Het is vrij duidelijk, vooral met het oog op de aanhoudende anti-Bouterse
    publicaties/propaganda in Nederland, dat de Nederlanders hun hulp niet zullen
    hernieuwen terwijl Bouterse aan de macht is. Het is mij niet duidelijk dat het in
    ons belang is dat de Nederlanders de economische hulp hernieuwen”.
  110. “Het schijnt dat Bouterse, door zijn banden met de Cubanen te versterken
    sinds de Venturini missie van midden April, zijn Cubaanse opties openhoudt. Hij
    volgt misschien zelfs een twee-sporen beleid, aan de ene kant moedigt hij de
    Brazilianen aan en krijgt bijstand van hen, terwijl hij het grondwerk legt voor de
    Cubaanse militaire hulp om zijn greep op de macht te consolideren”.
  111. “Ik geloof dat het van essentieel belang is dat de auteur (William Clark?; Red)
    van het stuk zsm naar Brazilië gaat om XXX te bediscussiëren: a) hoe Bouterse
    aan zijn belofte te houden geen Cubaanse militaire aanwezigheid toe te laten,
    indien inderdaad zo’n duidelijke commitment was gegeven aan de Brazilianen. b)
    als Bouterse zijn commitment niet nakomt, wat Brazilië dan zou kunnen doen
    met andere middelen dan de “hulp” carrot om de Cubaanse militaire
    aanwezigheid te voorkomen”.
  112. “Ik heb geen vertrouwen in Brazilië’s wil om kracht te gebruiken, of te dreigen
    met kracht. Ik geloof dat zij niet in staat zijn in die termen te denken, misschien
    de militairen maar niet Itamaraty”.
  113. “Dus ik geloof dat wij een tweede weg moeten voorbereiden die gebruikt
    moet worden wanneer, en indien, de Braziliaanse economisch-militaire “hulp
    carrot” faalt om Bouterse te ontmoedigen militaire banden met Cuba te
    onderhouden. Bouterse schijnt diep gecommitteerd te zijn aan de Cubanen en
    heeft een pro-Cuba factie die voor Fidel werkt”.
  114. “Ik ben ermee eens dat Chin A Sen aangemoedigd moet worden om een
    paramilitaire kracht op te bouwen maar het lijkt meer dan prudent, met het oog
    58
    op de onzekerheden mbt de Braziliaanse oplossing voor het probleem, dat een
    echte paramilitaire kracht om Bouterse af te zetten, zsm, klaar wordt gemaakt”.
  115. “Indien we dat doen, dan kan bij het eerste teken van een Cubaanse militaire
    aanwezigheid (wapenstroom, training, komst van adviseurs etc.) de Chin A Sen
    groep in actie worden gebracht”.
  116. “Ik heb ernstige twijfels over de levensvatbaarheid van de Braziliaanse optie”.
    *Agency for International Development
    Het is waarschijnlijk dat Bill Clark een tweede reis naar Brasilia heeft ondernomen om met
    Generaal Medeiros de vermeende “loyaliteit” van Bouterse jegens Cuba te bespreken. Wij
    (Red.) weten niet welke resultaten de bespreking tussen deze twee topfunctionarissen
    precies heeft opgeleverd. Het leek vooralsnog onwaarschijnlijk dat de Braziliaanse
    generaals hun opinie over Bouterse zouden wijzigen.
  117. De kous is af: George Shultz en Robert Duemling sluiten de deal.
    In zijn schrijven van 28 april50 had Bill Clark, ondanks zijn twijfels
    over Bouterse, er bij Duemling op aangedrongen om hulp aan hem
    te verlenen wanneer hij daar om zou komen vragen. Duemling had
    er verscheidene malen op gewezen dat het hem niet bekend was of
    de Brazilianen van Bouterse persoonlijk de garantie hadden
    gekregen dat hij de Cubanen inderdaad uit Suriname zou
    verwijderen. De onderstaande tekst is een verslag van een
    conversatie tussen Duemling en zijn collega/vriend: de nieuwe
    Braziliaanse ambassadeur in Paramaribo, Luiz Lampreia59.
    19 juli 1983
    Van: Robert Duemling, Paramaribo
    Naar: Secretary of State, Washington, DC
    Onderwerp: Braziliaanse belangstelling voor Suriname
  118. Geheime tekst
  119. Samenvatting: De pas aangekomen Braziliaanse Ambassadeur Lampreia heeft
    bezorgdheid geuit dat het Braziliaanse initiatief niet op korte termijn zal
    resulteren in een reductie van de Cubaanse aanwezigheid en invloed in
    Suriname, misschien tegengesteld aan de verwachtingen van de USG. Hij
    beargumenteerde ook dat de USG geen politieke criteria moet opleggen en
    daarbij de IDB (International Development Bank; Red.) afremt.
  120. Op 19 juli had ik een uitgebreide conversatie met de Braziliaanse ambassadeur
    Luiz Palmeira Lampreia, die 36 uur eerder in Paramaribo was aangekomen. (We
    waren al goed met elkaar bekend gedurende Lampreia’s beperkte perioden als
    Zaakgelastigde eerder dit jaar). TDY Braziliaanse Zaakgelastigde Chohfi was ook
    aanwezig. Hij zal in de komende week naar Brasilia terugkeren en zijn plichten
    hervatten op Itamaraty belast met RVB-relaties met landen in de noordelijke
    regio van Zuid-Amerika.
    59
  121. Lampreia maakte de opmerking dat hij onlangs in Washington was en
    vervolgens in Brasilia; in beide plaatsen had hij nuttige discussies over de
    interrelatie tussen belangen van de USG en RVB in Suriname. Volgend op de
    navraag t.a.v. mijn gezichtspunten over de politieke ontwikkelingen in Suriname,
    gedurende het hiaat tussen zijn dienst als chargé en komst als ambassadeur,
    bracht Lampreia drie voorname zorgen tot uitdrukking.
    A. Cubaanse aanwezigheid in Suriname. Lampreia is er niet optimistisch over
    dat het zogenaamde Braziliaans initiatief op korte termijn zal resulteren in
    vermindering van de Cubaanse aanwezigheid vergeleken bij, zoals het op dit
    moment staat in Suriname. Integendeel, hij zei dat na Venturini’s missie Air
    Cubana begonnen is met tweemaandelijkse vluchten en dat een Cubaanse
    culturele groep Paramaribo heeft bezocht. Hij verwacht een toename in
    Cubaanse activiteit op het gebied van de gezondheidszorg, educatie, media enz.
    Ofschoon de RVB zelf hulp zal bieden op deze gebieden (ook het openen van een
    nieuw cultureel centrum en het versterken van de diplomatieke missie met een
    legerattachee en anderen) denkt Lampreia dat deze inspanningen zullen
    rivaliseren met, maar niet zal vervangen wat de Cubanen aan het doen zijn. Hij
    stemde in met mijn gezichtspunt dat de Cubanen er voor de lange termijn zitten,
    hun aandacht concentreren op politieke indoctrinatie van de jongeren (op
    scholen en de Universiteit) en stedelijke werklozen (vnl. personen onder 25 jaar
    oud).
    B. Verwachtingen van de USG. Lampreia drukte zijn ongemak uit met wat hij
    ziet als opgeblazen verwachtingen van de USG van hetgeen bereikt zal worden
    met het Braziliaanse initiatief zoals hierboven uiteengezet. Hij verwacht geen
    snelle of dramatische check (controle; Red.) op Cubaanse belangen in Suriname.
    Hij sprak over Sital’s schijnbare politieke dood in termen van ‘de aanwezigheid
    van één zwaluw kondigt nog niet de zomer aan’. Hij gelooft dat de beste
    uitkomst die redelijkerwijs verwacht mag worden is het langzaam losweken van
    Bouterse en gezelschap van de ingenomenheid met en/of afhankelijkheid van
    Cubaanse advies en hulp. Lampreia sprak duidelijk zijn bezorgdheid uit dat
    verschillen in tijdschema tussen Washington en Brasilia kon leiden tot`
    misverstanden en fricties in onze bilaterale relatie.
    C. Financiële hulp aan RVS. Lampreia beargumenteerde dat de USG moet de IFI’s
    (Internationale Financiële Instituties) toestaan te werken met de RVS zonder
    politieke criteria op te leggen aan hetgeen economische beslissingen behoren te
    zijn. Hij stelde (of zulks op grond van eerste-hands-kennis geschiedde was niet
    duidelijk) dat aan de VS-IDB-Directeur Casanova de opdracht is gegeven om zijn
    veto uit te spreken over elke vorm van IDB-hulp aan Suriname. Hij beschouwde
    dat onverstandig op twee gronden: (1) Brazilië heeft de middelen niet om aan de
    behoeften van Suriname tegemoet te komen. De enige andere acceptabele bron
    zouden de IFI’s zijn. (2) IFI’s kunnen en zullen economische discipline opleggen
    aan lenende landen op manieren die geen enkele soevereine lener kan hopen op
    te leggen.
  122. Commentaar.
    A. Na mijn inleidende schets van de huidige politieke situatie, was Lampreia het
    meest aan het woord en luisterde ik naar hem met minimale interruptie van mijn
    60
    kant. Ik was het met zijn oordeel eens dat het Braziliaanse initiatief waarschijnlijk
    niet onmiddellijk resultaten zal opbrengen die op significante wijze de Cubaanse
    aanwezigheid en invloed zal indammen. Proximale (nabij-liggende; Red.) oorzaak
    van Sital’s vertrek is vrijwel zeker het verschil van mening binnen de RVS over
    hoe te reageren op de Braziliaanse voorstellen. Maar de lang etterende
    verschillen tussen RVP en PALU waren even belangrijk. Wat betreft Washington’s
    tijdsschema en verwachtingen, gaf ik aan dat Washington niet onrealistisch
    veeleisend is maar nog altijd tastbare vooruitgang wil zien.
    B. Ik kon geen commentaar geven op de beweerde instructies aan Casanova. Ik
    kon Lampreia’s logica, betreffende het nut IFI’s erbij te betrekken zien, maar
    suggereerde dat elk ‘geven’ van de IDB-leiding zorgvuldig gecoördineerd moet
    worden met andere variabelen die gezamenlijk gewogen worden door
    Washington en Brasilia. Ik heb Lampreia uitgenodigd zijn eigen evaluatie binnen
    een paar weken te geven – van hoe hun coöptatie scenario zich zal uitspelen en
    wanneer, naar hun oordeel, de USG het meest effectief het Braziliaans initiatief
    zou kunnen versterken.
    Duemling
    Het antwoord van Shultz op Bob Duemling’s memorandum van 14 mei 1983 bestond
    uit drie delen: (i) In het eerste deel citeerde (‘quoted’) Shultz
    het ‘11/14 mei memorandum van Duemling’ in z’n geheel. Zó
    gaf Shultz aan dat hij het gehele memorandum ontvangen en
    gelezen60 had (en waarschijnlijk er ook goed over nagedacht
    had). (ii) Vervolgens onderschreef hij in nauwelijks drie regels
    het ‘11/14-mei-memorandum’ in z’n geheel61. (iii) Terwijl hij
    aanzienlijke macht in de handen van zijn ambassadeur in
    Paramaribo legde, reikte de Secretary of State de regering
    Alibux een klein VS-beurzenprogramma aan62, via Henk
    Heidweiler, de behartiger van de belangen van de Surinaamse
    machthebbers in Washington. Het eerste deel van zijn
    antwoord60 aan Ambassadeur Duemling staat hier onder
    afgedrukt.
    Van: Secretary of State Shultz
    Naar: Ambassade in Paramaribo
    Quote
    14 mei 1983
    Van: Ambassade in Paramaribo
    Naar: Secretary of State
    Onderwerp: VS-beleid tav Suriname: observaties en waarnemingen
  123. Geheim – gehele tekst
  124. Samenvatting. In dit telegram wordt aanbevolen dat wij, als antwoord op
    Minister President Alibux’ dringend verzoek, het volgende voorstel (aan hem;
    Red.) doen. De RVS moet instemmen met en zal verifieerbare
    beleidsveranderingen doorvoeren in buitenlandse aangelegenheden, en in hun
    houding tegenover de VS, en ten aanzien van fundamentele rechten en vrijheden
    in Suriname. In ruil daarvoor zou de USG ermee instemmen om de nieuwe
    61
    regering te steunen en na het afsluiten van een toets periode, hulp zal hervatten.
    Een belangrijk uitvloeisel van zo’n initiatief zal het succes van de Braziliaanse
    poging zijn om een halt toe te roepen aan de uitbreiding van de Cubaanse
    invloed en aanwezigheid. Ons voorstel zal Bouterse’s goedkeuring en steun
    vereisen. Als we deze benadering adopteren, zal de RVS het terstond kunnen
    verwerpen. In dat geval zullen wij een belangrijke test van de nieuwe regering
    hebben afgenomen. Zelfs al zal de RVS het accepteren, voorzichtigheid gebiedt
    dat we onze middelen behouden die we nodig hebben in geval de situatie
    verslechtert naar een punt waarop meer drastische maatregelen vereist kunnen
    zijn. Einde samenvatting.
  125. In een conversatie met mij op 7 mei (Ref A) deed MP Alibux een verzoek aan
    de USG om steun voor het programma van de RVS, aangekondigd op 1 mei 1983.
    Alibux lijkt twee vormen van steun in gedachte te hebben: (1) een publiek signaal
    dat de USG gunstig oordeelt over de doelen zoals uiteengezet in het
    regeringsprogramma en (2) tastbare steun voor economische
    ontwikkelingsprojecten. In Ref A werd om instructies van het Departement
    (State: Red.) gevraagd aangaande het verzoek van Alibux. Ik heb beloofd mijn
    eigen aanbevelingen te doen. Deze zijn opgenomen in dit telegram.
  126. Bij het doen van zijn verzoek moet Alibux zich wel gerealiseerd hebben dat hij
    de USG vroeg om een aanzienlijke verandering aan te brengen in het beleid dat
    wij aangenomen hebben na de gebeurtenissen van december 1982. Dat is,
    verwijderd van een beleid van isolatie, naar een mate (graad) van verzoening. Bij
    het beschouwen van zijn verzoek, denk ik dat het passend is om de oorsprong en
    rationale (beweegreden) van ons huidig beleid en de gevolgen daarvan in
    herinnering te brengen.
  127. Ons huidig beleid is gebaseerd op de volgende overwegingen:
    A. De ultieme autoriteit in Suriname – Bouterse demonstreerde in december
    1982 dat hij de autoriteit niet zou delen. Zou geen uitdaging aan persoonlijke rol
    dulden. En zou niet terugkeren naar de traditionele democratische praktijk. We
    trokken de conclusie dat Bouterse geen significant deel van de Surinaamse
    bevolking vertegenwoordigde en dat zijn leiderschap fataal defectief is.
    B. Aard van de Surinaamse regering –- na de gebeurtenissen van 8 december.
    We trokken de conclusie dat de RVS autocratisch zou blijven of misschien
    oligarchisch van aard. Zonder adequate garanties voor fundamentele
    mensenrechten en vrijheden, de eerlijke rechtsgang daarbij inbegrepen.
    C. De buitenlandse politieke oriëntatie — in toenemende mate sinds oktober
  128. De RVS heeft een buitenlandse politieke lijn geadopteerd die lijkt op en
    geleerd is van Cuba. Deze lijn manifesteerde zich op de Managua NACB (NonAligned Coordinating Bureau; Red.) vergadering; op NAM (Non Aligned
    Movement; Red.) vergadering in Delhi; en in Bouterse’s gezamenlijk
    communiqué met Gaddafi. Recentelijk, heeft RVS zijn relatie met Cuba verdiept
    door bilaterale overeenkomsten aan te gaan en door de uitwisseling van
    bezoekers en delegaties voort te zetten.
    D. Houding tegenover ons – sinds december 1982. De officieel gecontroleerde
    media heeft een campagne tegen USG gevoerd vol valse beschuldiging met
    aanvallen op haar karakter en beleid. Recente, prominente voorbeelden waren
    62
    “1ste mei – dag posters” waarop de CIA ervan beschuldigd wordt Chin A Sen en
    Haakmat te controleren. En de bewering in het dagblad De Ware Tijd van 9 mei
    dat “Sinds 1980, Suriname’ s revolutionair proces destabiliserende activiteiten
    van de CIA heeft ondervonden”.
  129. Gebaseerd op de overwegingen hierboven uiteengezet, was ons beleidsrespons als volgt:
    A. We schortten de ontwikkelingshulp op en daaraan gerelateerde hulpprogramma’s.
    B. Wij deden het verzoek dat de RVS een bevredigende verklaring geeft voor de
    gebeurtenissen van 8 december en overtuigende garanties voor fundamentele
    mensenrechten in Suriname.
    C. Wij voerden een diplomatieke campagne om de RVS te isoleren. Om te
    voorkomen dat zij morele en politieke steun zou vinden en alternatieve bronnen
    om de opgeschorte Nederlandse hulp te vervangen. In dit streven werkten wij
    nauw samen met de Nederlandse regering. Het is op zijn plaats om, in dit
    verband, hier op te merken, dat op 6 mei de Nederlandse minister-president
    gesteld heeft dat het nieuwe rvs-programma geen reden verschaft voor
    hervatting van de Nederlandse hulp.
    D. Wij hebben “exiles” (vluchtelingen; Red.) die Suriname terug willen brengen
    naar representatief bestuur aangemoedigd.
  130. Op dit moment, gegeven Alibux’ verzoek tot een beleids-revaluatie van onze
    kant, moeten wij ons afvragen wat er veranderd is in de Surinaamse situatie en
    wat is hetzelfde gebleven?
    A. Fundamenteel onveranderd zijn de aard van Bouterse’s mate van controle
    en stijl van regeren. Hij is een gewetenloze demagoog die bovenal op zelfbehoud
    uit is. Maar indien mogelijk op sociale, politieke en economische transformatie
    van Suriname uit is, volgens de lijn bepleit door Castro en Maurice Bishop.
    Grotendeels onveranderd. Ondanks de verschijning (sinds februari) van een
    nieuwe regering op het toneel gedomineerd door de PALU en waaraan de RVP
    deelneemt. Is de oriëntatie van het politieke management aan wie Bouterse de
    dagelijkse operaties van de regering heeft toevertrouwd. Het nieuwe
    regeerprogramma opgesteld door Alibux en gezelschap. Het is opmerkelijk vaag
    wat betreft concrete plannen voor het herstel van de rechtstaat.
    Ontwikkel daadwerkelijke representatieve politieke instituties. Of bescherm de
    vrijheid van meningsuiting in de publieke media. Vermoedelijk is de Nederlandse
    regering tot dezelfde conclusie gekomen. Het kan daarom geen basis vinden voor
    de hervatting van de hulp.
    B. Wat is er veranderd in de situatie? – dramatisch – is de beslissing van Brazilië
    om de regionale isolatie van Suriname te beëindigen en om extensieve politieke,
    economische en militaire hulp te beloven. Met deze zet, heeft Brazilië de
    strategie in de war geschopt welke erop gericht was om Suriname’s isolatie en
    haar economische stagnatie te bevorderen en zodoende wijdverbreide
    volksoppositie tegen het Bouterse regiem (dat was de hoop) te veroorzaken.
    Over deze strategie kon, toegegeven, gedebatteerd worden aangezien
    economische verslechtering en het ontrafelen van sociale netwerken riskeren
    63
    preventieve stappen van links-radicalen, aangemoedigd of gesteund door de
    Cubanen voordat democratische elementen zich konden doen gelden.
    Bedachtzame Surinamers waren het met deze strategie niet eens. Sommigen
    geloofden dat het de enige weg was om Bouterse van zijn paard af te stoten.
    Anderen vreesden dat de binnenlandse onrust onvermijdelijk in het voordeel van
    de links-radicalen zou uitwerken.
  131. Kortom de Braziliaanse stap plaatst ons voor een moeilijke keus. Moeten wij
    een zekere mate van steun aan hun initiatief verlenen? Zelfs wanneer
    onderkend wordt dat onze eigen pogingen in de loop van 1982 mislukten om
    Bouterse te coöpteren en de Cubaanse connectie vroegtijdig tot een einde te
    brengen. En dat hun poging niet meer succesvol zal zijn. Of moeten wij ons totaal
    op een afstand houden om te zien wat voor succes de Brazilianen op zichzelf
    behalen. Tegelijkertijd onze eigen opties ontwikkelen en behouden voor
    toekomstige acties. Het kan best zijn dat Washington al besloten heeft.
    Tenminste deels, welke koers te varen. In dit verband merk ik op dat het
    Departement nog antwoord moet geven op het verzoek van de Ambassade in
    Den Haag om begeleiding (instructie; Red.) welke koers gevolgd moet worden.
    Ik zou willen opmerken dat elk besluit genomen door de USG om zelfs beperkte
    steun aan het Braziliaans initiatief te geven versterkt moet worden door (a)
    zorgvuldige raadpleging met de Nederlandse regering in het bijzonder de
    voorwaarden waaronder zij bereid zouden zijn om hun hulp aan Suriname te
    hervatten. En (b) het houden van acties XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX
    XXX XXX XXX XXX XXX XXX XXX*.
  132. Wat aantrekkelijk is in het Braziliaanse initiatief is het “quid pro quo” met
    betrekking tot de Cubanen. Indien – herhaal – indien de Brazilianen erop staan
    dat Suriname haar banden met Cuba verzwakt en met andere radicale staten, en
    Cubaanse wapens en kader uitsluit (buiten de deur houdt; Red). En indien –
    herhaal – indien Brazilië bereid is kracht te gebruiken om dat deel van de deal te
    verzekeren dan zou één van onze eigen belangrijke doelen zijn bereikt. Maar ik
    weet persoonlijk niet hoe strikt Generaal Venturini met Bouterse is geweest over
    de Cubaanse kwestie. De Braziliaanse Zaakgelastigde geeft mij de verzekering dat
    Venturini zich niet heeft ingehouden bij het bespreken van dit onderwerp. Maar
    hij geeft toe dat hij geen idee heeft of zijn regering criteria heeft gedefinieerd
    aan de hand waarvan de acties van de RVS worden getoetst.
  133. Met betrekking tot de keuze gesteld in bovenstaande paragraaf 5 geef ik er
    de voorkeur aan Alibux een antwoord te geven waarin een positie wordt
    ingenomen separaat van maar consonant met het Braziliaanse initiatief met
    daarbij een helder statement (stellingname; Red.) over wat wij van de RVS eisen
    voordat wij bereid zijn assistentie aan te bieden. Kortom, speel de bal terug naar
    Alibux en eis van de RVS om een specifieke ‘commitment’ te maken en deze
    succesvol na te leven voordat wij enige mate van hulp hervatten. Een doel van
    deze benadering is om zeker te maken dat wij niet uitgebuit worden door Alibux,
    om wille van zijn eigen nauwe en partijdige doelen. En dat we niet gevraagd
    worden om “een kat in een zak te kopen”. Ik geloof dat wij redelijkerwijs om het
    volgende kunnen vragen:
    64
    A. Beëindig de mediacampagne tegen ons. In dit verband heeft de ambassade
    in de afgelopen maanden een lijst bijgehouden van de keren de VS werd
    genoemd in het avondnieuws programma’s op tv en in dagbladen. De lijst toont
    een duidelijk patroon van misbruik aan.
    B. Voortspruitend uit het voorgaande. De media moeten bereid zijn om
    gebalanceerde verslagen van internationale kwesties te geven, inclusief enige
    aandacht aan het gezichtspunt van de VS. Nu weigert de media ook maar iets
    positief over de VS te presenteren. Of maar iets dat de positie van de USG uitlegt.
    Zelfs Granma publiceert de toespraak bij de gezamenlijke sessie van het Congres.
    De Ware Tijd presenteerde slechts een kort verslag van Cuba’s kritiek . En niets
    over de speech zelf.
    C. Stop met de beschuldigingen dat de CIA Suriname probeert te destabiliseren;
    onder andere, stop met posters en dergelijke waarin de CIA verbonden wordt
    met tegenstanders van de regering.
    D. In buitenlandse politiek. Hou je aan werkelijke non-alignment. Dit betekent
    dat RVS moet vermijden zich slaafs te klampen aan Cubaanse posities en
    ongerechtvaardigde aanvallen zoals Bouterse’s veroordeling van ons MiddenOosten beleid in het internationaal communiqué met Gaddafi.
    E. Garanties met betrekking tot fundamentele mensenrechten in Suriname.
    Anders dan de andere punten, kan dit gebied niet direct geobserveerd worden.
    Echter, ik geloof dat wij onze bezorgdheid kenbaar moeten maken. Zodat indien
    een herhaling van de december 1982 gebeurtenissen plaatsvindt zullen wij de
    grond voor krachtige actie al (reeds) hebben vastgesteld.
  134. Het Departement zal gemerkt hebben dat ik verscheidene andere gebieden,
    waarover wij ons terecht zorgen kunnen maken, niet specifiek heb aangehaald.
    (De vetdruk hieronder is door de Red. aangebracht).
    A. Gebeurtenissen van 8 december, 1982. Ik beveel aan dat wij ermee
    stoppen aan te dringen op een uitleg (Zie Ref D) zolang Bouterse aan de macht
    is. Geen regering van Suriname kan publiekelijk de waarheid opbiechten.
    Dezelfde beperking geldt waarschijnlijk voor Alibux. Het bewijs suggereert zijn
    medeplichtigheid. Meer nog, persistent praten van onze kant over “een uitleg”
    laat zich in Surinaamse termen vertalen als een eis tot afzetting van Bouterse.
    Zonder zover te gaan als kracht toe te passen. Dat ligt niet in onze bedoeling.
    B. Cubaanse invloed—Ik beveel aan dat wij de Brazilianen verantwoordelijk
    maken voor de kwestie van de Cubaanse invloed. Volgens zeggen hebben zij de
    leiding al op zich genomen. Wij moeten de Brazilianen onder druk zetten om op
    hun beurt druk uit te oefenen op de Surinamers. Maar als wij vinden dat de RVB
    niet strikt genoeg is, zullen wij de Cubaanse kwestie aan onze eigen lijst van
    vereisten moeten toevoegen.
    C. Politieke instituties – Ofschoon de voorstellen van Alibux betreurenswaardig
    vaag zijn op dit gebied, denk ik niet dat verwacht mag worden dat wij de interne
    politieke structuren van Suriname kunnen dicteren. Wij kunnen en moeten
    aandacht vragen voor democratische praktijken maar ik denk niet dat dit in
    dezelfde categorie geplaatst kan worden als de criteria voor actie (performance;
    Red.) hierboven uiteengezet.
    65
  135. Indien het Departement besluit het voorgestelde antwoord aan Alibux goed
    te keuren dan moeten de volgende punten in overweging worden genomen.
    A. Het niveau van de démarché. Aangezien wij op Alibux’s verzoek handelen,
    moet ik hem het antwoord sturen. Maar het is van vitaal belang dat een parallel
    demarché aan Bouterse wordt gestuurd omdat hij de ultieme autoriteit
    vertegenwoordigt die onze voorwaarden zal moeten accepteren en om de
    mogelijkheid te vermijden dat Alibux slechts zijn eigen belangen probeert te
    dienen. (Redactie – Een draft-démarché aan Bouterse is als bijlage geplaatst in dit
    rapport).
    B. Proefperiode. Wij moeten een beperkte periode vaststellen gedurende
    welke wij de performance van de regering evalueren aan de hand van onze
    criteria. Aangezien Alibux heeft gewaarschuwd dat wij niet te lang moeten
    wachten, denk ik dat drie maanden voldoende tijd zou zijn voor RVS om een
    ommekeer te brengen in sommige van hun huidige praktijken en dat zal ons een
    minimum aan tijd geven om daar redelijk van overtuigd te zijn.
    C. Aard en timing van de USG steun—Indien de RVS onze voorstellen accepteert
    en zich aan haar commitment houdt, moeten wij bereid zijn om ESF (Exchange
    Stabilization Fund; Red.) en IMET (International Military Education Training; Red.)
    -steun voor het einde van het FY 83 (fiscale jaar ‘83; Red) te hervatten. We zullen
    het natuurlijk duidelijk moeten maken dat we niet voor het verlies van de
    Nederlandse hulp kunnen compenseren. Bij afwezigheid daarvan zullen ernstige
    economische problemen blijven bestaan. Zelfs voor de hervatting van de hulp en
    afhankelijk van de performance van de RVS, is het wenselijk dat wij enkele
    ondersteunende uitspraken doen over het programma van de nieuwe regering in
    dit stadium. Ik vind het echter moeilijk om buiten de waarschijnlijke
    ontwikkelingen van de komende vier maanden te kijken naar de mogelijkheid,
    bijvoorbeeld, van het hervatten van de Nederlandse hulp.
  136. Indien wij Alibux een antwoord geven zoals ik voorgesteld heb en indien
    Bouterse en Alibux ermee eens zouden zijn, geloof ik dat wij slechts uit
    voorzichtigheid enig contact met Chin A Sen moeten voortzetten en op de achter
    brander de mogelijkheid openhouden dat de problemen in Suriname meer
    drastische oplossingen kunnen gaan vereisen.
  137. Tenslotte moeten wij erkennen (onder ogen zien; Red.) dat elke benadering,
    langs de lijnen hier uiteengezet, zonder discussie kan worden verworpen door
    Alibux en/of Bouterse. In dat geval hebben wij hun reactie bepaald en bevestigd
    dat de huidige regering van Suriname geen doelen met ons gemeen heeft en op
    belangrijke wijze vijandig kan zijn wanneer het om onze vitale nationale belangen
    gaat.
  138. Ik wacht instructies van het Departement af langs de lijnen hier uiteengezet,
    zonder discussie kan worden verworpen door Alibux en/of Bouterse. In dat geval
    hebben wij hun reactie bepaald en bevestigd dat de huidige regering van
    Suriname geen doelen met ons gemeen heeft en op belangrijke wijze vijandig
    kan zijn wanneer het om onze vitale nationale belangen
    Duemling
    Unquote Shultz
    *Officieel gecensureerd.
    66
    Het tweede deel van Shultz’ antwoord op Duemling’s memorandum, vervat in een vervolgmemorandum61, was kort en krachtig.
    4 augustus 1983
    Ref: *A) Paramaribo 1717; **B) Paramaribo 1743
  139. G.- Gehele tekst.
  140. Hoewel gedeeltelijk overschaduwd door Heidweiler’s boodschap van zijn
    bazen “Re: Hun verzoek om een hoog-niveau bezoek” (Reftel B) U hebt
    toestemming om Min. Pres. Alibux te antwoorden langs de lijn die U uiteengezet
    hebt in para 14 (Reftel A); (schuindruk, Red.). Shultz
    **Red.: ‘Reftel B (Paramaribo 1743)’ was niet te vinden in de files. Heidweiler
    heeft echter vaker gepleit bij de SecState o.a. om Alibux en Bouterse voor een
    bezoek aan President Reagan uit te nodigen64.
    *Red.: Reftel (A) is het 11/14 mei memorandum verzonden door Duemling naar
    Washington, DC.
    In para 14, de slotparagraaf, stelde Duemling dat elke kwestie (issue) in het memorandum
    langs heldere lijnen uiteen was gezet. Indien Bouterse en Alibux bij voorbaat, zonder
    discussie dus, de standpunten van de VS verwierpen dan zou het bevestigd zijn dat de
    regering van Suriname geen doelen met de VS gemeen heeft en vijandig stond tegenover
    de vitale nationale belangen van de VS. Duemling had het zó duidelijk als mogelijk,
    doorzichtig en gemakkelijk als maar kon gemaakt voor Alibux en Bouterse. Shultz
    onderschreef de essentie van de gedachte zoals geformuleerd in punt 14. Hij keurde het
    beleid voorgesteld door Duemling op alle punten goed. Daarmee is de kous was af! De
    goedkeuring van het ‘Duemling-beleid’ maakte effectief een einde aan ‘Operatie
    Guiminish’.
    Voor de volledigheid wordt hier het derde deel van Shultz’ antwoord afgedrukt waarin hij
    een schenking aan de Surinaamse regering doet toekomen62.
    4 Augustus 1983
    Van: Secretary of State Shultz, Washington, DC.
    Naar: Ambassadeur Duemling, Paramaribo.
    Onderwerp: Antwoord van de VS op verzoek van de RVS.
  141. Vertrouwelijk – Gehele tekst.
  142. Bij de volgende gelegenheid die U hebt mag U aan Ambassadeur Heidweiler
    mededelen dat U door Washington geadviseerd bent dat als gevolg van zijn
    conversaties met de Nationale Veiligheids Aviseur Clark en Assistant Secretary
    Motley en vanwege het verlangen geuit door zijn land om de relaties met de VS
    te verbeteren, het besloten is dat de VS de hernieuwing van een scholarship
    programma voor Suriname in gunstige overweging zullen nemen. Het
    programma uitgevoerd onder toezicht van de USIA kan begonnen worden zodra
    wij tevreden zijn dat de RVS haar anti-VS retoriek heeft beëindigd. Wij zullen de
    uitlatingen van de RVS nauwkeurig volgen, zowel binnenlands als in het
    buitenland, om tot ons besluit te geraken. U mag de informatie met anderen in
    de RVS delen.
  143. U mag ook Heidweiler en anderen informeren dat de hervatting van een
    beurzenprogramma gezien moet worden als een eerste stap, gevolgd door
    67
    andere. Indien de RVS instemt met het aanbrengen en zichtbaar maken van
    aanpassingen op kritieke gebieden van Mensenrechten, relaties met Cuba en
    oriëntatie in buitenlandse politiek. Shultz
    De Situation Room Checklist (een soort logboek; Red.) van 5 augustus 1983 vermeldde
    tevens63:
    “(…) Duemling heeft ook de autorisatie gekregen om tegen Minister-President
    Alibux te zeggen dat als antwoord op zijn verzoek voor een ontmoeting met de
    President (Reagan; Red.) t.b.v. hemzelf en Bouterse, dat zo’n ontmoeting op dit
    moment prematuur zou zijn. Echter, we geloven dat Alibux ons beter zou moeten
    leren kennen; dus, zijn wij bereid voor hem de reis in verband met zijn bezoek aan
    de OAS (in Washington, DC; Red.) in November te regelen”.
  144. Tot slot: 29 november 1986.
    President Ronald Reagan’s dagboek18 vermeldde bij donderdag 11 december 1986, de
    volgende tekst:
    “Om 9:30 am, op weg naar de Situation Room (in het Witte Huis; Red.) voor een
    vergadering betreffende het verzoek van de Nederlanders voor militair transport
    van ongeveer 700 van hun mariniers naar Suriname om de regering over te
    nemen van de wrede dictator die mensen daar het leven ontneemt inclusief dat
    van 6000 Nederlandse burgers. Caspar Weinberger en Admiraal Crowe aarzelden
    om een ‘OK’ te geven aan George Shultz die in Europa is voor een ontmoeting
    met de Nederlandse NATO vertegenwoordiging. Ik vond dat wij niet gewoonweg
    ‘nee’ konden zeggen. Wij waren het met elkaar eens dat het werkelijk een
    probleem is om ‘ja’ te zeggen zonder de tactische problemen van een militaire
    operatie te kennen. Vliegen wij hen gewoon daarnaartoe en landen vervolgens op
    een airstrip in Suriname welke omringd kan zijn door vijandige militairen? Wel,
    het resultaat is dat een militair team onder weg is naar Holland om een
    ontmoeting met hun top militaire brass te hebben”.
    In Reagan’s dagboek staat bij donderdag 1 januari 1987 het vervolg op het Nederlandse
    verzoek te lezen:
    “Holland heeft haar aanval op Suriname afgelast, wij waren door haar voor
    transport aangezocht”.
    Nederland werd indirect, door de VS, ervan weerhouden Suriname binnen te vallen en
    vervolgens Bouterse te arresteren. Voor zo’n actie had het, na 1975, de formele of
    informele instemming van de VS, de grootmacht op het Westelijk Halfrond, nodig (Monroe
    Doctrine), tenzij de Moiwana slachtoffers Nederlandse burgers waren.
    De Moiwana slachting, uitgevoerd door het Nationaal Leger op 29 november 1986,
    beëindigde op gruwelijke wijze het leven van 39 weerloze mensen van Marron-afkomst, in
    meerderheid vrouwen en kinderen. Het lijdt geen twijfel dat de notitie van ‘11 december
    1986’ in Reagan’s dagboek naar deze dramatische gebeurtenissen in Suriname verwijst.
    Wij hebben natuurlijk geen exact idee welke de precieze overwegingen van de Amerikanen
    waren om steun aan de Nederlanders te onthouden.
    Echter weten wij wel dat de President ervan wist dat “de wrede dictator” sinds augustus
    1983 (eigenlijk, sinds 20 april 1983) Amerikaanse bescherming genoot. In feite is hij, de
    68
    President – zoals vermeld in een aantal RRL-documenten en in zijn dagboek – persoonlijk
    betrokken geweest bij besprekingen over de doelen van ‘Operatie Guiminish’. Hij wist dat
    Bouterse met succes gecoöpteerd was geworden. Dus kon het best zijn dat President
    Reagan niet aan de arrestatie van “de wrede dictator” wilde meewerken om te vermijden
    dat de corrupte VS-Bouterse relatie, met presidentiële goedkeuring in-elkaar-gezet, aan
    het licht zou komen. Hoe dan ook de weigering blijft een onaangename, ziekmakende
    daad van mateloze zelfzucht van de kant van de natie – een liberale democratie – die
    zichzelf rekent tot de meest nobele onder nobele naties en gemakshalve vergeet dat zij al
    bijna 40 jaar de rechtsorde in de jongste, kleinste Republiek welke tot één van de armste
    op het Zuid-Amerikaanse continent mag worden gerekend, heeft helpen saboteren voor
    eigen belang.
    Als de beleidsmakers in Washington (blijven) volharden dat Bouterse beschermd moet
    worden zullen zij, ten langen leste, de minachting van het Surinaamse volk oogsten,
    niettegenstaande de heerschappij van de VS over de Westelijke Hemisfeer.
    Suriname zou zichzelf kunnen wijsmaken dat dit alles tot ‘het verre verleden’ behoort òf
    het kan een modus vivendi op dit halfrond helpen scheppen die van karakter en moed
    getuigt en het leven van alle medebewoners waardeert.
  145. Referenties*
    (* Zie Bijlage op pagina 73 voor additionele informatie).
  146. Cable. From Judge William Clark to Ambassador Robert Duemling. No title. April 28,
  147. ID# 2253. Collection Name: Clark, William Files. Folder: Suriname cables
    [04/23/1983-04/30/1983]; pg.13. Box Number 6. WHORM*: Alpha File, Ronald Reagan
    Library.
  148. Gildehus, Mark T. (2006). “The Monroe Doctrine: Meanings and Implications”.
    Presidential Studies Quarterly 36, no. 1.
  149. Walt, Stephen M. (2011). “The Myth of American Exceptionalism”. Foreign Policy
    October 21, 2011.
  150. https://en.wikipedia.org/wiki/Manifest_destiny
  151. https://www.foia.gov/about.html
  152. New York Times, World News Briefs (1980) “Dutch say civilians share in new
    Suriname, regime” 27 February, NYT.
  153. Clarridge Duane R. (1997). “A spy for all seasons: My life in the CIA”. Publisher:
    Scribner, New York.
  154. Memorandum for the President from William P. Clark. Titel XXX. 18/25 April or 1
    September 1983. ID# 2095. Collection Name: Clark, William Files. Folder: Suriname
    05/02/1983 – 05/18/1983; pg. 27-29; Box Number 5. WHORM: Subject File, Ronald Reagan
    Library.
  155. Cardenas, Osvaldo. (1988). “De revolutie van sergeanten: Getuigenis van mijn werk
    als residerend ambassadeur van Cuba”. Uitgave van het StudieCentrum voor
    Vredesvraagstukken, Katholieke Universiteit van Nijmegen.
  156. https://en.wikipedia.org/wiki/Caribbean Basin Initiative
    69
  157. Kengor, Paul and Clark-Doerner, Patricia. (2007). “The Judge: William P. Clark,
    Ronald Reagan’s Top Hand”. Publisher: Ignatius Press; San Francisco.
  158. Shultz, George P. (1993). “Turmoil and triumph: Diplomacy, power, and the victory
    of the American Deal”. Publisher: Scribner, New York.
  159. Ewing, R. C. and Rickert, J. B. (2010). “Interview with Jonathan B. Rickert”. Retrieved
    from the Library of Congress, https://www.loc.gov/item/mfdipbib001632/
  160. Kennedy C.S. and R.W. Duemling (1989). “Interview with Robert W. Duemling”.
    Retrieved from the Library of Congress.
  161. Richard J. Meislin (1983). “A wave of anxiety washes the Caribbean”. 30 October
    1983 New York Times.
  162. Radio and TV Report; Metromedia News 04/29/1983 in Folder: Suriname
    “Miscellaneous” Items 04 09 1983 to 05 31 1983 – pg. 31.pdf.
  163. Schrijver onbekend. (1983). ‘De Decembermoorden in Suriname. Verslag van een
    ooggetuige’. Uitgeverij: Het Wereldvenster (Unieboek BV), Bussum, The Netherlands. ISBN
    90 293 9435 8
  164. Ronald W. Reagan (2007). “The Reagan Diaries”. Harper Collins Publishers.
  165. Cable. Ambassadeur R. Duemling to Secretary of State George Shultz. ‘Cuban
    viewpoints and motivations of the Cuban Ambassador’. January 11, 1983. ID# 2117.
    Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables January 1983; pg. 16. Box
    Number 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  166. Publication. Directorate of Intelligence – CIA. ‘Suriname: Economic troubles
    compound political uncertainty. An intelligence assessment’. July 1983. ID# 2104.
    Collection Name: Clark, William Files. Folder: Suriname 05/20/1983 – 07/20/1983; pg. 18-
  167. Box Number 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  168. Philip Taubman. ‘U.S. drops plan to overthrow the government of Suriname’. 1 juni
  169. New York Times.
  170. Publication. Director of Central Intelligence – CIA. ‘Suriname: Bouterse’s leftward
    drift. A Special Intelligence Estimate’. 21 November 1984. Issued by William Casey, Director
    of the CIA. The National Foreign Intelligence Board concurred. Approved for release:
    2009/08/06: CIA RDP87T00217R000500 040002-8.
  171. Delaval, Craig. ‘Frontline: Cocaine, Conspiracy Theories & the C.I.A. in Central
    America”. (2000). Archived from ‘the original’ on October 19, 2000.
  172. Cable. From: Secretary of State to Amembassy in Brasilia. ‘Consultations with the
    Brasilians’. 6 January 1983. ID# 2110. Collection Name: Clark, William: Files. Folder:
    Suriname Cables January 1983; pg. 6. Box Number 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan
    Library.
  173. Cable. From Ambassador George Landau to Assistant Secretary Thomas Enders.. 6
    January 1983. ID# 2111. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables
    January 1983; pg. 7-9. Box Number 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  174. Anthony Langhorne Motley (born June 5, 1938), Diplomat | World Biographical
    Encyclopedia (prabook.com) A Charmer and a Pro – TIME.
  175. Cable. Van Ambassadeur Tony Motley, Brasilia naar Tom Enders, Asst. Secr. of
    State, Washington. ‘Foreign Minister comments on Suriname situation’. 20 January 1983.
    70
    ID# 2129. Collection Name: Clark, William Files. Folder: Suriname Cables January 1983; pg.
    30-32. Box Number 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  176. Cable. Brief van President Reagan naar President Figueiredo. 25 maart 1983. ID#
  177. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables February – March
    1983; pg. 37-38. Box Number 5. WHORM: Subject File, Ronald Reagan Library.
  178. Scott, James M. (1997). Interbranch rivalry and the Reagan Doctrine in Nicaragua.
    Political Science Quaterly, Vol. 112, No. 2, p. 237 – 260.
  179. Memorandum. From Tom Enders to Secretary Shultz. Where others stand.
    04/04/1983. ID# 2062. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname 04/04/1983
    – 04/07/1983; pg. 12. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library, California.
  180. Letter. From President Reagan to President Figueiredo. Visit by William Clark. 8
    April 1983. ID# 2074. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname 04/08/1983
    – 04/18/1983; pg. 7. Box Number 5. WHORM: Subject File, Ronald Reagan Library.
  181. Schneider, Ronald M. (1991). Order and Progress: a political history of Brazil.
    Publisher: Westview Press and Oxford, Boulder, CO.
  182. Cable. From William Clark to Ambassador Motley. Operation Guiminish. 11 April
  183. ID# 2075. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname 04/04/1983 –
    04/18/1983; pg. 9-10. Box 5. WHORM: Subject File, Ronald Reagan Library.
  184. Operation Condor – Wikipedia
  185. Cable. From Ambassador Motley to William P. Clark. No title. 13 April 1983. ID#
  186. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables 04/13/1983 –
    04/19/1983; pg. 4-5. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  187. Memorandum. From Alfonso Sapia-Bosch to William Clark. Suriname – Points to
    raise with the President. 14 April 1983. ID# 2077. Collection Name: Clark, William: Files.
    Folder: Suriname Cables 04/08/1983 – 04/18/1983; pg. 13-14. Box 5. WHORM: Alpha File,
    Ronald Reagan Library.
  188. Message. From Ambassador Motley to Judge Clark. Re: Phone Call. 14 April 1983.
    ID# 2078. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables 04/08/1983 –
    04/18/1983; pg. 13-14. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  189. Cable. From Ambassador Motley to Judge Clark. XXX XXX XXX. 15 april 1983. ID#
  190. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables 04/13/1983 –
    04/19/1983; pg. 18-20. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
    38a. Letter. From President Figueiredo to Reagan. 15 april 1983 ID# 2084. Collection
    Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname 04/08/1983 – 04/18/1983; pg. 22-25. Box 5.
    WHORM: Subject File, Ronald Reagan Library.
  191. Pereira Anthony W. (2018). The US role in the 1964 coup in Brazil: a reassessment.
    Bulletin of Latin American Research, Vol. 37, No. 1, pp. 5 – 17.
  192. Saxon Wolfgang (1999). João Figueiredo, 81, dead; Revived Brazil’s democracy. New
    York Times, Dec. 25, Section B, Page 6.
  193. McAnarney Alexandra and Montgomery Alexandra. (2019). Brazil on the 40th
    Anniversary of the Amnesty Law | open Democracy (Democracia abierta).
  194. Encyclopedia.com/abertura.
    71
  195. Cable. From Ambassador Motley to Judge Clark. Venturini trip report. 20 April 1983.
    ID# 2222. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables 04/20/1983; Box
  196. pg. 12-18. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  197. Cable. From Ambassador Motley to Judge Clark. Venturini’s summary paper. 20
    April 1983. ID# 2224. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables
    04/20/1983; pg. 19-21. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  198. Cable. From Ambassador Motley to Judge Clark. “Operation Guiminish”. (draft
    presidential letter) 20 april 1983. ID# 2226. Collection Name: Clark, William: Files. Folder:
    Suriname Cables 04/20/1983; pg. 23-25. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan
    Library.
  199. Cable. From Ambassador Motley to William Clark. Guiminich and Libyan Plans. 22
    April 1983. ID# 2241. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables
    04/21/1983 to 04/22/1983; pg. 21-22. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  200. Woodruff Judy. “Interview with Secretary Shultz”. NBC Morning News, May 31,
  201. Folder: Suriname “Miscellaneous” Items 03 24 1983 to 04 08 1983 – pg. 36.
  202. Memorandum. From Alfonso Sapia-Bosch to William Clark. Telegram naar
    Ambassadeur Duemling in Paramaribo. 15 April 1983. ID# 2204. Collection Name: Clark,
    William: Files. Folder: Suriname Cables 04/13/1983 to 04/19/1983; pg. 14. Box 5. WHORM:
    Alpha File, Ronald Reagan Library.
  203. Cable. From Ambassador Duemling to the Secretary of State. Brazilian mission to
    Suriname. 21 april 1983. ID# 2234. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname
    cables 04/21/1983 – 04/22/1983; pg. 2-5. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan
    Library.
  204. Cable. From William Clark to Robert Duemling. No title. 28 april 1983. ID# 2253.
    Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables 04/23/1983 – 04/30/1983;
    pg. 12-13. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  205. Cable. Van Ambassadeur Duemling naar Secretary of State Shultz. MinisterPresident vraagt om USG-hulp. 9 mei 1983. ID# 2276. Collection Name: Clark, William:
    Files. Folder: Suriname Cables May 1983; pg. 19-23. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald
    Reagan Library.
  206. Duemling Robert W. (2012). Sketches from life. Rowman and Littlefield Publishers
    Inc., Lanham, Maryland.)
  207. Note. US Embassy, The Hague. “The Dutch and Brazilian Aid to Suriname”. April 25,
  208. ID# 2731. Collection Name: Clark, William Files. Folder: Suriname Situation Room
    Notes and Checklist, (04/13/1983 – 05/31/1983); pg. 19. Box Number 6. WHORM: Alpha
    File, Ronald Reagan Library.
  209. Cable. Van Judge William Clark naar Ambassadeur Anthony Motley. Antwoord aan
    Medeiros. 8 mei 1983. ID# 2275. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname
    Cables May 1983, pg. 17-18. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  210. Cable. Van Ambassadeur Walters te Den Haag naar Judge Clark en Acting Secretary
    Darn White House, DC. No title. 10 mei 1983. ID# 2279. Collection Name: Clark, William:
    Files. Folder: Suriname cables May 1983; pg. 27-29. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald
    Reagan Library.
    72
  211. Cable. Van Ambassadeur William Dyess (Den Haag) naar Judge Clark, White House.
    Geen Titel. 10 mei 1983. ID# 2374. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname
    cables sent to Vice President Bush 04/22/1983 to 05/10/1983; pg. 33-34. Box 6. WHORM:
    Alpha File, Ronald Reagan Library.
  212. Memorandum. Van Charles Hill (State Department) to Mr. William P. Clark (White
    House). US assistance for the Brazilian initiative in Suriname. 25 May 1983. ID# 2100.
    Collection Name: Clark, William Files. Folder: Suriname 05/20/1983 to 07/20/1983; pg. 12.
    Box Number 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  213. Paper. Unknown author. Suriname (Brazil/Suriname). 13 May 1983 ID# 2099.
    Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname 05/20/1983 – 07/20/1983; pg. 7-
  214. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  215. List. From Jim Theberge for Judge Clark. Of comments on attached paper. May 20,
  216. ID# 2097. Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname 05/20/1983 –
    07/20/1983; pg. 3-4. Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  217. Cable. Van Ambassadeur Duemling naar Secretary of State Shultz. VS beleid tav
    Suriname: observaties en aanbevelingen. 14 mei 1983. ID# 2747. All quoted by Shultz.
    Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Situation Room Notes and
    Checklist 04/13/1983 – 05/31/1983; pg. 37-48. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan
    Library.
  218. Cable. Van Secretary of State Shultz, Wash/DC naar Ambassadeur Duemling,
    Paramaribo. Geen titel. 14 mei 1983/ 4 augustus 1983. ID# 2771. Collection Name: Clark,
    William: Files. Folder: Suriname Situation Room Notes and Checklists, 06/02/1983 –
    10/06/1983; pg. 30. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  219. Cable. Van Secretary of State Shultz, Wash/DC naar Ambassadeur Duemling,
    Paramaribo. Antwoord van de VS op verzoek van RVS. 4 augustus 1983. ID# 2770.
    Collection Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Situation Room Notes and
    Checklists, 06/02/1983 – 10/06/1983; pg. 28-29. Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald
    Reagan Library.
  220. List. Situation Room Checklist. 5 August 1983. ID# 2769. Collection Name: Clark,
    William: Files. Folder: Situation Room Notes and Checklists, 06/02/1983 – 10/06/1983; pg.
  221. Box 6 WHORM Alpha File, Ronald Reagan Library.
  222. Cable. Van Secretary of State, Wash/DC naar Amerikaanse Ambassade, Paramaribo.
    Heidweiler ontmoetingen met NSC functionarissen. 26 juli 1983. ID# 2329. Collection
    Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables July 1983 – September 1983; pg. 6-9.
    Box 6. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
  223. Cable. Van Ambassadeur Duemling, Paramaribo naar White House Situation Room
    Wash/DC. “Ambassador Motley’s message Brasilia 977”. 6 mei 1983. ID# 2272. Collection
    Name: Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables May 1983; pg. 10-11. Box 6. WHORM:
    Alpha File, Ronald Reagan Library.
    Bijlage
    Het in dit rapport gebruikte ‘Suriname-materiaal’ uit de Ronald Reagan Library (RRL) is
    door de bibliothecarissen opgedeeld in 27 folders. Elke folder heeft een eigen naam, zo
    gekozen om aan te duiden voor welke tijdsperiode de documenten in de folder het meest
    73
    relevant zijn. De foldertitel: ‘Suriname Cables 04/23/1983 – 04/30/1983’ is daar een
    voorbeeld van.
    Elke folder bevat een door NARA samengesteld pdf-file welke gewoonlijk, tussen de 30 en
    45 pagina’s telt. Sommige pagina’s staan vol met gefotokopieerde informatie, andere zijn
    leeg. De meeste files zijn in de beginjaren 2000, of later, aan een (bij wet verplichte?)
    evaluatie onderworpen om te bepalen welke informatie geheel of gedeeltelijk aan het
    publiek vrijgegeven zal worden. Op verschillende pagina’s van elk pdf-file zijn zogenoemde
    Withdrawal Sheets te vinden die archiverings-informatie over documenten in de folder
    bevatten.
    De staf van de RRL heeft zo haar voorkeur hoe de verwijzingen – naar materiaal uit de
    Bibliotheek – bij publicatie gestructureerd (geformatteerd) moeten worden. Om te
    verduidelijken aan welke criteria de formulering van de referenties moet voldoen, drukken
    wij hier de scan van een partiële ‘Withdrawal Sheet’ (WS) in een pdf-file af.
    De NARA-staf vraagt dat in de referenties het volgende vermeld wordt:
  224. het type document; 2. de zender en ontvanger van het document; 3. de datum
    van verzending van het document; 4. het identiteitsnummer (ID#) v/h document;
  225. de ‘Collection Name’; 6. File Folder titel; 7. pg. x-y; 8. Box nummer; 9*. White House Office of Record Management (WHORM: Alpha of Subject File);
  226. Ronald Reagan Library.
    **Punt 7 is door de redactie ingevoegd. De onderstreepte tekst geeft aan op welke
    pagina(’s) in de pdf-file de geciteerde tekst te vinden is.
    ***Punt 9: WHORM: of Alpha file of Subject file. Alpha(betical) files zijn documenten
    welke tussen stafleden onderling uitgewisseld zijn. Subject files betreft documenten welke
    verstuurd zijn van of naar het bureau (the desk) van de President. Zie bijvoorbeeld: refs
    28, 31, 33 en 38a.
    74
    Wanneer alle bovengenoemde NARA-specificaties (1-10) worden toegepast op
    bijvoorbeeld ref 48, dan ziet het resultaat er als volgt uit:
  227. Memorandum. From Alfonso Sapia-Bosch to William Clark. Telegram naar
    Ambassadeur Duemling in Paramaribo. 15 April 1983. ID# 2204. Collection Name:
    Clark, William: Files. Folder: Suriname Cables 04/13/1983 to 04/19/1983; pg. 14.
    Box 5. WHORM: Alpha File, Ronald Reagan Library.
    De titel van het document staat altijd in cursief afgedrukt.
Date:
November 10, 2025
Categories:
Tags:
Boxes:
Years:
Persons:
META DATA
Scroll to Top